ECLI:NL:CRVB:2026:707
Weigering terug te komen van het besluit tot weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Terecht geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Centrale Raad van Beroep 2 June 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:707
text/xml
public
2026-06-02T11:48:28
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Centrale Raad van Beroep
2026-05-27
25/1019 WAJONG
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:707
text/html
public
2026-06-02T11:47:59
2026-06-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:CRVB:2026:707 Centrale Raad van Beroep , 27-05-2026 / 25/1019 WAJONG
Weigering terug te komen van het besluit tot weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Terecht geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1019 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
16 april 2025, 24/1861 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 mei 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Appellante vindt dat zij nieuwe feiten heeft aangevoerd die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn terug te komen van het besluit van 8 november 2011. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht is gebleven bij de weigering een Wajong-uitkering aan appellante toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Partijen zijn niet verschenen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1993, heeft op 17 mei 2011 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat zij sociaal-emotionele problemen en concentratieproblemen heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante in staat werd geacht om minimaal 75% van het minimumloon te verdienen. Met een besluit van 8 november 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2012, heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Appellante heeft met een door het Uwv op 8 februari 2023 ontvangen formulier opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante autisme, verslavingsproblematiek, angststoornissen en problemen in omgang heeft. Het Uwv heeft deze aanvraag onder meer opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 8 november 2011. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv dit verzoek bij besluit van 4 mei 2023 afgewezen, omdat de aanvraag niet tot een ander oordeel leidt.
1.3.
Bij besluit van 4 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsartsen hebben bij de eerste aanvraag in 2011/2012 vastgesteld dat appellante beperkingen had als gevolg van een gegeneraliseerde angststoornis, een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO en pijnklachten aan de nek en schouder. De verzekeringsartsen stellen zich op het standpunt dat de door appellante bij de herhaalde aanvraag en in bezwaar ingebrachte medische informatie niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De beperkingen die appellante heeft als gevolg van een autismespectrumstoornis (een ontwikkelingsstoornis) en de angstproblematiek waren al bekend en zijn ook meegewogen bij de beoordeling van de eerste aanvraag in 2011/2012. De stoornis in het cannabisgebruik wordt in de door appellante overgelegde (medische) informatie voor het eerst genoemd in 2016, namelijk in het eindverslag van GZ-psycholoog [naam GZ-psycholoog] . Voor zover appellante stelt dat al op achttienjarige leeftijd sprake was van deze stoornis omdat zij op de leeftijd van zeventien jaar is begonnen met softdrugs en op de leeftijd van achttien jaar (ook) harddrugs is gaan gebruiken, heeft de verzekeringsarts toegelicht dat het gebruik van cannabis niet betekent dat ook sprake is van een stoornis in het cannabisgebruik. In de (psychiatrische) onderzoeken die in 2011, 2013 en 2014 hebben plaatsgevonden, is deze diagnose immers niet genoemd. De verzekeringsartsen concluderen dat daarom geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat bij appellante eerder dan in 2016 sprake was van een stoornis in het cannabisgebruik, wat betekent dat op de leeftijd van achttien jaar (in 2011) van deze stoornis nog geen sprake was. De rechtbank heeft geen reden gezien om deze conclusie en de daaraan ten grondslag liggende motivering van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden.
2.1.
De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien voor de conclusie dat de weigering om voor het verleden terug te komen van het eerdere besluit van 8 november 2011 evident onredelijk is. De stoornis in het cannabisgebruik, die voor het eerst wordt genoemd in 2016, is volgens de verzekeringsartsen wel een nieuwe medische aandoening. Appellante was als studerende aan te merken tot 19 juni 2015. Dit betekent dat appellante in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de stoornis is ontstaan, niet gedurende ten minste zes maanden studerend was. De rechtbank heeft de verzekeringsartsen dan ook in hun conclusie gevolgd dat appellante daarmee niet voldoet aan de voorwaarden om op die grond te worden aangemerkt als jonggehandicapte.
2.2.
Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de motivering van de verzekeringsartsen dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de achttiende verjaardag van appellante. Zij heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de beperkingen die samenhangen met de autismespectrumstoornis (pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO), de angststoornis en de pijnklachten aan de nek en schouder in die periode (die loopt van 21 april 2011 tot 21 april 2016) zijn toegenomen. Gezien de aard van een autismespectrumstoornis is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook niet aannemelijk dat deze problematiek wezenlijk is veranderd. Wat betreft de angststoornis bevat het dossier volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep eerder aanwijzingen dat de klachten in verband met deze stoornis zijn afgenomen: tijdens het psychiatrisch onderzoek in 2013 (verslag van psychiater M. Duerink van 9 december 2013) wordt immers geen angstproblematiek vermeld en appellante heeft verzocht om de medicatie af te bouwen omdat de situatie stabiel is en de stemming al enkele jaren onder controle is (met medicatie). Wat betreft de nek- en schouderklachten, heeft appellante bij de aanvraag in 2023 en in bezwaar geen gegevens overgelegd waaruit blijkt van een toename van deze klachten in de hiervoor genoemde periode. De beperkingen als gevolg van de bij appellante sinds 2016 vastgestelde stoornis in het cannabisgebruik zijn niet het gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. Deze stoornis blijft dus buiten beschouwing bij de beoordeling of sprake is van toegenomen beperkingen.
2.3.
De rechtbank heeft voorts overwogen dat voor een aanvraag waarbij – ook – voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit (duuraanspraak), geldt dat uitsluitend als de aanvrager zijn aanvraag deugdelijk en toereikend heeft onderbouwd, door het Uwv moet worden onderzocht of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was. Appellante heeft geen nieuwe medische informatie aangeleverd waaruit blijkt dat het besluit van 8 november 2011 onjuist is. Uit de beschikbare informatie blijkt ook overigens niet dat de medische situatie van appellante op de achttienjarige leeftijd, achteraf gezien, onjuist is beoordeeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 8 november 2011. De verwijzing van appellante naar het oordeel van verzekeringsarts I. Vervoordeldonk dat zij geen arbeidsmogelijkheden heeft, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. De beoordeling van deze verzekeringsarts ziet op de WIA-uitkering die met ingang van 13 juli 2023 aan appellante is toegekend. Zoals het Uwv terecht naar voren heeft gebracht, zegt dit oordeel niets over de juistheid van de beoordeling die in 2011/2012 in het kader van de Wajong is gedaan. Ook het beroep dat appellante heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Appellante heeft weliswaar verwezen naar een persoon die volgens appellante met soortgelijke problematiek te maken heeft en die wel een Wajong-uitkering heeft gekregen, maar appellante heeft geen gegevens van deze persoon overgelegd. Het Uwv kon daarom niet inhoudelijk reageren op deze stelling en de rechtbank heeft ook niet kunnen vaststellen of het om een vergelijkbaar geval gaat.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat van een onjuist beoordelingskader is uitgegaan, dat haar medische situatie op achttienjarige leeftijd onvoldoende is beoordeeld en dat de haar toegekende WIA-uitkering en WLZ-indicatie wijzen op langdurige en structurele beperkingen. Appellante wijst op rechtsongelijkheid, nu aan een persoon met vergelijkbare problematiek wel een Wajong-uitkering is toegekend. Appellante heeft ter ondersteuning van haar standpunt informatie van Novadic-Kentron van 10 juli 2025 en een vragenlijst van 5 december 2017 overgelegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 april 2026, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering om terug te komen van de eerdere besluitvorming terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van betrokkene beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.4.
In het rapport van 9 april 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend gemotiveerd waarom de in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft om op medische gronden tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft het Uwv terecht gevolgd in het standpunt dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en geen aanleiding bestaat om terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
Conclusie en gevolgen
5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 8 november 2011 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz