ECLI:NL:CRVB:2026:806
text/xml
public
2026-07-01T11:48:54
2026-06-19
Raad voor de Rechtspraak
nl
Centrale Raad van Beroep
2026-06-10
25/1277 Wajong
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:806
text/html
public
2026-06-22T10:30:30
2026-07-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:CRVB:2026:806 Centrale Raad van Beroep , 10-06-2026 / 25/1277 Wajong
Weigering om terug te komen van het besluit van 18 oktober 2011 tot weigering een Wajong-uitkering toe te kennen. Laattijdige aanvraag. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank heeft appellante ten onrechte geen proceskosten toegekend voor haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vergoeding proceskosten in hoger beroep
25/1277 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 mei 2025, 24/497 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten om niet terug te komen van een eerdere weigering in 2011 om appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante vindt dat zij nieuwe feiten heeft aangevoerd die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van het besluit uit 2011. De Raad volgt dit standpunt niet. Het Uwv heeft op goede gronden geen aanleiding gezien om van de eerdere weigering van Wajong-uitkering terug te komen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 april 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar zus [naam zus] en mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1974, heeft in de jaren 1992-1994 via het jeugdwerkgarantieplan gewerkt in een kinderopvang. Op 7 oktober 1994 heeft zij zich ziekgemeld, waarna zij een uitkering op grond van de Ziektewet en daaropvolgend een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen. In het kader van een herbeoordeling is de AAW/WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 juni 1996 beëindigd omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt voor de AAW en minder dan 15% arbeidsongeschikt voor de WAO werd geacht.
1.2.
Appellante heeft op 1 oktober 2011 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten en beperkingen heeft als gevolg van een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) en dat in de periode 2008-2010 sprake is geweest van behandeling om de cirkel van drugsgebruik te doorbreken. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Daarbij is door het Uwv primair aangesloten bij de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 7 oktober 1994, zoals die bij de AAW/WAO-beoordeling is aangenomen. Appellante was toen 21 jaar en niet studerend, dus geen jonggehandicapte. Subsidiair is verwezen naar het arbeidsmedisch onderzoek bij de WAO-beoordeling, op grond waarvan appellante op 10 april 1996 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is bevonden, dus meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 oktober 2011.
1.3.
Op 2 maart 2023 heeft appellante een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Wajong ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante klachten en beperkingen heeft als gevolg van een BPS, een bipolaire stoornis en verslavingsgevoeligheid. Bij de aanvraag is (medische) informatie uit de jaren 2009 tot en met 2023 van de huisarts en een toelichting van appellante gevoegd. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 18 oktober 2011. Bij besluit van 13 april 2023 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen.
1.4.
Bij besluit van 17 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten, onder veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de schade aan appellante wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-.
2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat in 1996 bij de WAO-beoordeling is vastgesteld dat appellante een arbeidsverleden had en dat zij in staat was om een aantal functies te verrichten, waardoor zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij de beoordeling in 2011 is mede daaruit afgeleid dat appellante op achttienjarige leeftijd minstens 75% van het minimumloon kon verdienen. Dat besluit staat in rechte vast. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv de gegevens van de WAO-beoordeling niet weer mag gebruiken omdat deze niet meer beschikbaar zijn. Het feit dat er geen gegevens meer zijn, mag niet voor risico komen van het Uwv. Het Uwv hoeft alle gegevens slechts tien jaar te bewaren. Nu het gaat om een laattijdige herhaalde aanvraag komt dit voor risico van appellante. Appellante moet dan nieuwe feiten of veranderde omstandigheden stellen die betrekking hebben op die beoordeling, de zogenaamde juridische nova.
2.2.
Het Uwv heeft zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden over de te beoordelen periode. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij overwogen dat de verzekeringsarts in 2011 heeft onderkend dat bij appellante sprake is van een precaire psychische situatie/draagkracht en het bestaan van belastende dan wel beïnvloedende psychosociale omstandigheden. Genoemd wordt onder andere de borderline persoonlijkheidsstructuur. Dit wordt bevestigd door de nu ingebrachte medische informatie, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In zoverre is dus geen sprake van nova. Voorts komt uit de inmiddels voorhanden informatie naar voren dat ook sprake is (geweest) van verslavingsproblematiek. Deze verslavingsproblematiek wordt niet expliciet genoemd door de verzekeringsarts in 2011, maar dit geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het om nova gaat wat betreft de beoordeling van de belastbaarheid van appellante op achttienjarige leeftijd. De meeste medische stukken die aanwezig zijn, dateren van ná de datum in geding en de rechtbank heeft daarin geen verslavingsproblematiek op achttienjarige leeftijd gelezen. Het feit dat er op achttienjarige leeftijd wel al van enig gebruik van dergelijke middelen sprake was, is daartoe onvoldoende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat de bij de nieuwe aanvraag en in bezwaar ingediende (medische) informatie geen aanleiding vormt om terug te komen van het eerdere besluit uit 2011. Ook hier geldt dat het voor risico van appellante komt dat de medische stukken over de datum in geding ontbreken.
2.3.
Het Uwv heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de WAO-beoordeling erop duidt dat appellante in 1996 (toen zij 22 jaar was) niet toegenomen arbeidsongeschikt is geweest. Dat wettigt de conclusie dat niet gesteld kan worden dat er sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid en/of het kwijtraken van arbeidsvermogen in de vijf jaren na de achttiende verjaardag.
2.4.
Wat appellante verder heeft aangevoerd, biedt volgens de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat herziening voor de toekomst had moeten plaatsvinden op grond van de zogenoemde duuraanspraken-jurisprudentie. De door appellante ingebrachte medische informatie ziet niet, dan wel in onvoldoende mate, op de medische situatie ten tijde van de Wajong-relevante periode, zodat ook hieraan niet de door appellante gewenste betekenis kan worden toegekend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 29 december 2023 toereikend gemotiveerd dat geen informatie is ingebracht waaruit blijkt dat appellante al vanaf haar achttiende verjaardag arbeidsongeschikt was in de zin van de Wajong. Daarom heeft het Uwv terecht ook herziening voor de toekomst geweigerd.
2.5.
Tot slot is volgens de rechtbank niet gebleken dat het Uwv destijds een evident onjuist besluit heeft genomen over de arbeidsongeschiktheid van appellante op achttienjarige leeftijd en de vijf jaar daarna, zodat niet kan worden geoordeeld dat de afwijzing van de aanvraag evident onredelijk is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
Volgens het Uwv was bij de beoordeling in 2011 al bekend dat sprake was van een borderline persoonlijkheidsstructuur. Het is niet duidelijk waarop de verzekeringsarts dat destijds heeft gebaseerd. Nu is duidelijk dat sprake is van een ernstige BPS. Dat is zwaarder dan een borderline persoonlijkheidsstructuur. Die stoornis had zij ook al in 1994, toen zij ziek werd.
3.2.
Verder is sprake van diverse ernstige verslavingen waardoor appellante niet tot arbeid in staat is. Die zeer ernstige psychische problematiek vindt zijn oorsprong in haar jeugd. Er was sprake van een zeer onveilige gezinssituatie, diverse trauma’s en al op vijftienjarige leeftijd is appellante door haar moeder uit huis gestuurd vanwege haar verslavingsproblematiek. Appellante heeft verwezen naar een verslag van de RIAGG van 7 mei 1993. Op achttienjarige leeftijd was er veel meer aan de hand dan enkel wat onbeschreven problemen met persoonlijkheidsstructuur. Appellante is in feite nooit in staat geweest zelfstandig te functioneren. Ze is afhankelijk geweest van anderen, vaak ook met negatieve gevolgen. Appellante heeft wel degelijk voldoende stukken ingediend als nova, op grond waarvan gezegd moet worden dat zij op achttienjarige leeftijd in aanmerking zou moeten komen voor een Wajong-uitkering.
3.3.
Bij de eerste Wajong-aanvraag, in 2011, heeft geen arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Een enkele verwijzing naar een arbeidskundig onderzoek in het kader van de WAO is onvoldoende. De Wajong-beoordeling in 2011 is onvolledig en onvoldoende geweest. Ten onrechte is besloten op stukken die niet bekend zijn. Als dan om herziening gevraagd wordt, moet die beoordeling zorgvuldig bekeken worden. Gaat het om nova, dan gaat het ook om de vraag of de beoordeling in 2011 juist is geweest.
3.4.
Wat betreft de beoordeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid is van belang dat appellante in 1995 een ZW- en erna een WAO-uitkering heeft ontvangen. Zij werd toen niet in staat geacht werkzaamheden te verrichten. Dat impliceert dat in principe recht op een Wajong-uitkering ontstaat.
3.5.
Verder is evident duidelijk dat appellante recht had op een Wajong-uitkering. Daardoor is het onredelijk de afwijzing te handhaven en herziening te weigeren. Er was sprake van langdurig zieke omstandigheden als gevolg van BPS en verslavingsproblematiek. Ondanks jarenlange uitgebreide en langdurige medische interventies is een toestand ontstaan en gebleven als beschreven in een CIZ-rapport over een indicatie voor de Wet langdurige zorg. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante voorts verwezen naar een brief van 6 april 2026 van haar behandelend psychiater.
3.6.
Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor appellantes verzoek om schadevergoeding.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een nader rapport van 11 november 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit over de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de weigering een Wajong-uitkering toe te kennen, in stand heeft gelaten en of de rechtbank terecht geen proceskosten heeft toegekend voor het verzoek om schadevergoeding. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep voor wat betreft de niet-toegekende proceskosten slaagt, en voor het overige niet slaagt.
5.1.
De Raad heeft eerder geoordeeld dat een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering, naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dan wel een beroep wordt gedaan op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid, ofwel om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).
5.2.
Bij het besluit van 18 oktober 2011 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om een Wajong-uitkering, primair omdat appellante toen zij ziek werd op 7 oktober 1994 21 jaar en niet studerend was, dus geen jonggehandicapte was, en (subsidiair) omdat appellante per 10 april 1996 minder dan 15% arbeidsongeschikt werd bevonden en zij daarom meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Daarbij is zowel de situatie op appellantes achttiende verjaardag ( [geboortedatum] 1992) als de periode van haar achttiende tot en met haar 23e verjaardag (de periode tot [geboortedatum] 1997) beoordeeld. Door de verzekeringsarts is in 2011 geconcludeerd dat appellante voor de toepassing van de AAW/WAO per 22 juni 1996 in staat is gebleken passende functies te verrichten, waarmee zij ook voor de Wajong minder dan 25% arbeidsongeschikt is te achten.
5.3.
Het verzoek van appellante van 2 maart 2023 strekt ertoe dat het Uwv voor zowel het verleden als de toekomst terugkomt van het besluit van 18 oktober 2011.
5.4.
Op het verzoek van appellante van 2 maart 2023 heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.5.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.6.
In hoger beroep is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 11 november 2025 toegelicht dat niet eenvoudig is te beantwoorden of appellante op haar achttiende verjaardag ( [geboortedatum] 1992) al beperkingen had. Niet ter discussie staat dat de BPS al op achttienjarige leeftijd aanwezig was, de vraag is echter in welke mate appellante hierdoor toen ook al beperkt was in haar functioneren. Dat is nu, in retrospectief, onmogelijk te beoordelen. Het hebben van een ziekte staat niet meteen gelijk aan het daardoor ook hebben van functionele beperkingen. Dit geldt ook voor eventuele andere problematiek van appellante, zoals de verslavingsproblematiek. Op basis van het verslag van 7 mei 1993 van de RIAGG is wel te verwachten dat de verslavingsproblematiek ook al op of rond de achttienjarige leeftijd speelde. Maar of deze problematiek appellante in dergelijke mate hinderde dat zij hierdoor functioneel beperkt werd, is in 2025 volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep op geen enkele wijze meer gefundeerd te achterhalen. De beschikbare informatie wijst juist in tegengestelde richting, gelet op de werkzaamheden die appellante destijds verrichtte.
5.7.
Dit wordt gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar gemotiveerd dat de aanwezige informatie geen inzicht geeft in de beperkingen van appellante tussen haar achttiende en 23e verjaardag. Ook de in hoger beroep overgelegde informatie van appellantes huidige behandelend psychiater ziet niet op appellantes medische situatie van destijds. Bij de beoordeling in 2011 was de verzekeringsarts voorts bekend met de bij appellante aanwezige borderline-aspecten. In de Wajong-aanvraag van destijds is ook de verslavingsproblematiek door appellante vermeld. Niet blijkt dat er destijds bij de medische beoordeling relevante aspecten door de verzekeringsarts zijn gemist.
5.8.
Gelet op het voorgaande heeft het Uwv terecht geweigerd om terug te komen van het besluit van 18 oktober 2011. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de weigering om terug te komen van dat besluit evident onredelijk is.
Proceskosten verzoek om schadevergoeding
5.9.
De beroepsgrond dat de rechtbank appellante ten onrechte geen proceskosten heeft toegekend voor haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn slaagt. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is de rechtbank voor zover hier van belang bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Daaronder worden begrepen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Onder de limitatieve opsomming in het Bpb valt onder meer het indienen van een verzoek om schadevergoeding. Deze kosten van rechtsbijstand komen volgens vaste rechtspraak voor ambtshalve toewijzing in aanmerking. De rechtbank had dus een proceskostenvergoeding moeten toekennen voor het verzoek.
5.10.
De Raad zal het Uwv alsnog veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, met wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 934,-).
Conclusie en gevolgen
5.11.
Het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De aangevallen uitspraak wordt in zoverre vernietigd. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand begroot op € 934,- (1 punt voor een hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- met wegingsfactor 0,5). Ook bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb te bepalen dat de griffier van de Raad het door appellante betaalde griffierecht in hoger beroep van € 143,- vergoedt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.401,-;
- bepaalt dat de griffier aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) C.C.T. Yao
Zie de uitspraak van de Raad 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
Zie de uitspraken van de Raad van 6 februari 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5921, en 7 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8303.