Beslissing van de wrakingskamer. Wrakingsverzoek afgewezen
Gerechtshof Amsterdam 28 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1626
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2026
Datum publicatie
28-06-2026
Zaaknummer
200.355.748/01
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHAMS:2026:1626text/xmlpublic2026-06-28T18:00:212026-06-16Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Amsterdam2026-06-28200.355.748/01UitspraakHoger beroepNLAmsterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1626text/htmlpublic2026-06-17T09:48:492026-06-28Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHAMS:2026:1626 Gerechtshof Amsterdam , 28-06-2026 / 200.355.748/01 Beslissing van de wrakingskamer. Wrakingsverzoek afgewezen
GeRechtshof Amsterdam zaaknummer : 200.355.748/02
zaaknummer hoofdzaak : 200.355.748/01 Beslissing van de wrakingskamer van 28 mei 2026 op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker]
,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. A.J. Engelsma te Amsterdam,
hierna: verzoeker. 1De procedure1.1. De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2024, waarbij het verzoek tot herroeping van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2023, is afgewezen. 1.2. Verzoeker heeft op 15 april 2026 tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak mondeling de wraking verzocht van de raadsheren mrs. A.L. Bervoets, M.L.D. Akkaya en A.S. Arnold (hierna: de raadsheren). 1.3. De raadsheren hebben op 17 april 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking. 1.4. Het wrakingsverzoek is op 20 mei 2026 door de wrakingskamer in het openbaar behandeld. Op de zitting was verzoeker aanwezig, bijgestaan door mr. Engelsma. Namens de raadsheren is mr. Bervoets verschenen. 2Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover2.1. De grond van het wrakingsverzoek is opgenomen in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak. Deze luidt als volgt: “appellant wraakt het hof, alle drie, want appellant vermoedt partijdigheid, vanwege de vraagstelling door de oudste raadsheer”. De vraag van de oudste raadsheer, mr. Akkaya (in het proces-verbaal aangeduid als ‘Raadsheer 1’), en de reactie daarop van mr. Le Heux, de advocaat van de wederpartij van verzoeker, zijn als volgt opgenomen in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak:
(afbeelding 1) 2.2. Verzoeker heeft verder tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak aangevoerd dat met deze vraagstelling aan mr. Le Heux sprake is van souffleren van wat mr. Le Heux had kunnen en moeten zeggen. Verzoeker vindt deze vraagstelling partijdig en daarmee niet acceptabel. 2.3. De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie kenbaar gemaakt dat zij niet berusten in de wraking. Zij voeren aan dat het hof partijen voorafgaand aan de zitting heeft laten weten de ontvankelijkheid aan de orde te stellen aan de hand van een uitspraak van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat geen hoger beroep open staat tegen de afwijzing van een verzoek tot herroeping, maar wel cassatie, zodat geen ruimte bestaat voor doorbrekingsgronden. Deze uitspraak van de Hoge Raad is tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak aan partijen voorgehouden, omdat partijen wel inhoudelijk ingingen op de doorbrekingsgronden, en daarmee de uitspraak van de Hoge Raad niet op die manier leken te hebben gelezen of begrepen. De raadsheren voeren aan dat zij de ontvankelijkheid ambtshalve moeten beoordelen en de wederpartij in haar verweerschrift bovendien ook al het verweer heeft gevoerd dat verzoeker niet-ontvankelijk is in het hoger beroep. Met de vraagstelling heeft de oudste raadsheer ter verduidelijking gevraagd hoe het betoog van de advocaat van de wederpartij op de zitting dient te worden begrepen ten opzichte van wat in het verweerschrift was aangevoerd. De raadsheren betwisten dat met de vraagstelling een verweer in de mond is gelegd. 2.4. Mr. Engelsma heeft het wrakingsverzoek op de zitting van de wrakingskamer nader toegelicht. Namens verzoeker is aangevoerd dat de vraag van mr. Akkaya aan mr. Le Heux geen verzoek om verduidelijking was, maar drie elementen bevatte: de verwachting over wat mr. Le Heux had moeten betogen, een samenvatting van wat het hof wenste te horen en een retorische vraag. Dat het hof de ontvankelijkheid ambtshalve moet beoordelen en geen verweer van de wederpartij nodig heeft, is innerlijk tegenstrijdig. De vraag van het hof was dan namelijk per definitie overbodig. Deze vraag had maar één functie namelijk het structureren van het betoog van de wederpartij. Bovendien is sprake van asymmetrie in de behandeling van partijen tijdens de mondelinge behandeling, omdat verzoeker werd onderbroken, maar mr. Le Heux niet, toen hij inhoudelijk op de zaak inging, aldus nog steeds namens verzoeker. 2.5. Verzoeker zelf heeft tijdens de zitting van de wrakingskamer nog aangevoerd dat de vraagstelling aan mr. Engelsma wezenlijk anders was dan de vraagstelling aan mr. Le Heux en dat daar bovendien zo’n vijftien tot twintig minuten tussen zat. Door de vraagstelling kreeg verzoeker het gevoel dat de wederpartij werd voorgetrokken. Beide advocaten waren niet goed voorbereid op de uitspraak van de Hoge Raad uit 2012, maar mr. Le Heux hoefde na de vraag van mr. Akkaya alleen maar bevestigend te antwoorden. 2.6. Mr. Bervoets heeft tijdens de zitting van de wrakingskamer het standpunt gehandhaafd zoals hiervoor weergegeven onder 2.3. 3De beoordeling Juridisch kader 3.1. Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. 3.2. Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Beoordeling in deze zaak 3.3. De wrakingskamer oordeelt dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid bij de raadsheren. De wrakingskamer ziet in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak geen aanknopingspunten om te oordelen dat de vraagstelling door mr. Akkaya aan mr. Le Heux, zoals onder 2.1 is opgenomen, suggestief is of dat daarmee een verweer in de mond is gelegd. Daarbij is relevant dat de wederpartij van verzoeker bij verweerschrift in de hoofdzaak reeds een beroep heeft gedaan op de niet-ontvankelijkheid van verzoeker in hoger beroep, zoals de raadsheren terecht aanvoeren. 3.4. Verder is relevant dat op 13 april 2026, twee dagen voor de mondelinge behandeling van de hoofdzaak, een e-mail aan de betrokken advocaten is verzonden, waarin is opgenomen: “Het hof zal op de zitting van komende woensdag met partijen de ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep bespreken. Daarbij zal aan de orde komen of het hof in geval van niet-ontvankelijkheid de zaak dient door te verwijzen (vgl. HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896).” Beide advocaten hebben zich dus kunnen voorbereiden op vragen over (de betekenis van) deze uitspraak. Dat die vragen aan de advocaten tijdens de mondelinge behandeling op een (iets) andere manier zijn verwoord en dat er enige tijd tussen de vragen over de ontvankelijkheid aan mr. Engelsma en mr. Le Heux zat, levert geen aanwijzing op voor het aannemen van partijdigheid bij de raadsheren. 3.5. Voor zover met de toelichting van of namens verzoeker ter zitting bedoeld is aanvullende gronden aan te voeren, zullen deze niet in behandeling worden genomen, gelet op het bepaalde in artikel 37 lid 3 Rv. 3.6. Dit leidt tot de slotsom dat het verzoek tot wraking van de raadsheren zal worden afgewezen. 4De beslissing De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door mrs. P.F.E. Geerlings, J.F. Aalders en E.J. Bellaart, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. Veelers als griffier en getekend door de voorzitter en de griffier op 28 mei 2026.