Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHAMS:2026:1653

Het hof is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht door de kinderrechter is verlengd en nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Dat de ouders nu meer zaken op orde hebben is (nog) niet voldoende voor een terugkeer van de minderjarige naar hen. Artikelen: 1:265b lid 1 BW & 1:265c lid 2 BW.

Gerechtshof Amsterdam 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHAMS:2026:1653 text/xml public 2026-07-02T18:00:16 2026-06-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-06-30 200.367.426/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1653 text/html public 2026-06-30T11:09:46 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1653 Gerechtshof Amsterdam , 30-06-2026 / 200.367.426/01
Het hof is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht door de kinderrechter is verlengd en nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Dat de ouders nu meer zaken op orde hebben is (nog) niet voldoende voor een terugkeer van de minderjarige naar hen.

Artikelen: 1:265b lid 1 BW & 1:265c lid 2 BW.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.367.426/01

zaaknummer rechtbank: C/15/373758 / JU RK 26-96

beschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [plaats B] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de GI.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- [de moeder] , wonende te [plaats A] , hierna: de moeder,

advocaat: mr. J. Sietsma te Koog aan de Zaan,

- de minderjarige [minderjarige 1] , geboren [in] 2024, hierna: [minderjarige 1] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem ,

hierna: de raad.
<nr>1</nr>De zaak in het kort
De zaak gaat over de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg moet worden verlengd en zo ja, voor hoe lang.

De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlengd tot 6 juli 2026.

De vader is het daar niet mee eens en wil dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet wordt verlengd, dan wel voor een kortere periode. Ook de moeder is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.
<nr>2</nr>De procedure in hoger beroep 2.1
De vader is op 16 april 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft op 1 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de vader van 18 mei 2026, met als bijlage productie J;

- een bericht van de vader van 23 mei 2026, met een bijlage.
2.4
Bij bericht van 4 mei 2026 heeft de advocaat van de vader verzocht om de mondelinge behandeling digitaal bij te wonen. Nadat de GI en de moeder in de gelegenheid zijn gesteld zich hierover uit te laten en daartegen geen bezwaar hebben geuit, heeft het hof dit verzoek toegewezen.
2.5
De zitting heeft op 28 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat; die laatste via een digitale videoverbinding;

- twee vertegenwoordigers van de GI;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar.
<nr>3</nr>De feiten 3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) hebben een affectieve relatie met elkaar en zij wonen samen. Zij zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2024 in [plaats C] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] .
3.2
De moeder is gescheiden van haar eerdere partner, met wie zij twee kinderen heeft:

- de minderjarige [minderjarige 2] , geboren [in] 2015 in [plaats D] , en

- de minderjarige [minderjarige 3] , geboren [in] 2016 in [plaats C] .

[minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen met een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing sinds 2023 bij hun vader.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 3 september 2025 is [minderjarige 1] , op verzoek van de raad, voorlopig onder toezicht van de GI gesteld voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van 6 november 2025 is de ondertoezichtstelling door de kinderrechter uitgesproken voor de duur van een jaar tot 6 november 2026.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 12 september 2025 is, op verzoek van de raad, een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een crisispleeggezin tot 3 oktober 2025, waarbij het verzoek voor het overige is aangehouden. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna verlengd, eerst tot 3 december 2025 en vervolgens tot 3 maart 2026.
3.5
[minderjarige 1] woont sinds de crisisuithuisplaatsing (september 2025) in een pleeggezin.
3.6
De ouders hebben op dit moment twee keer per week gedurende één uur omgang, soms uitgebreid naar 1,5 uur, met [minderjarige 1] , op maandag en vrijdag van half 10 tot half 11 bij Kenter. De omgang wordt begeleid door een pleegzorgwerker of jeugdbeschermer.
<nr>4</nr>De omvang van het hoger beroep 4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de GI, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 6 juli 2026.
4.2
De vader verzoekt primair de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.

Subsidiair verzoekt de vader, indien het hof oordeelt dat verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk is, de duur daarvan aanzienlijk te beperken en dat op korte termijn opnieuw een beoordeling plaatsvindt of terugplaatsing bij de ouders mogelijk is.
4.3
De GI verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, dan wel zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
<nr>5</nr>De motivering van de beslissing
De standpunten
5.1
De vader vindt dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] heeft verlengd en daarbij onterecht heeft aangesloten bij zorgen uit het verleden. De situatie die destijds heeft geleid tot spanningen en conflicten tussen de ouders, mede vanwege het conflict van de moeder met haar ex-partner, doet zich niet meer voor. De vader heeft in het verleden zelf meldingen gedaan bij de politie om escalatie in de thuissituatie te voorkomen. Ook heeft de kinderrechter onvoldoende gewicht toegekend aan de positieve ontwikkeling die de ouders hebben doorgemaakt. De woning van de ouders is inmiddels in orde. Het gestelde middelengebruik van de ouders is nooit objectief vastgesteld en wordt door de ouders betwist. De ouders hebben zich meermaals bereid verklaard om mee te werken aan urinecontroles, maar dergelijke controles zijn nooit uitgevoerd.

Verder blijkt uit de overgelegde omgangsverslagen dat de bezoekmomenten van de ouders met [minderjarige 1] consequent positief verlopen. Voor eventuele opvoedkundige aandachtspunten zijn minder ingrijpende interventies voorhanden zoals praktische (opvoed)ondersteuning, concrete veiligheidsafspraken en/of ambulante begeleiding. Er is onvoldoende gebleken dat deze alternatieve, minder ingrijpende maatregelen dan een uithuisplaatsing daadwerkelijk zijn onderzocht. De uithuisplaatsing voldoet dan ook niet aan het vereiste van ultimum remedium. Het langdurig gescheiden zijn van zijn ouders kan negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de nog jonge [minderjarige 1] .
5.2
De GI voert het volgende verweer. Ondanks de ingezette hulpverlening van Family Supporters, ambulante spoedhulp, SIG en Stichting De Linde is er op dit moment onvoldoende duidelijkheid over de thuissituatie, de opvoedvaardigheden en het middelengebruik van de ouders. Zo verblijven de ouders nog in de huidige woning terwijl er een ontruimingsprocedure bij de rechtbank loopt. Ook hebben de ouders geen probleembesef of hulpvraag, ontkennen zij dat er sprake was van huiselijk geweld en zien zij geen noodzaak voor verdere ondersteuning. Een volledig en betrouwbaar beeld van de opvoedingscapaciteiten van de ouders kan worden verkregen door middel van een gezinsopname met 24-uurs toezicht bij GGZ [X] in [plaats] . De ouders hebben echter op 28 april 2026 aangegeven van deze gezinsopname af te zien, omdat het traject volgens hen te belastend is vanwege de reiskosten naar [X] en de duur van de opname. Verder heeft de GI gemeld dat de omgangsmomenten tussen [minderjarige 1] en de ouders overwegend goed verlopen en dat de ouders zich betrokken en liefdevol tonen tijdens de bezoeken. Na afloop van het omgangsmoment is [minderjarige 1] behoorlijk vermoeid waardoor de GI, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige 1] , een uitbreiding van de omgangsmomenten op dit moment niet in zijn belang acht.
5.3
De moeder sluit zich aan bij het standpunt en de verzoeken van de vader. De moeder heeft aantoonbare stappen gezet om haar persoonlijke situatie te verbeteren en zij is beter in staat om met de problematiek rondom haar ex-partner om te gaan. Er heeft diagnostiek bij haar plaatsgevonden, waaruit een autismespectrumstoornis (ASS) is vastgesteld. De moeder is gestopt met alcohol- en middelengebruik en zij ontvangt persoonlijke begeleiding van Stichting De Linde. Verder wijst de moeder op de positieve omgangsverslagen waaruit blijkt dat de bezoeken consistent goed verlopen en de ouders sensitief reageren, affectie tonen en geen schadelijk gedrag laten zien. De GI werpt echter telkens nieuwe bezwaren op tegen uitbreiding van de omgang en er wordt onvoldoende gekeken naar de mogelijkheden daartoe. De uithuisplaatsing is niet in het belang van [minderjarige 1] en er dient duidelijkheid te komen over zijn perspectief. De hechting van [minderjarige 1] met de ouders komt namelijk onder druk te staan nu hij geruime tijd niet meer thuis woont.

Het advies van de raad
5.4
De raad adviseert in hoger beroep de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad acht het teleurstellend dat de ouders niet willen meewerken aan een gezinsopname bij GGZ [X] , zij stellen volgens de raad niet de juiste prioriteiten. De ouders tonen onvoldoende inzet, zo hebben zij geen vertrouwen in de hulpverlening en zij geven geen toestemming voor informatie-uitwisseling van de hulpverlening met de GI. Het uitgangspunt van de uithuisplaatsing is dat er wordt gewerkt aan terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouders, maar dit lukt alleen met voldoende inzet van de ouders en hun medewerking aan de hulpverlening.

De beoordeling

Het wettelijk kader
5.5
Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
5.6
Het hof overweegt dat uit de stukken en ter zitting zijn ernstige zorgen gebleken over de veiligheid van [minderjarige 1] in de thuissituatie bij de ouders. Van 2022 tot en met 2025 zijn er meerdere meldingen bij Veilig Thuis en de politie gedaan vanwege ernstig partnergeweld tussen de ouders. De raad is tijdens de zwangerschap van de moeder van [minderjarige 1] ingeschakeld en heeft in november 2024 een onderzoek afgerond, met een terugwijzing naar de vrijwillige hulpverlening. Uit het overzicht van de politiemeldingen blijkt dat na de geboorte van [minderjarige 1] , [in] 2024, de politie verschillende keren in de woning van de ouders is geweest waarbij de agenten getuige waren van forse ruzies tussen de ouders. In april 2025 zijn zorgen gemeld over het gezin door het Leger des Heils – de bij de andere kinderen van de moeder betrokken gecertificeerde instelling - en via Veilig Thuis. De raad is op 9 mei 2025 opnieuw een kinderbeschermingsonderzoek gestart. Op 2 september 2025 heeft de moeder de raad verteld dat op 1 september 2025 wederom een escalatie tussen de ouders heeft plaatsgevonden, waarbij de moeder met spullen gooide en de vader haar heeft geslagen. [minderjarige 1] lag in de box in dezelfde ruimte. Uit het politierapport blijkt dat de moeder op 1 september 2025 de deur opende met bloed op haar lip en de politie na binnenkomst bloed op de muur en de kast observeerde. Op 12 september 2025 is [minderjarige 1] met spoed uit huis geplaatst, mede vanwege signalen van ernstig huiselijk geweld richting [minderjarige 1] zoals de dreiging van de moeder om hem van de flat te gooien en de fysieke agressie tussen de ouders in het bijzijn van [minderjarige 1] . Na de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] heeft er rond 6 oktober 2025 een burenruzie plaatsgevonden, waarbij de vader een hoofdwond zou hebben opgelopen, en waarvan de ouders aangifte hebben gedaan bij de politie. [in] 2025 meldden de buren dat de moeder huilend op het balkon stond en er geschreeuw en gebonk uit de woning van de ouders kwam.

Verder heeft de GI verschillende zorgen geuit over de situatie waarin [minderjarige 1] bij de ouders opgroeide, waaronder ook de mentale gezondheid en de stabiliteit van de moeder. Zo heeft de moeder traumagerelateerde klachten waardoor zij sombere periodes ervaart. Ook is de relatie tussen de ouders onvoldoende stabiel gebleken. Aan de pleegzorgwerker hebben de ouders verteld dat als gevolg van de stress door de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] de ruzies tussen hen hoog op kunnen lopen. De emotionele spanning bij de ouders neemt toe naarmate de stress binnen het gezin oploopt en de ouders lijken het effect hiervan op [minderjarige 1] niet te herkennen. Bij de (verlenging van) de uithuisplaatsing heeft de GI ook ernstige zorgen geuit over het vermeend middelengebruik van de ouders, te weten alcoholgebruik door de moeder en gebruik van harddrugs door de vader. Verder geeft de raad aan dat [minderjarige 1] een concrete groeiachterstand had toen hij bij de ouders thuis woonde, omdat hij niet de voeding kreeg die hij nodig had. In de eerste maanden na de plaatsing van [minderjarige 1] in het pleeggezin heeft het consultatiebureau hartruis en ondergewicht bij hem geconstateerd. Vanwege de zorgen over de opvoed- en veiligheidssituatie van [minderjarige 1] in de thuissituatie acht de GI het van belang dat eerst meer zicht komt op de opvoedcapaciteiten van de ouders voordat [minderjarige 1] kan worden teruggeplaatst bij de ouders.
5.7
Net zoals de kinderrechter ziet het hof dat de ouders het afgelopen jaar positieve stappen hebben gezet. Het is prijzenswaardig dat beide ouders verschillende (behandel)trajecten hebben gevolgd om hun persoonlijke situatie te verbeteren. De moeder heeft diagnostiek ondergaan, zij heeft EMDR-therapie gevolgd en haar medicatie is aangepast, waardoor zij meer is gestabiliseerd. Op dit moment ontvangt zij emotieregulatietherapie. De vader stelt dat hij openstaat voor diagnostiek en verdere hulpverlening, waarvoor hij op de wachtlijst staat. Ook ontvangt de vader ambulante hulpverlening en hij zal, op initiatief van de gemeente, begin juni 2026 starten met een baan bij de gemeente [gemeente] . Zowel de vader als de moeder ontvangen momenteel persoonlijke begeleiding van Stichting De Linde. Ten aanzien van de financiële situatie van de ouders is inmiddels sprake van gedegen bewindvoering en de huidige bewindvoerder werkt aan stabilisatie van de schulden. De ouders hebben aantoonbaar stappen gezet ter verbetering van hun woning, onder meer door de woning schoon te maken en ramen te vervangen. De GI is op huisbezoek geweest en bevestigt dat de woning opgeruimd(er) is en dat de ouders hiervoor flink hun best hebben gedaan.
5.8
Ondanks deze positieve ontwikkelingen bestaat naar het oordeel van het hof op dit moment nog onvoldoende zicht op de thuissituatie van de ouders, hun opvoedcapaciteiten en welke hulpverlening noodzakelijk is om een veilige terugplaatsing van [minderjarige 1] mogelijk te maken. Zo is ter zitting gebleken dat er een ontruimingsprocedure loopt ten aanzien van de woning van de ouders. De ouders hebben een laatste waarschuwing van de woningcorporatie ontvangen en de daaraan verbonden voorwaarden overtreden. De woningcorporatie vordert dat de ouders het huis ontruimen, met ontbinding van de huurovereenkomst, die op naam van de vader staat. In september 2026 zal de zaak bij de rechtbank worden behandeld. Volgens de vader is er weinig kans dat het tot een ontruiming zal komen. Het hof overweegt echter dat een ontruimingsprocedure wel degelijk het risico meebrengt dat de ouders uit hun woning worden gezet, temeer als [minderjarige 1] niet bij hen woont. Niet is gebleken dat zij zicht hebben op vervangende huisvesting en de moeder staat reeds tien jaar op de zwarte lijst van de woningcorporatie.

Daar komt bij dat de ouders niet bereid zijn relevante informatie met de GI delen, zoals wie hen begeleidt en aan welke doelen zij met de betrokken hulpverlening werken. De ouders geven de GI geen toestemming tot inzage in de behandelplannen en eindverslagen van de hulpverleningstrajecten. De vader weigert toestemming te geven voor gegevensuitwisseling met de betrokken jeugdbeschermer van zijn begeleiding bij Stichting De Linde en de moeder weigert toestemming te geven voor het delen van gegevens over haar diagnostiek. De toestemming en gegevensuitwisseling is van belang voor de GI om inzicht te krijgen in de opvoedcapaciteiten van de ouders en te kunnen beoordelen welke hulpverlening verder nodig is.

Ook erkennen de ouders de zorgen die aan de uithuisplaatsing ten grondslag liggen niet, dan wel onvoldoende. De ouders en de GI verschillen sterk van mening over de (juistheid van) de gebeurtenissen die tot de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] hebben geleid. De ouders erkennen dat in het verleden de spanningen tussen hen hoog opliepen, maar zij ontkennen dat er sprake was en is van huiselijk geweld. De vader stelt dat hetgeen is weergegeven in de politiemeldingen verkeerde interpretaties betreft. Zo betwist hij dat sprake is geweest van verwurging door hem van de moeder of dat één van de ouders een fiets door de televisie heeft gegooid. Daarnaar gevraagd, heeft de vader op de zitting gezegd dat hij niet begrijpt hoe de politiemeldingen tot stand zijn gekomen. Hij ontkent de daarin beschreven gebeurtenissen. Die ontkenning acht het hof, gelet op de overige stukken in het dossier, de verklaringen van de GI en de raad en wat hiervoor onder 5.6 is overwogen, ongeloofwaardig.
5.9
Vanwege het gebrek aan zicht op de opvoedcapaciteiten en onderliggende problematiek van de ouders heeft de GI de ouders aangemeld voor een gezinsopname bij GGZ [X] in [plaats] . Het klinische behandeltraject houdt in een verblijf van de ouders van zondagmiddag tot en met vrijdagmiddag in de gezinskliniek waarbij ondersteuning wordt gegeven aan onder meer het verbeteren van opvoedkundige vaardigheden, de dagindeling en (het verbeteren van) de relatie tussen de ouders en van de ouders met [minderjarige 1] . De ouders hebben bij mail van 28 april 2026 de GI laten weten dat zij afzien van deelname aan het traject. Ter zitting heeft de vader uitgelegd dat het voor de ouders vanwege praktische- en financiële redenen niet haalbaar is, onder meer vanwege de reiskosten van en naar [plaats] en de kosten van de opvang voor hun hond. Ook geven de ouders aan dat hun aanvankelijk was gezegd dat het traject zes tot tien weken zou duren, zoals hun ook ter zitting bij de kinderrechter is voorgehouden, maar nu is gebleken dat het traject achttien weken tot negen maanden kan duren. Verder geeft de vader aan dat hij ADHD heeft, maar omdat zijn diagnose stamt uit zijn kindertijd kan hij op basis daarvan geen ADHD-medicatie verkrijgen. Hij gebruikt daarom met enige regelmaat cannabis om rustig te worden. GGZ [X] wil de vader begeleiden bij het afkicken van cannabis en bij het starten met ADHD-medicatie. GGZ [X] stelt als voorwaarde dat de vader bij zijn huisarts navraagt wat de mogelijkheden zijn voor het verkrijgen van een nieuwe, recente ADHD-diagnose en voor alternatieve medicatie. De vader dient eerst te laten zien dat hij zich hiervoor inspant. GGZ [X] kan vervolgens nader onderzoeken of sprake is van ADHD en, indien dat het geval blijkt, bijdragen aan het verkrijgen van passende medicatie voor de vader als alternatief voor zijn cannabisgebruik. Vanwege de bezwaren van de ouders tegen de opname en de gestelde voorwaarde van GGZ [X] , is de opname van de ouders bij GGZ [X] niet gestart.
5.10
Het hof acht dit een gemiste kans van de ouders. Hoewel het hof tot op zekere hoogte oog heeft voor de praktische en financiële bezwaren van de ouders, biedt het traject bij GGZ [X] juist de mogelijkheid om de aanwezige zorgen en problematiek nader in kaart te brengen waardoor de ouders met behulp van hulpverlening kunnen werken aan versterking van onder meer hun opvoedvaardigheden. De GI heeft ter zitting aangegeven dat de ouders kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangen, omdat [minderjarige 1] op hun adres staat ingeschreven terwijl zij voor hem geen kosten meer hebben, waardoor er financiële ruimte bestaat voor de reiskosten van en naar [plaats] . Als de ouders het goed uitzoeken, zijn er bovendien ook mogelijkheden om tegen gereduceerd tarief met het OV te reizen. De ouders geven aan dat zij inmiddels een goede bewindvoerder hebben en het hof geeft mee dat ook de bewindvoerder hen kan helpen met zoeken naar financiële mogelijkheden om de reiskosten te dekken. Ook geeft de GI aan dat de lengte van het traject afhangt van de mate waarin de samenwerking met de ouders verloopt en hoeveel (opvoedkundige) sturing zij nodig hebben.

Hoewel het traject niet inhoudt dat [minderjarige 1] op dit moment weer bij de ouders thuis komt wonen, is een onderdeel van de gezinsopname dat [minderjarige 1] hierbij betrokken wordt. Zodra de samenwerking en hulpverlening met de ouders op gang is, wordt [minderjarige 1] bij de ouders binnen GGZ [X] geplaatst waardoor zij in staat worden gesteld om – met hulp - voor [minderjarige 1] te kunnen zorgen. De wens van de ouders om zelf voor [minderjarige 1] te kunnen zorgen zou daarmee dus worden verwezenlijkt, zij het onder toezicht. Dat de ouders die kans niet met beide handen aangrijpen, vindt het hof moeilijk invoelbaar.
5.11
Op dit moment is de toestand van [minderjarige 1] stabiel. De GI geeft aan dat [minderjarige 1] goed functioneert in zijn pleeggezin en hij toont een positieve sociale ontwikkeling. [minderjarige 1] is gezien door een kinderarts en gaat naar een diëtiste vanwege zijn ondergewicht en groeiachterstand. Gelet op de ernstige conflicten in het verleden, is het hof met de raad en de GI van oordeel dat eerst (meer) zicht moet komen op de thuissituatie van de ouders, hun opvoedvaardigheden en onderlinge verstandhouding voordat geoordeeld kan worden dat het voor [minderjarige 1] veilig genoeg is om weer thuis bij de ouders te wonen. Ook dient duidelijk te worden dat de ouders [minderjarige 1] een stabiele, bestendige thuissituatie kunnen bieden zonder het risico dat hun woning wordt ontruimd.

Het hof volgt de ouders niet in hun standpunt dat de veiligheid van [minderjarige 1] met minder ingrijpende maatregelen voldoende kan worden gewaarborgd. Zo heeft de raad aangegeven dat eerdere hulpverlening in het vrijwillig kader, ambulante systeemhulp en het door de raad opgestelde borgings- en signaleringsplan nieuwe crisissituaties niet hebben kunnen voorkomen. De raad en de GI achten begeleiding vanuit Stichting De Linde geen volwaardig alternatief voor de uithuisplaatsing omdat Stichting De Linde niet genoeg zicht heeft op de pedagogische vaardigheden van de ouders. De GI wijst erop dat Stichting De Linde ingezet wordt voor persoonlijke begeleiding van de ouders, maar dat zij geen opvoedondersteuning biedt of een ouderschapsbeoordeling kan geven. De begeleiding van Stichting De Linde ziet dus niet (expliciet) op het verbeteren van opvoedvaardigheden en/of het bevorderen van een veilige opvoedsituatie voor [minderjarige 1] . Daarmee is de begeleiding vanuit Stichting De Linde ontoereikend. Indien de opname bij GGZ [X] niet doorgaat, kan volgens de GI bij een thuisplaatsing van [minderjarige 1] zijn veiligheid niet gegarandeerd worden.

Alles bijeengenomen is het hof van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht door de kinderrechter is verlengd en nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Dat de ouders nu meer zaken op orde hebben is (nog) niet voldoende voor een terugkeer van [minderjarige 1] naar hen. Het hof ziet evenmin aanleiding de machtiging uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlengen dan de kinderrechter heeft gedaan, omdat het onvoldoende aannemelijk is dat binnen een kortere termijn zodanig duidelijkheid ontstaat over de opvoedcapaciteiten van de ouders en de veiligheid van [minderjarige 1] bij hen dat een terugplaatsing kan worden overwogen. Ook het subsidiaire verzoek van de vader wordt daarom afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.12
Ten overvloede overweegt het hof als volgt. Uit de omgangsverslagen blijkt dat de omgangsmomenten positief verlopen. De ouders sluiten goed aan bij [minderjarige 1] en zij nemen speelgoed en kleding voor hem mee. De ouders zijn leerbaar gebleken en zij pakken feedbackpunten goed op, zoals de aanbeveling om fris en verzorgd naar het omgangsmoment te komen. [minderjarige 1] toont blijheid om zijn ouders te zien en de ouders en [minderjarige 1] genieten van de bezoekmomenten samen. De ouders wensen dat de omgang met [minderjarige 1] wordt uitgebreid. Net zoals de kinderrechter geeft het hof de GI mee dat onderzocht kan worden of, wanneer het de draagkracht van [minderjarige 1] niet overschrijdt, de omgangsmomenten kunnen worden uitgebreid in frequentie en/of duur.
<nr>6</nr>De beslissing
Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 19 februari 2026;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. J.F. Miedema en mr. A.E. Oderkerk, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Artikel delen