Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHARL:2026:3294

Na overlijden procespartij en onttrekken van haar advocaat weegt het hof het eerder bij de kantonrechter bijgebrachte bewijs en komt tot het oordeel dat er geen levenslang, niet opzegbaar gebruiksrecht ten aanzien van een woning kan worden aangenomen. In hoger beroep alsnog toewijzing van een vergoeding voor ontruimingskosten.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:3294 text/xml public 2026-06-03T18:00:27 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-26 200.341.595/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2025:6137 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3294 text/html public 2026-06-02T09:13:34 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:3294 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-05-2026 / 200.341.595/01
Na overlijden procespartij en onttrekken van haar advocaat weegt het hof het eerder bij de kantonrechter bijgebrachte bewijs en komt tot het oordeel dat er geen levenslang, niet opzegbaar gebruiksrecht ten aanzien van een woning kan worden aangenomen. In hoger beroep alsnog toewijzing van een vergoeding voor ontruimingskosten.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.341.595/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 10117378

arrest van 26 mei 2026

in de zaak van

wijlen [appellante]

die bij leven laatstelijk zonder vaste woon- of verblijfplaats was

die hoger beroep heeft ingesteld

hierna: [appellante]

advocaat: voorheen mr. L.H. Haarsma uit Paterswolde, thans onttrokken

tegen

[geïntimeerde]

die woont in [woonplaats]

die ook hoger beroep heeft ingesteld

hierna: [geïntimeerde]

advocaat: mr. D. Sjouke uit Amsterdam
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1
Op 7 oktober 2025 is in deze zaak een tussenarrest gewezen. In dat arrest is [appellante] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren. Zij heeft daarop verzocht één getuige te horen, waarna het getuigenverhoor is gepland op 2 april 2026.
1.2
Op 3 februari 2026 heeft [geïntimeerde] het hof verzocht de procedure te schorsen op basis van artikel 225 Rv, stellend dat [appellante] is komen te overlijden. Dat verzoek is door het hof afgewezen.
1.3
In verband met het verzoek van 3 februari 2026 is op 17 maart 2026 door de raadsheer-commissaris een regiegesprek gehouden. Tijdens dat gesprek heeft mr. Haarsma bevestigd dat [appellante] op 13 januari 2026 is overleden en gesteld dat de procedure kan worden voortgezet.
1.4
Met een brief van 17 maart 2026 is mr. Haarsma verzocht uiterlijk op 24 maart 2026 duidelijk te maken voor wie zij nu optreedt en welk belang haar opdrachtgever, gezien het resterende geschilpunt, bij een voortzetting van de procedure heeft. Mr. Haarsma heeft zich daarop als advocaat aan de zaak onttrokken. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 7 april 2026 voor het stellen van een nieuwe advocaat, waarbij het op 2 april 2026 geplande getuigenverhoor is geannuleerd. Nadat zich geen nieuwe advocaat heeft gesteld, is arrest bepaald.
2De verdere beoordeling door het hof
Gebruiksovereenkomst
2.1
Mr. Haarsma heeft tijdens het regiegesprek van 17 maart 2026 bevestigd dat [appellante] tijdens de procedure in hoger beroep op 13 januari 2026 is overleden. Omdat de eventuele rechtsopvolger(s) niet op grond van artikelen 225 en 353 Rv de schorsing van de procedure heeft (hebben) ingeroepen, wordt de procedure op haar naam voortgezet. Anders dan [geïntimeerde] verzocht, komt hem als wederpartij dat recht tot schorsing niet toe.
2.2
In het arrest van 7 oktober 2025 heeft het hof overwogen dat de koopovereenkomst tussen [naam1] en [geïntimeerde] van augustus 2004 noch de daarmee samenhangende akte van levering van 14 september 2004 een derdenbeding bevat op grond waarvan [appellante] een recht toekomt om levenslang gebruik te maken van de woning van [geïntimeerde] . Het hof heeft verder overwogen dat de door partijen gesloten overeenkomst over het gebruik van de woning niet kan worden aangemerkt als een huurovereenkomst, maar gezien moet worden als gebruiksovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2.3
Wat betreft de vraag of die overeenkomst levenslang en niet opzegbaar zou zijn, zoals [appellante] had aangevoerd en [geïntimeerde] bestrijdt, heeft het hof overwogen dat op [appellante] de bewijslast daarvan rust. Omdat zij haar bewijsaanbod hiertoe had herhaald en had gesteld dat zij daarvoor nog één getuige wilde laten horen, heeft het hof haar daartoe in de gelegenheid gesteld.
2.4
Uit het hiervoor weergegeven verdere verloop van de procedure volgt dat die nadere getuige niet is gehoord. Dat betekent dat het hof aan de hand van het in de procedure bij de kantonrechter bijgebrachte bewijs en wat partijen over en weer hebben aangevoerd, heeft te beoordelen of van een levenslang, niet opzegbaar gebruiksrecht sprake is.
2.5
In de situatie zoals die nu is ontstaan, moet voorop worden gesteld dat ook als komt vast te staan dat sprake was van een levenslang, niet opzegbaar gebruiksrecht van de woning, dat gebruiksrecht met het overlijden van [appellante] is geëindigd. Daarmee is gegeven dat naar de huidige stand van zaken geen recht of titel tot gebruik van de woning kan worden aangenomen.
2.6
De vraag of voorafgaand aan het overlijden van [appellante] bedoeld gebruiksrecht van de woning bestond, is van belang voor het antwoord op de vraag of [appellante] aan [geïntimeerde] de door hem gevorderde kosten van haar gedwongen ontruiming moet vergoeden. Dat is immers niet het geval als sprake is van het gebruiksrecht waar [appellante] van uitgaat.
2.7
[appellante] heeft zich ter ondersteuning van haar stelling dat zij een levenslang, niet opzegbaar gebruiksrecht van de woning had, beroepen op de koopovereenkomst van augustus 2004, de leveringsakte van 14 september 2004, de schriftelijke verklaringen van [naam2] van 6 januari 2022 en van [naam1] van 12 februari 2022 en 19 juli 2023 en de onder ede bij de kantonrechter afgelegde verklaring van [naam2] en haarzelf.
2.8
De koopovereenkomst noch de leveringsakte bieden steun aan wat [appellante] te bewijzen heeft. Uit die documenten valt niet meer af te leiden dan dat zij ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst dan wel ten tijde van de levering in eigendom aan [geïntimeerde] de woning in gebruik had. Dat dat gebruik levenslang en niet opzegbaar zou zijn, kan daaruit geenszins worden opgemaakt.
2.9
De schriftelijke verklaring van [naam2] van 6 januari 2022 houdt niet meer in dan dat hij na 2004 samen met [appellante] onderhoud deed aan de woning ‘in de wetenschap dat zij, zoals afgesproken en overeengekomen met (…) [geïntimeerde] , de rest van haar leven in het huis (…) zou blijven wonen en werken’. Waar die wetenschap op is gebaseerd, is in die verklaring niet toegelicht. Als getuige heeft [naam2] verklaard dat hij aanwezig is geweest bij een gesprek tussen hem, een vriendin van [appellante] en [geïntimeerde] . Door de laatste zou zijn (toe)gezegd dat [appellante] ‘zo lang als ze wil, desnoods tot haar dood in de woning zou kunnen blijven’. Volgens [naam2] is die uitspraak echter gedaan in 2002, dus lang voordat de woning door [geïntimeerde] is gekocht, op een moment dat onderzocht werd op welke manier [appellante] in de woning zou kunnen blijven. Aan die uitspraak komt dan niet die zeggingskracht toe die [appellante] daaraan toegekend wil zien. Van belang is verder [naam2] heeft verklaard dat hij [geïntimeerde] na de koop weer een keer heeft ontmoet en dat tussen hen toen niet is gesproken over eventuele afspraken die zijn gemaakt met [appellante] .
2.10
[naam1] heeft in zijn schriftelijke verklaringen uiteengezet dat hij de woning onder de marktprijs aan [geïntimeerde] heeft verkocht onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat [appellante] de rest van haar leven in de woning zou kunnen blijven wonen en werken en dat een en ander in een driepartijenovereenkomst ten overstaan van de notaris is vastgelegd. De koopovereenkomst aangaande de woning is echter geen driepartijenovereenkomst; enig ander document dat zo’n overeenkomst zou kunnen zijn, is niet gesteld of gebleken. Ook kan niet blijken dat ten overstaan van de notaris een overeenkomst is opgesteld waaruit een levenslang, niet opzegbaar recht van gebruik van de woning kan blijken. [geïntimeerde] heeft in dat verband gewezen op een van de notaris afkomstige notitie waarin is vastgelegd: ‘ [appellante] blijft in de woning wonen. Huur regelen ze zelf. Dus niet “leeg en ontruimd”.’ Die notitie weerspreekt wat [naam1] in zijn schriftelijke verklaringen als versie van de gebeurtenissen geeft. De inhoud van de koopovereenkomst en de akte van levering past wel bij die notitie en niet bij de lezing van [naam1] . In zijn verklaringen wordt ook niet ingegaan op het feit dat in de koopovereenkomst en in de leveringsakte geen bepaling staat over een levenslang, niet opzegbaar gebruik van [appellante] . Verder geldt dat [naam1] niet onder ede als getuige is gehoord en dat geen concrete aanknopingspunten zijn aangereikt voor de conclusie dat de woning in 2004 tegen een lagere prijs is verkocht dan de woning waard zou zijn, zoals hij verklaart. Een en ander betekent dat het hof aan zijn verklaringen niet het gewicht toekent dat [appellante] eraan wil toekennen.
2.11
Tot slot geldt dat [appellante] onder ede wel heeft verklaard dat [geïntimeerde] de woning heeft gekocht, zodat zij daarin kon blijven wonen en werken, maar ook dat over de voorwaarden daarvoor niet is gesproken. Verder verklaart [appellante] dat in de koopovereenkomst en de akte van levering is vastgelegd wat haar, [naam1] en [geïntimeerde] voor ogen stond, maar daarin kan zij, zoals hiervoor al is overwogen, niet worden gevolgd. Dat [naam1] tegen een finale kwijting aan haar een recht van gebruik heeft toegekend en dat [geïntimeerde] daarvan op de hoogte was, zoals [appellante] verklaart, betekent nog niet dat het daarmee ging om een levenslang, niet opzegbaar gebruik. Dat is immers juist niet vastgelegd, wat wel voor de hand had gelegen. Al met al levert de verklaring van [appellante] , ook als die in samenhang met de hiervoor besproken bewijsmiddelen wordt bekeken, geen voldoende overtuigend bewijs op voor de juistheid van haar stelling dat zij met [geïntimeerde] een levenslang, niet opzegbaar recht op gebruik van de woning is overeengekomen.
2.12
Ook het hof komt daarmee tot de slotsom dat [appellante] niet het bewijs heeft geleverd waartoe zij in de gelegenheid was gesteld. Aan haar verweer dat dat levenslang, niet opzegbaar recht van gebruik aan een opzegging van de gebruiksovereenkomst in de weg stond, gaat het hof dan ook voorbij.

Zwaarwegende grond
2.13
[appellante] heeft tot slot bestreden dat [geïntimeerde] een zwaarwegende grond had om de gebruiksovereenkomst op te zeggen. Het staat echter vast dat ten tijde van de opzegging de woning al meer dan 19 jaar bij [appellante] in gebruik was, zonder dat daarvoor aan [geïntimeerde] werd betaald. Gelet op de staat waarin de woning verkeerde ten tijde van de ontruiming kan evenmin worden aangenomen dat [appellante] in de aan de opzegging voorafgegane jaren enige relevante andersoortige tegenprestatie heeft geleverd (bijvoorbeeld in de vorm van toereikend onderhoud van de woning en het perceel), nog daargelaten of dat met [geïntimeerde] was afgesproken. [geïntimeerde] is onder die omstandigheden tot een opzegging van de gebruiksovereenkomst kunnen komen. Ook dat bezwaar faalt.

Beëindiging en ontruiming
2.14
Uit al het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] zich op goede grond op de opzegging van de gebruiksovereenkomst heeft beroepen en dat daarmee de daarop gebaseerde verklaring voor recht en de daaraan verbonden ontruiming uit de woning terecht zijn toegewezen

Ontruimingskosten
2.15
Met zijn bezwaar (grief) komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het vonnis van 13 februari 2024 geen executoriale titel oplevert voor verhaal van de ontruimingskosten en dat [geïntimeerde] daarvoor een afzonderlijke titel moet verkrijgen, bestaande in een veroordeling van [appellante] in die kosten. [geïntimeerde] heeft in dat verband aangevoerd dat de ontruiming eind augustus 2024 tot 4 september 2024 heeft plaatsgevonden en dat de kosten daarvan € 15.529,79 hebben bedragen. Deze kosten zijn door [geïntimeerde] toegelicht, gespecificeerd en onderbouwd, onder meer met stukken van de deurwaarder en nota’s. [geïntimeerde] heeft vervolgens zijn vordering in hoger beroep vermeerderd door te vragen [appellante] te veroordelen tot betaling van dat laatstgenoemd bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente van 4 september 2025.
2.16
Die vermeerdering heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden (namelijk in de memorie van antwoord) en [appellante] heeft daartegen als zodanig geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten.
2.17
Een veroordeling tot betaling van de proceskosten omvat een veroordeling tot betaling van de nakosten (artikel 237 lid 4 Rv). Daaronder vallen ook de kosten die gepaard gaan met een gedwongen ontruiming (geregeld in onder meer de artikelen 555 Rv e.v. jo 3:297 BW). De kostenveroordeling als bedoeld in artikel 237 lid 1 Rv levert dus voor alle kosten een executoriale titel op en daarmee ook voor de nu gestelde ontruimingskosten. Dat dit niet met zoveel woorden in het ontruimingsvonnis is bepaald, doet daaraan niet af, omdat dit voortvloeit uit de wet. Omdat de ontruimingskosten niet op voorhand zijn te begroten, vallen zij onder artikel 237 lid 4 Rv. Daarvoor kan zo nodig van de rechter die het ontruimingsvonnis heeft gewezen een bevelschrift worden verkregen. In zoverre faalt de klacht van [geïntimeerde] tegen de beslissing van de kantonrechter.
2.18
Het volgende geldt voor de vraag of in dit geval de ontruimingskosten (gemotiveerd) zijn betwist en of nu voldoende duidelijkheid over die kosten bestaat. Voor zover het verweer van [appellante] tegen deze kosten steunt op haar verweer tegen de geldigheid van de opzegging van de gebruiksovereenkomst, faalt dat. Dat volgt uit wat hiervoor is overwogen en beslist. Ook het verweer dat [appellante] te weinig tijd is gegeven om de woning zelf te ontruimen, kan haar niet baten: op 13 februari 2024 heeft de kantonrechter al beslist dat zij had te ontruimen, waarna haar op 21 februari 2024 de ontruiming is aangezegd op een termijn van zes maanden als zij niet vrijwillig ontruimt. Die vrijwillige ontruiming is uitgebleven, waarna op 23 augustus 2024 aan haar is meegedeeld dat de feitelijke ontruiming op 29 augustus 2024 zou plaatsvinden. Met een en ander is onjuist dat [geïntimeerde] het ontstaan van die kosten over zichzelf heeft afgeroepen en dat die ontruiming is terug te voeren op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . Verder: dat [appellante] stelt ná de ontruiming niet in het bezit van haar eigendommen te zijn gesteld, kan niet aan [geïntimeerde] worden tegengeworpen. Daarvoor diende zij zich te richten tot de deurwaarder. Het na de ontruiming beoogde gebruik van de woning door [geïntimeerde] is, anders dan [appellante] meent, niet relevant voor de vraag of zij de kosten van de ontruiming moet vergoeden. Tot slot geldt dat [appellante] niet heeft weersproken dat de ontruiming door de hoeveelheid goederen van [appellante] in en rondom de woning meerdere dagen heeft geduurd en dat daarvoor meerdere personen nodig zijn geweest. Overigens bieden de door [geïntimeerde] overgelegde foto’s van de woning en het perceel ten tijde van de ontruiming ook ruimschoots steun voor die stelling. Daarmee is er naar het oordeel van het hof voldoende duidelijkheid over de gegrondheid van de gestelde kosten.
2.19
De slotsom is dat het hof de gevorderde vergoeding zal toewijzen. Omdat de ontruiming op 4 september 2024 is afgerond en daarmee de kosten zijn ontstaan, zal de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 5 september 2024 worden toegewezen.

De conclusie
2.20
Het hoger beroep van [appellante] slaagt niet. Omdat [appellante] in haar hoger beroep in het ongelijk is gesteld, moet zij de kosten daarvan dragen. Onder al die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover, die is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
2.21
Het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt deels. De proceskosten van zijn beroep zullen daarom worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij belast blijft met de eigen kosten van dit hoger beroep.
2.22
Op wat partijen nog meer of anders hebben aangevoerd, behoeft, gelet op het voorgaande, niet te worden ingegaan.
2.23
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3De beslissing
Het hof:
3.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 20 juni 2023 en het vonnis van 13 februari 2024, behalve de beslissing onder 3.6 die hierbij wordt vernietigd en beslist in zoverre opnieuw als volgt:
3.2
veroordeelt [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 15.529,79 aan vergoeding voor ontruimingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2024 tot aan de dag van betaling;
3.3
veroordeelt [appellante] in haar hoger beroep tot betaling van de volgende kosten van [geïntimeerde] :

€ 349 aan griffierecht

€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten × appeltarief II);
3.4
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
3.5
bepaalt in het hoger beroep van [geïntimeerde] dat elke partij de eigen kosten moet dragen;
3.6
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.7
wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, M.E.L. Fikkers en M.W. Zandbergen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag26 mei 2026.

ECLI:NL:GHARL:2025:6137.

HR 8 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4307, NJ 1982, 136, en o.m. rdnr. 3.15 van de conclusie van de AG (ECLI:NL:PHR:2023:1117) bij HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:97.

HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, en HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

Vgl. voormeld HR 19 maart 2010, rov. 3.5.

HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

Artikel delen