ECLI:NL:GHARL:2026:3349
text/xml
public
2026-05-29T08:20:03
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-27
21-002482-25
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Leeuwarden
Strafrecht; Strafprocesrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3349
text/html
public
2026-05-29T08:19:52
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHARL:2026:3349 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 27-05-2026 / 21-002482-25
Hoger beroep van het openbaar ministerie. In eerste aanleg vrijgesproken, mede wegens een geslaagd beroep op noodweer. In hoger beroep veroordeling wegens mishandeling door het slachtoffer op het hoofd te slaan met een voorwerp, in de binnenstad van [plaats]. Vrijspraak van openlijke geweldpleging wegens het ontbreken van nauwe en bewuste samenwerking. Het beroep op noodweer wordt verworpen, nu het slachtoffer zich op geen enkel moment agressief of dreigend had gedragen jegens verdachte en van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding geen sprake was. Veroordeling tot een taakstraf van 50 uren. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.120,87 aan materiële en immateriële schade, hoofdelijk met de mededader, parkeer- en reiskosten afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de schadebeperkingsplicht.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002482-25
Uitspraakdatum: 27 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 20 mei 2025 met parketnummer 18-192260-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
vernietiging van het vonnis van de politierechter;
vrijspraak van verdachte van openlijke geweldpleging;
bewezenverklaring van mishandeling;
veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis;
hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, en de benadeelde partij, [benadeelde] , hebben aangevoerd.
Vonnis
De politierechter heeft bij vonnis van 20 mei 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte vrijgesproken van het aan haar primair en subsidiair tenlastegelegde, waarbij ten aanzien van het subsidiaire is vrijgesproken wegens een geslaagd beroep op noodweer. Verder heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primairzij op of omstreeks 25 februari 2024 te [plaats] , openlijk, te weten, in de [locatie] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] , door die [benadeelde] :
- meermalen, althans eenmaal, bij/aan de kleding en/of het lichaam vast te pakken en/of te trekken en/of vastgepakt te houden en/of getrokken te houden en/of (vervolgens) naar de grond te duwen en/of geduwd te houden en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere vuisten, dan wel handen, en/of een voorwerp in het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen;
subsidiairzij op of omstreeks 25 februari 2024 te [plaats] , [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] :
- meermalen, althans eenmaal, met een voorwerp in het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging en dat de subsidiair tenlastegelegde eenvoudige mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verder heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Aangever heeft zich op geen enkel moment agressief of dreigend gedragen jegens verdachte. Bovendien was op het moment waarop verdachte sloeg ook geen sprake meer van een dreigende situatie richting medeverdachte. Het beroep op noodweer moet worden verworpen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat vrijspraak moet volgen van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft zij aangevoerd dat de voor openlijke geweldpleging vereiste nauwe en bewuste samenwerking (‘in vereniging’) ontbreekt. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had op het toebrengen van pijn of letsel, nu niet is gebleken dat de slaande beweging van verdachte daadwerkelijk doel heeft getroffen, laat staan dat dit pijn of letsel heeft veroorzaakt. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, indien het hof van oordeel is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, haar een beroep op noodweer toekomt. Verdachte hoefde medeverdachte wellicht niet te verdedigen, maar mocht zichzelf wel verdedigen gelet op het doorlopende geweld in de steeg. Het geweld richtte zich eerst op medeverdachte en vervolgens ook op verdachte zelf, waarop zij heeft gereageerd.
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 25 februari 2024, omstreeks 06:00 uur, krijgt de politie een melding van een mishandeling in de [locatie] in [plaats] .
De politie heeft de camerabeelden van de gemeente [plaats] , geplaatst in de [straat 1] met zicht op de [locatie] , bekeken en als volgt beschreven. Om 05:56 uur lopen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] door de [locatie] , komend vanuit de richting van de [straat 2] . Om 05:57 uur lopen aangever en zijn vrienden vanuit de [straat 1] de [locatie] in. Nadat de groepen elkaar zijn gepasseerd, draaien verdachte en medeverdachte zich om. Medeverdachte wijst met zijn handen meerdere malen in de richting van aangever en getuige [getuige 1] en loopt vervolgens naar hen toe. Getuige [getuige 2] gaat tussen medeverdachte en aangever staan en praat kennelijk met medeverdachte, waarop medeverdachte een stap achteruit doet, maar vervolgens weer op aangever afstapt. Om 05:59 uur pakt medeverdachte aangever bij zijn trui en laat hem kort daarna weer los. Om 06:00 uur arriveert een onbekende man die die meerdere malen tussen medeverdachte en aangever in gaat staan en medeverdachte probeert weg te leiden. Medeverdachte duwt hem van zich af en blijft gefocust op aangever en zoekt hem weer op.
Het hof verstaat de door de politie in bovenbedoeld proces-verbaal genoemde tijdsaanduidingen (“uur”) aldus, dat deze tijdsaanduidingen niet het daadwerkelijke tijdstip aangeven waarop het incident zich afspeelt, maar het moment op het filmfragment, dat in minuten wordt weergegeven. Het hof geeft de eigen waarneming hierna in dezelfde wijze van tijdsaanduiding weer.
Het hof heeft de camerabeelden ter terechtzitting bekeken en neemt daarbij het volgende waar.
Op tijdsaanduiding 06:27 is te zien dat aangever zijn armen op zijn rug houdt. Op 06:28 trekt medeverdachte hard aan aangever, zodanig dat zij samen ten val komen. Medeverdachte is daarmee degene die als eerste fysiek geweld gebruikt. Om 06:30 uur ligt medeverdachte op zijn rug op de grond en de onbekende man maakt een schoppende beweging en komt ten val, terwijl medeverdachte om 06:32 opstaat. Medeverdachte lijkt aangever vast te houden en hij maakt twee slaande bewegingen in de richting van zijn hoofd. Op 06:35 maakt verdachte ook een slaande beweging richting het hoofd van aangever. Op 06:46, nadat medeverdachte al achter iemand aan de steeg is uitgelopen, maakt verdachte opnieuw een slaande beweging richting het hoofd aangever, waarbij zij een voorwerp in haar hand heeft.
Aangever heeft verklaard dat hij zich vaag herinnert dat die vriendin (het hof begrijpt: verdachte) een paar keer op zijn hoofd heeft geslagen.
Verdachte heeft verklaard dat zij op 25 februari 2024 in de [locatie] in [plaats] in paniek raakte toen zij dacht dat medeverdachte door de groep van aangever zou worden doodgeslagen, en dat zij toen om zich heen heeft geslagen. Zij heeft verder verklaard dat zij op dat moment een tas met eten, een handtasje en een vape in haar handen had.
Openlijke geweldpleging
Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt weliswaar dat zowel verdachte als medeverdachte geweld heeft gebruikt tegen aangever, maar niet dat zij daarbij in zodanige nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld dat van ‘in vereniging’ plegen kan worden gesproken. Het hof spreekt verdachte dan ook vrij van de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging.
Mishandeling
Het hof onderscheidt twee momenten waarop verdachte slaande bewegingen heeft gemaakt. Op 06:35 uur maakt verdachte een slaande beweging richting het hoofd van aangever, kort nadat medeverdachte is opgestaan en vuistslagen heeft uitgedeeld. Deze beweging kan naar het oordeel van het hof worden geduid als een poging om medeverdachte bij te staan in de fysiek ontaarde confrontatie met de groep van aangever. Het hof acht dit eerste moment hierom onvoldoende voor een bewezenverklaring van mishandeling.
Op 06:46 uur maakt verdachte opnieuw een slaande beweging richting het hoofd van aangever, waarbij zij een voorwerp in haar hand heeft. Medeverdachte is dan, als voormeld, reeds achter iemand aan de steeg uit gelopen. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat zij op dat moment iets in haar handen had.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had op het toebrengen van pijn of letsel. Een slaande beweging, gericht op het hoofd van een persoon terwijl een voorwerp in de hand wordt gehouden, is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het toebrengen van pijn of letsel dat het hof daaruit het voor mishandeling vereiste opzet afleidt.
Noodweer
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat de verdedigingshandeling is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). De eerste vraag die het hof dient te beantwoorden is of op het moment waarop verdachte geweld gebruikte, te weten op 06:46, sprake was van een dergelijke aanranding.
Het hof overweegt dat uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat aangever zich op geen enkel moment agressief of dreigend heeft gedragen jegens verdachte. Op het moment waarop verdachte de slaande beweging maakte, omstreeks 06:46, was evenmin sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van medeverdachte die ingrijpen van verdachte vergde. Het hof is dan ook van oordeel dat van een noodweersituatie geen sprake was.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de haar verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, te weten op 06:46, voor haar de noodzaak bestond tot verdediging van zichzelf of van medeverdachte tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer wordt om die reden verworpen.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 25 februari 2024 schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde mishandeling van aangever.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
subsidiairzij op 25 februari 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde]
met een voorwerp op het hoofd te slaan.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever door hem op het hoofd te slaan met een voorwerp, op een moment waarop aangever al gewond was. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijk geweld veroorzaakt niet alleen pijn en letsel bij het slachtoffer, maar draagt ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het feit werd gepleegd in de binnenstad van [plaats] waar het, blijkens de beelden in het dossier, op dat moment nog behoorlijk druk was. Verdachte heeft op de terechtzitting van het hof voor haar handelen oprecht spijt betuigd aan aangever.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 13 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling, maar neemt daarbij in aanmerking dat dit in 2016 was. De eerdere veroordeling weegt daarom niet strafverzwarend mee.
Verder heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof zijn besproken.
Alles afwegende acht het hof, evenals de advocaat-generaal, een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 3.408,57 ingediend. Dit bedrag bestaat uit € 1.408,57 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft materiële schade gevorderd van in totaal € 1.408,57, bestaande uit de dagwaarde van beschadigde kleding (€ 720,99), eigen risico (€ 385,00), medicatiekosten (€ 14,88), parkeerkosten (€ 60,00) en reiskosten (€ 227,70).
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
De schadepost beschadigde kleding betreft een trui en een bomberjack, die als gevolg van het incident bebloed zijn geraakt. De benadeelde partij heeft aangetoond dat pogingen om het bloed uit de kleding te wassen zijn mislukt, onderbouwd met foto’s van de bebloede kledingstukken. Het verweer van de raadsman dat bloed uitwasbaar is, wordt dan ook verworpen. Hoewel de benadeelde partij geen aankoopbonnen meer heeft, heeft hij de waarde van de kledingstukken onderbouwd aan de hand van het originele label van de trui en screenshots van vergelijkbare dan wel identieke artikelen. Beide kledingstukken waren ten tijde van het incident minder dan een jaar oud, de capuchontrui enkele weken, het bomberjack twee tot drie maanden. Het hof acht het daarom gerechtvaardigd dat geen afschrijving wordt toegepast en de nieuwwaarde wordt gevorderd. Deze schadepost komt voor toewijzing in aanmerking.
De voldoende onderbouwde schadeposten eigen risico en medicatiekosten zijn door de verdediging niet betwist en komen eveneens voor toewijzing in aanmerking.
Met betrekking tot de parkeer- en reiskosten is het hof van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet op een andere wijze in zijn verplaatsingsbehoeften had kunnen voorzien. In zoverre heeft hij onvoldoende aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
Het hof zal van de gevorderde materiële schade een bedrag van € 1.120,87 toewijzen.
Immateriële schade
Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de benadeelde partij aanspraak maken op immateriële schadevergoeding (onder andere) indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op de aard en ernst van het letsel, te weten aangezichtsbreuken, bloedingen, hersenschudding en het buiten bewustzijn raken, komt het gevorderde bedrag van € 2.000,00 het hof niet onredelijk voor. Het hof zal de gevorderde immateriële schade toewijzen.
Eigen schuld
Het hof is niet gebleken van een gedraging door de benadeelde partij die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de door hem geleden schade. De omstandigheid dat de benadeelde partij zich voorafgaand aan het fysieke geweld van verdachte mogelijk verbaal heeft geuit, levert geen eigen schuld op in de zin van artikel 6:101 BW. Het hof laat de schadevergoedingsplicht van verdachte daarom geheel in stand.
Wettelijke rente, proceskosten, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke aansprakelijkheid
De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, te weten 25 februari 2024.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal het hof ten behoeve van de benadeelde partij – ten aanzien van de verschillende toegewezen materiële en immateriële schadeposten – aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, op de wijze zoals hieronder is opgenomen.
Het hof stelt ten slotte vast dat hoewel verdachte en medeverdachte [medeverdachte] elk voor een eigen feit zijn veroordeeld en daarom geen sprake is van medeplegen, zij wel gezamenlijk onrechtmatig hebben gehandeld jegens de benadeelde partij. Zij zijn naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien haar medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.120,87 (drieduizend honderdtwintig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 1.120,87 (duizend honderdtwintig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.120,87 (drieduizend honderdtwintig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 1.120,87 (duizend honderdtwintig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 25 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. F. van der Maden, mr. A. Meester en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 mei 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit paginanummers van het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van de Politie Eenheid Noord-Nederland, met zaakregistratienummer PL0100-2024050453 van 11 juni 2024.
Pagina 8.
Pagina 54.
Pagina 55.
Eigen waarneming van het hof, opgenomen in het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 13 mei 2026.
Pagina 19.
Proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 13 mei 2026.