Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHARL:2026:4073

1. Verzet tegen dwangbevel. 2. Geen schending artikel 6 EVRM, omdat de zaak op de zitting in de Nederlandse taal wordt behandeld. Het Nederlands is de rechtstaal en de betrokkene beheerst deze taal. 3. Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk, nu het geen ander doel kent dan het opnieuw niet laten doorgaan van de zitting.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4073 text/xml public 2026-08-05T16:21:07 2026-06-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-06-19 200.355.777/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4073 text/html public 2026-08-05T16:20:35 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:4073 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 19-06-2026 / 200.355.777/01
1. Verzet tegen dwangbevel. 2. Geen schending artikel 6 EVRM, omdat de zaak op de zitting in de Nederlandse taal wordt behandeld. Het Nederlands is de rechtstaal en de betrokkene beheerst deze taal. 3. Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk, nu het geen ander doel kent dan het opnieuw niet laten doorgaan van de zitting.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.355.777/01

CJIB-nummer

: 206240822

Uitspraak d.d.

: 19 juni 2026

Beschikking op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 april 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De beschikking van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een op 30 september 2024 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft daarop gereageerd.

De betrokkene heeft vlak voor aanvang van de behandeling ter zitting (wederom) een wrakingsverzoek ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 11 juni 2026.

De betrokkene is niet verschenen.De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is vertegenwoordigd door [naam] .
De beoordeling
1. Met betrekking tot het wrakingsverzoek overweegt het hof als volgt.

2. Het gaat om een sanctie opgelegd in 2017. Na beroep bij de officier van justitie, de kantonrechter, het gerechtshof, wederom de kantonrechter en het gerechtshof is de beschikking waarmee de sanctie is opgelegd op 23 februari 2024 onherroepelijk geworden.

3. Betaling van de sanctie is niet gevolgd, waarna een aanmaning is verzonden en ook een tweede aanmaning (die retour afzender werd gestuurd).

4. Op 16 oktober 2024 is een dwangbevel d.d. 30 september 2024 betekend.

5. Op 29 oktober 2024 is door de betrokkene verzet gedaan tegen de uitvaardiging van het dwangbevel.

6. De kantonrechter heeft op 4 april 2025 uitspraak gedaan in het verzet. Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet voldoen van griffierecht.

7. Tegen de beschikking van de kantonrechter is bij schrijven van 17 april 2025, ontvangen op 22 april 2025, hoger beroep ingesteld. Met inachtneming van de Algemene termijnenwet is het hoger beroep tijdig ingesteld.

8. Bij het instellen van het hoger beroep is gevraagd om een behandeling ter zitting.

9. De betrokkene heeft verzocht om het dossier ter beschikking te stellen. Het bij het hof beschikbare dossier is per gewone en per aangetekende post en per mail aan haar beschikbaar gesteld.

10. Zowel mondeling als schriftelijk is voortdurend gevraagd om aanvulling van stukken. Even zovele malen is medegedeeld dat het hof alle beschikbare stukken aan haar heeft verstrekt.

11. Een behandeling ter zitting van 26 november 2025 is op verzoek van de betrokkene aangehouden. Aanvankelijk was een ongemotiveerd verzoek gedaan om de zaak aan te houden. Na het overleggen van een nader stuk is de zaak aangehouden.

12. Vervolgens zijn twee zittingsmomenten gepland waarvoor de betrokkene de keuze had. Als gevolg van een administratieve fout is de termijn waarbinnen ze haar keuze bekend kon maken iets te kort geweest. Een keuze voor een datum heeft ze niet gemaakt. Over de fout van de administratie heeft de betrokkene een klacht ingediend bij de president van het hof. De klacht is op dat punt gegrond verklaard. De betrokkene is opgeroepen voor een zitting van 20 januari 2026.

13. Voor de betrokkene was het indienen van de klacht reden om aanhouding te vragen van de zitting van 20 januari 2026.

14. Haar is medegedeeld dat het indienen van een klacht over de administratie niet aan een behandeling ter zitting in de weg stond.

15. Een half uur voor aanvang van de zitting op 20 januari 2026 is een wrakingsverzoek gedaan.

16. Aan het wrakingsverzoek lagen de volgende argumenten ten grondslag: de informatieverstrekking, de naam van de behandelend raadsheer was niet bekend gemaakt en de taal waarin de procedure gevoerd zou worden was niet duidelijk.

17. De wrakingskamer heeft op 3 april 2026 - na een drietal verzoeken tot aanhouding van de behandeling - een beslissing genomen. Verzoeker is niet ter zitting van de wrakingskamer verschenen. Het wrakingsverzoek is afgewezen, omdat procesbeslissingen geen grond vormen voor toewijzen van het verzoek.

18. Er is vervolgens een zitting gepland op 11 juni 2026. Aan de betrokkene is - zoals eerder (en al voor de eerstgeplande zitting op 26 november 2025) - bekend gemaakt dat de taal op de zitting Nederlands is. Dat de zitting op 11 juni 2026 om 14.30 uur zou plaatsvinden, is bij brief en oproeping van 30 april 2026 bekend gemaakt.

19. De betrokkene heeft daarop bij schrijven d.d. 8 mei 2026 laten weten dat ze op die datum niet beschikbaar was. Verdere motivering ontbrak.

20. Op 11 mei 2026 is aan de betrokkene bekend gemaakt dat haar verzoek om de behandeling opnieuw uit te stellen niet zou worden gehonoreerd, nu dit het vierde moment betrof waarop een zitting was gepland.

21. Op 10 juni 2026 omstreeks 23.00 uur - de avond voor de geplande zitting - heeft de betrokkene een mail gestuurd aan de griffie van het hof. Daarin maakt ze bezwaar tegen de keuze om de zaak op de zitting in het Nederlands te behandelen. Dat ze niet beschikbaar zou zijn

- zoals eerder gemeld - was geen onderwerp meer van gesprek.

22. Op 11 juni 2026 omstreeks 09.30 uur is per mail wederom medegedeeld dat Nederlands de rechtstaal zal zijn.

23. Een half uur voor aanvang van de zitting is door de betrokkene een wrakingsverzoek ingediend. Dit met als grond dat zij zich in het Engels wil uitdrukken. Verder wordt opnieuw geklaagd over de onvolledigheid van het dossier.

24. Het is het hof ambtshalve bekend - uit een eerdere zitting waarbij de betrokkene aanwezig was - dat zij de Nederlandse taal beheerst. Ook heeft zij in een contact met de griffie van het hof zich gedurende 40 minuten bediend van de Nederlandse taal. In het wrakingsverzoek meldt ze dat het er niet toe doet of ze het Nederlands wel of niet voldoende beheerst, maar dat ze zich liever in het Engels uitdrukt.

25. Het Nederlands is de rechtstaal. De zienswijze van de betrokkene dat aan haar de keuze is of ze ter zitting wel of niet Nederlands wil spreken is onjuist, nu ze die taal wel beheerst. Om die reden is geen sprake van schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

26. Dat het Nederlands wordt gebruikt op de zitting is een procesbeslissing, net zoals de vraag of een tolk dient te worden ingeschakeld. Dat is ook af te leiden uit de beslissing van de wrakingskamer. Onduidelijkheid over de vraag welke taal er gebruikt zou gaan worden is er niet.

27. De betrokkene is eerder betrokken geweest bij procedures in het kader van de Wahv. Die kenmerken zich door het herhaald schriftelijk en mondeling vragen om (aanvulling van) dossiers en het bij voortduring ongemotiveerd verzoeken om aanhouding van de behandeling ter zitting. Indien een dergelijk verzoek niet wordt gehonoreerd, volgt vlak voor de zitting een wrakingsverzoek.

28. Het opnieuw ter discussie stellen van de taal in een wrakingsverzoek - opnieuw vlak voor de zitting - terwijl het voor de betrokkene duidelijk is dat het Nederlands - welke taal zij beheerst - de voertaal zal zijn, leidt ertoe dat het hof het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk zal verklaren. Ook het weer herhalen van het argument dat de informatie niet compleet is, leidt tot hetzelfde oordeel.

Hierbij wordt ook de eerdere beslissing van de wrakingskamer betrokken. Het verzoek kan niet tot honorering leiden, nu de beslissing een procesbeslissing is en niets zegt over vooringenomenheid van de behandelend raadsheer met betrekking tot de inhoud van het hoger beroep. Het wrakingsverzoek kent daarmee geen ander doel dan het opnieuw niet door laten gaan van de zitting.

29. Nu het wrakingsverzoek van de betrokkene niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal het hof het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter hierna beoordelen.

30. Gelet op artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv is het hoger beroep tegen beschikkingen als deze alleen ontvankelijk wanneer zekerheid is gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.

31. In het hiervoor vermelde artikel is bepaald dat de griffier van de rechtbank de indiener van het beroepschrift wijst op de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen. Ook is daarin bepaald dat de griffier van de rechtbank de indiener van het beroepschrift wijst op de verschuldigdheid van het griffierecht en dat dit bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort.

32. In de begeleidende brief van 4 april 2025 bij de beschikking van de kantonrechter heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene voor het eerst gewezen op de verplichtingen tot het voldoen van griffierecht en het stellen van zekerheid van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten, indien de betrokkene hoger beroep wenst in te stellen. Vervolgens heeft de betrokkene hoger beroep ingesteld. Bij brieven van 22 april 2025 en 27 mei 2025 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene gewezen op de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag van € 1.412,57 op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Tevens is de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling griffierecht van € 362,- te voldoen. Voorts heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in beide brieven erop gewezen dat, indien de betrokkene niet tijdig voldoet aan de hiervoor genoemde verplichte betalingen, het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Bij brief van 11 juni 2025 heeft de griffier van de rechtbank aan de griffier van het hof laten weten dat de betrokkene niet heeft voldaan aan zowel de verplichting tot het betalen van griffierecht als de verplichting tot het stellen van zekerheid.

33. De betrokkene - die de ontvangst van de brieven van 22 april 2025 en 27 mei 2025 niet betwist - voert aan dat zij financieel niet in staat is om het griffierecht te voldoen en zekerheid te stellen. Het niet inhoudelijk beoordelen van haar gronden, omdat ze niet over voldoende financiële middelen beschikt, is in strijd met EU-wetgeving. Daarnaast is sprake van discriminatie en schending van mensenrechten.

34. De vertegenwoordiger van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat betrokkene niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met het niet voldoen van het griffierecht en de zekerheidstelling.

35. Zekerheidstelling en het betalen van griffierecht zijn voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep bij het hof. Het betreft hier verplichtingen voor een ieder die hoger beroep instelt op grond van artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv. Artikel 6 van het EVRM waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen en griffierecht te voldoen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) aan deze verplichting(en) te voldoen. In dat geval zal de betrokkene dit wel binnen de betalingstermijn moeten aangeven.

36. Gelet op hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd – en in aanmerking genomen het arrest van dit hof van 11 juli 2014 (vindplaats op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2014:5564) – dient het hof te beoordelen of het niet voldoen van de zekerheidstelling en het griffierecht verschoonbaar moet worden geacht. Van belang voor het antwoord op die vraag is of voldoende aannemelijk is dat de betrokkene financieel niet in staat was de gevraagde zekerheidstelling en het griffierecht in hoger beroep te voldoen.

37. Hoewel de betrokkene stelt, in reactie op de brieven van de griffier van de rechtbank, dat zij het griffierecht niet kan voldoen en geen zekerheid kan stellen vanwege onvoldoende financiële middelen, heeft zij dit standpunt niet onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat zij over onvoldoende financiële middelen beschikt. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene, gelet op het voorgaande, meerdere malen gewezen op de verplichtingen tot het voldoen van het griffierecht en het stellen van zekerheid. Ook de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft in het verweerschrift de verplichtingen nogmaals aan de orde gesteld en vermeld dat, indien niet binnen de gestelde termijn aan de verplichtingen is voldaan, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het hoger beroepschrift in verzuim is geweest. De betrokkene heeft op het verweerschrift gereageerd, maar onderbouwt wederom haar stelling, dat zij niet aan de verplichtingen kan voldoen wegens onvoldoende financiële middelen, niet. Ook geeft het dossier geen blijk van gegevens hieromtrent. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd betreft dan ook geen draagkrachtverweer waar het hof rekening mee dient te houden. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat het verzuim om in hoger beroep zekerheid te stellen en griffierecht te voldoen de betrokkene niet kan worden toegerekend.

38. Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan de beoordeling van de beschikking van de kantonrechter en het verzet tegen het dwangbevel.
De beslissing
Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek;

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Artikel delen