ECLI:NL:GHARL:2026:4124
1:253a lid 4 BW. Gedetailleerde zorgregeling.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 August 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4124
text/xml
public
2026-08-03T08:56:14
2026-06-23
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-06-23
200.362.994
Uitspraak
Hoger beroep
Beschikking
NL
Arnhem
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4124
text/html
public
2026-08-03T08:55:42
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHARL:2026:4124 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-06-2026 / 200.362.994
1:253a lid 4 BW. Gedetailleerde zorgregeling.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.994
(zaaknummer rechtbank Gelderland 450050)
beschikking van 23 juni 2026
inzake
[moeder]
(de moeder)
wonende te [woonplaats1]advocaat: mr. G.B. van de Bunt
en
[vader] (de vader)
wonende te [woonplaats2] , gemeente Ede
advocaat: mr. S. Bhulai.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 25 september 2025, zoals aangevuld bij beschikking van 25 november 2025, uitgesproken onder zaaknummer 450050 (hierna gezamenlijk te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 24 december 2025;
- het verweerschrift in de hoofdzaak tevens incidenteel hoger beroep met bijlagen;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht van mr. Bhulai van 8 mei 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht van mr. Van de Bunt van 8 mei 2026 met bijlagen.
2.2
[minderjarige1] heeft een brief geschreven. Hij heeft daarin verteld wat hij vindt van de zorgregeling.
2.3
De zitting was op 19 mei 2026. Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
- een vertegenwoordiger van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de GI) als informant.
3De feiten
3.1
Partijen zijn de ouders van [minderjarige1] , geboren [in] 2016, en [minderjarige2] , geboren [in] 2019.
3.2
Het huwelijk van partijen is op 9 december 2021 ontbonden door inschrijving
van de echtscheidingsbeschikking van 22 oktober 2021 in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.4
In een beschikking van 23 augustus 2021 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is geëindigd op 23 augustus 2025. Op 2 februari 2026 zijn de kinderen (opnieuw) onder toezicht gesteld van de GI tot 2 augustus 2026.
3.5
In beschikkingen van de rechtbank van 22 oktober 2021 en 29 juni 2023 zijn een reguliere zorgregeling en een regeling voor de vakanties vastgesteld.
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de kinderen (de zorgregeling). In de bestreden beschikking zijn de beschikkingen van de rechtbank van 22 oktober 2021 en 29 juni 2023 gewijzigd.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij vraagt het hof de bestreden beschikking (gedeeltelijk) te vernietigen en een zorgregeling vast te stellen zoals vermeld in haar beroepschrift en zoals gewijzigd in haar bericht van 8 mei 2026.
4.3
De vader voert verweer en heeft op zijn beurt hoger beroep ingesteld. Hij vraagt het hof (in het principaal hoger beroep) de verzoeken van de moeder af te wijzen en (in het incidenteel hoger beroep) de bestreden beschikking te vernietigen en aan te vullen zoals door hem is aangegeven en te bepalen dat de moeder op de dagen dat de vader de kinderen op school ophaalt niet meer verschijnt op school op straffe van een dwangsom.
4.4
De moeder vraagt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep of af te wijzen.
5De motivering van de beslissing
5.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag en een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen. Dat kan als daarna de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De gewijzigde regeling kan omvatten de zorgregeling voor de kinderen.
De rechter neemt een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt.
5.2
De rechtbank heeft een (reguliere) zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 16.45 uur bij de vader verblijven (waarbij de vader de kinderen op de vrijdag uit school ophaalt en de moeder de kinderen op de zondag bij (de ouders van) de vader ophaalt) en een regeling in verband met zwemles van de kinderen. Verder is een regeling voor de vakanties en feestdagen vastgelegd.
5.3
Het hof stelt voorop dat een zorgregeling altijd een tijdelijk karakter heeft en aan wijzigingen onderhevig zal zijn. Beide ouders willen rust en duidelijkheid, maar zij zullen dan wel aan verbetering van hun communicatie moeten werken om knelpunten – die zich steeds zullen voordoen – in onderling overleg (of, zolang de ondertoezichtstelling duurt, met hulp van de GI) te kunnen oplossen en de zorgregeling aan te passen.
5.4
Ten aanzien van de reguliere zorgregeling verzoekt de moeder te bepalen dat de vader de kinderen op zondag naar haar terugbrengt om 15.00 uur.
Het hof zal dat verzoek – overeenkomstig het advies van de raad – afwijzen, omdat het ophalen bij de grootouders om 16.45 uur al lange tijd op deze wijze is geregeld. Daarnaast maakt een wijziging van het tijdstip van ophalen naar 15.00 uur de zondag(middag) minder geschikt voor activiteiten van de vader met de kinderen op zondag. De door de moeder verzochte wijzigingen zijn naar het oordeel van het hof niet in het belang van de kinderen en door haar onvoldoende onderbouwd.
5.5
Het hof zal het verzoek van de moeder om te bepalen dat de kinderen bij de vader zijn in de oneven weken op donderdag van 17.30 uur tot 19.00 uur (en niet tot 19.45 uur) in verband met zwemles of een andere (sport)activiteit in zoverre toewijzen, dat de vader de kinderen om 19.30 uur moet thuisbrengen. Inmiddels gaat ook [minderjarige2] naar zwemles, op dinsdag, en heeft de vader zich bereid verklaard de kinderen om de week op de dinsdag en de donderdag naar zwemles te brengen en weer terug te brengen. De moeder zal dan in de andere week regelen dat de kinderen naar zwemles gaan. Het hof begrijpt dat partijen hun verzoeken in zoverre hebben aangepast.
5.6
Wat betreft de zomervakantie is het hof met de raad van oordeel dat de door de moeder voorgestelde regeling, waarbij de kinderen de eerste drie weken bij de vader zijn en de laatste drie weken bij de moeder, inmiddels goed aansluit bij de leeftijd van de kinderen. Dit verzoek van de moeder zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat het tijdstip van overdracht ongewijzigd blijft. Het verzoek van de moeder om te gaan werken met uniforme overdrachtstijden voor de vakanties en waaronder dus ook de zomervakantie wijst het hof af. Naar het oordeel van het hof is van onduidelijkheid en onvoorspelbaarheid geen sprake, nu de overdrachtstijden duidelijk in de bestreden en deze beschikking zijn vastgelegd. Zoals de raad heeft geadviseerd, is het verstandig om de kinderen de gelegenheid te geven tussendoor te (video)bellen met de andere ouder.
5.7
De vader kan zich verenigen met het verzoek van de moeder tot vaststelling van regeling voor de kerstvakantie, inhoudende dat de kinderen in een even jaar met Kerst bij de vader zijn en met Oud & Nieuw bij de moeder, ieder de helft van de tijd, en in een oneven jaar met Kerst bij de moeder zijn en met Oud & Nieuw bij de vader, ieder de helft van de tijd. Het hof zal dat zo vastleggen.
5.8
De ouders hebben tegen de regeling voor de overige vakanties (herfst-, voorjaars- en meivakantie) en feestdagen geen bezwaren aangevoerd, zodat het hof daarover niet hoeft te beslissen.
5.9
De moeder heeft het hof verder verzocht:
a. a) de vader te verplichten met de kinderen naar hun sportactiviteiten te gaan als zij in het weekend bij hem verblijven;
b) te bepalen dat de ouders jaarlijks in september de vakantieverdeling voor het komende jaar bespreken en vaststellen;
c) te bepalen dat de vader zelf kennis neemt van alle medische informatie en schoolinformatie middels de toegang die hij tot systemen heeft en de moeder niet verplicht is, tenzij in acute gevallen, de informatie aan de vader over te dragen;
d) te bepalen dat bij ziekte/koorts de sportactiviteit van het betreffende kind niet doorgaat en dat de overdracht wordt uitgesteld als de kinderen koorts hebben.
Het hof zal deze verzoeken afwijzen, conform het advies van de raad. Hoewel het hof van oordeel is dat de vader in beginsel dient te faciliteren dat de kinderen naar sportactiviteiten kunnen gaan in de weekenden dat zij bij hem verblijven, gaat het te ver en is het niet in het belang van de kinderen om dit als dwingende verplichting op te leggen, te meer nu deze situatie nu nog niet aan de orde is, maar zich pas voor lijkt te gaan doen na de zomervakantie. Het verzoek onder a) wordt daarom afgewezen.
Ook het verplichte overleg in september als vermeld onder b) zal het hof afwijzen, nu er al een zeer gedetailleerde verdeling van de vakanties en feestdagen is vastgesteld en niet kan worden ingezien wat er dan nog verder moet worden besproken en vastgesteld.
Verder hebben partijen gezamenlijk het gezag, op basis waarvan de moeder de vader moet informeren en consulteren over belangrijke aangelegenheden betreffende de kinderen. Tegelijkertijd zal de vader zoveel als mogelijk ook zelf informatie moeten inwinnen. Het verzoek van de moeder onder c) wordt daarom ook afgewezen.
Voor wat betreft het verzoek onder d) geldt dat ook de vader voor de kinderen kan zorgen als zij ziek zijn, zodat ook dit verzoek wordt afgewezen. Dit met dien verstande dat, zoals door de raad ter zitting is geadviseerd, de vader niet met een ziek kind naar zijn ouders dient te gaan.
5.10
De vader heeft in incidenteel appel verzocht te bepalen dat de moeder op de dagen dat hij de kinderen van school haalt niet meer op school zal verschijnen, op straffe van een dwangsom (van € 100 per dag met een maximum van € 50.000). Ook dit verzoek wordt afgewezen, omdat de noodzaak voor het opleggen van een dwangsom onvoldoende is aangetoond en onnodig escalerend zal werken.
6De slotsom
De conclusie is dat de grieven 1, 2 en 3 van de moeder gedeeltelijk slagen, zodat de bestreden beschikking in zoverre niet in stand kan blijven (moet worden vernietigd). De overige grieven falen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking voor het overige in stand laten (bekrachtigen) en de overige (aanvullende) verzoeken afwijzen.
7De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 25 september 2025 (zoals aangevuld bij beschikking van 25 november 2025), ten aanzien van overweging 9.2 waar het gaat om de zwemles, de zomervakantie en de kerstvakantie en doet opnieuw recht:
bepaalt dat, de vader in de ene week [minderjarige2] op dinsdag en [minderjarige1] donderdag naar zwemles zal brengen en weer zal terugbrengen om 19.30 uur en de moeder in de andere week;
stelt vast als regeling voor de zomervakantie dat de kinderen de eerste drie weken bij de vader verblijven en de laatste drie weken bij de moeder, waarbij de kinderen op de laatste schooldag door de vader op school worden opgehaald en zondag na drie weken om 16:45 uur bij (de ouders van) de vader worden opgehaald;
stelt vast als regeling voor de kerstvakantie dat de kinderen in een even jaar met Kerst bij de vader zijn en met Oud & Nieuw bij de moeder, ieder de helft van de tijd, en in een oneven jaar met Kerst bij de moeder zijn en met Oud & Nieuw bij de vader, ieder de helft van de tijd;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst wat meer of anders is verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, D.J.M. van de Voort en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 23 juni 2026 uitgesproken in het openbaar.