Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHARL:2026:4136

Parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats anders dan dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met vervoer gehandicapte. Het ligt op de weg van een betrokkene om zich erop te beroepen dat het parkeren rechtstreeks verband hield met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt en deze stelling ook aannemelijk dient te maken. Daarin is de betrokkene niet geslaagd.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4136 text/xml public 2026-08-05T14:58:38 2026-06-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-06-23 Wahv 200.359.726/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4136 text/html public 2026-08-05T14:58:08 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:4136 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-06-2026 / Wahv 200.359.726/01
Parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats anders dan dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met vervoer gehandicapte. Het ligt op de weg van een betrokkene om zich erop te beroepen dat het parkeren rechtstreeks verband hield met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt en deze stelling ook aannemelijk dient te maken.

Daarin is de betrokkene niet geslaagd.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.359.726/01

CJIB-nummer

: 262199442

Uitspraak d.d.

: 23 juni 2026

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats anders dan dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met vervoer gehandicapte”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 oktober 2023 om 09.46 uur op het Buikslotermeerplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de echtgenote van de betrokkene de rechtmatige eigenaar van de gehandicaptenparkeerkaart is en dat zij zich in de buurt van het voertuig bevond om boodschappen te doen. De betrokkene had zijn vrouw afgezet die met een vriendin boodschappen ging doen. Hij is zelf naar de Hema gegaan en daarna teruggegaan naar de auto, waar hij in afwachting van zijn vrouw met draaiende motor stond. Hij werd toen aangesproken door een handhaver en heeft hem verteld dat de kaarthouder zijn echtgenote is en zij zich in de Hema bevond. De handhaver stelde voor de Hema in te gaan om haar te zoeken. Dat kwam voor de betrokkene intimiderend over. Ondanks herhaald bellen kreeg hij haar niet te pakken, omdat zijn vrouw doof is en de telefoon niet hoorde. De handhaver weigerde om te wachten tot zij terug kwam. De handhaver heeft ten onrechte gezegd dat de kaart niet bedoeld zou zijn om gratis te parkeren, terwijl op die dag tot 12.00 uur gratis parkeren gold. De handhaver nam de kaart in beslag en toonde meerdere kaarten die hij had ingenomen, alsof dit een verzameling betrof. Pas weken later is de kaart na veelvuldig bellen teruggegeven. De ambtenaar heeft gerapporteerd dat de kaarthouder niet de bestuurder was en heeft daaruit de conclusie getrokken dat de kaart onrechtmatig werd gebruikt. Dat uitgangspunt is onjuist, omdat de kaart is bedoeld om de kaarthouder te ondersteunen in haar mobiliteit. Zij heeft geen rijbewijs en is afhankelijk van anderen. Het is niet ongebruikelijk dat de partner van iemand die een kaart heeft haar afzet bij een winkel en haar ook weer komt ophalen. Betrokkene heeft geparkeerd in aanwezigheid van zijn partner. Hij wilde vertrekken om haar later weer op te halen, maar in de tussentijd is de kaart dus in beslag genomen.

3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik, verbalisant [naam1] , zag dat op bovengenoemde dag, datum, tijdstip een zilverkleurige Ford Mustang met het kenteken [kenteken] geparkeerd stond op een algemene gehandicaptenparkeerplaats aangegeven middels bord E6. Ik zag dat een zichtbare gehandicaptenparkeerkaart achter de vooruit lag met kaartnummer: 1647994. Ik zag dat het voertuig hier voor langere tijd geparkeerd stond. Ik zag dat er een persoon in het voertuig stapte die later bleek genaamd te zijn: [betrokkene] (…). Ik, verbalisant [naam1] , vroeg [betrokkene] of ik de gehandicaptenparkeerkaart mocht inzien. Ik zag dat [betrokkene] mij de gehandicaptenparkeerkaart overhandigde ter inzage. Ik zag dat de gegevens en de foto van de kaarthouder niet overeen kwamen met die van [betrokkene] . Ik vroeg [betrokkene] waar de kaarthouder was en hoorde hem zeggen: “die heb ik net afgezet.” Ik vroeg waarom hij geparkeerd stond hier zonder dat de kaarthouder erbij was en hoorde hem zeggen: “die heb ik hier net afgezet bij de Hema, ik moet alleen snel weg nu.” Ik, verbalisant [naam1] , vroeg of [betrokkene] de kaarthouder dan niet moest meenemen als hij wegging en hoorde hem zeggen: “die is in de Hema, wat wil je nu precies?”. Ik deelde [betrokkene] mede dat wij controleren op het rechtmatig gebruik maken van een gehandicaptenparkeerkaart en dat als hij niet kon aantonen dat dit zo was dat hij hiervoor een proces-verbaal zou krijgen. Ik vroeg [betrokkene] vervolgens of hij de kaarthouder wilde bellen om te verifiëren waar zij was en hoorde hem zeggen: “schrijf maar gewoon die bon uit”. Ik vroeg [betrokkene] of hij het aannemelijk kon maken dat de parkeeractie rechtmatig was en hoorde hem zeggen: “ik moet weg”. Ik, verbalisant [naam1] , deelde [betrokkene] mede hoe de gehandicaptenparkeerkaart werkt en waar die voor bedoeld is. Ik deelde [betrokkene] mede dat hij niet gebruikt mag worden voor gratis parkeren en dat je alleen mag parkeren door de kaarthouder. Ik, verbalisant [naam1] , heb [betrokkene] een proces-verbaal aangezegd voor het onjuist gebruik maken van de gehandicaptenparkeerkaart. Ik heb vervolgens de gehandicaptenparkeerkaart ingenomen en opgestuurd naar de gemeente Amsterdam stadsdeel Oost. (…)Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)Verklaring betrokkene: Ik zat in de auto en heb mijn vrouw afgezet.”

5. In het dossier bevindt zich een foto van de gedraging, waarop het onder 1. genoemde voertuig op een gehandicaptenparkeerplaats te zien is. Verder bevindt zich een foto van de gehandicaptenparkeerkaart in het dossier. Hierop is te zien dat het een kaarttype P betreft. Het is het hof ambtshalve bekend dat dit een kaart is voor een gehandicapte passagier. In het dossier bevindt zich ook een foto van de achterzijde van de kaart. Welke naam precies staat ingevuld is niet goed te lezen, maar wel is te zien dat er een pasfoto van een vrouw op staat.

6. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling luidt voor zover hier van belang:

“Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt.”

7. Niet betwist is dat het voertuig van de betrokkene op een gehandicaptenparkeerplaats stond, de betrokkene niet zelf een gehandicaptenparkeerkaart heeft en dat in dit geval sprake van een kaart die bestemd is voor het vervoer van een gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt. De voornoemde bepaling dient naar het oordeel van het hof zo te worden begrepen dat het op de weg van een betrokkene ligt zich erop te beroepen dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt en, wil dit beroep kunnen slagen, een betrokkene zijn stelling ook aannemelijk dient te maken (vgl. het arrest van het hof van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2014:5768).

8. Naar het oordeel van het hof is de betrokkene daar niet in geslaagd. Door de betrokkene is gesteld dat het parkeren verband hield met het vervoer van de kaarthouder, maar dit is niet aangetoond. Bij staandehouding heeft de ambtenaar niet de kaarthouder in of bij het voertuig aangetroffen. Het gebruik van dit type gehandicaptenparkeerkaart brengt mee dat het op de weg van de betrokkene ligt om aannemelijk te maken dat het parkeren verband houdt met het vervoer van de gehandicapte. Bij de staandehouding heeft de betrokkene daarvoor de gelegenheid gekregen van de ambtenaar. Blijkens de verklaring van de ambtenaar wilde de betrokkene niet meewerken. Ook al zou de betrokkene een poging hebben gedaan om de kaarthouder te bellen, wat overigens niet blijkt uit de verklaring van de ambtenaar, is dit niet voldoende om de stelling van de betrokkene aannemelijk te maken. Zoals de kantonrechter heeft overwogen is het verweer in de beroepsprocedure niet onderbouwd met stukken. Ook in hoger beroep zijn geen stukken ter onderbouwing overgelegd.

9. Dat de ambtenaar een verkeerde mededeling zou hebben gedaan over het betaald parkeren, ontslaat de betrokkene niet van de plicht om op de juiste wijze gebruik te maken van de gehandicaptenparkeerplaats. Ook als op andere parkeerplekken ook gratis geparkeerd kon worden, moest de betrokkene, die zijn voertuig geparkeerd had op een gehandicaptenparkeerplaats, voldoen aan de voorwaarden die gelden voor het gebruik van die parkeerplaats.

10. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter juist beslist. Het hof zal die beslissing bevestigen. Er is geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
De beslissing
Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Artikel delen