Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHARL:2026:4369

Het hof heeft verdachte veroordeeld ten aanzien van het primair ten laste gelegde tot een taakstraf van 120 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 30 dagenhechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4369 text/xml public 2026-07-07T08:59:33 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-03 21-003932-25 Uitspraak Hoger beroep NL Zwolle Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4369 text/html public 2026-07-07T08:56:31 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:4369 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 03-07-2026 / 21-003932-25
Het hof heeft verdachte veroordeeld ten aanzien van het primair ten laste gelegde tot een taakstraf van 120 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 30 dagenhechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003929-25

Uitspraakdatum: 3 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle , van 17 september 2025 met parketnummer 84-313500-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te [woonadres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Düsünceli, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en veroordeeld ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 90 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 45 dagen hechtenis.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en een andere strafoplegging dan de politierechter. Het hof zal daarom het vonnis van de politierechter vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 15 september 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een arbeidsovereenkomst op naam van verdachte bij [bedrijf] , als ware het echt en onvervalst, door deze overeenkomst door tussenkomst van een derde te laten indienen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;

subsidiair

Hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2021 tot en met 13 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenplicht op grond van artikel 49 Ziektewet (ZW), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Ziektewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door niet aan het UWV te melden dat hij, verdachte, geen feitelijke dienstbetrekking heeft gehad voorafgaand aan de verstrekking of tegemoetkoming, waardoor over genoemde periode (wekelijks) door het UWV uitbetalingen zijn gedaan, in het kader van de toegekende ZW-uitkering, op de bankrekening van verdachte, waarop hij, verdachte, geen recht had.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan vrijgesproken moet worden. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat een geschrift enkel vals is als het een onjuiste voorstelling van zaken geeft. Dit was in dit geval niet aan de orde. Er was geen sprake van een gefingeerd dienstverband. De arbeidsovereenkomst was dus geldig. Dat bij het opstellen van de overeenkomst fouten zijn gemaakt, maakt dit niet anders. Verdachte heeft werkzaamheden verricht voor het bedrijf van medeverdachte. Hiervoor heeft hij loon ontvangen en hierover is ook loonbelasting afgedragen. Het afgesproken loon stond bovendien in verhouding tot de ervaring die verdachte had en de omzet die hij genereerde voor het bedrijf. Verdachte was vooral in de buitendienst werkzaam, maar vanwege zijn ervaring had hij hierin wel een hoofdrol en nam hij ook de leiding ten opzichte van ander personeel. Hij kwam daarmee mede in de logistiek of de planning terecht. Verder zijn er tal van klanten van het bedrijf die verklaard hebben dat zij zakelijk contact hebben gehad met verdachte. De bedragen die verdachte terugboekte, hadden betrekking op het terugbetalen van een lening voor het financieren van zijn longoperatie in Turkije . De arbeidsovereenkomst is niet opgesteld met de bedoeling om te misleiden, maar met de bedoeling om een arbeidssituatie vast te stellen. Niemand heeft kunnen voorspellen dat verdachte ernstig ziek zou worden en zou uitvallen. Er is geen sprake van een vals geschrift en daarmee ook geen sprake van opzet op misleiding. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het onder parketnummer 84-335368-24 ten laste gelegde feit.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de bewijsmiddelen uit het dossier. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Hiertoe overweegt het hof in het bijzonder als volgt.

Uit het dossier blijk dat verdachte een arbeidsovereenkomst heeft ondertekend voor bepaalde tijd bij [bedrijf] , te weten vanaf 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021. Dit betreft het bedrijf waarvan medeverdachte (de zoon van verdachte) als bestuurder en algemeen directeur staat ingeschreven bij de KvK. In de arbeidsovereenkomst wordt verder vermeld dat [bedrijf] gevestigd is aan de [adres] te [plaats] , dat medeverdachte als werkgever optreedt en dat verdachte als werknemer optreedt. In het strafdossier bevindt zich tevens een (gelijkluidende) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verder geldt dat verdachte, kort na de op de overeenkomst genoteerde aanvangsdatum van 1 juli 2021, namelijk sinds 6 augustus 2021, is ziekgemeld. Hierdoor heeft het UWV verdachte met ingang van 3 januari 2022 tot en met 7 november 2022 een Ziektewet- uitkering toegekend en uitgekeerd.

Het UWV heeft in het kader van het Themaonderzoek Gefingeerde Dienstverbanden onderzoek gedaan naar het betreffende dienstverband. In dit kader is verdachte op 7 september 2022, in het bijzijn van zijn advocaat Rosbach, gehoord op de locatie van het UWV te [plaats] . Na dit verhoor heeft verdachte, naar eigen zeggen, door tussenkomst van een ander (zijn toenmalige advocaat Rosbach of zijn zoon, hij weet het niet precies meer) een kopie van voornoemde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd naar het UVW gestuurd. Op 26 september 2022 zijn de onderzoeksbevindingen gerapporteerd door de afdeling Handhaving van het UWV. Het UWV stelt zich in dit rapport op het standpunt dat verdachte niet verzekerd was voor de Ziektewet, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Verdachte had daarmee volgens het UWV geen recht op de aan hem gedane uitbetalingen in het kader van de toegekende Ziektewet-uitkering.

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruikmaken van een vals geschrift door de desbetreffende arbeidsovereenkomst door tussenkomst van een derde naar het UVW te sturen. Om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen is vereist dat de verzonden (kopie)overeenkomst vals was. Met andere woorden: er moet geen sprake zijn geweest van een daadwerkelijke privaatrechtelijke dienstbetrekking. Derhalve dient het hof te beoordelen of hier al dan niet sprake van is geweest.

Om dit te kunnen beoordelen dient het hof na te gaan of aan de cumulatieve vereisten voor het aannemen van een dergelijke dienstbetrekking is voldaan. Eén van deze vereisten is dat verdachte persoonlijk arbeid heeft verricht voor het bedrijf van medeverdachte. Naar het oordeel van het hof is aan dit vereiste niet voldaan. Op basis van het dossier is onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte daadwerkelijk voor [bedrijf] heeft gewerkt. Tijdens zijn hoorgesprek bij het UVW heeft verdachte verklaard dat hij vestigingsmanager was, dat het bedrijf in het pand aan de [adres] te [plaats] was gevestigd en dat dit ook zijn werklocatie was. Verdachte heeft echter op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij dit niet tegenover de medewerkers van het UWV heeft verklaard en dat zij dit verkeerd hebben opgeschreven in het verslag. Verdachte heeft zijn stelling op dit punt niet nader onderbouwd, werd tijdens het betreffende verhoor bijgestaan door zijn advocaat en heeft het hoorverslag naderhand ook ondertekend. Bovendien komt de inhoud van zijn verklaring bij het UVW overeen met de functie die verdachte werd toebedeeld in de desbetreffende arbeidsovereenkomst, te weten dat van vestigingsmanager. Derhalve ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de inhoud van het betreffende verslag overeenkomt met wat verdachte daadwerkelijk tegenover de medewerkers van het UWV heeft verklaard. Op de inhoud van deze verklaring is verdachte teruggekomen. Dit door op de zitting van de politierechter te verklaren dat hij geen manager was, maar in de buitendienst werkte en dat hij één keer in het betreffende pand is geweest. Op de zitting van de politierechter heeft verdachte ter ondersteuning van deze verklaring 3 geschreven verklaringen overgelegd van klanten die met hem samen zouden hebben gewerkt in de zomer van 2021. Op de zitting van het hof heeft verdachte ook verklaard dat hij in de buitendienst werkte en dat hij één keer in het pand is geweest om spullen te halen, daaraan heeft hij toegevoegd dat hij voor die ene keer ook nog twee keer in het pand is geweest. Los van het gegeven dat het verschil in verdachtes verklaringen over zijn functie opmerkelijk is, worden zij weerlegd door de inhoud van het dossier. Uit het dossier volgt namelijk dat het huurcontract voor het betreffende pand per 30 april 2021 is beëindigd. Dit terwijl uit de betreffende arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [bedrijf] blijkt dat deze is aangegaan voor de periode vanaf zo’n 2 maanden daarna, te weten vanaf 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021. Een en ander brengt met zich mee dat het niet zo geweest kan zijn dat verdachte vanaf 1 juli 2021 enige werkzaamheden, al dan niet als vestigingsmanager, in het desbetreffende pand heeft verricht. Dit wordt door de verklaring van de verhuurder van het pand bevestigd. Dit maakt in samenhang met verdachtes inconsistente verklaring en de inhoud van de desbetreffende arbeidsovereenkomst dat het hof van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte daadwerkelijk arbeid heeft verricht voor [bedrijf] in de periode waarop de arbeidsovereenkomst betrekking had. Gelet op het hiervoor overwogene en een gebrek aan de mogelijkheid ter verificatie van de inhoud ervan, maken de door verdachte bij de politierechter overgelegde schriftelijke verklaringen dit oordeel van het hof niet anders.

Een tweede vereiste is dat loon wordt betaald. Op basis van het dossier stelt het hof vast dat ook aan dit vereiste niet is voldaan. Hiervoor acht het hof allereerst van belang dat uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat het overeengekomen loon niet strookt met de bedragen waar loonaangifte voor wordt gedaan. Zo blijkt uit de arbeidsovereenkomst dat een loon overeen is gekomen van € 4.750.00 per maand, terwijl er loonaangifte wordt gedaan van € 7.942,04 per maand. Daarbij komt dat er geen vakantiegeld is betaald via de bank en er 100% in plaats van 80% van het loon is doorbetaald bij ziekte, zoals vermeld wordt in de arbeidsovereenkomst. Tevens komen de nettoloonbetalingen die op de rekening van verdachte worden gestort niet overeen met de nettobetalingen die vermeld zijn op de loonstroken. Van doorslaggevend belang is echter dat uit de bankafschriften van verdachte blijkt dat hij vrijwel na iedere salarisbetaling op zijn rekening, binnen enkele minuten, een bijna gelijk bedrag heeft overgeboekt naar de bankrekening van medeverdachte of een andere zoon van verdachte met in de omschrijving “(terugbetaling) lening”. Dit had tot gevolg dat verdachte vrijwel al zijn inkomen, direct nadat hij het overgeboekt kreeg, weer van zijn rekening heeft weggeboekt. Verdachte heeft op de zitting van het hof hierover verklaard dat de terugboekingen zagen op de terugbetaling van een lening van zijn zoons zodat hij zijn longoperatie kon betalen. Deze verklaring, die door verdachte overigens op geen enkele wijze is onderbouwd, acht het hof in het licht van het hiervoor overwogene ongeloofwaardig en schuift het hof terzijde.

Een en ander brengt met zich mee dat niet is voldaan aan de vereisten die nodig zijn om te kunnen spreken van een feitelijke dienstbetrekking. Derhalve is het hof op grond van het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang met elkaar bezien, van oordeel dat geen sprake is geweest van een feitelijke (privaatrechtelijke) dienstbetrekking tussen verdachte en [bedrijf] in de periode vanaf 1 juli 2021. Verdachte is zich hiervan bewust geweest, maar heeft desondanks gebruik gemaakt van de desbetreffende overeenkomst door deze door tussenkomst van een ander te laten indienen bij het UWV. Het hof is dan van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

primair hij op 15 september 2022 te [plaats] , opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een arbeidsovereenkomst op naam van verdachte bij [bedrijf] , als ware het echt en onvervalst, door deze overeenkomst door tussenkomst van een derde te laten indienen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruiken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst door een valse arbeidsovereenkomst door tussenkomst van een ander te laten indienen bij het UVW. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen geschonden dat in het maatschappelijke, financiële en economische verkeer in de juistheid van dergelijke geschriften moet kunnen worden gesteld. Verdachte heeft in hoger beroep geen verantwoordelijkheid genomen voor of enig inzicht getoond in de kwalijkheid van zijn handelen. Dit alles weegt het hof in strafverzwarende zin mee.

Het hof weegt ook mee het strafblad van verdachte van 18 mei 2026. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten. Dit weegt het hof eveneens in strafverzwarende zin mee.

Daarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte die op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft naar voren gebracht dat het niet goed gaat met zijn gezondheid. Hij heeft verschillende behandelingen gehad voor longkanker, waaronder een longoperatie in Turkije . Inmiddels is hij kankervrij verklaard. Wel kampt hij nog met verschillende gezondheidsklachten, waaronder ademhalingsproblemen, COPD en problemen met zijn hart en nieren. Verdachte heeft vanwege zijn slechte gezondheid lange tijd niet kunnen werken, maar inmiddels werkt hij weer 2 dagen in de week als chauffeur. Verdachte heeft geen eigen woning, maar verblijft bij zijn ouders. Onderhavige strafzaak, maar ook de hiermee verband houdende bestuursrechtelijke procedures, drukken zwaar op verdachte.

Gelet op het hiervoor overwogene en op de ouderdom van het bewezenverklaarde feit acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 120 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 30 dagenhechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijke gedeelte van deze straf zal als stok achter de deur dienen om verdachte ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde, dan wel zoals zij gelden op het moment van het wijzen van dit arrest.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. Z.J. Oosting en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juli 2026.

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers worden hiermee, tenzij anders aangegeven, bedoeld paginanummers van de in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal zoals opgenomen in het politiedossier met nummer A17930285-01 (zaaknummer: UWV/2024/03/07) dat op 1 oktober 2024 op ambtseed is afgesloten en ondertekend door verbalisant [verbalisant] .

Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65-69.

Uittreksel KvK van 19 mei 2022, p. 35-36.

Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65.

Ontvangstbevestiging ziekmelding van 3 januari 2022, p. 20-26.

Toekenning Ziektewet-uitkering van 11 januari 2022, p. 27-29.

Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 89-114.

Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 105-108 en gesprekverslag van 7 september 2022, zaaksnummer A17930285-01, p. 80-88.

Verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.

Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 89-114.

Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 110-114 en bijlage 13 t/m bij dit onderzoeksrapport, p. 115-124.

Zoals ook vastgesteld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek.

Gesprekverslag van 7 september 2022, zaaksnummer A17930285-01, p. 82.

Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 105-108 en gesprekverslag van 7 september 2022, zaaksnummer A17930285-01, p. 80-88.

Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65.

De verklaring van verdachte zoals opgenomen op p. 2 van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 september 2025.

De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.

Telefoonrapport van het gesprek met [naam] van 16 juni 2022, p. 78.

Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65.

Telefoonrapport gespreksverslag [naam] van 16 juni 2022, p. 78.

Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 66.

Printscreen van PWS inhoudende gegevens over inkomstenverhoudingen op persoonsniveau of werkgeversniveau, p. 40.

Overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60.

Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 67 en overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60.

Overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60 en loonstroken en de jaaropgave over 2021 van verdachte (juli t/m december 2021), p. 70-76.

Overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60.

Verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.

Artikel delen