Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHDHA:2023:3027

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de verlengde invoer van cocaïne in Nederland, alsmede aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne. De verdachte maakte deel uit van een groep personen die zich bezig hield met het uithalen van cocaïne uit containers die vanuit het buitenland naar de Rotterdamse haven waren vervoerd. Hij fun...

Gerechtshof Den Haag 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHDHA:2023:3027 text/xml public 2026-06-02T11:50:59 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2023-11-03 22-001638-16 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:786 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2023:3027 text/html public 2026-06-02T11:45:47 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2023:3027 Gerechtshof Den Haag , 03-11-2023 / 22-001638-16
De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de verlengde invoer van cocaïne in Nederland, alsmede aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne. De verdachte maakte deel uit van een groep personen die zich bezig hield met het uithalen van cocaïne uit containers die vanuit het buitenland naar de Rotterdamse haven waren vervoerd. Hij fungeerde als contactpersoon en regelde benodigdheden zoals telefoons, hesjes en een auto om het ECT terrein mee te betreden.

Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.

Rolnummer: 22-001638-16

Parketnummer: 10-750165-13

Datum uitspraak: 3 november 2023

TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 4, en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1. primairhij op of omstreeks 30 juni 2013 te Rotterdam, althans Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), een hoeveelheid van ongeveer 302 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

1. subsidiairhij op of omstreeks 30 juni 2013 te Rotterdam, althans Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 302 kilogram (bruto) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 juni 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 302 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) toegangspas(sen) geregeld en/of verstrekt en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in tassen in een container laten plaatsen en/of

- die container opengebroken teneinde de tassen met verdovende middelen eruit te kunnen halen en/of

- zich voorgedaan als werknemer van een op het ECT terrein werkzaam bedrijf en/of

- zich gekleed in zogenaamde (nieuwe) veiligheidskleding (gelijkend op kleding die door medewerkers van bedrijven gevestigd op het ECT terrein wordt/worden gedragen) en/of - (onbevoegd) het terrein van de ECT betreden (opgereden met een auto [automerk 1] , [kenteken 1] en/of [automerk 2] , [kenteken 2] );

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)daders;

3.hij in of omstreeks periode van 5 juni 2013 tot en met 7 juni 2013 te Rotterdam althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren en/of

- een bestelbusje ( [automerk 3] met [kenteken 3] ) geregeld en/of gekocht en/of opgehaald en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- ( onbevoegd) het ECT terrein betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

4.hij in of omstreeks periode van 22 mei 2013 tot en met 25 mei 2013 te Rotterdam althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, in ieder geval éénmaal om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of - het ECT terrein (onbevoegd) betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

5.hij in of omstreeks de periode van 9 juni 2013 tot en met 10 juni 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaine van het ECT terrein af te voeren en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- ( onbevoegd) het ECT terrein betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft – naar het hof begrijpt - gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens de opgelegde straf, en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Nadere bewijsoverwegingen

Medeplegen

Door en namens de verdachte wordt betwist dat hij als medepleger betrokken is bij de bewezenverklaarde feiten.

Bij de beoordeling van dit verweer gaat het hof uit van de in de bewijsbijlage vervatte bewijsmiddelen. Het hof heeft alleen die bewijsmiddelen aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd die hij betrouwbaar en bruikbaar acht. De keuze van deze bewijsmiddelen is aan de rechter. Het hof verwerpt het verweer dat de politieverklaringen van [medeverdachte 4] niet betrouwbaar en niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Deze verklaringen vinden steun in andere, van [medeverdachte 4] onafhankelijke, bewijsmiddelen.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bewezenverklaarde feiten vallen in een periode van ongeveer 6 weken. [medeverdachte 1] heeft tegenover de politie erkend dat hij de verdachte kent. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft gekend in de relevante periode. Onderling telefoonverkeer wordt als bewijsmiddel gebruikt. Blijkens het op 11 april 2013 opgenomen OVC-gesprek heeft [medeverdachte 2] op dat moment een goede werkwijze om “werk” uit een container op het haventerrein te halen en buiten het haventerrein te brengen. Uit de opmerkingen van [medeverdachte 2] over de bedragen die hij betaalt aan die “jongen die vandaag het terrein is opgegaan” en het feit dat hij verklaart dat “wij” normaal de vrachtwagen niet erbij zouden betrekken, maar dat hij dat nu extra erbij geregeld heeft, leidt het hof af dat deze werkwijze ten tijde van genoemd OVC-gesprek op 11 april 2013 al beproefd functioneert en dat er sprake is van meerdere personen die hierbij betrokken zijn.

In het op 25 mei 2013 in [café 1] opgenomen OVC-gesprek bespreekt [medeverdachte 2] gebeurtenissen waarbij een controle plaatsvindt, een busje door een slagboom rijdt en de douane en later een arrestatieteam komen. Het is [verdachte] die “heeft opgehaald”, “op de lijst geschreven” en “de overgebleven helft opgehaald”. In een ook op 25 mei 2013 op dezelfde locatie vanaf 22:10 uur opgenomen OVC-gesprek zegt [medeverdachte 3] tegen de verdachte in een gesprek waaraan ook [medeverdachte 2] deelneemt dat het beschamend is dat zij de containers niet leeg hebben kunnen vinden en dat zij beter een ander kunnen sturen. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] jegens de verdachte de professionele kwaliteiten van de betrokken uithalers in twijfel trekt en hem adviseert een andere uithaler te sturen. De verdachte zegt in dit gesprek: ‘Broer je kan gewoon gaan hoor …. Wij komen sowieso daarheen. Ook zegt [medeverdachte 3] in dit gesprek: “Je moet van tevoren eisen vriend want jij hebt de monopolie. Zij hebben jou toch nodig. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] een vorm van actieve betrokkenheid heeft bij de feiten waarover gesproken wordt.

[medeverdachte 4] erkent dat hij betrokken is bij de invoer van verdovende middelen. Hij moest een chauffeur regelen die mensen mee kon nemen op het haventerrein. Hij moest ook een container regelen, zodat ze daar iets konden doen. [medeverdachte 4] herkent de verdachte van een politiefoto en noemt hem [bijnaam verdachte] . [bijnaam verdachte] was een van de twee of drie personen die aan hem, [medeverdachte 4] , informatie gaf. [medeverdachte 4] herkent ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van politiefoto’s. Op diverse momenten geeft [medeverdachte 4] er blijk van dat naar hem toe [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte ( [bijnaam verdachte] ) inwisselbare rollen hebben: - wat betreft de zaak van 27 juni 2013 wordt [medeverdachte 4] in [café 2] aangesproken door “de drie”, in de woorden van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] ’ en [bijnaam verdachte] , met de vraag of hij ze met [medeverdachte 5] in contact kon brengen. [medeverdachte 5] gaat vervolgens met [medeverdachte 4] mee naar de Vuurplaat, waar zij “die drie” weer spreken. - in de auto van [medeverdachte 4] zijn papieren aangetroffen. Hij had deze papieren van [medeverdachte 5] gekregen en moest ze doorgeven aan één van de drie, [medeverdachte 4] ’, [medeverdachte 1] en [bijnaam verdachte] . - Wanneer de zaak van 30 juni 2013 op RTV Rotterdam Rijnmond bekend geworden is, belt [medeverdachte 4] [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] verklaart onder meer over dit getapte gesprek dat [medeverdachte 2] zegt dat ‘mattie’ bij hem was. [medeverdachte 4] denkt dat met ‘mattie’ [bijnaam verdachte] of die andere bedoeld wordt, want ze zijn altijd met zijn drieën.

Het hof leidt hieruit af dat in ieder geval in de periode van 23 mei 2013 tot en met 30 juni 2013 een beproefde werkwijze functioneerde om ‘werk’, dat wil zeggen verdovende middelen, uit een container op het haventerrein te halen en dat de personen die dit uitvoerden door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte aangestuurd werden.

Tegen deze achtergrond bezien stelt het hof vast dat de verdachte inzake de tenlastegelegde feiten de volgende categorieën aan handelingen heeft verricht:

Doorgeven informatie:

[medeverdachte 4] verklaart dat hem gevraagd is een chauffeur te regelen om mensen op het haventerrein te brengen. Deze personen gaan naar de box waar de drugs in zitten en halen deze eruit. De drugs werden in een andere container gezet, die door de chauffeur naar buiten werd gereden. Hij wijst de verdachte aan als een van de drie mannen van wie hij telkens informatie kreeg om door te geven aan de chauffeur. Deze verklaring vindt bevestiging in tap- en OVC-gesprekken.

Blijkens het OVC-gesprek van 25 mei 2013 bij teller 35.40 evalueert de verdachte de actie van de dag ervoor met [medeverdachte 2] : [verdachte] praat over die van gister. [verdachte] zei: wat is die leeg, misschien zit er een zender in. Het hof begrijpt dat de verdachte hier doelt op een container zonder ‘werk’, dat wil zeggen zonder verdovende middelen.

Op 5 juni 2013 vindt blijkens observatieverslagen omstreeks 21.30-22.00 uur een bijeenkomst plaats in [pizzeria] te Rotterdam, waarbij aanwezig waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en de verdachte. Min of meer aansluitend, op 6 juni 2013 omstreeks 00.30 uur, vertrekt de verdachte samen met iemand anders naar Leiden, waarbij een [automerk 3] wordt opgehaald die in de nacht van 6 op 7 juni 2013 gebruikt wordt bij het betreden van het ECT terrein. Na het bezoek aan Leiden keert de verdachte niet terug naar Amsterdam, waar hij woont, maar naar Rotterdam, waar hij met [medeverdachte 2] in Riva heeft afgesproken blijkens een tapverslag. Het hof leidt uit dit samenstel af dat de bijeenkomst in Riva op 5 juni 2013 omstreeks 21.30 uur en 22.00 uur in het teken heeft gestaan van de activiteiten in de nacht van 6 op 7 juni 2013 van deze aanwezigen in het havengebied.

Achtervang buiten het haventerrein tijdens uithalen:

Blijkens het op 25 mei 2013 vanaf 21.05 opgenomen OVC-gesprek verklaart [medeverdachte 2] dat de verdachte, nadat alles misgaat als gevolg van optreden van de douane, “op de lijst geschreven heeft” en dat hij “de overgebleven helft (heeft) opgehaald.”

Uit zendmastgegevens blijkt dat de telefoon van de verdachte zich tussen 03.27 uur tot 04.07 uur op 7 juni 2013 in het havengebied bevond.

Op 29 juni 2013 wordt de verdachte gebeld met het verzoek de weg uit te leggen aan iemand die er vanavond in gaat voor de andere kant en die de weg niet kent.

Ook op 29 juni 2013 is het de verdachte die “ons personeel” gaat “wegbrengen en afzetten.”

Om 00.45 uur op 30 juni 2013 wordt de verdachte samen met [medeverdachte 1] gecontroleerd op de N15 in de Europoort in [automerk 4] . In dit voertuig liggen 5 doosjes van Nokia telefoons.

Op 30 juni 2013 om 7.20 uur meldt [medeverdachte 2] aan de verdachte: “volgens mij zijn zij allemaal de klos”. De verdachte antwoordt: “Klote zeg! Er gaat weer een auto naar die kant van de groenen. [medeverdachte 2] antwoordt: “Nee, echt waar? Ouwe het zal daar wel rumoerig zijn. Rijd jij maar weg.” Het hof begrijp dat met ‘de groenen’ gedoeld wordt op de douane en dat de verwijzing naar rumoerig betekent dat er veel activiteit is van opsporingsdiensten. Voorts leidt het hof af uit de omstandigheden dat de verdachte waarneemt dat een auto van de groenen die kant uit gaat en uit de aanwijzing aan de verdachte: “Rijd jij maar weg” dat de verdachte zich in dan wel zeer nabij de zone van verhoogde opsporingsactiviteit bevindt. Dit gesprek krijgt een vervolg om 7.26 uur wanneer [medeverdachte 2] aan de verdachte meldt dat zij allemaal buiten zijn, maar dat iedereen achter hen aan zit. De verdachte antwoordt dat hij hier in de buurt blijft en dan terug gaat. Het hof tekent hierbij aan dat deze op het eerste gezicht omslachtige wijze van communiceren tussen de uithalers en de ondersteunende/aansturende personen samenhangt met het gebruik van 1 op 1 telefoons. Dit vindt bevestiging in het telefoongesprek van 30 juni 2013 te 7.34 uur wanneer de verdachte aan [medeverdachte 2] vraagt het adres waar zij aankomen via de andere telefoon aan hem te sturen. [medeverdachte 2] antwoordt dat iedereen op dat moment aan het racen is. Om 7.36 uur kan de verdachte aan [medeverdachte 2] melden dat ‘hun achterkant’ ‘schoon’ is, dat er twee douane’s en een politiebusje reden, maar dat geen snelle auto achter hen aanrijdt.

Verzorging bedrijfsmiddelen

In het OVC-gesprek van 11 april 2013, vanaf omstreeks 11.25 uur zegt [medeverdachte 2] dat je dit werk niet met een normale auto kan doen. Op 5 juni 2013 heeft een bijeenkomst in Riva te Rotterdam plaatsgevonden. Vanuit Riva brengt de verdachte in de nacht van 5 op 6 juni 2013 een persoon naar Leiden om daar een [automerk 3] met het [kenteken 3] op te halen. Vervolgens rijdt de verdachte weer terug naar Rotterdam in overleg met [medeverdachte 2] . In de nacht van 6 op 7 juni wordt deze [automerk 3] gebruikt bij het betreden van het ECT terrein.

Op 9 juni 2013 wordt de verdachte door [medeverdachte 2] gevraagd naar de telefoons te gaan. Over de telefoons wordt die avond en nacht vaker gebeld tussen [medeverdachte 2] en de verdachte [verdachte] . Het hof begrijpt dat het gaat om 1 op 1 telefoons die tijdens het uithalen gebruikt worden. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat het gaat om de aanschaf van nieuwe telefoons, namelijk dure iPhones, is niet aannemelijk geworden.

Later in de avond van 9 juni 2013 wordt de verdachte door [medeverdachte 2] gevraagd een trekkabel te halen en 2 jerrycans met benzine, zodat ‘zij’ niet een benzinestation op hoeven te gaan met al die camera’s.

Op 29 juni 2013 vraagt [medeverdachte 2] aan de verdachte oranje hesjes te kopen. Het hof begrijpt dat de kleur van deze hesjes moet overeenstemmen met de kleur van de hesjes die gedragen worden door medewerkers van het haventerrein. Dit wordt ook afgestemd met [medeverdachte 1] . Oranje hesjes zijn die nacht daadwerkelijk gedragen door uithalers.

Om 00.45 uur op 30 juni 2013 wordt de verdachte samen met [medeverdachte 1] gecontroleerd op de N15 in de Europoort in [automerk 4] . In dit voertuig liggen 5 doosjes van Nokia telefoons. Het hof stelt vast dat in de later aangehouden [automerk 2] een Nokia telefoon ligt, waarvan het imei-nummer overeenstemt met het imei-nummer vermeld op een telefoondoosje in deze [automerk 4] . Het hof legt daarmee een verband tussen deze doosjes en het gebruik van één op één telefoons tijdens het uithalen.

Eigen perceptie van de verdachte dat gehandeld wordt in teamverband

Op 6 juni 2013 belt de verdachte uit naar [medeverdachte 2] . Hij zegt tegen [medeverdachte 2] : “Het is tijd, waar ga je naar toe?” [medeverdachte 2] vraagt hierop: “Wat voor tijd is het man?” De verdachte antwoordt: “Tijd van de onzen”. Vervolgens gaat het gesprek erover dat [bijnaam] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) nog niet is gekomen en dat hij de telefoon heeft en niet [medeverdachte 2] . De verdachte sluit het gesprek af met: “ok dan”.

Nadat op 7 juni 2013 een doorzoeking heeft plaatsgevonden waarbij geen verdovende middelen zijn aangetroffen, de verdachte is aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet, verhoord en weer in vrijheid gesteld, zegt de verdachte op 8 juni 2013 tegen [medeverdachte 2] : “wij zijn er zonder kleerscheuren van af gekomen.”

Het eerdergenoemde gesprek van 29 juni 2013 tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , waarin de verdachte meedeelt aan [medeverdachte 2] dat hij “ons personeel” gaat wegbrengen en afzetten getuigt ook van het handelen als team.

Op grond van het voorgaande en bezien tegen de achtergrond dat vanaf in ieder geval 11 april 2013 sprake is van een beproefd systeem om ‘werk’ uit containers in de haven te halen en een bestendige wijze van samenwerken, is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan de bewezenverklaarde feiten is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen ten aanzien van alle feiten bewezen.

Opzet en schakelbewijs

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat op 30 juni 2013 ongeveer 302 kg cocaïne Nederland is binnengebracht. De aangetroffen stoffen zijn bemonsterd en onderzocht en niet ter discussie staat dat het gaat om cocaïne in de zin van de bij de Opiumwet behorende lijst I. Het hof acht bewezen dat de verdachte hierbij als mededader betrokken is geweest en dat zijn opzet op het binnen Nederland brengen van cocaïne gericht is geweest.

Naar het oordeel van het hof is dit mede redengevend voor de bewezenverklaring van de overige aan de verdachte verweten feiten, die gelegen zijn in de ongeveer 6 weken die voorafgaan aan de datum van 30 juni 2013. Dit betreft zowel de aard van de stof die men binnen Nederland tracht te brengen, te weten cocaïne, als de omstandigheid dat het opzet van de verdachte hierop telkens gericht is geweest. De wijze waarop de onderscheiden feiten zijn begaan komt telkens op essentiële punten overeen, zoals blijkt uit de hieraan voorafgaande overwegingen inzake medeplegen en de gebezigde bewijsmiddelen: het nummer van de container waarin de cocaïne verstopt is, is bekend. Er worden mensen op het haventerrein gebracht die de cocaïne uit de container moeten halen en moeten overbrengen naar een andere auto of een andere (al gecontroleerde) container, opdat de cocaïne aldus het haventerrein verlaat. Hierbij wordt gehandeld in teamverband. Verdachte geeft informatie door, regelt bedrijfsmiddelen en is achtervang nabij het haventerrein tijdens de uithaalactie. Dat beoogd werd iets anders dan cocaïne uit de containers te halen is niet aannemelijk geworden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primairhij op of omstreeks 30 juni 2013 te Rotterdam, althans Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), een hoeveelheid van ongeveer 302 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2013 tot en met 30 juni 2013 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 302 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) toegangspas(sen) geregeld en/of verstrekt en/of

- voornoemde hoeveelheid verdovende middelen in tassen in een container laten plaatsen en/of

- die container opengebroken teneinde de tassen met verdovende middelen eruit te kunnen halen en/of

- zich voorgedaan als werknemer van een op het ECT terrein werkzaam bedrijf en/of

- zich gekleed in zogenaamde (nieuwe) veiligheidskleding (gelijkend op kleding die door medewerkers van bedrijven gevestigd op het ECT terrein wordt/worden gedragen) en/of - (onbevoegd) het terrein van de ECT betreden (opgereden met een auto [automerk 1] , [kenteken 1] en/of [automerk 2] , [kenteken 2] ) en/of;

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)daders;

3.hij inof omstreeks de periode van 5 juni 2013 tot en met 7 juni 2013 te Rotterdam althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of een vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaïne van het ECT terrein af te voeren en/of

- een bestelbusje ( [automerk 3] met [kenteken 3] ) geregeld en/of gekocht en/of opgehaald en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- ( onbevoegd) het ECT terrein betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

4.hij in of omstreeks periode van 22 mei 2013 tot en met 25 mei 2013 te Rotterdam althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, in ieder geval éénmaal

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaïne van het ECT terrein af te voeren en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- het ECT terrein (onbevoegd) betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s);

5.hij in of omstreeks de periode van 9 juni 2013 tot en met 10 juni 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote (handels)hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

- ( een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en/of

- ( een)toegangpas(sen) tot het ECT terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en/of

- ( een) container(s) geregeld om de cocaïne van het ECT terrein af te voeren en/of

- perso(o)n(en) op en/of nabij het ECT terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- ( onbevoegd) het ECT terrein betreden en/of

- telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s).

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde levert telkens op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de verlengde invoer van cocaïne in Nederland, alsmede aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne. De verdachte maakte deel uit van een groep personen die zich bezig hield met het uithalen van cocaïne uit containers die vanuit het buitenland naar de Rotterdamse haven waren vervoerd. De verdachte had een belangrijke rol en komt in het dossier naar voren als een van de drie hoofdverdachten. Hij fungeerde als contactpersoon en regelde benodigdheden zoals telefoons, hesjes en een auto om het ECT terrein mee te betreden.

Door aldus te handelen heeft de verdachte zich bezig gehouden met de internationale handel in verdovende middelen. De aangetroffen hoeveelheid cocaïne was dermate groot – ruim driehonderd kilo – dat die bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en grootschalige handel. Met deze grootschalige handel zijn grote financiële belangen gemoeid. De invoer van verdovende middelen vorm een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Harddrugs zijn verder schadelijk voor de gezondheid van gebruikers, en bovendien leiden de handel in en het gebruik van harddrugs tot allerlei vormen van criminaliteit en andere maatschappelijke problemen. Niet alleen doordat omvangrijke illegale verdiensten een weg zoeken naar schijnbaar legale bestemmingen, maar ook leidt de grootschalige handel regelmatig tot ernstige gewelddadigheden.

Justitiële documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 september 2023, waaruit blijkt dat de verdachte zowel voor als na de tenlastegelegde feiten onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbare feiten.

Eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Op te leggen straf

Naar het oordeel van het hof is de oplegging van een gevangenisstraf van lange duur noodzakelijk, omdat de aard en de ernst van het gepleegde feiten door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zou worden. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 jaren met aftrek van voorarrest – zoals ook door de rechtbank opgelegd - in beginsel een passende en geboden reactie vormt.

Het hof is evenwel van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerst lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in deze zaak fors is overschreden. Het hof gaat daarbij uit van het volgende:

de verdachte is op 29 oktober 2013 in verzekering gesteld;

op 31 maart 2016 is door de rechtbank vonnis gewezen;

op 1 april 2016 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis;

op 14 december 2017 en 21 december 2022 heeft bij het hof een regiebehandeling plaatsgevonden;

de inhoudelijke behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 september en 4 oktober 2023;

het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is, na behandeling van alle overige zaken in het onderzoek Hozen, op 3 november 2023 gesloten;

dit arrest wordt gewezen op 3 november 2023.

Uit het voorgaande blijkt dat zowel de berechting in eerste aanleg als in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een periode van telkens 16 maanden. In eerste aanleg is de redelijke termijn van berechting overschreden met ruim dertien maanden. In hoger beroep is de redelijke termijn van berechting overschreden met zes jaren en drie maanden. De oorzaken van deze overschrijdingen zijn onder meer gelegen in de omvang van de zaak, de corona-periode en de omstandigheid dat de zaak van de verdachte gelijktijdig met de zaken van de medeverdachten behandeld diende te worden, welke omstandigheden niet voor rekening van de verdachte dienen te komen.

Het hof zal met deze overschrijdingen rekening houden in de strafmaat. In plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf acht het hof, mede bezien het aanzienlijke tijdsverloop sinds het begaan van de bewezenverklaarde feiten, de datum van de huidige berechting in hoger beroep en de vordering van de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden (5 jaar en 6 maanden) met aftrek van voorarrest passend en geboden. Per saldo betekent dit dat de verdachte voor deze zaak niet opnieuw gedetineerd zal raken.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 (zesenzestig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,

mr. H. Steenhuis en mr. M. Koole, in bijzijn van de griffier A.M. Grasman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 november 2023.

Een geschrift, houdende een transcriptie van een OVC-gesprek van 25 mei 2013 te 22:10 uur blz. 450 en 451.

Zaaksproces-verbaal 5-7 juni 2013 blz. 2 en 19.

Artikel delen