Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHDHA:2026:2092

WSNP. Afwijzing. Onvoldoende aannemelijk dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich voldoende zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Gerechtshof Den Haag 30 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHDHA:2026:2092 text/xml public 2026-06-30T14:45:22 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-06-25 200.369.056/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2092 text/html public 2026-06-30T14:37:20 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:2092 Gerechtshof Den Haag , 25-06-2026 / 200.369.056/01
WSNP. Afwijzing. Onvoldoende aannemelijk dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich voldoende zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer : 200.369.056/01

Rekestnummer rechtbank : NL:TZ:26005461:R-RK

Arrest van 25 juni 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in Alphen aan den Rijn,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. D.A. IJpelaar, kantoorhoudend in Den Haag.
1Het verloop van de procedure 1.1
Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 18 mei 2026, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 mei 2026, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Verschenen is: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat.
2De beoordeling van het hoger beroep 2.1
De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw). Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.
2.2
[appellant] is volledig arbeidsgeschikt. Desondanks heeft hij zich niet actief ingespannen om passend werk te zoeken, noch blijkt dat hij voldoende motivatie toont om te solliciteren en te werken. [appellant] ontvangt begeleiding door Rijnvicus (sociale werkvoorziening), maar dit re-integratietraject verloopt volgens de schuldhulpverlener moeizaam. Daarnaast heeft [appellant] geen dan wel nauwelijks kennis van de Nederlandse taal, hetgeen het voor hem bemoeilijkt om zelfstandig invulling te geven aan de verplichtingen die voortvloeien uit de WSNP. Daarnaast komt [appellant] herhaaldelijk zijn afspraken bij de schuldhulpverlening niet na of probeert hij deze te verplaatsen. Verder levert hij geen relevante stukken aan, wat de voortgang van het schuldhulpverleningsproces belemmert. Ook uit de verklaringen van de schuldhulpverlener in het verzoekschrift en tijdens de zitting blijkt dat [appellant] zijn verplichtingen structureel niet nakomt en onvoldoende gemotiveerd is om zijn schulden af te lossen.
2.3
[appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Hij is van mening dat hij de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling wel degelijk naar behoren zal kunnen nakomen. Daartoe heeft [appellant] aangevoerd dat hij sinds 14 april 2026 onder beschermingsbewind is gesteld. De beschermingsbewindvoerder zal [appellant] begeleiden bij de communicatie met en het tijdig verstrekken van informatie en stukken aan de WSNP-bewindvoerder. Hiermee worden volgens [appellant] de zorgen over de taalbarrière en het nakomen van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting weggenomen. Verder heeft [appellant] betaald werk aanvaard, zodat hij ook de inspanningsverplichting uit de WSNP naar behoren kan nakomen en inkomen kan verwerven waarmee afgedragen kan worden aan de boedel ten behoeve van de schuldeisers.
2.4
Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling overweegt het hof als volgt.
2.5
Hoewel [appellant] sinds 14 april 2026 onder beschermingsbewind staat, hetgeen een aanwijzing vormt dat hij op de goede weg is, is het hof van oordeel dat op dit moment nog onvoldoende aannemelijk is dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich voldoende zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de door [appellant] overgelegde ‘Employment Agreement’ vragen oproept. Zo is de overeenkomst ondertekend op 18 mei 2026, terwijl bovenaan de overeenkomst is vermeld dat deze is getekend (‘signed’) op 20 juni 2026, wat ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof nog een toekomstige datum was. Uit de overeenkomst blijkt dat hij met ingang van 20 juni 2026 voor 36 uur per week in dienst treedt bij een in Brazilië gevestigde reisorganisatie. De overeenkomst wordt beheerst door Braziliaans recht. Ten aanzien van de duur van de overeenkomst is bepaald dat dit door partijen gezamenlijk wordt overeengekomen, met inachtneming van de beëindigingsbepalingen in ‘Section’ 5 van de overeenkomst. De overeenkomst bevat echter geen Section 5. Het in de overeenkomst vermelde salaris bedraagt € 2.000,- per maand ‘inclusive of all benefits’. [appellant] heeft echter niet toegelicht of dit bedrag bruto of netto is. Indien sprake is van een brutoloon, ligt dit salaris aanzienlijk onder het Nederlandse wettelijk minimumloon bij een werkweek van 36 uur. Verder heeft [appellant], die universitair is geschoold op het gebied van ICT, naast deze arbeidsovereenkomst geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij hiernaast heeft gesolliciteerd of anderszins heeft geprobeerd een beter betaalde functie te verkrijgen. Wel heeft hij tot 20 juni 2026 naar eigen zeggen onbetaald stage gelopen bij zijn aanstaande werkgever, maar dit is verder niet met stukken onderbouwd. Daarbij komt dat uit het verzoekschrift WSNP ex artikel 284 Fw volgt dat hij gedurende het minnelijk schuldhulpverleningstraject niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting en geen saneringsbereide houding heeft getoond. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat nog onvoldoende is gebleken dat [appellant] zich tot het uiterste wil inspannen om zoveel mogelijk baten voor zijn schuldeisers te verwerven.
2.6
Nu het verzoek van [appellant] wordt afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw, behoeft het door hem gedane beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw geen bespreking. Voor zover [appellant] bedoelt dat inmiddels sprake is van een voldoende bestendige (gedrags)verandering, waardoor wel voldoende aannemelijk is dat hij de verplichtingen uit de schuldsanering naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven volgt uit het voorgaande dat het hof de situatie in dit stadium anders beoordeelt.
2.7
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te wordenbekrachtigd.
3De beslissing
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 mei 2026.

Dit arrest is gewezen door mr. G.C. de Heer, mr. J.M. van der Klooster en mr. M.C.M. van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Artikel delen