ECLI:NL:GHDHA:2026:2281
text/xml
public
2026-07-28T14:58:19
2026-07-10
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Den Haag
2026-02-04
200.354.277/01 en 200.354.791/01
Uitspraak
Hoger beroep
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2281
text/html
public
2026-07-28T14:57:30
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHDHA:2026:2281 Gerechtshof Den Haag , 04-02-2026 / 200.354.277/01 en 200.354.791/01
Verdeling huwelijkse gemeenschap. Het hof stelt de vrouw in de gelegenheid met alle middelen rechtens te bewijzen – met name door het horen van getuigen – dat de gouden armbanden aan haar in privé zijn geschonken.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers: 200.354.277/01 en 200.354.791/01
rekestnummers rechtbank: FA RK 24-197 en FA RK 24-2923
zaaknummers rechtbank: C/10/671811 en C/10/677469
beschikking van de meervoudige kamer van 4 februari 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E.B. Doganer te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. T. Erdal te Rotterdam.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 7 februari 2025, uitgesproken onder voormelde zaak- en rekestnummers (hierna: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
De vrouw is op 7 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De man heeft op 27 juni 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vrouw heeft op 15 september 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
een journaalbericht van de vrouw van 29 september 2025 met bijlagen;
een journaalbericht van de vrouw van 30 september 2025 met bijlage;
een journaalbericht van de man van 30 september 2025 met bijlagen;
een journaalbericht van de man van 3 oktober 2025 met bijlage;
een journaalbericht van de vrouw van 7 oktober 2025 met bijlage.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de vrouw, bijgestaan door mr. A. Sarioglu, (waarnemend) advocaat;
de man, bijgestaan door zijn voornoemde advocaat.
3De feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. Volgens de vrouw hadden partijen ten tijde van de huwelijkssluiting beiden zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.
3.3
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [huwelijksplaats] op [datum] 2022. De echtscheiding tussen partijen is bij bestreden beschikking uitgesproken. Tegen dat onderdeel van de bestreden beschikking is geen hoger beroep ingesteld.
3.4
Het huwelijk tussen partijen is op [datum] 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.5
De voormalig echtelijke woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: de voormalig echtelijke woning) is op 3 oktober 2025 verdeeld, in die zin dat de voormalig echtelijke woning op die datum notarieel aan de man is geleverd.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:
de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
bepaald dat de man, als hij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de voormalig echtelijke woning, die aan de vrouw uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op de hoogte van de gebruikerslasten en de helft van de eigenaarslasten (met uitzondering van de aflossingen) van de woning wordt gesteld;
de wijze van verdeling van de gemeenschap gelast zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.4.14 tot en met 3.4.47;
de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De vrouw is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het gerechtshof in principaal hoger beroep om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de vrouw zich niet kan vinden in de bestreden beschikking en daartegen grieven heeft gericht en, opnieuw beschikkende, onder aanvulling en verbetering van de gronden:
Onderhoudsbijdrage
a. te bepalen dat de man, primair: met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoek in eerste aanleg door de vrouw aan de rechtbank tot het vaststellen van een onderhoudsbijdrage,
subsidiair: met ingang van de datum van de bestreden beschikking en
meer subsidiair: met ingang van een door de het hof in goede justitie te bepalen datum, bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag ad € 848,- bruto per maand zal voldoen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
Gebruiksvergoeding
te bepalen dat de man, met ingang van de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, derhalve met ingang van 10 januari 2024, voor het gebruik van de voormalig echtelijke woning een gebruiksvergoeding, althans een redelijke vergoeding zal betalen aan de vrouw tot de datum waarop de echtelijke woning is verkocht aan een derde dan wel door de man formeel is overgenomen, waarbij de gebruiksvergoeding wordt gesteld op een bedrag gelijk aan de hoogte van de gebruikerslasten van de woning per maand te vermeerderen met de helft van de eigenaarslasten van de woning per maand, doch ten minste op een bedrag van € 167,- per maand;
Omvang huwelijksgemeenschap
voor recht te verklaren dat de door de man gestelde schuld van € 4.000,- (datum gestelde lening: 05-02-2022) niet in de huwelijksgemeenschap van partijen valt en een privéschool [het hof begrijpt: privéschuld] is van de man en voorts te bepalen dat het (nog) bestaan van deze schuld per peildatum niet is komen vast te staan;
voor recht te verklaren dat de door de man gestelde schuld van € 700,- (datum gestelde lening: 16-06-2022) niet in de huwelijksgemeenschap van partijen valt en een privéschool [het hof begrijpt: privéschuld] is van de man, althans het aangaan en het nog bestaan van deze schuld per peildatum niet is komen vast te staan;
voor recht te verklaren dat de gouden sieraden, zoals door de vrouw is omschreven onder randnummers 38 en 39, aan de vrouw zijn geschonken en vallen in het privévermogen van de vrouw en deze aldus geen onderdeel uitmaken van de huwelijksgemeenschap van partijen;
voor recht te verklaren dat de Mercedes met kenteken [kenteken] eigendom is van de vader van de vrouw en geen onderdeel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap van partijen;
Verdeling huwelijksgemeenschap en vergoedingsrechten
te bepalen dat de voormalig echtelijke woning wordt verkocht aan een derde en dat de opbrengst daarvan, na aflossing van de hypothecaire schuld en voorts betaling daaruit (van de overwaarde) van de vergoedingsrechten van partijen, bij gelijke helften tussen partijen wordt verdeeld;
voor recht te verklaren dat het vergoedingsrecht van de vrouw op de huwelijksgemeenschap van partijen primair € 20.850,-, subsidiair € 15.280,- en meer subsidiair € 10.000,- bedraagt en voorts te bepalen dat het vergoedingsrecht van de vrouw dient te worden voldaan uit het aandeel van de man in de overwaarde van de echtelijke woning;
voor zover wordt bepaald dat het vergoedingsrecht van de vrouw, zoals vermeld onder post h., op de gemeenschap, niet meer bedraagt dan € 10.000,-, de man in dat geval te veroordelen tot het terugbetalen aan de vrouw van een bedrag van primair € 10.850,- en subsidiair een bedrag van € 5.280,-, dit uit hoofde van onverschuldigde betaling van de vrouw aan de man;
voor recht te verklaren dat het vergoedingsrecht van de man op de huwelijksgemeenschap van partijen in totaal € 19.238,65 bedraagt;
kosten rechtens,
althans een zodanige beslissing te nemen, zoals het gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren.
4.3
De man voert verweer in principaal hoger beroep, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, althans afwijzing van haar verzoeken. De man verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep om (het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te vernietigen op de door de man genoemde gronden voor zover daarin:
is geoordeeld dat de Mercedes-Benz buiten de gemeenschap valt;
geen beslissing is genomen over verdeling van de gouden sieraden en munten;
is geoordeeld dat de man geen vergoedingsrecht toekomt ten aanzien van de na de peildatum betaalde leasetermijnen;
een gebruiksvergoeding is toegekend aan de vrouw, hoger dan zij heeft verzocht;
de regresvordering van de man ter zake van de hypotheeklasten is afgewezen;
en, opnieuw beschikkende:
I. te bepalen dat de Mercedes-Benz tot de gemeenschap behoort en in de verdeling dient te worden betrokken, in die zin dat de vrouw aan de man de helft van de waarde daarvan dient te voldoen;
II. te bepalen dat de gouden sieraden en munten zijn geschonken aan beide partijen en dat deze zich in het bezit van de vrouw bevinden, en dat deze bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld, door afgifte van de helft of door betaling van de waarde van de helft aan de man;
III. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de helft van de door hem na de peildatum (10 januari 2024) betaalde leasetermijnen, tot op heden groot € 6.083,64, en vanaf heden telkens € 337,98 per maand zolang de leasekosten doorlopen;
IV. te bepalen dat geen gebruiksvergoeding aan de vrouw toekomt, althans deze gebruiksvergoeding vast te stellen op basis van de overwaardemethode, berekend op 2,5% op jaarbasis over de helft van de overwaarde, en niet op basis van de woonlastenmethode;
V. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 9.125,19, zijnde de helft van de door hem betaalde hypotheeklasten vanaf 10 januari 2024 tot en met juni 2025;
VI. te bepalen dat de vrouw tevens gehouden is tot betaling van de helft van de lopende maandelijkse hypotheeklasten van € 1.013,91 , zolang zij haar aandeel onbetaald laat;
kosten rechtens.
4.4
De vrouw voert verweer in incidenteel hoger beroep, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de man, althans afwijzing van zijn verzoeken.
5De motivering van de beslissing
5.1
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. Hierbij gaat hij achtereenvolgens in op de:
partneralimentatie;
omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap;
verdeling van de huwelijksgemeenschap;
gebruiksvergoeding;
vergoedingsrechten;
proceskosten.
Partneralimentatie
5.2
Het hof overweegt omtrent het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie) als volgt. Op grond van artikel 1:156 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Het hof zal het verzoek van de vrouw daartoe in deze zaak afwijzen, en legt hieronder uit waarom.
5.3
Het hof stelt bij zijn oordeel voorop dat de hoofdregel in het kader van de partneralimentatie is dat van partijen verwacht mag worden dat zij in hun eigen levensonderhoud voorzien. Op de partij die stelt daartoe niet in staat te zijn, rust bij betwisting daarvan de bewijslast. De vrouw heeft gesteld behoeftig te zijn, omdat zij niet in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. Zij heeft haar stelling onderbouwd door aan te voeren dat zij chronisch ziek is en dat er niet meer uren beschikbaar zijn bij haar werkgever om meer te kunnen werken. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, had het op de weg van de vrouw gelegen om haar stellingen nader te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afwijzen.
Omvang en samenstelling huwelijksgemeenschap
5.4
Partijen hebben het hof verzocht om een oordeel te geven over de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap. Daarvoor is de datum van de ontbinding van de gemeenschap relevant, zijnde 10 januari 2024 (datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding door de man). Het hof zal hieronder per onderdeel beoordelen of het deel uitmaakte van de huwelijksgemeenschap. Zoals in hoger beroep onbestreden vaststaat, waren partijen in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen gehuwd.
Schulden van € 4.000,- en € 700,-
5.5
De vrouw verzoekt het hof om voor recht te verklaren dat de door de man gestelde schuld van € 4.000,- (datum gestelde lening: 5 februari 2022) niet in de huwelijksgemeenschap van partijen valt en een privéschuld van de man is en voorts te bepalen dat het (nog) bestaan van deze schuld per peildatum niet is komen vast te staan. Deze lening is volgens de vrouw, zo blijkt volgens haar uit het door de man overgelegde bankafschrift, een lening van de man van zijn vader die is aangegaan op 5 februari 2022, derhalve ver voor de datum van de huwelijksvoltrekking van partijen op [datum] 2022. Eveneens verzoekt de vrouw het hof om voor recht te verklaren dat de door de man gestelde schuld van € 700,- (datum gestelde lening: 16 juni 2022) niet in de huwelijksgemeenschap van partijen valt en een privéschuld van de man is, althans dat het aangaan en het nog bestaan van deze schuld per peildatum niet is komen vast te staan. Niet alleen heeft de man niet aangetoond dat de gestelde lening is aangegaan op 16 juni 2022. Daarnaast blijkt nergens uit dat de gestelde lening, zo die wel zou zijn aangegaan op 16 juni 2022, op de peildatum nog bestond.
De man vindt dat die schulden wel tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoorden. De lening van € 4.000,- van 5 februari 2022 is kort voor het huwelijk aangegaan, maar is volgens de man aantoonbaar gebruikt voor de aanschaf van de keuken in de echtelijke woning. De keuken is een gemeenschappelijk goed waarvan beide partijen tijdens het huwelijk gebruik hebben gemaakt. De vrouw heeft daarmee voordeel genoten van deze investering. De tweede lening van € 700,- van 16 juni 2022 is aangegaan kort na het huwelijk en is deels gebruikt voor het bekostigen van tuinwerkzaamheden.
5.6
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de – door de man gestelde – schulden van € 4.000,- en € 700,- in de gemeenschap vallen. Het hof maakt de overwegingen van de rechtbank – na een eigen afweging - hieromtrent de zijne. De man heeft in hoger beroep bovendien geen nadere stukken ingediend waaruit het bestaan van de gestelde schulden op de peildatum blijkt. Hij heeft voor de gestelde schuld van € 700,- slechts een schermopname van een tweetal afschrijvingen van zijn bankrekening aan de Hornbach overgelegd. Daaruit blijkt niet dat hij een lening is aangegaan voor dat bedrag. Het hof zal het verzoek van de vrouw derhalve toewijzen en voor recht verklaren dat de huwelijksgemeenschap niet de twee door de man gestelde schulden van € 4.000,- en € 700,- omvat.
Gouden sieraden
5.7
Partijen twisten verder over het antwoord op de vraag of de gouden sieraden in de huwelijksgemeenschap vallen. De vrouw stelt dat zij vóór het wettelijk huwelijk geschonken heeft gekregen:
zeven gouden armbanden van 15 gram (van de ouders van de man);
vijf gouden armbanden van 30 gram (van haar ouders);
één gouden armband van 20 gram (van een zus);
één gouden armband van 30 gram (van een zus).
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat een deel van de sieraden tijdens het huwelijk is uitgegeven door partijen, een deel is omgewisseld bij een juwelier voor nieuwe sieraden en dat zij op de peildatum nog vijf gouden armbanden (die zij van haar ouders had gekregen) in haar bezit had. Die vallen volgens haar buiten de huwelijksgemeenschap.
5.8
Volgens de man hebben partijen vóór het wettelijk huwelijk, ter gelegenheid van het religieuze huwelijk, gezamenlijk gekregen:
tien gouden armbanden van 25 gram;
twee hele gouden muntstukken;
vijf kwart gouden muntstukken;
één gouden ketting,
gezamenlijk ter waarde van € 22.000,-.
De culturele context en het gebruik binnen de gemeenschap waarin partijen verkeren maken volgens de man aannemelijk dat deze sieraden en munten ter gelegenheid van het huwelijk aan het bruidspaar gezamenlijk zijn geschonken. Hij vindt dat de vrouw haar stelling dat sprake is van een privéschenking onvoldoende heeft onderbouwd. De sieraden maken daarom onderdeel uit van de huwelijksgemeenschap, zoals ook door de rechtbank overwogen. De man verklaart ter zitting bij het hof verder dat de vrouw tijdens het huwelijk de zeven gouden armbanden van 15 gram heeft ingeruild voor vier gouden armbanden van 25 gram, en dat zij geld heeft bijgelegd om een vijfde gouden armband van 25 gram te laten maken. De man stelt dat de vrouw (in ieder geval op de peildatum) in het bezit was van tien gouden armbanden van 25 gram: vijf daarvan zijn het resultaat van de ruil bij de juwelier en vijf daarvan zijn door de ouders van de vrouw aan partijen geschonken. Die armbanden vallen volgens hem allemaal in de huwelijksgemeenschap.
5.9
Het hof overweegt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting acht het hof het aannemelijk dat er op de peildatum nog tien gouden armbanden van 25 gram per stuk aanwezig waren. Partijen zijn het erover eens dat vijf van de tien gouden armbanden door de ouders van de vrouw zijn geschonken. Wat de overige vijf armbanden betreft acht het hof de verklaring van de man aannemelijk. De vrouw heeft die verklaring ter zitting desgevraagd bevestigd. Dat de vrouw daarop later, tijdens haar laatste woord, terugkwam, doet daaraan niet af. Het hof acht haar verklaring dat er slechts vier armbanden bij de juwelier tijdens het huwelijk zijn aangeschaft en zijn ‘gebruikt’ op vakantie ongeloofwaardig en ruimschoots te laat ingenomen waardoor de man daarop niet deugdelijk heeft kunnen reageren. Het hof zal de stelling van de vrouw daarom buiten beschouwing laten.
5.10
De vraag die het hof moet beantwoorden is of de tien gouden armbanden deel uitmaken van de (thans ontbonden) huwelijksgemeenschap. Van vijf gouden armbanden staat vast dat die door de ouders van de vrouw ter gelegenheid van hun religieuze huwelijk hebben geschonken. De vraag is aan wie die schenking heeft plaatsgevonden. Van de overige vijf armbanden staat vast dat die tijdens het wettelijk huwelijk zijn aangeschaft en zijn betaald met zeven gouden armbanden van 15 gram en gemeenschapsgeld. Voor deze armbanden geldt dat van doorslaggevend belang is of de zeven armbanden van 15 gram aan de vrouw of aan partijen gezamenlijk waren geschonken. Op grond van artikel 1:95 lid 1 BW blijft een tijdens het huwelijk verkregen goed immers buiten de gemeenschap indien de tegenprestatie bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen en het betreffende goed ook aan hem of haar is geleverd De vrouw stelt dat dit het geval is, waardoor op haar – gelet op de gemotiveerde betwisting van de man – de bewijslast van die stelling rust.
5.11
Op basis van de overgelegde stukken en de verhandelingen ter zitting kan het hof niet vaststellen aan wie de ouders van de vrouw noch aan wie de ouders van de man de respectievelijk vijf en zeven gouden armbanden hebben geschonken.
De vrouw biedt aan om te bewijzen dat de gouden sieraden aan haar zijn geschonken door het horen van getuigen, zijnde de respectievelijke schenkers van de sieraden in kwestie.
Het hof laat de vrouw toe met alle middelen rechtens te bewijzen – met name door het horen van getuigen – dat aan haar in privé zijn geschonken door haar ouders de vijf gouden armbanden van 25 gram.
Mercedes met kenteken [kenteken]
5.12
Partijen zijn het erover eens dat de Mercedes met kenteken [kenteken] (hierna: de Mercedes ) eigendom is van de vader van de vrouw. Deze auto kan dus geen deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Het hof zal het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat de Mercedes geen onderdeel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap van partijen toewijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Voormalig echtelijke woning
5.13
Ter zitting is gebleken dat de man de voormalig echtelijke woning op 3 oktober 2025 heeft overgenomen tegen een bedrag van € 370.000,-. Op die datum is de woning notarieel aan de man geleverd. Dat betekent dat de voormalig echtelijke woning op die datum in juridische zin is verdeeld. Het verzoek van de vrouw dat strekt tot verkoop van die woning aan een derde, komt daardoor niet meer voor toewijzing in aanmerking. Het hof zal dat verzoek afwijzen.
Vergoedingen
Gebruiksvergoeding
5.14
De vrouw verzoekt het hof om een gebruiksvergoeding vast te stellen voor de periode tussen 10 januari 2024 en de datum waarop de woning door de man formeel is overgenomen, zijnde – zoals in hoger beroep is gebleken – 3 oktober 2025, waarbij de gebruiksvergoeding wordt gesteld op een bedrag gelijk aan de hoogte van de gebruikerslasten van de woning per maand te vermeerderen met de helft van de eigenaarslasten van de woning per maand, doch ten minste op een bedrag van € 167,- per maand. De man verzoekt het hof om te bepalen dat geen gebruiksvergoeding aan de vrouw toekomt, althans deze gebruiksvergoeding vast te stellen op basis van de overwaardemethode, berekend op 2,5% op jaarbasis over de helft van de overwaarde, en niet op basis van de woonlastenmethode.
5.15
Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 1:165 lid 1 BW volgt dat een redelijke vergoeding (ook wel: gebruiksvergoeding) voor het gebruik van de (voormalig) echtelijke woning (gedurende zes maanden) slechts kan worden gegeven vanaf het moment dat de echtscheiding tussen partijen is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voor de periode vanaf de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap tot aan de echtscheiding, zou de vrouw op grond van art. 3:169 BW (mede gelet op het bepaalde in art. 3:189 lid 2 BW) aanspraak kunnen maken op een gebruiksvergoeding wegens gemist genot. Eveneens geldt voor de periode die aan de echtscheiding voorafgaat het in art. 1:81 BW bepaalde, te weten: dat echtgenoten verplicht zijn om elkaar het nodige te verschaffen, waaronder ook het woongenot kan worden begrepen. Het hof overweegt dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen in rov. 3.6.4 dat de man onweersproken heeft gesteld dat hij sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning alle eigenaarslasten en de gebruikerslasten geheel voor zijn rekening heeft genomen en dat het om die reden niet redelijk is de vrouw voor deze periode een gebruiksvergoeding (ex art. 3:169 BW) toe te kennen. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die maken dat het oordeel van de rechtbank op dit punt niet in stand kan blijven.
5.16
Omdat de voormalig echtelijke woning vanaf 3 oktober 2025 niet langer in mede-eigendom van de vrouw is, zal het hof thans nog beoordelen of de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding ingevolge artikel 1:165 lid 1 BW dient te betalen voor de periode tussen de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ( [datum] 2025) en 3 oktober 2025, en zo ja, hoe hoog die vergoeding moet zijn. Het hof acht het redelijk de hoogte van de gebruiksvergoeding ex art. 1:165 BW over de periode tussen [datum] 2025 en 3 oktober 2025 vast te stellen op de hoogte van de gebruikerslasten en de helft van de eigenaarslasten (met uitzondering van de aflossingen) van de woning. Ter zitting is komen vast te staan dat de man alle woon- en eigenaarslasten van de voormalig echtelijke woning heeft voldaan in voormelde periode zodat de vrouw per saldo geen verdere gebruiksvergoeding meer toekomt. Het hof zal het verzoek van de vrouw om een gebruiksvergoeding vast te stellen op een bedrag gelijk aan de hoogte van de gebruikerslasten van de woning per maand te vermeerderen met de helft van de eigenaarslasten van de woning per maand slechts toewijzen voor de periode vanaf [datum] 2025 tot 3 oktober 2025, hetgeen erin resulteert dat de vrouw per saldo (gelet op de reeds door de man verrichte betalingen van de gebruikers- en eigenaarslasten) geen verdere gebruiksvergoeding meer toekomt.
Leasetermijnen
5.17
De man verzoekt het hof om de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de helft van de door hem vanaf 10 januari 2024 betaalde leasetermijnen van € 337,98 per maand zolang die kosten doorlopen. Hij heeft ter zitting verklaard dat het leasecontract na september 2025 is afgekocht, waardoor de termijnen niet langer hoeven te worden betaald. Tussen partijen staat niet in discussie dat het leasecontract tijdens het huwelijk is aangegaan.
5.18
Het hof overweegt als volgt. Omdat het leasecontract tijdens het huwelijk is aangegaan, is ieder van partijen draagplichtig voor de helft van de aflossingstermijnen. Dat de vrouw pas wist van het leasecontract toen de man – tijdens het huwelijk – thuiskwam met de auto die werd geleased, doet daaraan niet af. Ook de stelling van de vrouw dat de man de enige was die in de leaseauto reed, maakt niet dat zij niet draagplichtig is voor de helft van de aflossingstermijnen. Het hof is van oordeel dat de lease termijnen die verschuldigd zijn tijdens het huwelijk aan te merken zijn als kosten van de huishouding gezien de stand en fortuin waarin partijen leefden. Op basis van de door partijen gestelde gegevens kan het hof niet vaststellen of de man conform art 1:84 BW te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Na ontbinding van het huwelijk op [datum] 2025 zijn beide partijen gelijk draagplichtig met betrekking tot de leasetermijnen. De man heeft aangetoond dat hij na de ontbinding van het huwelijk nog drie leasetermijnen heeft voldaan zijnde 3 maal € 337,98 = € 1.013,94. De man heeft derhalve een vordering op de vrouw van € 507 afgerond.
Hypotheeklasten
5.19
De man verzoekt het hof om de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 9.125,19, zijnde de helft van de door hem betaalde hypotheeklasten vanaf 10 januari 2024 tot en met juni 2025, alsmede de helft van de lopende maandelijkse hypotheeklasten van € 1.013,91, zolang zij haar aandeel onbetaald laat. Het hof begrijpt dit verzoek aldus dat de man vraagt om een bijdrage tot 3 oktober 2025, aangezien de voormalig echtelijke woning op die datum notarieel aan de man is geleverd.
5.20
Het hof maakt hieronder onderscheid tussen de hypotheekrente en de hypotheekaflossing.
Hypotheekrente
5.21
Gedurende het huwelijk wordt de hypotheekrente beschouwd als zijnde kosten van de huishouding, omdat dit een last is die is verbonden aan de gemeenschappelijk aangegane hypotheeklening. Dat betekent dat die niet voor vergoeding noch regres in aanmerking komen. Na ontbinding van het huwelijk is de man in de voormalig echtelijke woning blijven wonen en daarvoor hoeft hij de vrouw, gelet op het hiervoor overwogene, geen nadere gebruiksvergoeding te betalen dan de reeds door hem betaalde woon- en eigenaarslasten. Hierbij sluit aan dat voor regres van de door de man betaalde hypotheekrente dan ook geen plaats is.
Hypotheekaflossing
5.22
Voor zover de man tijdens het huwelijk meer dan het aandeel waartoe hij gehouden was, heeft hij niet aangetoond dat hij dat uit privévermogen heeft gedaan. Dat gedeelte komt dus niet voor toewijzing in aanmerking. Voor het gedeelte dat de man na de ontbinding van het huwelijk meer heeft afgelost dat het gedeelte waartoe hij in de onderlinge verhouding gehouden was, de helft, heeft hij een regresvordering op de vrouw. Echter, het hof kan op basis van de overgelegde stukken noch het verhandelde ter zitting vaststelling hoe hoog dat gedeelte is, nu een specificatie van de hypotheeklasten in het dossier ontbreekt. De verzoeken van de man onder V en VI komen daardoor alsnog niet voor toewijzing in aanmerking.
Vergoedingsrechten
5.23
Tussen partijen is in geschil wie van hen een vergoedingsrecht heeft op de ander, en zo ja, hoe hoog dat vergoedingsrecht dan is. Het hof dient als eerst te beoordelen of sprake is van een grondslag waarop een vergoedingsrecht berust. Partijen zijn het met elkaar eens dat de investeringen in de voormalig echtelijke woning die het onderwerp zijn van de discussie of sprake is van vergoedingsrechten over en weer, zijn gedaan voordat partijen met elkaar trouwden. De vermogensrechtelijke verhouding tussen informeel samenwoners wordt niet bepaald door de regels in de titels 6-8 van Boek 1 BW, maar door het algemene verbintenissenrecht (vgl. Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, met name rechtsoverwegingen 3.5.2 en 3.5.3). Het hof dient derhalve te beoordelen of sprake is van een (stilzwijgende) overeenkomst tussen partijen op basis waarvan een of meer vergoedingsrechten zijn ontstaan.
5.24
Het hof is op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat sprake is van een stilzwijgende overeenkomst tussen partijen, op basis waarvan vergoedingsrechten zijn ontstaan. Partijen hadden allebei voor ogen dat zij samen in de voormalig echtelijke woning zouden gaan wonen en dat zij de kosten van de verbouwing allebei voor de helft zouden dragen. Partijen hebben de voormalig echtelijke woning in mede-eigendom gekocht tegen een aankoopsom van € 321.000,-, waarvan een groot deel (€ 300.000,-) is gefinancierd met een hypothecaire geldlening waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk waren. Partijen waren het erover eens dat de woning verbouwd moest worden. De man voldeed de kosten die daarvoor werden gemaakt vanuit zijn privévermogen en de vrouw maakte geld naar hem over als hij daarvoor tekortkwam, aldus de vrouw ter zitting in hoger beroep. Het hof is van oordeel dat voor zover vanuit een van de privévermogens van partijen meer is voldaan aan de kosten van de investeringen dan uit het privévermogen van de ander, een vergoedingsrecht is ontstaan ter hoogte van de helft van dat bedrag. Het hof zal hieronder ingaan op de door partijen aangevoerde bedragen.
€ 10.000,- van de vrouw in verband met de aanschaf van de echtelijke woning
5.25
De vrouw stelt dat zij aan de man op 5 en 6 november 2021 in totaal € 10.000,- heeft overgemaakt aan de man ten behoeve van de koopsom voor de echtelijke woning (‘Notaris geld ivm aankoop woning’). De man erkent dat zij dat heeft gedaan en stelt dat hij dat bedrag contant aan haar heeft teruggegeven. Gelet op de betwisting van die stelling door de vrouw had het op de weg van de man gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. Het hof is van oordeel dat hieruit een vergoedingsrecht van de vrouw op de man voortvloeit van € 5.000,-.
€ 5.280,- van de vrouw
5.26
De vrouw stelt dat zij tussen 21 november 2021 en 23 mei 2022 verschillende bedragen aan de man heeft overgemaakt ten behoeve van investeringen in de woning. Hiervan zou € 3.769,06 zijn aangewend voor notariskosten en € 1.510,94 voor de inbouwkeuken. De man betwist deze stelling gemotiveerd. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat de overgeboekte bedragen tussen 21 november 2021 en 23 mei 2022 zijn aangewend voor investeringen in de woning. Het bedrag is in 15 aparte bedragen over een periode van zes maanden van de vrouw aan de man overgemaakt. Het hof acht onaannemelijk dat hiermee is bijgedragen in de twee bedragen die de vrouw noemt. Hoewel de vrouw ter zitting heeft verklaard dat zij wel eens bedragen aan de man overmaakte ten behoeve van de investeringen in de voormalig echtelijke woning als hij daarvoor tekortkwam, kan het hof niet vaststellen welke bedragen daarop zien. Het hof is van oordeel dat de overmaking door de vrouw aan de man van in totaal van € 5.280,- niet heeft geleid tot een vergoedingsrecht.
€ 5.570,- van de vrouw
5.27
De vrouw stelt dat zij na de huwelijksvoltrekking € 5.570,- aan de man heeft overgemaakt ten behoeve van investeringen in de woning. Zij heeft daarvoor een aantal overschrijvingen van de bank in het geding gebracht (eerste aanleg: productie 13 bij de brief van de vrouw van 30 december 2024). Het hof kan hieruit niet opmaken dat deze bedragen zijn aangewend ten behoeve van investeringen in de woning. Omdat partijen tijdens het huwelijk op grond van artikel 1:81 BW verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen, ontstaat niet uit ieder overgemaakt bedrag direct een vergoedingsrecht. Het hof is van oordeel dat de overmaking door de vrouw aan de man van € 5.570,- niet heeft geleid tot een vergoedingsrecht.
Conclusie vergoedingsrecht van de vrouw
5.28
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat vrouw een vergoedingsrecht op de man heeft ter hoogte van € 5.000,-.
€ 62.032,64 van de man
5.29
Tussen partijen is verder in geschil hoe hoog het vergoedingsrecht van de man op de vrouw is. De rechtbank heeft een vergoedingsrecht vastgesteld ter hoogte van € 62.032,64. De vrouw betwist de verschillende onderdelen waaruit het vergoedingsrecht is opgebouwd. Het hof zal deze onderdelen hieronder achtereenvolgens bespreken.
€ 27.538,13 ‘
volledige notariskosten’
5.30
De man stelt notariskosten (o.a. restant koopsom) te hebben gemaakt voor € 27.538,13. De vrouw betwist niet dat de man deze kosten heeft voldaan, waardoor de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw ter hoogte van de helft van deze kosten. Dat de vrouw aan de notariskosten heeft bijgedragen, is reeds in 5.28 vastgesteld. Zij heeft voor het bedrag dat zij heeft aangewend een apart vergoedingsrecht op de man, dat eventueel met voornoemd vergoedingsrecht kan worden verrekend.
€ 5.350,- ‘
inbouwkeuken’
5.31
Het hof overweegt over de inbouwkeuken als volgt. De man heeft aangetoond dat hij voor de inbouwkeuken een bedrag van € 4.350,- van zijn rekening heeft betaald (productie 6 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende verzoeken van de man van 7 juni 2024, eerste aanleg). De man heeft verder aangetoond dat hij de overige € 1.000,- contant heeft betaald op 27 november 2021 (productie 6 bij het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep in hoger beroep van 27 juni 2025). Dat betekent dat de man een vergoedingsrecht op de vrouw heeft ter hoogte van de helft van € 5.350,-.
Makelaars- en taxatiekosten
5.32
Het hof overweegt over de makelaars- en taxatiekosten van de man als volgt. Deze kosten zijn reeds verwerkt in de hiervoor onder 5.33 besproken notariskosten. Omdat de man voor de gemaakte kosten al in een vergoedingsrecht op de vrouw heeft, kan dat niet nogmaals een apart vergoedingsrecht opleveren.
Aanschaf bouwmaterialen
5.33
De man heeft facturen en bankafschriften overgelegd van de aanschaf van bouwmaterialen voor de verbouwing van de voormalig echtelijke woning. De vrouw betwist dat deze facturen en bankafschriften zien op gemaakte kosten voor de voormalig echtelijke woning. Zij stelt dat de man deze kosten ook gemaakt kan hebben voor het aannemersbedrijf van zijn vader. Het hof gaat niet mee in het betoog van de vrouw. De bedragen zijn van de privérekening van de man voldaan en de facturen zijn gericht aan de man. Het is niet in geschil dat deze facturen en bankafschriften dateren van de periode waarin de man bezig was met de verbouwing van de voormalig echtelijke woning. Het hof concludeert dat de gemaakte kosten leiden tot een vergoedingsrecht van de man op de vrouw ter hoogte van de helft van de totale kosten, namelijk: (50% van € 3.757,05 =) € 1.878,53.
Kosten toiletsets € 2.630,53
5.34
Partijen zijn het erover eens dat de door de man gemaakte kosten voor de twee toiletsets leiden tot een vergoedingsrecht van de man op de vrouw ter hoogte van de helft van die kosten ad € 2.630,53.
€ 20.006,93 ‘
aannemerswerk
’
5.35
De man heeft een factuur van de aannemerskosten overgelegd waarop een bedrag van € 20.006,93 staat vermeld. De vrouw stelt dat er geen aannemerswerk is verricht en dat de factuur valselijk is opgesteld. Het hof acht de stelling van de vrouw onaannemelijk. Partijen zijn het erover eens dat de voormalig echtelijke woning in een periode van meerdere maanden is verbouwd. Hiervoor zijn kosten gemaakt. Dat de man de hulp van een aannemer heeft ingeroepen voor enkele werkzaamheden, die hebben geleid tot een factuur van € 20.006,93, acht het hof zeer wel niet onaannemelijk. Het hof is van oordeel dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw ter hoogte van de helft van dat bedrag.
Conclusie vergoedingsrecht van de man
5.36
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat de man op de vrouw een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van (50% van € 59.282,64 =) € 29.641,32.
Onverschuldigde betaling?
5.37
Omdat het hof oordeelt dat het vergoedingsrecht van de vrouw op de man niet hoger is van € 10.000,- komt hij toe aan het voorwaardelijk verzoek van de vrouw onder i. Daarin vraagt de vrouw het hof om de man te veroordelen tot (terug)betaling van een bedrag aan de vrouw een bedrag dat zij onverschuldigd aan hem zou hebben betaald. Het hof heeft de bedragen waarvan de vrouw stelt dat die aan de man onverschuldigd zijn betaald, reeds besproken in rechtsoverwegingen 5.29 en 5.30. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting kan het hof niet vaststellen dat deze bedragen onverschuldigd aan de man zijn betaald. Het verzoek van de vrouw wordt derhalve afgewezen.
Proceskosten
5.38
Gelet op de familierechtelijke aard van het geschil zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
6De beslissing
Het hof:
laat de vrouw toe met alle middelen rechtens te bewijzen – met name door het horen van getuigen – dat aan haar in privé zijn geschonken door haar ouders de vijf gouden armbanden van 25 gram;
benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.N. Labohm en bij diens afwezigheid mr. G.G.B. Boelens voor het te houden getuigenverhoor;
bepaalt dat partijen binnen 2 weken na dato van deze beschikking hun verhinderdata dienen op te geven voor het te houden getuigenverhoor en wel voor de maanden: maart, april, mei, juni, juli en augustus 2026;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en L.A.G.M. van der Geld, bijgestaan door de griffier, en is op 4 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Producties 9 en 11 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende verzoeken van de man van 7 juni 2024, eerste aanleg.