ECLI:NL:GHSHE:2024:2340
text/xml
public
2026-07-03T08:54:49
2024-07-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-07-18
200.324.763_01
Uitspraak
Hoger beroep
NL
's-Hertogenbosch
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2340
text/html
public
2026-07-03T08:54:27
2026-07-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2024:2340 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-07-2024 / 200.324.763_01
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.324.763/01
zaaknummer rechtbank : C/03/275225 / FA RK 20-820
beschikking van de meervoudige kamer van 18 juli 2024
inzake
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.W.M. van Doorn te Maastricht,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. D. Rezaie te Amsterdam.
In deze zaak is Iraans recht van toepassing. Het geschil gaat over de bruidsgave en over de vraag of de man de helft van zijn tijdens het huwelijk verworven bezittingen aan de vrouw dient over te dragen (of een equivalent in contanten). Ook is in geschil of de vrouw ter zake van de giften en sieraden een bedrag aan de man verschuldigd is.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 29 april 2021 (onder zaaknummer C/03/270363 / FA RK 19-3888) en naar de beschikkingen van 30 maart 2022 en 28 december 2022 (onder het bovenaan deze beschikking vermelde zaaknummer).
2Het geding in hoger beroep
2.1.
De vrouw is op 24 maart 2023 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 30 maart 2022 en 28 december 2022.
2.2.
De man heeft op 19 juni 2023 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
De vrouw heeft op 8 augustus 2023 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het V6 formulier van de advocaat van de man, ingekomen op 24 april 2024 met producties 5 en 6;
- de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen, zoals voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling op 1 mei 2024.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 1 mei 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De vrouw werd verder bijgestaan door C.G.M. Lemmen, tolk Engels, nr. 2481. De man werd verder bijgestaan door M. Kenninck-van Veen, tolk Engels, nr. 1008.
3De feiten
3.1.
Het hof gaat in hoger beroep uit van het navolgende.
3.2.
Partijen zijn op 7 september 2006 te [plaats 1] (Iran) met elkaar gehuwd. Zij hebben de Iraanse nationaliteit. In de huwelijksakte zijn partijen overeengekomen:
“(...)
MARRIAGE PORTION: One volume of Quran and 1364 gold coins which should be paid by husband on demand.
(...)
“STIPULATED CIONDITONS:
A> By this marriage contract whenever the divorce is not at the demand of herself, & at the distinction of the court the application for divorce is not as a result of infringement of the wife from her duties her misconduct, then the husband shall transfer to her up to 50% of all assets he gained after their marriage, or its equivalent in cash. (...)”.
3.3.
Tijdens het huwelijk van partijen is geboren [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (België).
3.4.
Het verzoek tot echtscheiding van de vrouw is op 25 oktober 2019 door de rechtbank ontvangen.
3.5.
Bij beschikking van 29 april 2021 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3.6.
De echtscheidingsbeschikking is op 1 september 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikkingen is, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw tot verdeling van de banksaldi bij helfte afgewezen, het verzoek van de vrouw ten aanzien van de bruidsgave toegewezen tot een aantal van 21 gouden muntstukken, zijnde € 8.967,--. Het verzoek van de man ten aanzien van de gouden munten en sieraden is afgewezen.
4.2.
De grieven van de vrouw zien op de saldi op de bankrekeningen (grief I-III) en de bruidsgave (grief IV).
De vrouw verzoekt het hof de beschikkingen van 30 maart 2022 en 28 december 2022 (deels) te vernietigen en - opnieuw rechtdoende -:
A. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 41.500,-- uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgemeenschap naar Iraans recht, te vermeerderen met de helft van de saldi van de Belgische bankrekeningen;
B. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 582.428,-- uit hoofde van de tussen partijen overeengekomen bruidsgave van in totaal 1364 gouden munten.
4.3.
De grief van de man ziet op de giften en sieraden.
De man verzoekt het hof bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verzoeken van de vrouw integraal af te wijzen en de beschikkingen van 30 maart 2022 en 28 december 2022 waarvan beroep te bekrachtigen voor zover het de saldi van de bankrekeningen van de man, de gezamenlijke bankrekening van partijen en de afgifte van de bruidsgave betreft;
in incidenteel hoger beroep:
II. de beschikkingen van 30 maart 2022 en 28 december 2022 ten aanzien van de verdeling van de giften en de sieraden die in eigendom aan partijen toebehoren, te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vrouw te veroordelen om uit dien hoofde aan de man een bedrag van minimaal € 45.000,-- te betalen.
4.4.
De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van het incidenteel hoger beroep te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
Rechtsmacht echtscheiding
5.1.
Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter voor het verzoek tot echtscheiding op grond van artikel 3 lid 1 sub a eerste streepje Brussel II-bis rechtsmacht toe.
Rechtsmacht huwelijksvermogensrecht
5.2.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in de echtscheidingszaak (op grond van art. 3 lid 1 sub a, eerste streepje Brussel II-bis, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht om te beslissen in zaken betreffende het huwelijksvermogensstelsel die met het echtscheidingsverzoek verband houden (art. 5 lid 1 van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels).
Toepasselijk recht huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk
5.3.
Partijen hebben geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Iraans recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Iraans recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
Saldi bankrekeningen
5.4.
De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 30 maart 2022 overwogen:
“2.4.3. De rechtbank begrijpt de stellingen van de vrouw zo dat de vrouw ondanks de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, recht zou hebben op de helft van het saldo van de door haar genoemde bankrekeningen omdat de saldi van deze bankrekeningen omdat deze op naam van beide partijen (en/of- rekeningen) staan gezamenlijk eigendom zijn. De man stelt daartegenover dat de tenaamstelling van de bankrekeningen geen aanwijzing is voor mede-eigendom en bovendien is het saldo op die bankrekeningen door hem opgebouwd. Gezien de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en de herkomst van de gelden (uit arbeid door de man en uit hoofde van leningen afgesloten door de man) is het saldo van die bankrekeningen privé-eigendom en is er geen sprake van te verdelen saldi.
2.4.4.
De rechtbank dient derhalve te beoordelen of er sprake is van mede-eigendom van (de saldi) van de door de vrouw genoemde bankrekeningen. Daarbij geldt dat de rechtbank reeds heeft bepaald dat het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Op grond van artikel 271 lid 2 Overgangswet BW blijft artikel 10:50 BW (oud), zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Uitvoeringswet Verordening huwelijksvermogensstelsels en Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen, van toepassing op het huwelijksvermogensregime van echtgenoten die op of na 1 september 1992, maar voor 29 januari 2019 in het huwelijk zijn getreden. Voor partijen geldt aldus dat artikel 10:50 BW (oud) van toepassing is, waarin is bepaald dat artikel 1:131 BW ook van toepassing is indien het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten door een vreemd recht wordt beheerst. In artikel 1:131 lid 1BW is bepaald: Bestaat tussen niet in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.
In dit verband heeft de vrouw – in het licht van de gemotiveerde stelling van de man – naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd namelijk dat de saldi van de bankrekeningen mede-eigendom betreffen. De man heeft immers onbetwist gesteld en aannemelijk gemaakt dat de saldi van de bankrekeningen zijn opgebouwd door zijn inkomen omdat hij in de huwelijkse jaren van 2006 tot 2019 die als enige heeft gewerkt en inkomen heeft genoten. De rechtbank laat daarbij de kwestie met betrekking tot de leningen in het midden, omdat zo die leningen aan de man al juist zouden zijn, het daardoor aan de man beschikbaar gekomen vermogen in ieder geval niet heeft geleid tot gemeenschappelijk vermogen van partijen dat tussen partijen zou moeten worden verdeeld. Kortom, de saldi op de diverse bankrekeningen van de man behoren tot zijn privé vermogen, en er is geen reden dat deze saldi met de vrouw moeten worden verdeeld.
De rechtbank komt dan ook niet toe aan toepassing van artikel 843a Rv met betrekking tot de transactieoverzichten van de bankrekeningen om de totale omvang van de saldi te bepalen. De rechtbank oordeelt immers dat de saldi van deze bankrekeningen niet mede aan de vrouw toekomen.
Het verzoek van de vrouw ligt derhalve voor afwijzing gereed. Dat zal bij eindbeschikking in het dictum worden beslist.”
5.5.
Met de grieven I tot en met III komt de vrouw op tegen de afwijzing van haar verzoek tot verdeling van de banksaldi. De grieven luiden:
I. ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de saldi op de diverse bankrekeningen (in België en Nederland) tot het privé vermogen van de man behoren en dat deze saldi niet met de vrouw hoeven te worden gedeeld;
II. (voor het geval grief I niet slaagt:) ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de vraag of sprake is van mede-eigendom van bankrekeningen gekeken moet worden naar art. 1:131 BW op grond van art. 271 lid 2 Overgangswet jo. art. 10:50 (oud) BW;
III. ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw onvoldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd op het punt of de saldi op de betreffende bankrekeningen mede-eigendom betreffen en dat de man in dat kader onbetwist heeft gesteld en aannemelijk heeft gemaakt dat de saldi op de bankrekeningen zijn opgebouwd door zijn inkomen omdat hij in de huwelijkse jaren van 2006 tot 2019 als enige heeft gewerkt en inkomen heeft genoten.
Ter toelichting op de grieven voert de vrouw het volgende aan.
In de huwelijksakte zijn onder het kopje ‘Stipulated Conditions’ voorwaarden opgenomen die hebben te gelden als tussen partijen opgemaakte huwelijkse voorwaarden (prod. 24). De voorwaarden houden in dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de helft van het tijdens het huwelijk verworden vermogen, indien zij degene is die de echtscheiding verzoekt en/of de echtscheiding het gevolg is van het falen van de vrouw in haar huwelijkse plichten. Deze voorwaarde is in strijd met de Nederlandse openbare orde en goede zeden en dient daarom buiten toepassing te worden gelaten. De man dient de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen aan de vrouw te vergoeden. Zij heeft haar vordering bepaald op een bedrag van € 41.500,-- te vermeerderen met de helft van de saldi van de Belgische bankrekeningen.
Subsidiair voert de vrouw het volgende aan. Zij heeft een beëdigde verklaring van een Iraanse advocaat overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat volgens Iraans recht het saldo van een op naam van beide partijen staande bankrekening bij helfte dient te worden verdeeld, ongeacht wie de bron (herkomst) van het geld is. Na het aangaan van het huwelijk zijn partijen naar Maleisië verhuisd. De man kon daar zijn studie afronden. Partijen hadden destijds geen inkomen. De vrouw heeft het door haar bij het huwelijk ontvangen goud – haar privévermogen – in fases verkocht. Partijen hebben met dat geld in hun levensonderhoud voorzien en ook een startkapitaal opgebouwd. Dit heeft de basis gevormd voor de spaargelden van partijen bij het einde van het huwelijk. De bankrekening in Maleisië is al lang opgeheven zodat zij niet exact kan achterhalen hoeveel geld door de verkoop van het goud op die bankrekening is gestort.
De vrouw heeft voldoende gemotiveerd onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat ook van haar kant in het begin van het huwelijk de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen van partijen zijn gevoed. De man heeft dit ook niet betwist.
Geen van partijen kan concreet bewijzen wie in welke mate heeft bijgedragen in het uiteindelijke vermogen op de banksaldi. Dit leidt ertoe dat de saldi op de bankrekeningen worden geacht aan ieder van partijen voor de helft toe te behoren.
5.6.
In reactie op de grieven voert de man het volgende aan.
De vrouw heeft niet onderbouwd dat de Iraanse wet bepaalt dat in geval van onroerend goed of bankrekeningen op naam van beide partijen, deze goederen deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen dat bij helfte moet worden verdeeld. De brief van de Iraanse advocaat kan niet als een deskundigenbericht worden aangemerkt, nu niet duidelijk is welke vragen zijn gesteld en het geen beëdigde vertaling betreft. Niet te controleren is of de Nederlandse vertaling een nauwkeurige en juiste weergave is van de Farsi tekst. Evenmin is toegelicht waarom de advocaat bij de Iraanse ambassade in Brussel werkt en niet als advocaat in Iran. Bovendien zijn de wettelijke bepalingen niet benoemd en toegelicht. Evenmin is in gegaan op jurisprudentie en nieuwe ontwikkelingen rondom de bruidsgave.
Vanaf 2006 tot 2019 is het altijd de man geweest die heeft gewerkt en inkomen heeft verworven. De vrouw heeft van het inkomen van de man genoten en geprofiteerd. Zij was altijd bezig met hobby’s en interesses die zij niet wist om te zetten in inkomen. Toen partijen zich in België vestigden heeft de man daar een bankrekening op beider naam geopend en daar zijn salaris op laten storten. Voor de vrouw is een extra bankpas aangevraagd, zodat zij boodschappen etc. kon doen zonder afhankelijk te zijn van de man.
Al het geld dat op de gezamenlijke rekening binnenkwam, was het inkomen van de man en niets anders. De rekening werd dus uitsluitend gevoed met gelden afkomstig van de man. Naar Iraans recht heeft de vrouw geen aanspraak op het deel dat uit het inkomen van de man afkomstig is.
Dit geldt eveneens voor de spaarrekening en de premium spaarrekening van de man die aan zijn privérekening bij ING in België gekoppeld waren. De man maakte ook de gelden uit de leningen die hij van zijn familie ontving over op deze spaarrekeningen. Hij heeft in totaal € 60.000,-- aan zijn ouders en € 15.000,-- aan zijn broer terugbetaald. De vrouw was hier ook mee bekend.
De Belgische bankrekeningen zijn op verzoek van ING een jaar geleden opgeheven, omdat partijen niet meer in België woonden en daar evenmin economisch actief waren.
Voor wat betreft het door de vrouw gestelde bedrag van ten minste € 17.000,-- dat door de man zou zijn genoten: hij betwist de hoogte van dit bedrag. Het saldo op de premium spaarrekening was vele malen lager en is uiteindelijk aan de schulden van de man aan zijn familie besteed. De man had geld geleend van zijn familie. Wat betreft het bedrag van € 15.000,-- dat naar Iran is overgemaakt om daar te investeren: ook dit geldbedrag was afkomstig van het gespaarde inkomen van de man dan wel de lening van zijn ouders/broer. De investering kwam niet van de grond en de man heeft bewerkstelligd dat de vrouw circa € 5.000,-- van dit bedrag ontving. Dit is gebeurd in 2018 toen de vrouw voor familiebezoek/vakantie in Iran was.
Ten aanzien van het beroep op strijd met de Nederlandse openbare orde: partijen hebben welbewust gekozen om op huwelijkse voorwaarden met elkaar te trouwen. De vrouw was zich ervan bewust dat het indienen van een echtscheidingsverzoek ertoe zou leiden dat zij geen aanspraak kon maken op de helft van het vermogen van de man. Ook als een specifieke bepaling buiten toepassing moet worden gelaten, vallen partijen terug op het reguliere Iraanse huwelijksvermogensrecht dat de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen kent.
5.7.
Het hof overweegt als volgt.
Partijen zijn in de huwelijksakte huwelijkse voorwaarden aangegaan, waarbij zij in overeenstemming met het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke Iraanse recht, op rechtsgeldige wijze zijn afgeweken van het Iraanse wettelijke stelsel. Uit de huwelijksakte volgt dat, indien de echtscheiding niet wordt verzocht door de vrouw en de echtscheiding naar het oordeel van de rechtbank niet het gevolg is van de schending van haar verplichtingen of wangedrag door de vrouw, de man tot 50% van alle bezittingen die hij tijdens het huwelijk heeft verworven of het equivalent daarvan in contanten aan haar zal overdragen.
5.8.
Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de voorwaarden die aan de vrouw worden gesteld om aanspraak te kunnen maken op 50% van de bezittingen die de man tijdens het huwelijk heeft verworven in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde.
Art. 10:6 BW bepaalt dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
Bij zijn beoordeling stelt het hof voorop hetgeen door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:172 is overwogen en beslist:
De Hoge Raad overwoog;
“Vraag 1: Kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde?
3.1
Art. 10:6 BW bepaalt dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
3.2
In de wetsgeschiedenis van art. 10:6 BW is het volgende opgemerkt.
Bij het begrip openbare orde van art. 10:6 BW gaat het om gevallen waarin sprake is van strijd met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde. Daarbij moet worden onderscheiden tussen de inhoud van het vreemde recht en de gevolgen waartoe toepassing van het vreemde recht in het concrete geval leidt.
Van vreemd recht dat naar zijn inhoud in strijd is met de openbare orde, is sprake in gevallen waarin de grenzen van wat naar Nederlandse opvattingen voor een wetgever behoorlijk en geoorloofd is, worden overschreden. Dergelijk vreemd recht kan in Nederland niet worden toegepast, waarbij het niet ter zake doet of het desbetreffende geval enige verbondenheid met Nederland heeft.
Vreemd recht dat niet op zichzelf al naar zijn inhoud onaanvaardbaar is, kan toch buiten toepassing blijven indien toepassing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld. Bij deze toetsing spelen de omstandigheden van het geval, en met name de betrokkenheid van Nederland, een belangrijke rol. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake (kunnen) zijn van strijd met de openbare orde.
3.3
Van de hiervoor in 3.2 bedoelde strijd met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde kan onder meer sprake zijn indien het vreemde recht inbreuk maakt op een van de grondrechten die zijn verankerd in de Grondwet, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Tot die grondrechten behoren het recht op gelijke behandeling, het recht op toegang tot de rechter en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
3.4.1
Het bepaalde in art. 10:6 BW en hetgeen hiervoor in 3.2-3.3 is overwogen, is van toepassing indien het Nederlandse conflictenrecht het recht van een andere staat aanwijst. Daarbij is niet van belang of sprake is van geschreven of ongeschreven vreemd recht.
3.4.2
Het aan art. 10:6 BW ten grondslag liggende beginsel dat in de Nederlandse rechtsorde geen rechtsgevolg toekomt aan vreemd recht voor zover de toepassing daarvan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, ligt ook ten grondslag aan de bepalingen van Boek 10 BW die inhouden dat aan een in het buitenland verrichte rechtshandeling erkenning wordt onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, te weten art. 10:32 BW (‘huwelijk’), art. 10:62 BW (‘geregistreerd partnerschap’) en art. 10:101 lid 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW (‘familierechtelijke betrekkingen’). Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat laatstgenoemde bepalingen moeten worden aangemerkt als bijzondere regels ten opzichte van art. 10:6 BW.4
3.4.3
Het past in het stelsel van Boek 10 BW en sluit aan bij de daarin geregelde gevallen – te weten art. 10:6 BW en de hiervoor in 3.4.2 genoemde bijzondere regels – om te aanvaarden dat de openbare orde ook kan meebrengen dat in Nederland rechtsgevolg wordt onthouden aan een rechtshandeling die door een partij of door partijen is verricht in overeenstemming met geschreven of ongeschreven vreemd recht en volgens dat vreemde recht rechtsgeldig is, voor zover het toekennen van rechtsgevolg aan die rechtshandeling tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
3.5
Uit de vaststellingen van het hof (in de rov. 9-10 van zijn eerste tussenbeschikking) volgt dat de vrouw en de man een rechtshandeling hebben verricht – te weten het aangaan van huwelijkse voorwaarden – waarbij zij in overeenstemming met het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke Iraanse recht en op rechtsgeldige wijze zijn afgeweken van het Iraanse wettelijke stelsel en de hiervoor in 2.2 onder (iii) bedoelde bepaling zijn overeengekomen. Op grond van hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, dient te worden onderzocht in hoeverre aan die bepaling in Nederland rechtsgevolg moet worden onthouden op de grond dat zij tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
3.6.1
Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft verzocht, kan kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin. Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten in de fase voorafgaand aan de indiening van een verzoek tot echtscheiding en kan leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die beperking tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin, kan echter niet in algemene zin worden beantwoord, nu in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval.
3.6.2
Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van een van de echtgenoten afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag of die echtgenoot – kort gezegd – schuld heeft aan de echtscheiding door te weigeren de huwelijkse verplichtingen na te komen of vanwege immoreel gedrag, kan eveneens kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin. Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten en kan leiden tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die inbreuk tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin, kan evenmin in algemene zin worden beantwoord, nu ook in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval.
3.7
Op grond van het vorenstaande moet de eerste prejudiciële vraag aldus worden beantwoord dat met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval, moet worden beoordeeld of bepalingen in huwelijkse voorwaarden als hiervoor in 3.6.1-3.6.2 bedoeld, kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.”
5.9.
Uit deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad volgt dat het Iraans recht op dit punt ‘niet op zichzelf al naar zijn inhoud onaanvaardbaar is’ (het buitengrenscriterium), maar dat het Iraanse recht toch buiten toepassing kan blijven ‘indien toepassing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld’ (het binnengrenscriterium). Daarbij spelen de omstandigheden van het geval een rol en met name de betrokkenheid van Nederland met de zaak. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake zijn van strijd met de openbare orde.
Het hof gaat er daarbij van uit dat de betrokkenheid van Nederland in dit geval moet worden getoetst naar het moment waarop de Nederlandse rechter wordt gevraagd een beslissing te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen.
Partijen zijn op 7 september 2006 in Iran gehuwd en zijn in mei 2010 verhuisd naar België. Daar hebben zij tot 7 december 2018 gewoond (met een korte onderbreking van negen maanden in Canada) waarna zij naar Nederland zijn verhuisd. De vrouw heeft een klein jaar later, op 25 oktober 2019, het verzoek tot echtscheiding ingediend. De vrouw heeft met [minderjarige] eigen woonruimte betrokken in [woonplaats] . [minderjarige] is inmiddels 7 jaar oud en gaat naar school. De man woont en is werkzaam in Nederland.
Naar het oordeel van het hof is deze mate van betrokkenheid van de Nederlandse rechtssfeer zodanig groot dat de gewraakte bepaling uit de huwelijkse voorwaarden van partijen kennelijk in strijd moet worden geacht met de Nederlandse openbare orde zoals bedoeld in art. 10:6 BW, nu naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld dat een aanspraak op de helft van de bezittingen van de man afhankelijk wordt gesteld van de vraag of het verzoek tot echtscheiding afkomstig is van de vrouw dan wel van niet nader omschreven “schending van haar verplichtingen of wangedrag”.
5.10.
Vervolgens dient het hof te beoordelen wat de rechtsgevolgen zijn van de kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde. Daarbij stelt het hof het volgende voorop (wederom Hoge Raad 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721):
“Vraag 2: Rechtsgevolgen van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde
3.8
In de wetsgeschiedenis van art. 10:6 BW is opgemerkt dat in deze bepaling tot uitdrukking is gebracht dat het vreemde recht niet wordt toegepast voor zover toepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Dit betekent dat art. 10:6 BW geen integrale afwijzing van het vreemde recht beoogt, maar alleen die onderdelen van het vreemde recht treft die kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.
Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing indien – op de voet van hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen – wordt geoordeeld dat aan een in overeenstemming met het toepasselijke vreemde recht en volgens dat recht rechtsgeldig verrichte rechtshandeling in Nederland rechtsgevolg moet worden onthouden op de grond dat deze tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Dit betekent dat de toepassing van de openbare orde alleen die onderdelen van de rechtshandeling treft die leiden tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, en dat slechts die onderdelen buiten toepassing blijven.
3.9
In de prejudiciële procedure is niet de kwestie aan de orde gesteld of de huwelijkse voorwaarden, die enerzijds bepalen dat de vrouw aanspraak kan maken op de helft van het huwelijkse vermogen van de man, maar anderzijds de man geen aanspraak toekennen op de helft van het huwelijkse vermogen van de vrouw, op grond van die ongelijkheid als kennelijk onverenigbaar met de openbare orde zouden moeten worden aangemerkt, ook indien bepalingen in die huwelijkse voorwaarden als hiervoor in 3.6.1-3.6.2 bedoeld, op de daar genoemde gronden buiten toepassing blijven. Bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag is dan ook uitgangspunt dat de huwelijkse voorwaarden – mits ontdaan van dergelijke met de openbare orde strijdige bepalingen – voor het overige niet kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.
3.10
Nu vaststaat dat het huwelijksvermogensregime van de vrouw en de man wordt beheerst door het Iraanse recht (zie hiervoor in 3.5), moet aan de hand van dat recht worden bepaald in hoeverre de vrouw een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden in het geval dat bepalingen als hiervoor in 3.6.1-3.6.2 bedoeld, op de daar genoemde gronden buiten toepassing blijven.
3.11
Het vorenstaande brengt mee dat de tweede prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat het buiten toepassing blijven van bepalingen in huwelijkse voorwaarden als hiervoor in 3.6.1-3.6.2 bedoeld, op de grond dat zij leiden tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, op zichzelf niet tot gevolg heeft dat die huwelijkse voorwaarden ook voor het overige buiten toepassing blijven.”
5.11.
Aldus moet worden vooropgesteld dat uit art. 10:6 BW volgt dat de openbare orde geen integrale afwijzing van het vreemde recht beoogt, maar alleen die onderdelen van het vreemde recht treft die kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.
5.12.
Wanneer het mogelijk is het aangewezen recht toe te passen zonder de regel die in strijd met de openbare orde is bevonden, is er geen leemte die opgevuld hoeft te worden en kan volstaan worden met het buiten toepassing laten van de regel (stap 1). Is dit niet mogelijk, dan kan de terzijde gestelde regel worden aangepast of aangevuld (stap 2). Als aanpassing of aanvulling niet mogelijk is, dan dient te worden onderzocht welk ander recht voor toepassing in aanmerking komt (stap 3). Alleen wanneer dit geen goede oplossing biedt – aldus nog steeds volgens bovengenoemde benadering – dient teruggevallen te worden op de lex fori (het recht van de bevoegde rechter) (Asser/Vonken 10-I 2018/519-521; Renner 2020) (stap 4).
5.13.
Naar het oordeel van het hof kan het aangewezen recht worden toegepast zonder de regel die in kennelijk in strijd moet worden geacht met de openbare orde (stap 1). Weglating van de regel leidt namelijk niet tot een leemte. Ook naar Iraans recht is het immers mogelijk dat de echtgenoten overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden.
Dat betekent dat het hof de voorwaarden die aan de vrouw worden gesteld om aanspraak te kunnen maken op 50% van de bezittingen die de man tijdens het huwelijk heeft verworven, buiten toepassing laat.
5.14.
De man dient gelet op het voorgaande de helft van de bezittingen die hij tijdens het huwelijk heeft verworven, of een equivalent daarvan in contanten, aan de vrouw ter beschikking te stellen De vrouw heeft haar verzoek beperkt tot de banksaldi.
Nu het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door Iraans recht, dient de peildatum voor de omvang, samenstelling en waardering van de huwelijksgemeenschap ook volgens dat rechtsstelsel te worden vastgesteld. Naar Iraans recht is de peildatum voor de waardering de datum waarop een partij voor het eerst in de procedure een huwelijksvermogensrechtelijke kwestie voorlegt (Gerechtshof Den Haag 5 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1315). Het hof gaat er van uit dat die regel ook van toepassing is op de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap.
De vrouw heeft het verzoek tot verdeling van de banksaldi/ de bezittingen van de man ingediend op 25 oktober 2019, zodat van deze datum moet worden uitgegaan bij de vaststelling van de omvang van de saldi op de bankrekeningen van de man c.q. partijen.
De man heeft geen inzage gegeven in de omvang van zijn bezittingen op 25 juli 2019.
De vrouw heeft aangegeven geen inzage (meer) te hebben in de Belgische rekeningnummers. Het hof begrijpt dat zij verzoekt te bepalen dat de man alle transactieoverzichten van deze bankrekeningen over de periode januari 2019 tot en met 23 juli 2021 in het geding brengt op grond van art. 843a Rv zodat de omvang van de saldi van partijen kan worden vastgesteld.
Het hof wijst het verzoek van de vrouw toe, in die zin dat de man de saldi op de bankrekeningen die (ook mede) op zijn naam staan op de peildatum 25 oktober 2019, met behoorlijke verificatoire bescheiden onderbouwt. Grief I tot en met III slagen in zoverre.
Bruidsgave
5.15.
De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 30 maart 2022 overwogen:
“2.3.3. De rechtbank stelt vast dat partijen in hun huwelijksakte een bruidsgave van 1364 (Bahar Azadi Gold Coins) gouden muntstukken zijn overeengekomen. In beginsel dient deze overeenkomst te worden nagekomen, maar de man heeft gesteld dat zou moeten worden afgeweken van deze afspraak tussen partijen omdat zij bij latere overeenkomst een andere, lagere bruidsgave zijn overeengekomen.
2.3.4.
De vrouw heeft het bestaan van deze latere overeenkomst ontkend en betwist. Volgens de vrouw zijn de getuigenverklaringen volledig onder regie van de man tot stand gekomen, is de bruidsgave nimmer een discussie geweest en heeft de bijeenkomst op 19 september 2006 nimmer plaatsgevonden. Bovendien dienen afwijkende afspraken of afstand van een bruidsgave in Iran enkel ten overstaan van een notaris te geschieden, zodat daaruit al blijkt dat de stellingen van de man niet juist zijn.
2.3.5.
De rechtbank oordeelt als volgt. De man heeft beschreven waarom partijen de bruidsgave van 1364 gouden muntstukken zijn overeengekomen, dat zij bij latere overeenkomst een bruidsgave van 21 gouden muntstukken zijn overeengekomen, welke overeenkomst op 19 september 2006 op schrift is gesteld, waarbij de man heeft beschreven hoe dit is verlopen. Daarbij heeft de man getuigenverklaringen van zijn ouders, zijn broer en de heer [familievriend] overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de man voldoende heeft gesteld en heeft onderbouwd, maar daar tegenover staat de voldoende gemotiveerde betwisting van de vrouw. Zij ontkent en betwist immers het bestaan van een latere overeenkomst aangaande de gouden muntstukken en zij ontkent en betwist de gang van zaken zoals door de man beschreven. Overigens, in dit verband gaat de rechtbank wel voorbij aan de stelling van de vrouw dat afwijkende afspraken in Iran enkel ten overstaan van een notaris dienen te geschieden. Deze stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd, te meer omdat de door haar geraadpleegde Iraanse advocaat zich hierover niet heeft uitgelaten (wel over andere onderwerpen). De rechtbank wijst bovendien op artikel 1119 van het Iraans Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan echtgenoten huwelijkse voorwaarden kunnen overeenkomen, mits deze niet strijdig zijn met de aard van het huwelijkscontract en neergelegd zijn in het huwelijkscontract of in een ander bindend document.
Op de man rust de bewijslast met betrekking tot zijn stellingen en de rechtbank zal de man daarom in de gelegenheid stellen om de juistheid van zijn stellingen met betrekking tot de bruidsgave aannemelijk te maken door alle middelen rechtens. De rechtbank neemt aan dat de man met name zijn getuigen wil laten horen en met het oog daarop dient de man (in zijn akte na deze beschikking) te motiveren waarom zijn getuigen niet fysiek in Nederland zouden kunnen verschijnen voor de rechtbank maar uitsluitend op afstand met technische hulpmiddelen zouden kunnen worden gehoord (zie nader onder het dictum).
Met betrekking tot het verzoek van de man op grond van artikel 843a Rv ligt het op de weg van de man om aan te tonen dat die tweede (schriftelijk vastgelegde) overeenkomst over de bruidsgave bestaat en dat dit document in het bezit is van de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man dit, gelet op de betwisting door de vrouw, niet aannemelijk gemaakt zodat de rechtbank het verzoek om dat document in de procedure over te leggen op grond van 843a Rv afwijst.
2.3.6.
Indien de man niet slaagt in zijn bewijsopdracht, dan staat vast dat partijen uitsluitend een bruidsgave van 1364 gouden muntstukken zijn overeengekomen. De rechtbank komt dan toe aan de beoordeling van zijn beroep op een wilsgebrek, de stellingen van de man aangaande het kunnen toewijzen van maximaal 110 gouden muntstukken, zijn beroep op zijn draagkracht voor het restant van de verzochte gouden muntstukken en zijn beroep op de redelijkheid en billijkheid dan wel op matiging van het verzoek van de vrouw.
Daartoe oordeelt de rechtbank reeds nu als volgt.
Allereerst het beroep op een wilsgebrek: de man beroept zich erop dat zijn wil en verklaring niet overeenkwamen bij het sluiten van de overeenkomst betreffende de 1.364 gouden munten en, zo begrijpt de rechtbank, dat dat ook kenbaar is geweest voor de vrouw. Daarbij wijst de man erop dat de man door de mededeling van de vrouw en het nadien ondertekenen door de vrouw van de overeenkomst betreffende de 21 gouden munten er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij geen 1.364 maar slechts 21 gouden munten zou moeten overhandigen; anders zou de man het eerste contract nooit hebben ondertekend.
Bij de beoordeling van dit beroep moet er van worden uitgegaan dat niet alleen die tweede overeenkomst niet is gesloten maar dat in het verlengde daarvan ook niet is komen vast te staan dat partijen ten tijde van het sluiten van de huwelijksakte (inzake de 1.364 gouden munten) onderling hadden afgesproken dat de bruidsgave 21 gouden muntstukken zou bedragen. Bij die stand van zaken kan niet worden aangenomen dat er geen overeenstemming was tussen de wil en de verklaring van de man bij het sluiten van de huwelijksakte zodat niet van een wilsgebrek kan worden gesproken.
Met betrekking tot de omvang van de vordering van de vrouw, volgens de man maximaal 110 gouden muntstukken, oordeelt de rechtbank als volgt. De man heeft een geanonimiseerd IJI-rapport aangaande de bruidsgave in Iran in het geding gebracht. Partijen hebben de inhoud daarvan niet bestreden zodat de rechtbank de uitgangspunten van het rapport bij de beoordeling zal betrekken. In het rapport is onder andere het volgende opgenomen:
“Concluderend kan gesteld worden dat het Iraanse recht een zeer beperkte ruimte laat voor het herijken en/of corrigeren van het recht van de vrouw op de bruidsgave wanneer de vrouw hiermee niet instemt en/of wanneer er niet (buitengerechtelijk) wordt ‘geschikt’. Gaat het om een vordering van boven de 110 Bahar azadi goudstukken (ca. € 30.000,-), dan dient er te worden geprocedeerd en kan de draagkracht van de man worden meegewogen in de rechterlijke beslissing over vorderingen met betrekking tot de (uitgestelde) bruidsgave die nog hoger liggen. Een aflossing in termijnen is dan, bijvoorbeeld, mogelijk. De vordering van de vrouw voor het surplus blijft evenwel opeisbaar vanaf het moment dat de man weer voldoende draagkracht of financiële ruimte heeft voor het aflossen van de bruidsgave.”
Uit bovenstaande passage uit het IJI-rapport leidt de rechtbank af dat een deel van de bruidsgave, bestaande uit 110 gouden munten, naar Iraans recht niet in aanmerking komt voor matiging. Ten aanzien van het overige deel van de bruidsgave, bestaande uit 1254 gouden muntstukken (hierna te noemen: het surplus) heeft te gelden dat er geprocedeerd dient te worden waarbij de draagkracht van de man kan worden meegewogen. De man heeft gesteld geen draagkracht noch vermogen te hebben om het surplus aan de vrouw te voldoen. Deze stelling heeft de man thans nog niet voldoende inzichtelijk gemaakt en niet voldoende onderbouwd. De man wordt bij conclusie na de bewijslevering in de gelegenheid gesteld om, zo hij het bewijs niet mocht hebben geleverd, zijn betoog op inzichtelijke wijze te onderbouwen en te voorzien van bescheiden. Daarbij dient de man niet alleen inzicht te geven in zijn draagkracht en vermogen maar ook toe te lichten waartoe onverkorte toewijzing van het verzoek van de vrouw toe zou leiden. Betaling van de bruidsgave kan, zoals hiervoor is overwogen, wel deels in termijnen plaatsvinden, maar het ligt daarbij op de weg van de man om aan te tonen dat hij de bruidsgave niet in één keer kan betalen; ook dat inzicht dient de man bij zijn conclusie aan de rechtbank te geven.
De man beroept zich ten slotte op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248, tweede lid, BW en stelt dat ook naar Iraans recht matiging mogelijk is wegens omstandigheden. Hij heeft daartoe diverse omstandigheden gesteld op grond waarvan het onaanvaardbaar is dat de man naast een kinder- en partnerbijdrage ook nog een grote som geld aan de vrouw zou moeten uitkeren.
Nu Iraans recht van toepassing is komt de man geen beroep toe op artikel 6:248, tweede lid, BW. De man heeft onvoldoende onderbouwd in hoeverre en op welke rechtsgrond hem naar Iraans recht een beroep toekomt op matiging op grond van de door hem genoemde omstandigheden. Dit had wel op zijn weg gelegen, temeer gelet op het IJI-rapport waaruit blijkt dat matiging van de bruidsgave in zeer beperkte mate mogelijk is en voor zover bekend binnen de Iraanse rechtsorde geen algemeen rechtsbeginsel of correctiemechanisme analoog aan de redelijkheid en billijkheid bestaat op grond waarvan de bruidsgave kan worden herijkt of aangepast vanwege de financiële situatie van de man. Zijn aldus gedane beroep op matiging faalt derhalve.
2.3.7.
Gelet op het voorgaande is de man aan de vrouw verschuldigd de volledige bruidsgave, indien hij niet slaagt in zijn bewijsopdracht tenzij zijn beroep op zijn beperkte draagkracht en beperkt vermogen mocht slagen; in dat geval zal de man in ieder geval 110 gouden munten aan de vrouw verschuldigd zijn.
2.3.8.
Indien de man wel slaagt in zijn bewijsopdracht, dan staat vast dat partijen bij latere overeenkomst een bruidsgave van 21 gouden muntstukken zijn overeengekomen.
2.3.9.
In beide gevallen dient de waarde van een gouden muntstuk te worden bepaald. Ten aanzien van de waarde van de bruidsgave gaan beide partijen er immers van uit dat, indien de vrouw een bruidsgave toekomt, de man aan de vrouw de waarde van Bahar Azadi Gold Coins in euro’s dient te betalen. In geschil is de waarde van de Bahar Azadi gouden muntstukken. De vrouw heeft een uitdraai van een website ingediend waarbij de koers althans de prijs per 17 juli 2021 is bepaald op € 427,00 per gouden muntstuk. De man heeft een uitdraai van een andere website ingediend waarbij de koers althans de waarde van een gouden muntstuk op 3 oktober 2021 is berekend op 11.450.00,00 Iraanse Toman, dat één euro 32.605,00 Toman kostte, en dat een gouden muntstuk dan een waarde van € 351,00 zou vertegenwoordigen. Partijen hebben geen stellingen ingenomen over de peildatum van de aan de vrouw te vergoeden waarde van de gouden muntstukken. De rechtbank acht het daarom redelijk dat de man de waarde aan de vrouw vergoedt, op het moment dat de vrouw haar aanspraak op de bruidsgave in rechte indiende. De vrouw heeft haar aanvullend verzoek op 23 juli 2021 ingediend, zijnde enkele dagen na het raadplegen van de door haar gebruikte website. Feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden uitgegaan van de waarde zoals gesteld en berekend door de man op 3 oktober 2021 zijn gesteld noch is daarvan gebleken. Nu de man de door de vrouw gestelde berekening onvoldoende heeft betwist zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw dient te voldoen het door de vrouw verzochte bedrag van € 427,00 per gouden muntstuk, waarbij het aantal gouden muntstukken thans nog niet kan worden bepaald in afwachting van het leveren van bewijs door de man zoals overwogen in 2.3.5 en de beoordeling van zijn beroep op zijn beperkte draagkracht en vermogen, zoals toegelicht in 2.3.6.”
In de eindbeschikking van 28 december 2022 heeft de rechtbank overwogen:
2.2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de man is geslaagd in zijn bewijsopdracht. De vier getuigen die op verzoek van de man zijn gehoord (zijn ouders, zijn broer en een familievriend), verklaren allen dat de man en de vrouw graag met elkaar in het huwelijk wilden treden, maar dat de door de ouders van de vrouw gestelde bruidsgave een probleem was. Ook verklaarden zij dat de vrouw eigenlijk geen bruidsgave wilde, maar dat zij voorstelde om haar leeftijd (destijds 21) als bruidsgave af te spreken. Uit de verklaringen van de vier getuigen blijkt dat zij - al dan niet digitaal - aanwezig waren bij gesprekken met en/of tussen de man en de vrouw, over de bruidsgave. De getuigen bevestigen, kort gezegd, dat de man ten overstaan van de familie van de vrouw zou instemmen met een bruidsgave van 1384 gouden muntstukken en het huwelijkscontract zou ondertekenen waarin dit vermeld staat. Zij bevestigen echter ook dat de man en de vrouw daarna onderling een overeenkomst zouden sluiten waarbij zij een bruidsgave van 21 gouden muntstukken zouden afspreken. Naar het oordeel van de rechtbank staat, gelet op deze
getuigenverklaringen, vast dat deze onderlinge overeenkomst tot stand is gekomen. De getuigen hebben immers verklaard dat de vrouw deze overeenkomst heeft opgesteld, dat zij hebben waargenomen dat de vrouw en de man deze hebben ondertekend, waarna de ouders van de man deze ook hebben ondertekend en dat de broer van de man en de familievriend naderhand deze overeenkomst hebben ondertekend. Het is de rechtbank voldoende gebleken dat de getuigen hun verklaringen hebben gebaseerd op eigen waarnemingen. Van betekenisvolle inconsistenties die de bewijswaardering van de getuigenverklaringen kunnen veranderen, is de rechtbank niet gebleken.
2.3.
Dat de man de onderlinge overeenkomst niet heeft overgelegd, doet hier niet aan af omdat het ontstaan en bestaan ervan naar het oordeel van de rechtbank door het door de man geleverd bewijs voldoende is komen vast te staan.
2.4.
De rechtbank zal nog ingaan op hetgeen de vrouw over de getuigenverklaringen heeft gesteld in haar akte na enquête. Zij stelt dat de getuige [familievriend] (de familievriend) heeft verklaard dat bij beide videogesprekken/bijeenkomsten nooit is gesproken over een contract of een document dat getekend zou worden of in aanwezigheid van de toen aanwezige personen is getekend. De vrouw vergelijkt deze verklaring met de verklaringen van de ouders en de broer van de man om haar stelling, dat de verklaringen van de getuigen bezijden de waarheid zijn, kracht bij te zetten. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de vrouw niet slaagt aangezien uit het proces-verbaal niet volgt dat de getuige [familievriend] een dergelijke verklaring heeft afgelegd. Integendeel, hij verklaart onder meer dat “het tweede gesprek ging over de overeenkomst. (...) Tijdens die gesprekken hebben ze afgesproken dat mijn voorstel werd uitgevoerd.” Uit de verdere verklaring van de getuige
[familievriend] blijkt dat het tijdens de videogesprekken wel degelijk ging over het probleem aangaande de bruidsgave en de oplossingen daarvoor. Dat zijn verklaring op het punt van de ondertekening van een tweede overeenkomst niet geheel strookt met de verklaringen van de ouders en de broer van de man, acht de rechtbank niet relevant. De getuige [familievriend] verklaart immers dat er een onderlinge overeenkomst is opgesteld met als bruidsgave 21 gouden muntstukken, die zowel partijen, de ouders van de man en hijzelf hebben ondertekend.
Voorts hebben de getuigen verklaard dat de videogesprekken hebben plaatsgevonden via Skype, waarvan de vrouw stelt dat dit destijds technisch niet mogelijk was. Gelet op de getuigenverklaringen, heeft de vrouw haar stelling onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank ook hieraan voorbijgaat.
Ook stelt de vrouw dat de verklaringen zeer subjectief zijn en er niet de waarde aan dient te worden gehecht zoals door de man beoogd, omdat de getuigen familie en een familievriend zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is deze enkele stelling onvoldoende om tot een andere bewijswaardering te komen.
Ten slotte stelt de vrouw dat de getuigenverklaringen door haar eigen verklaring worden ontkracht. De rechtbank gaat ook aan deze stelling voorbij en wijst op artikel 164 Rv.
2.5.
De rechtbank komt dus tot de conclusie dat de man het bewijs heeft geleverd. Daarmee staat vast dat partijen bij latere overeenkomst een bruidsgave van 21 gouden muntstukken zijn overeengekomen. Bij beschikking van 30 maart 2022 heeft de rechtbank al beslist dat het door de vrouw verzochte bedrag van € 427,00 per gouden muntstuk zal worden gehanteerd.
2.6.
Het verzoek van de vrouw ten aanzien van de bruidsgave is dus toewijsbaar, maar dan tot betaling van 21 gouden muntstukken althans de tegenwaarde hiervan in euro’s tegen een waarde van € 427,00 per gouden munt, zijnde een bedrag van € 8.967,00.”
5.16.
Onder grief IV voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man is geslaagd in zijn bewijsopdracht dat tussen partijen na het huwelijk andersluidende afspraken zijn gemaakt, vastgelegd in een door de vrouw opgesteld en door beide partijen ondertekend document, betreffende de bruidsgave. Ter toelichting op de grief voert de vrouw het volgende aan.
De man kan het bewijs voor zijn stelling niet leveren door overlegging van het onderhandse document, omdat dit niet bestaat en er nooit andere afspraken tussen partijen over de bruidsgave zijn gemaakt dan in de huwelijksakte zijn neergelegd. De man heeft ten bewijze van de nadere afspraak vier getuigen naar voren gebracht. Deze getuigen zijn geen objectieve derden, maar allen bloed- en aanverwanten van de man: zijn ouders, zijn broer en een vriend van de familie, die door de man oom wordt genoemd. De getuigenverklaringen zijn volledig onder regie van de man tot stand gekomen om hem te helpen onder zijn verplichting uit te komen.
De rechtbank had enige terughoudendheid dienen te betrachten en extra waakzaam dienen te zijn op inconsistenties in de verschillende verklaringen in onderling verband en samenhang bezien. De vrouw heeft hierop in haar akte na enquête van 18 oktober 2022 gewezen.
Het is voor de vrouw overduidelijk dat de verklaringen van alle getuigen vooraf door de man zijn georkestreerd, maar [familievriend] (de familievriend die door de man als oom wordt aangeduid) heeft zich blijkbaar niet aan het ‘script’ gehouden of kon zich dit niet meer helemaal herinneren vanwege zijn leeftijd dan wel vanwege zijn urenlange autorit voorafgaand aan het getuigenverhoor en daardoor ontstane extreme vermoeidheid en concentratieverlies. [familievriend] heeft verklaard dat bij beide videogesprekken/bijeenkomsten nooit is gesproken over een contract of een document dat getekend zou worden of in aanwezigheid van de toen aanwezige personen is getekend. Alle getuigen hebben verklaard dat de twee bewuste videogesprekken op of omstreeks september 2005 en september 2006 hebben plaatsgevonden via Skype, waarbij de broer van de man en [familievriend] met geluid én beeld gelijktijdig aanwezig zouden zijn geweest. Beeldbellen via Skype was in 2005 technisch nog niet mogelijk en in 2006 was beeldbellen met meerdere personen tegelijk technisch nog niet mogelijk. Dit maakt alle afgelegde getuigenverklaringen ongeloofwaardig nu de getuigen hebben verklaard dat zij hebben waargenomen dat partijen op of omstreeks september 2006 een overeenkomst zouden hebben getekend. [familievriend] verklaart bovendien dat bij de laatste Video Call niets is ondertekend en de moeder heeft verklaard dat zij alleen de stemmen hoorde van de broer en [familievriend] : het internet was slecht en viel soms uit. De vrouw verwijst verder naar de e-mail van de huidige partner van de man aan de vrouw d.d. 27 april 2021. Daarin wordt met geen woord gerept over andere afspraken.
5.17.
In reactie op de grief voert de man het volgende aan.
Door het horen van getuigen is hij geslaagd in het leveren van sluitend bewijs van zijn stellingen omtrent de tussen partijen onderling overeengekomen bruidsgave. De getuigen hebben op meerdere onderdelen consistente verklaringen afgelegd. [familievriend] is geen familielid van de man en heeft altijd, vanaf het moment dat partijen elkaar leerden kennen, in het buitenland gewoond. Hij reisde heel soms naar Iran en was dan ook marginaal betrokken bij de gebeurtenissen waarover de getuigen hebben verklaard. Hij is 67 jaar oud, was de nacht voorafgaand aan het getuigenverhoor in de auto gestapt en daardoor extreem vermoeid geraakt. Bovendien had hij niets gegeten. De kans is reëel dat dit zijn verklaring heeft beïnvloed. Niet onbegrijpelijk is dat hij 15-16 jaar na dato niet alle details van het opstellen van de overeenkomst over de bruidsgave en de ondertekening daarvan kan herinneren.
Aan de getuigenverklaring van de vrouw kan geen waarde worden gehecht. Er is sprake van een blote ontkenning. Niet eerder dan aan het einde van het getuigenverhoor heeft de vrouw haar eigen versie van het verhaal naar voren gebracht.
Dat de vrouw dacht dat de man de bruidsgave wel kon betalen is niet aannemelijk. Het gaat om een bedrag van ruim een half miljoen euro. De gemiddelde inwoner van Iran verdient € 5.000,-- per jaar. Partijen waren universitaire studenten toen zij trouwden. De ouders van de man zijn niet vermogend, de vader had een gewone baan. Bovendien heeft de vrouw aangegeven dat zij niet wist dat de man plannen had om naar het buitenland te verhuizen.
De rechtbank heeft de getuigen gehoord. In hoger beroep is dat anders: daar zal de zaken alleen op schriftelijke stukken worden afgedaan omdat de mogelijkheid om de getuigen opnieuw te horen, ontbreekt.
Dat beeldbellen via Skype in 2005 nog niet kon en in 2006 nog niet met meerdere personen klopt niet. De man legt prod. 1 en 2 over waaruit blijkt dat dit wél mogelijk was. Overigens heeft alleen de broer verklaard dat de verbinding via Skype was. [familievriend] denkt dat hij via Skype verbonden was. De ouders wisten niets van computertechnologie.
De vrouw kan alleen aanspraak maken op maximaal 110 Bahar eZadi munten. Voor het meerdere geldt dat de man over onvoldoende financiële middelen beschikt. Gesteld noch gebleken is dat de man over vermogensbestanddelen/bezittingen beschikt die in het kader van het opeisen van de bruidsgave verhaal zouden kunnen bieden.
5.18.
Het hof overweegt als volgt.
5.18.1.
Het hof stelt voorop dat van hetgeen de rechtbank in de tussenbeschikking van 30 maart 2022 over de bruidsgave heeft overwogen geen van partijen in hoger beroep is gekomen zodat dit tussen partijen vast staat. Dat betekent dat niet in geschil is dat de man een aantal Bahar Azadi gouden munten aan de vrouw verschuldigd is.
5.18.2.
Het hof constateert verder dat de man zich, als verweer tegen de grief van de vrouw, pas tijdens de mondelinge behandeling heeft beroepen op art. 1146 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek (hierna: IBW). Dit artikel, zo voert de man aan, houdt in dat het gevolg van de khul-scheiding is dat de vrouw de man moet compenseren voor het feit dat de echtscheiding op haar verzoek is uitgesproken. Deze financiële compensatie is gelijk aan de bruisgave van de vrouw aldus de man.
Het hof verwerpt dit verweer van de man.
Art. 10:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt weliswaar dat de regels van internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht ambtshalve worden toegepast maar conflictregels zijn echter processueel niet van openbare orde (ECLI:NL:HR:2023:200) Dit betekent dat het interne procesrecht onverkort van toepassing is. Het hof wijst in dit verband ook op art. 10:3 BW, waaruit blijkt dat op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter, het Nederlandse (proces)recht van toepassing is. Daar waar de man dit verweer eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gevoerd, derhalve na de memorie van antwoord, staat het interne procesrecht, te weten de twee-conclusie-leer, in de weg aan een inhoudelijke beoordeling hiervan. Van een uitzondering op deze in beginsel strakke regel is immers niet gebleken.
5.19.
Het hof zal thans beoordelen of de man in het aan hem opgedragen bewijs is geslaagd en zo niet, of zijn draagkrachtverweer slaagt.
5.20.
Allereerst heeft de man, nadat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld door de rechtbank (rov. 3.1 beschikking 30 maart 2022), voor de (nadere) bewijslevering uitsluitend gebruik gemaakt van het horen van getuigen. Van die getuigen had de man al schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd (prod. 2 bij verweerschrift op zelfstandig verzoek van de vrouw). Drie van de vier getuigen zijn naaste familie van de man (zijn ouders en zijn broer). De vierde getuige is een huisvriend van (de ouders van) de man, door de man aangeduid als “oom”. De man heeft geen andere schriftelijke, verificatoire bewijsstukken overgelegd. Dat is opmerkelijk omdat partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen ten overstaan van een notaris en in dat kader verwacht mocht worden dat een afwijking van die huwelijkse voorwaarden ook schriftelijk tot stand zou zijn gekomen.
Voorts is ook van belang dat de rechtbank ten onrechte te weinig gewicht heeft gehecht aan de getuigenverklaring van de vrouw (in contra-enquête) door haar als partijgetuige aan te merken. Ingevolge art. 164 lid 2 Rv kan indien een partij als getuige is gehoord, haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Het was echter de man die bewijs diende te leveren van zijn stelling, zodat de vrouw in deze niet als partijgetuige kan worden aangemerkt.
Verder heeft de vrouw in haar akte na enquête en contra-enquête d.d. 19 april 2022 gewezen op inconsistenties in de getuigenverklaringen. Ook heeft zij de verklaring inhoudelijk gemotiveerd betwist.
Uit de verklaringen blijkt het volgende.
Volgens de moeder van de man heeft zij de vrouw voor de eerste keer ontmoet in een taalinstituut in [plaats 1] in augustus/september 2005 en is toen al gesproken over het huwelijk en het obstakel van een bruidsgave van 1364 munten. De vrouw verklaart hierover dat zij de moeder van de man voor het eerst kort heeft ontmoet tijdens een taalles in [plaats 1] en dat toen niet is gesproken over een bruidsgave. Volgens de vrouw is het gebruikelijk dat de wederzijdse ouders en oudere familieleden de bruidsgave met elkaar bespreken op het moment van een voorgenomen huwelijk. Daarvan was in augustus/september 2005 nog geen sprake. De vader van de man verklaart dat met de familie van de vrouw is gesproken over de bruidsgave en dat de ouders van de man het daar niet mee eens waren en deze niet wilden accepteren.
De vrouw verklaart dat zij de broer van de man voor het eerst in 2009 in Maleisië heeft ontmoet en niet in zijn woning in [plaats 1] . De broer heeft evenwel verklaard dat hij het contract in januari 2008 in de woning van de man en de vrouw heeft ondertekend.
De moeder van de man verklaart dat de vrouw zou hebben gevraagd niet te onderhandelen en dat de vrouw naar hen – de ouders – zou toekomen om een contract te ondertekenen. De moeder van de man heeft dit niet uit eigen wetenschap, maar vernomen via de man. Dit zou ter sprake zijn gekomen tijdens de eerste bijeenkomst in augustus/september 2005 bij de broer van de man thuis. [familievriend] geeft echter in zijn verklaring aan dat tijdens het eerste vermeende gesprek niet is gesproken over een (ander) contract dan wel wat deze zou moeten inhouden. Ook de vader van de man heeft verklaard dat hij via zijn zoon heeft vernomen dat de vrouw na het huwelijk een contract zou opstellen waarin de bruidsgave werd opgesteld op basis van de leeftijd van de vrouw.
De broer verklaart dat [familievriend] via Skype en op afstand vanuit Duitsland aanwezig was die op dat moment voorstelde om een andere bruidsgave te bepalen en voorstellen deed voor het aantal munten. Volgens de vrouw is het onwaarschijnlijk dat [familievriend] in september 2005 via een beeldbelverbinding aanwezig kon zijn geweest, nu Skype deze mogelijkheid voor het eerste in de Verenigde Staten in 2006 heeft aangeboden. De moeder van de man kan zich niet herinneren of de broer en [familievriend] met beeldverbinding aanwezig waren, zij hoorde en herkende enkel stemmen. De broer heeft aangegeven dat de verbinding matig tot zeer slecht was, het beeld vaak weg viel of bevroor. Hij heeft ook verklaard dat het stukje wat die dag is geschreven een half A4 betrof, hij heeft gezien dat de vrouw dat heeft opgesteld, dat er ruimte was op het blaadje voor het zetten van handtekeningen en hij zag dat de vrouw als eerste tekende, daarna de vader van de man en tenslotte de moeder van de man. De broer heeft echter ook verklaard: “Er was geen camera op het papier gericht”. [familievriend] heeft verklaard dat de tweede videocall niet bedoeld was om iets op papier te zetten, er kwam geen papier aan te pas. Het document is volgens hem pas ondertekend toen hij in Iran was, dat zou pas op of omstreeks februari 2007 zijn geweest.
De moeder van de man verklaart dat het contract bij hen thuis in [plaats 2] op 19 september 2005 in de ochtend in de gastenkamer is ondertekend. De vrouw zou het ter plaatse hebben opgesteld en ondertekend in aanwezigheid van de man, de ouders van de man en op afstand de broer en [familievriend] . Dit zou zo’n acht minuten hebben geduurd. De vader van de man verklaart dat het contract in de woonkamer is ondertekend en dat het geheel ongeveer een uur in beslag heeft genomen. [familievriend] verklaart dat er geen contract is getekend bij het tweede gesprek: “Die videocall was niet bedoeld om iets op papier te zetten. Er kwam geen papier aan te pas.”. Volgens [familievriend] is het contract pas opgesteld toen hij zelf in Iran was. Het contract is toen ondertekend bij de ouders van de man waar [familievriend] in persoon aanwezig was.
De verklaring van [familievriend] ter zitting is volstrekt anders dan zijn door de man ingebrachte schriftelijke verklaring. Hij geeft ter zitting aan: “Ik was in Duitsland. Hoe kon ik dat zien dat er werd ondertekend? Ik heb dat niet gezegd.”. Hij verklaart ook dat er bij beide Video Calls nooit is gesproken over een contract of een document dat getekend zou worden of in aanwezigheid van de toen aanwezige personen getekend is. Hij bevestigt dat het internet in Iran nu al niet goed is en toen nog veel zwakker was.
Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de getuigen elkaar tegenspreken. Het bestaan van het door de getuigen genoemde contract wordt bovendien volledig door de vrouw betwist. Het hof is daarom van oordeel dat de getuigenverklaringen, mede bezien in het licht van de betwisting door de vrouw, van onvoldoende gewicht zijn. Verder bewijs van de stelling van de man ontbreekt. zodat moet worden geoordeeld dat de man niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht.
Nu de man niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen na de huwelijkssluiting nader zijn overeengekomen dat de bruidsgave een omvang heeft van 21 Bahar Azadi gouden munten moet uit worden gegaan van de in de huwelijksakte vermelde 1364 Bahar Azadi gouden munten. Grief IV van de vrouw slaagt.
5.21.
Het hof komt vervolgens toe aan het draagkrachtverweer van de man. De man stelt dat de vrouw aanspraak kan maken op maximaal 110 Bahar Azadi gouden munten. Hij verwijst naar art. 22 van de Family Protection Act uit 2013 en een IJI rapport (prod. 3 bij het verweerschrift op zelfstandig verzoek van de vrouw d.d. 8 november 2021). De overgelegde kopie van dit IJI rapport is voor het hof onleesbaar. De rechtbank heeft evenwel een deel van het rapport in de tussenbeschikking van 30 maart 2022 geciteerd:
“Concluderend kan gesteld worden dat het Iraanse recht een zeer beperkte ruimte laat voor het herijken en/of corrigeren van het recht van de vrouw op de bruidsgave wanneer de vrouw hiermee niet instemt en/of wanneer er niet (buitengerechtelijk) wordt ‘geschikt ’ Gaat het om een vordering van boven de 110 Bahar azadi goudstukken (ca. €30.000,-), dan dient er te worden geprocedeerd en kan de draagkracht van de man worden meegewogen in de rechterlijke beslissing over vorderingen met betrekking tot de (uitgestelde) bruidsgave die nog hoger liggen. Een aflossing in termijnen is dan, bijvoorbeeld, mogelijk. De vordering van de vrouw voor het surplus blijft evenwel opeisbaar vanaf het moment dat de man weer voldoende draagkracht of financiële ruimte heeft voor het aflossen van de bruidsgave”
Het hof zal bij de verdere beoordeling uitgaan van bovenstaande passage. Het hof leidt uit die passage van het IJI en hetgeen ter zitting is besproken af dat naar Iraans recht in beginsel mogelijkheden bestaan om het aantal Bahar Azadi gouden munten dat de man aan de vrouw dient te betalen te kunnen matigen. Het hof voelt zich hierover echter onvoldoende geïnformeerd en zal het IJI tot deskundige benoemen om antwoord te geven op de volgende vragen:
Is er in het Iraanse recht ruimte voor het herijken en/of corrigeren van het recht van de vrouw op de bruidsgave door de rechter en zo ja, op basis van welke criteria wordt dit beoordeeld?
Hoe wordt hier door de Iraanse rechter in de praktijk mee omgegaan?
Heeft u nog andere opmerkingen die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn.
Het IJI heeft aangegeven de vragen grotendeels zelf te kunnen beantwoorden en dat daarmee 10-12 uur gemoeid zijn. Het hof zal het voorschot daarom bepalen op € 3.920,40 (12 x € 270,-- + 21% BTW). Ieder van partijen wordt belast met de helft van het voorschot. De vrouw procedeert op basis van een toevoeging, zodat haar voorschot voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt.
Het IJI heeft daarnaast aangegeven dat ter beantwoording van de tweede vraag wordt verwacht dat het IJI ter aanvulling of validering een correspondent ter plaatste moet inschakelen. Het IJI dient het hof tijdig in te lichten over de kosten die hiermee gepaard gaan en er dient overleg plaats te vinden met de raadsheer-commissaris alvorens deze derde wordt ingeschakeld.
Giften en sieraden (grief man)
5.22.
De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 30 maart 2022 overwogen:
“2.6.3. De rechtbank is van oordeel dat er niet van de juistheid van de door de man gestelde feiten en omstandigheden kan worden uitgegaan zodat zijn daarop gebaseerd verzoek dient te worden afgewezen. De man heeft zijn stellingen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De man heeft weliswaar foto’s van pagina’s van een notitieboekje overgelegd waarop handgeschreven teksten en cijfers zijn te zien, maar de teksten zijn, naar de rechtbank vermoedt, in het Arabisch. De man heeft hiervan geen vertaling overgelegd, hoewel dat wel op zijn weg lag. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen wat deze notities inhouden, laat staan of deze notities de stellingen van de man kunnen onderbouwen. Immers, de man heeft gesteld noch onderbouwd dat dit soort giften naar Iraans recht gemeenschappelijk eigendom zijn of worden en derhalve verdeeld moeten worden dan wel op grond waarvan de vrouw dan de helft van de waarde aan hem zou moeten vergoeden. Hetzelfde met betrekking tot de handgeschreven notities geldt ook voor de foto’s van de facturen. Deze zijn eveneens voor de rechtbank niet leesbaar, behoudens een Engelstalige factuur van een aankoop in Maleisië . Bij hetgeen is overwogen, betrekt de rechtbank dat de man na het verweerschrift van de vrouw (met haar gemotiveerde betwisting) in de gelegenheid is geweest (in het kader van de schriftelijke afronding van de procedure) om zijn stellingen nader te onderbouwen en daarbij ook heeft kunnen ingaan op de verweren van de vrouw. De man heeft dit niet gedaan terwijl dit wel op zijn weg heeft gelegen. Mede gelet hierop en op de weinig concrete onderbouwing door de man en gemotiveerde betwisting van de vrouw, en ligt het verzoek van de man voor afwijzing gereed. Dat zal bij eindbeschikking in het dictum worden beslist.”
5.23.
De man voert met zijn grief in incidenteel hoger beroep aan dat de rechtbank zijn verzoek voor de gouden munten en sieraden heeft afgewezen. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de man zijn stellingen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd. Ter toelichting op de grief voert de man het volgende aan.
Partijen hebben bij de huwelijksvoltrekking, de bruiloft en nadien in Iran veel giften van familie, vrienden en kennissen gekregen die grotendeels uit gouden munten en sieraden bestonden. Bij het verlaten van Iran hebben partijen deze giften bij de moeder van de vrouw achtergelaten om deze voor hen te bewaren. Zij heeft de gouden munten en sieraden nadien naar een bank gebracht om ze daar in een bankkluisje te bewaren. De man weet niet wat de exacte waarde van deze giften is. Hij verwijst naar prod. 3 en 4. De actuele waarde van de giften is minimaal € 90.000,--. De man heeft in ieder geval recht op de helft van de waarde, ofwel € 45.000,--. De man verzoekt ex art. 843a Rv om de vrouw te bevelen het originele overzicht van de giften en de facturen van de door de man gekochte sieraden in het geding te brengen, zodat de omvang van de waarde kan worden vastgesteld.
5.24.
In reactie op de grief voert de vrouw het volgende aan. Alle tijdens de bruiloft van partijen aan de vrouw gegeven gouden munten en sieraden zijn alleen door de familie van de vrouw aan haar geschonken en behoren dus tot het privé vermogen van de vrouw. De sieraden die na het huwelijk in bewaring zijn gegeven aan de ouders van de man, zijn in de week na het huwelijk bij een inbraak gestolen en dus niet meer aanwezig. De ontvangen gouden munten – in totaal zo’n 10 volle munten – zijn eind 2007 verkocht toen partijen naar Maleisië zijn verhuisd vanwege de studie van de man en zij een startkapitaal konden gebruiken. De vrouw ontkent dat het als prod. 3 overgelegde overzicht haar handschrift is en zij hiervan het origineel document in haar bezit heeft. Het merendeel van de zaken die op de lijst genoemd staan zijn de vrouw volstrekt onbekend. Het is onjuist dat de als prod. 4 overgelegde facturen bewijs zijn van aankoop van sieraden door de man tijdens het huwelijk van partijen. Het gaat om aan- en verkopen, gedaan door de moeder van de vrouw, met uitzondering van de eerste factuur van [bedrijf] : dat betrof een nieuwjaarscadeau van de man voor de vrouw met een waarde van ongeveer € 60,--. De aan- en verkopen door de moeder van de vrouw zijn eigendom van de moeder. De uiteindelijk aangekochte sieraden door de moeder heeft zij ofwel zelf behouden ofwel geschonken aan de vrouw en één keer aan de man. Als al wordt aangenomen dat de sieraden gemeenschappelijk zijn, dan vertegenwoordigen deze zaken niet de door de man gestelde waarde. Uit de door de man overgelegde vertalingen blijkt een totale waarde van hooguit € 1.187,--.
5.25.
Het hof overweegt als volgt.
De man stelt dat hij recht heeft op de helft van de waarde van de giften en sieraden die ten tijde van de huwelijkssluiting zijn verkregen. De vrouw heeft dat betwist.
Het Iraanse recht kent het wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen. Op grond van art. 1119 IBW mogen de echtgenoten in hun huwelijkscontract afwijken van het wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie en het karakter van het huwelijk. Daarnaast mogen de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de regels van de islam.
Uit de huwelijksakte blijkt niet dat partijen zijn afgeweken van het wettelijk stelsel, anders dan dat de man bij het einde van het huwelijk door echtscheiding de helft van de door hem tijdens het huwelijk verworven bezittingen of een equivalent daarvan in contanten aan de vrouw dient over te dragen.
Dat tijdens de huwelijkssluiting giften en sieraden zijn verkregen die gemeenschappelijk eigendom zijn geworden is, gelet op het voorgaande, niet gebleken. Dat de giften en sieraden eigendom zijn van de man evenmin. Voor zover de man stelt dat de vrouw giften en sieraden die haar eigendom zijn met de man moet delen, is dat evenmin gebleken.
De man heeft in hoger beroep weliswaar een vertaling van de foto’s van een notitieboekje overgelegd, maar daarmee is niet komen vast te staan dat de in dit notitieboekje vermelde giften en sieraden gezamenlijk eigendom zijn van partijen zijn. De vrouw heeft bovendien ontkend dat het haar handschrift is. Ook blijkt niet uit de overgelegde facturen dat de tijdens het huwelijk gekochte sieraden eigendom zijn van de man. Tenslotte is de door de man gestelde waarde door de man niet onderbouwd en door de vrouw betwist.
Uit het voorgaande volgt dat de grief van de man faalt en dat zijn verzoek in incidenteel hoger beroep wordt afgewezen.
6De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Het hof zal het IJI als deskundige benoemen ter beantwoording van de in rov. 5.21 genoemde vragen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
7De beslissing
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep:
bepaalt dat de man de hoogte van de saldi op 25 oktober 2019 van de bankrekeningen die mede op zijn naam staan dient over te leggen, met verificatoire bescheiden onderbouwd uiterlijk op 15 augustus 2024, waarna de vrouw een antwoordakte kan nemen - waarin zij uitsluitend mag reageren op de door de man overgelegde stukken, uiterlijk op 29 augustus 2024.
bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 5.21 van deze beschikking geformuleerde vragen;
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
Internationaal Juridisch Instituut
[adres]
[postcode] [vestigingsplaats]
[telefoonnummer]
[e-mailadres]
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige toezendt;
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
wijst de deskundige erop dat de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis dient te nemen van de “Leidraad deskundigen in civiele zaken”, te raadplegen op rechtspraak.nl;
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van het concept-rapport – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed rapport, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het rapport aan de advocaten van partijen toe te zenden;
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op twee maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 3.920,40 inclusief BTW, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
bepaalt dat ieder van partijen wordt belast met de helft van genoemd voorschot van € 3.920,40 derhalve € 1.960,20;
bepaalt dat de man laatstgenoemd bedrag zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
bepaalt dat het voorschot van de vrouw, nu aan deze partij een toevoeging is verleend, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt;
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
bepaalt dat de deskundige het hof tijdig dient te informeren en overleg dient te plegen met de raadsheer-commissaris over de kosten die gepaard gaan met het inschakelen van een derde zoals weergegeven in rov. 5.21.;
benoemt mr. M.J. van Laarhoven tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
bepaalt dat partijen binnen vier weken na ontvangst van het definitieve deskundigenrapport hun reactie schriftelijk aan het hof kenbaar kunnen maken;
houdt iedere verdere beslissing aan tot 18 september 2024 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en T.J. Mellema-Kranenburg, bijgestaan door mr. L. Kramer als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2024 door mr. P.P.M. van Reijsen in tegenwoordigheid van de griffier.