Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHSHE:2024:3119

Diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHSHE:2024:3119 text/xml public 2026-06-03T17:18:56 2024-10-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2024-07-03 20-001923-21 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3119 text/html public 2026-06-03T17:18:23 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2024:3119 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 03-07-2024 / 20-001923-21
Diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Parketnummer : 20-001923-21

Uitspraak : 3 juli 2024

TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer

03-087922-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van 2 uur per dag doorgebracht in voorarrest. Verder heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij

[benadeelde] , gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 900,00 (bestaande uit € 650,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr), telkens te vermeerderen met de wettelijke rente, en de vordering voor het overige afgewezen.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het aan de verdachte tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde een taakstraf zal opleggen voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze zal worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr, en de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk zal verklaren.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en dientengevolge de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij primair bepleit dat het hof de benadeelde partij [benadeelde] , gelet op de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering. Voor het geval dat het hof toch mocht komen tot een bewezenverklaring heeft de raadsman voorts bepleit:

 subsidiair: dat het hof de vordering zal afwijzen omdat deze onvoldoende is onderbouwd;

 meer subsidiair: dat het hof de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren omdat de behandeling van de vordering een onredelijke belasting van het strafproces oplevert;

 meest subsidiair: dat het hof de materiële schade zal bepalen op maximaal € 380,00 (oud voor nieuw) en de op te leggen immateriële schadevergoeding zal matigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 9 juli 2020 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg, te weten op de [locatie 1] , schoenen (merk Dior), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich (deze) wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde] (met kracht) te duwen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 juli 2020 te Maastricht, op de openbare weg, te weten op de [locatie 1] , schoenen, die toebehoorden aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde] met kracht te duwen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 juli 2020, met bijlage (dossierpagina’s 24-28), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde] :
Ik doe aangifte van straatroof op donderdag 9 juli 2020, tussen 15:45 en 15.50 uur op de [locatie 1] te Maastricht.

Op 8 juli 2020 heb ik via de app Snapchat mijn sneakers te koop aangeboden. Rond 22:00 uur kreeg ik een bericht van een jongen genaamd [verdachte] dat hij interesse had in de schoenen.

Hij ging op zoek naar iemand die de schoenen wilde kopen zodat hij er ook geld op

kon verdienen. Ik vond dat prima. Ik ken [verdachte] van school. Hij zat vorig (hof: jaar) bij mij in het eerste jaar van de A klas. Ik studeer aan het [school] te Maastricht.

(..)

Op 9 juli 2020 om 12:00 uur stuurde [verdachte] mij een bericht dat hij een Nederlandse jongen kende die de schoenen wilde kopen voor 650 euro. Ik zou er dan 600 euro voor krijgen en [verdachte] 50 euro. (..) Hij (het hof begrijpt: verdachte) wilde graag bij het [locatie 2] (het hof begrijpt: [locatie 2]) in Maastricht afspreken. Ik vertelde hem dat ik dit niet wilde.(..) Ik vertelde hem vervolgens dat ik niet verder ging dan [restaurant] op het Emmaplein. Ik wilde graag in de buurt van het centrum blijven. Hij ging hiermee akkoord.

Om 15:45 uur ben ik met mijn vriend (het hof begrijpt: [getuige]) naar de afgesproken plek gegaan. Toen heeft [verdachte] mij gebeld via Snapchat. Hij vroeg waar ik was en ik gaf aan dat ik voor [restaurant] stond. (..) Ik zag dat [verdachte] vanuit de [locatie 1] (het hof begrijpt: [locatie 1] te Maastricht) kwam aangelopen. Hij zei tegen mij dat de vriend die de sneakers wilde kopen verderop in de auto zat en dat die vriend de sneakers eerst wou zien.Ik vond dat prima maar wilde wel dat die jongen uit de auto zou stappen. We liepen samen naar de auto. Ik zag dat het een grijze auto was. Ik keek meteen naar het kenteken van de grijze auto. Het kenteken was [kenteken] . De deur van de passagierskant stond open. Ik ben in de opening gaan staan. [verdachte] pakte vervolgens de sneakers uit de tas en zette de schoenendoos met de sneakers in de auto.

Ik zei tegen [verdachte] dat ik het niet vertrouwde. [verdachte] zei dat ik dat wel kon daar we samen op school zaten, laat mij gewoon rustig de schoenen checken. (…).

[verdachte] , en zijn vriend die in de auto zat, bekeken de sneaker. [verdachte] zei dat de schoen vies was en wilde er 100 euro vanaf. Ik zei tegen hem dat er een prijs was afgesproken. [verdachte] maakt zich breder en ging voor mij staan. Hij duwde met 2 handen tegen mij aan en zei ga aan de kant. Ik werd op dat moment bang omdat ik bang was dat hij een wapen bij zich zou hebben of verder zou gaan met duwen en eventueel zou slaan. [verdachte] is in de auto gestapt waar zijn vriend al in zat en is vervolgens weggereden richting de rotonde.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Bladzijde 27 en 28

Bijlage goederen:

Object: schoeisel.
2. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 9 juli 2020, 20:20 uur (dossierpagina 29), voor zover inhoudende als aanvullende verklaring van aangever [benadeelde] :
Ik heb een aanvullende verklaring daar ik de volledige achternaam heb van [verdachte] .

Ik heb contact gehad met mijn mentor van vorig jaar. Hij deelde mij mede dat de achternaam van [verdachte] is.
3. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 12 juli 2020 (dossierpagina’s 30-32), voor zover inhoudende als aanvullende verklaring van [benadeelde] :
Op die donderdag (het hof begrijpt: 9 juli 2020) net voordat ik contact had met [verdachte] heeft deze mij gebeld via Snapchat. Dit was om 15.46 uur. [verdachte] gaf toen aan dat hij om de hoek stond en ik zijn kant op moest komen. Van de oproepgeschiedenis heb ik een screenshot gemaakt. Ik wil deze screenshot als bijlage toevoegen (hof: foto 1 op pagina 34).

Ik heb gegoogeld: [verdachte] . De eerste foto (hof: foto 2 op pagina 34) die dan zichtbaar wordt betreft [verdachte] in een voetbaloutfit. Ik herken hem als degene die mijn schoenen heeft weggenomen.

Vraag verbalisant:

Hoe goed ken je deze [verdachte] ?

Antwoord aangever: Ik heb bij hem in de klas gezeten, in het schooljaar 2018/2019. Ik weet dan ook zeker dat hij de persoon is die mij geduwd heeft en die schoenen heeft weggenomen.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 juli 2020 (dossierpagina’s 52-53), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Op donderdag 9 juli 2020 omstreeks 15:30 uur was ik samen met mijn vriend [benadeelde] in Maastricht. [benadeelde] zou een paar schoenen verkopen en had via Snapchat zijn schoenen te koop gezet voor zijn vrienden. Hij had met een jongen die hij kent van zijn school afgesproken in Maastricht bij [restaurant] , gelegen op het Koningin Emmaplein, te Maastricht. Ik ging met hem mee en omstreeks 15:50 uur kreeg [benadeelde] een bericht van die jongen met de mededeling dat hij er was. Wij stonden voor [restaurant] . Toen zag ik dat er een jongen kwam aanlopen en ik hoorde [benadeelde] zeggen dat hij de jongen was waar we mee hadden afgesproken. Ik hoorde de jongen vragen naar de schoenen en hij zei dat hij het geld in de auto had liggen en of we even mee naar de auto kwamen. Dat deden we. We zijn richting de [locatie 1] gelopen, waar een grijze auto stond. Ik zag dat er een jongen achter het stuur zat en de jongen die de schoenen wilde kopen deed het portier aan de bijzitterskant van de auto open. Ik zag dat [benadeelde] de schoenen aan de jongen overhandigde zodat hij kon kijken hoe ze er uitzagen. Hij wilde minder geld betalen als dat afgesproken was. Ik hoorde dat [benadeelde] zei dat ze een prijs hadden afgesproken en ik zag dat de jongen de schoenendoos op de bijzittersstoel in de auto legde. (..) ik hoorde [benadeelde] zeggen dat hij de schoenen terug wilde. Ik zag toen dat die jongen met kracht tegen [benadeelde] zijn schouder duwde. Ik zag dat [benadeelde] daardoor zijn evenwicht verloor en dat hij bijna viel. Ik zag toen dat die jongen in de auto stapte en dat ze met een rotvaart wegreden.
5. Het proces-verbaal van verdenking d.d. 25 februari 2021 (dossierpagina 9), waarin door verbalisant [verbalisant 1] wordt gerelateerd:
De diefstal heeft plaatsgevonden op de [locatie 1] te Maastricht. Na onderzoek bleek dat de coffeeshop “ [bedrijf] ”, gelegen op [adres 2] het incident op camerabeeld heeft. Deze beelden werden gevorderd middels een vordering ex. artikel 126 nda Wetboek van Strafvordering. De beelden werden uitgekeken en verwerkt in een proces-verbaal van bevindingen opgenomen onder dossierpagina’s 115-118.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2020 (dossierpagina’s 115-118), voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , verklaar het volgende:

Naar aanleiding van de aangifte in onderzoek (LB3R0201240) (het hof begrijpt van [benadeelde]) werden de aanwezige camerabeelden [locatie 1] uitgelezen en gerelateerd. In dit proces-verbaal wordt opgesomd, middels foto’s, hoe het verloop van het incident heeft plaatsgevonden.

Foto 1 ( hof: datum en tijdstip in beeld: 09-07-2020 14:46:42 ): NN voertuig grijs staat stil op het wegdek .

Foto 2: Uit het grijze voertuig stapt een persoon geheel in donkere kleding met een capuchon en loopt in de richting van de rotonde.

Foto 3 De eerder genoemde persoon maakt met zijn rechterhand een zwaaiende beweging.

Foto 4: De eerder genoemde grijze personenauto rijdt een aantal meters naar voren en blijft stilstaan.

Foto 5: Eerder genoemde man komt met een persoon (aangever) bij de grijze personenauto staan.

Foto 6: Aangever, in lichte kleding gekleed, overhandigt een doos aan de eerder in donkere kleding genoemd persoon die via de bijrijderskant in het voertuig hangt.

Foto 7: Te zien is hoe de man in het donker gekleed, de aangever aan de kant duwt.

Foto 8: Geeft weer dat het voertuig wegrijdt en de aangever nog tracht het portier te openen. Het voertuig rijdt vervolgens in de richting van de rotonde.
7. Het proces-verbaal van bevindingen uitlezen telefoon [verdachte] van 28 augustus 2020 (dossierpagina’s 67-75), voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] :
(p. 67)

Aanleiding onderzoek

Op 9 juli 2002, omstreeks 15:45 uur, heeft er een diefstal met geweld plaatsgevonden op [adres 3] . Bij deze diefstal werd aangever, [benadeelde] , bestolen van zijn schoenen. De vermoedelijke dader van deze diefstal betreft een oud klasgenoot van aangever genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1998.

Op 21 juli 2020 werd [verdachte] buiten heterdaad aangehouden als verdachte van bovengenoemde diefstal. Bij deze aanhouding werd in de woning van [verdachte] de telefoon van [verdachte] voor waarheidsvinding in beslag genomen.

Uitlezen telefoon

Door mij werd tactisch onderzoek verricht aan de veiliggestelde data uit genoemde telefoon van [verdachte] , zijnde een Samsung Galaxy A3. De in dit proces-verbaal genoemde tijdstippen betreft de UTC+2 tijd, zijnde de zomertijd zoals deze ten tijde van het incident gold.

Het aan het toestel gekoppelde Snapchat profiel heeft als naamaanduiding: [verdachte]

(p. 68)

Zoekopdrachten

Ik, [verbalisant 1] , bekeek de zoekopdrachten verricht met het toestel op internet. Ik zag hierbij dat de volgende relevante zoekopdrachten werden verricht:

09-07-2020, 13.52 uur, zoekopdracht: Dior B23

09-07-2020, 14.56 uur, zoekopdracht: orleonspleim

(p. 69)

Snapchat

Contacten

Ik, [verbalisant 1] , bekeek de beschikbare contacten, ik zag aldaar het volgende: Op Snapchat werd het contact [benadeelde] , username: " [accountnaam] ” op 09-07-2020, om 15.52 uur geblokkeerd.

Noot verbalisant: In de bijlage van het proces-verbaal van verhoor aangever, LB3R020124-2, is op foto 01 (hof: pagina 34) te zien dat [verdachte] op 09-07-2020, om 15:46 uur inbelt via Snapchat met [accountnaam] , dit betreft het account van aangever [benadeelde] .

8. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 juni 2020 afgelegde verklaring inhoudende:

Ik wist wel wie [benadeelde] was. Er waren in mijn jaar op het [school] twee klassen. Ik zat in de ene. [benadeelde] zat in de andere. Hij bood schoenen te koop aan. Toen dacht ik, ik kan bemiddelen. [benadeelde] wilde ze voor € 600,00 verkopen. Ik zei: “kan ik er € 650,00 van maken dan heb ik € 50,00 voor de moeite”.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en betrouwbaar bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De verdediging betwist de betrouwbaarheid van aangever en stelt zich op het standpunt dat deze een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd, nu hij op geen enkel moment aan de hand van bijvoorbeeld een factuur heeft aangetoond dat het om echte Dior merkschoenen gaat. Tegenover de stellige ontkenning van de verdachte staat alleen de verklaring van aangever, die niet door enig ander bewijs wordt ondersteund.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij bij de verkoop van de schoenen door [benadeelde] heeft bemiddeld, maar heeft ontkend dat hij op het moment van de diefstal met geweld ter plaatse aanwezig was en dat hij degene is die de schoenen zou hebben gestolen en het geweld zou hebben uitgeoefend.

Het hof is echter van oordeel dat er gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen voldoende wettig bewijs voorhanden is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte degene is geweest die zich op 9 juli 2020 op de [locatie 1] te Maastricht schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld van [2] schoenen, die toebehoorden aan [benadeelde] . Aangever heeft verklaard dat hij de verdachte van school herkende en verdachte heeft verklaard dat hij en [benadeelde] op dezelfde school hebben gezeten.

Het hof ziet anders dan de verdediging geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en getuige [getuige] te twijfelen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [benadeelde] heeft verklaard dat de verdachte zou hebben voorgesteld dat de ontmoeting zou plaatsvinden op het “ [locatie 2] ” (het hof begrijpt: [locatie 2]) te Maastricht en dat uit de zoekgeschiedenis van de telefoon van verdachte ook blijkt dat deze op 9 juli 2020 kort voor de ontmoeting met aangever dat adres op internet heeft opgezocht. Voorts kent het hof betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte op 9 juli 2020 om 15.52 uur, korte tijd, te weten ongeveer 7 á 8 minuten, na het incident op de [locatie 1] het Snapchat-account van aangever op zijn telefoon heeft geblokkeerd. Gelet op de korte tijd na het incident kan, zoals de verdachte het hof heeft willen doen geloven, het blokkeren van de account van aangever door verdachte geen verband hebben gehouden met het “afbranden” van de verdachte op sociale media, nu daar gelet op de korte tijdsspanne nog geen sprake van was. Het hof houdt het er dan ook voor dat de verdachte door aldus te handelen na het incident waarbij hij betrokken was, ieder contact met aangever heeft willen vermijden.

Het hof hecht gelet op het voorgaande dan ook geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij slechts heeft bemiddeld bij de verkoop van de schoenen. Dat de verdachte een andere schoenmaat heeft dan de schoenen die door de aangever op snapchat werden aangeboden, en deze hem dus niet zouden passen, maakt dit niet anders nu dat immers niet aan het eventueel doorverkopen van de schoenen in de weg staat.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld van [2] schoenen die aan aangever [benadeelde] toebehoorden. Dat de schoenen wellicht geen echte Dior-schoenen waren doet naar het oordeel van het hof aan het bewezenverklaarde niet af.

Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.

Het hof, acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Medeplegen

Het hof is van oordeel dat het bewijs ervoor tekortschiet om vast te stellen dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het medeplegen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld op de openbare weg.

Aangever had met verdachte afgesproken dat hij zou bemiddelen bij de verkoop van een paar dure schoenen. Op het moment dat de koop gesloten zou worden en de schoenen tegen betaling zouden worden overgedragen werd aangever ermee geconfronteerd dat de verdachte hem met kracht duwde en zonder voor de schoenen te hebben betaald, met de schoenen met hoge snelheid in een auto vertrok. De verdachte heeft door aldus te handelen het vertrouwen van aangever alsmede diens eigendomsrecht geschonden en diens lichamelijke integriteit aangetast. De verdachte heeft zich kennelijk slechts laten leiden door zijn persoonlijk financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof eveneens gelet op de inhoud van een verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 april 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld, alsmede de overige persoonlijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Voorts overweegt het hof dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van de verdachte, de aard en ernst van het tenlastegelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 21 juli 2020, de dag waarop de verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld.

De politierechter heeft op 22 juli 2021 vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de behandeling in eerste aanleg derhalve is afgerond binnen 2 jaren na aanvang van de redelijke termijn.

Op 5 augustus 2021 is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld namens de verdachte.

Bij arrest van dit hof op 3 juli 2024 is de redelijke termijn dan ook met 11 maanden overschreden.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.340,00, bestaande uit een bedrag van € 890,00 ter zake van materiële schade en € 450,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 900,00, bestaande uit € 650,00 ter zake van materiële schade en € 250,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De politierechter heeft de vordering voor het overige gedeelte afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de oorspronkelijke vordering.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting vloeit voort dat de aangever door de bewezenverklaarde diefstal van een paar schoenen weliswaar rechtstreekse schade heeft geleden, maar niet wat de omvang van deze schade is. De benadeelde partij heeft gesteld dat de waarde van de schoenen € 890,00 was, maar daarvan geen bewijs overgelegd ook niet na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld tijdens en na zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris. Aanhouding van de behandeling van de zaak om de benadeelde partij (andermaal) in de gelegenheid te stellen de vordering voor wat betreft de materiële schade (nader) te onderbouwen en te concretiseren, levert echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij [benadeelde] kan daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Ingevolge artikel 6:106 lid 1 en aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geldt als één van de gevallen waarin de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, het geval dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen (...) of op andere wijze in de persoon is aangetast. Het hof is van oordeel dat de aangever weliswaar krachtig geduwd is door de verdachte, maar dat geen sprake is van lichamelijk letsel dan wel dat de handelwijze van verdachte van dien aard was dat dit kan worden aangemerkt als een “aantasting van de persoon op andere wijze”. Nu de gevorderde schade ad € 450,00 niet valt binnen de reikwijdte van de in artikel 6:106 BW genoemde gevallen zal het hof de vordering van de benadeelde partij in zoverre afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 450,00 (vierhonderdvijftig euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. A. Muller, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 3 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar paginanummers van het politiedossier van Districtsrecherche Zuid-West-Limburg, onderzoeksnummer LB3R020124/2020107546, gesloten op 25 februari 2021, bestaande uit wettig opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften (doorgenummerde pagina’s 1-178).

Artikel delen