ECLI:NL:GHSHE:2025:2694
Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 June 2026
ECLI:NL:GHSHE:2025:2694
text/xml
public
2026-06-04T11:46:37
2025-09-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-29
20-000136-25
Uitspraak
Hoger beroep
NL
's-Hertogenbosch
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2694
text/html
public
2026-06-04T11:46:26
2026-06-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2025:2694 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-09-2025 / 20-000136-25
Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Parketnummer : 20-000136-25
Uitspraak : 29 september 2025
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-179691-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van € 350,00 subsidiair 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren,
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 31 mei 2024 te Bergen op Zoom, althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (politieagent bij de eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: “Kankerwijf” en/of “Kankerhoer” en/of “Je moet dood”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door in de richting van die [verbalisant 1] te spugen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 31 mei 2024 te Bergen op Zoom, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (politieagent bij de eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: “Kankerwijf” en “Kankerhoer”, of woorden van gelijke strekking, en door in de richting van die [verbalisant 1] te spugen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest hoger beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit en, naar het hof begrijpt, daartoe aangevoerd dat verdachte niet de intentie had om verbalisant [verbalisant 1] te beledigen. Zij heeft zich, aldus de raadsman, mogelijk onbetamelijk uitgedrukt, maar dit werd ingegeven door frustratie over een in haar ogen onrechtmatige beperking van haar vrijheid. De uiting was derhalve niet gericht op het beschadigen van de eer of goede naam van verbalisant [verbalisant 1] , maar een emotionele reactie op een situatie waarin cliënte zich machteloos voelde.
Het hof overweegt als volgt.
Aan verdachte is tenlastegelegd het opzettelijk beledigen van een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening. De toepasselijke wetsartikelen luiden als volgt:
Artikel 266 Wetboek van Strafrecht (Sr):
Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.
Artikel 267 Sr :
De in de voorgaande artikelen van deze titel bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de belediging wordt aangedaan aan:
1°. (…)
2°. een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
3°. (…)
Vooraleerst overweegt het hof dat er sprake is van een strafbare belediging wanneer de belediger opzet heeft, voorwaardelijk opzet daaronder begrepen, op de aanranding van iemands eer en goede naam. De uiting dient verder te zijn gericht tegen op de persoon van de beledigde en - indien deze, zoals hier het geval is, als ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is beledigd – tevens op die omstandigheid. Een uitlating die jegens iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is gedaan, moet als beledigend worden beschouwd in de zin van art. 266 Sr in verbinding met art. 267 Sr, indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer of goede naam. Daarvan is in het algemeen sprake indien de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben. In het bezigen van dergelijke in het algemeen spraakgebruik erkende scheldwoorden ligt de strekking en daarmee het opzet om te beledigen besloten. De door verdachte geuite woorden “kankerwijf” en “kankerhoer” zijn reeds op zichzelf beschouwd beledigend. Ook het spugen richting betrokkene kan als (intrinsiek) beledigend worden opgevat. Daarnaast dient het opzet ook op de openbaarheid te zijn gericht.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat verbalisant [verbalisant 1] op 31 mei 2024 werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, immers belast met de handhaving van de openbare orde ter plaatse. Tevens blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de tenlastegelegde uitingen zijn gedaan op de openbare weg in aanwezigheid van meerdere omstanders. Verbalisant [verbalisant 1] heeft in haar aangifte verklaard dat zij zich door de scheldwoorden van verdachte erg gekwetst en in haar eer en goede naam aangetast voelde. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verder verklaard dat de verdachte haar ook probeerde te “tuffen” (naar het hof begrijpt: bespuwd). De verklaring van [verbalisant 1] vindt steun in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] die heeft bevestigd dat verdachte [verbalisant 1] een “Kankerwijf” heeft genoemd en heeft gezien dat de verdachte richting [verbalisant 1] heeft gespuwd. Volgens [verbalisant 2] voelde verbalisant [verbalisant 1] zich zich hierdoor echt beledigd, mede omdat de verdachte schreeuwde en de hele straat het kon horen.
Het uitmaken van een politieambtenaar, die slechts haar wettelijke politietaak uitoefent en nota bene meerdere pogingen heeft gedaan om hulp voor de verdachte te regelen, voor ‘kankerhoer’ en ‘kankerwijf’ kan naar het oordeel van het hof niet worden gezien als een uiting ‘die ertoe strekt een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen’ als bedoeld in artikel 266 Sr. Deze uitingen zijn onnodig grievend en zeer diskwalificerend.
De uitlatingen van de verdachte kunnen, gelet op de bewoordingen en de context waarin deze zijn gedaan, ook niet worden gezien als een bijdrage aan het publieke of maatschappelijke debat die onder de bescherming van artikel 10 EVRM valt. De uitlating is, zoals hiervoor overwogen, onnodig grievend en zeer diskwalificerend en heeft de strekking de verbalisant in haar eer en goede naam aan te tasten. Dat de verdachte zich mogelijk onheus bejegend voelde en gefrustreerd was, maakt dit niet anders.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Het hof, acht gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in overweging genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieambtenaar in functie. Dit gedrag van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Door de verbalisant te beledigen, heeft de verdachte haar aangetast in haar eer en goede naam. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen.
Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een strafbaar feit als het onderhavige, een geldboete ter hoogte van € 150,00. Voor zover het feit is begaan tegen een politieagent en indien het misdrijf is gepleegd gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, kan de in het oriëntatiepunt genoemde straf worden verhoogd. Van deze strafverhogende omstandigheid is in deze zaak sprake.
Bij de straftoemeting heeft het hof verder gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. In strafmatigende zin houdt het hof er rekening mee dat de verdachte later haar spijt heeft betoond van het gebeuren en dat zij blijkens de op haar naam staande Justitiële Documentatie niet eerder voor vergelijkbare strafbare feiten met politie en justitie in contact is geweest.
Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat niet volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf volgens het bepaalde in artikel 9a Sr, zoals is verzocht door de verdediging. Ook in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof daartoe geen aanleiding.
Alles overziend is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 350,00 subsidiair 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter,
mr. Y. van Setten en mr W.P.A. Korver, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,
en op 29 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.