Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:GHSHE:2025:3489

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, 10a en 11 van de Opiumwet. Medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artike...

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16 December 2025

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHSHE:2025:3489 text/xml public 2025-12-16T15:02:22 2025-12-08 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-08-22 20-001485-23 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3489 text/html public 2025-12-16T15:01:46 2025-12-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:3489 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-08-2025 / 20-001485-23
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, 10a en 11 van de Opiumwet.

Medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en

voorwerpen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Parketnummer : 20-001485-23

Uitspraak : 22 augustus 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 71-323083-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1978,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en –opnieuw rechtdoende – het onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is vrijspraak ten aanzien van het onder 1, 5 en 6 tenlastegelegde bepleit, evenals ten aanzien van meerdere gedachtestreepjes van het onder 4 tenlastegelegde. De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.

Voor zover de verdediging zich heeft aangesloten bij de verweren en voorwaardelijke verzoeken die in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn gevoerd ten aanzien van het gebruik van crypto-data, beschouwt het hof die verweren als ook integraal in deze zaak te zijn gevoerd.

Beschermde vrijspraken in verband met cumulatief tenlastegelegde feiten?

Het hof komt ambtshalve, mede in respons op verweren die in zaken van medeverdachten zijn gevoerd, tot navolgende overwegingen.

Ten aanzien van feit 3: gewoontewitwassen

Onder feit 3 is aan de verdachte tenlastegelegd: gewoontewitwassen, zijnde witwassen onder de strafverzwarende omstandigheid van het plegen daarvan als gewoonte. Daarbij heeft de steller van de tenlastelegging het bestanddeel ‘gewoonte’ verfeitelijkt door de tenlastelegging van een of meerdere geldbedragen.

Naar het oordeel van het hof wordt door deze wijze van ten laste leggen (de strafverzwarende omstandigheid van gewoontewitwassen) de genoemde voorwerpen, zijnde de hoeveelheid/hoeveelheden geld, geen afzonderlijk vernoemde strafbare feiten. Hierdoor is er geen sprake van een of meer (cumulatief tenlastegelegde) gevoegde feiten als bedoeld in artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Er is met het oog op de uitspraak in eerste aanleg dientengevolge geen sprake van een beschermde vrijspraak op dit onderdeel. Hierdoor is gezien het – overigens onbeperkt – ingestelde appel, feit 3 geheel aan het oordeel van het hof onderworpen.

Ten aanzien van feit 4: voorbereidingshandelingen

Onder feit 4 is aan de verdachte tenlastegelegd: gedragingen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (hierna harddrugs), voor te bereiden door een of meer anderen (trachten) te bewegen tot het (doen) plegen, medeplegen, uitlokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of zichzelf en/of een ander daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of daartoe voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of geld/betaalmiddelen voorhanden te hebben.

De feitelijke gedragingen zijn vervolgens omschreven in verschillende liggende streepjes die samen de verweten – en in geval van bewezenverklaring – nader te kwalificeren voorbereidingshandelingen vormen. Deze feitelijke gedragingen liggen (vaak) in elkaars verlengde. Hierin is onder andere opgenomen het voorhanden hebben van meerdere cryptotelefoons en het – kort gezegd – het daarmee feit gerelateerd communiceren via deze cryptotelefoons.

Ook maakt onderdeel uit van die verfeitelijking -hieronder verkort weergegeven- het volgende. Het aankopen/verkopen/bestellen/voorhanden hebben/regelen/maken/(laten) vervoeren en/of leveren van (1.000kg) APAA(N) en/of MAPA en/of het (trachten te) regelen van chauffeurs voor amfetaminetransport en/of geld. Voorts het communiceren over het laden en/of transporteren daarvan en/of over de productie/aankoop/verkoop en/of het vervoer van harddrugs en/of (pre-)precursoren.

In dat verband ook het op concrete data communiceren over het binnenkomen/ ontvangen/aanpakken/lossen/smelten en/of omzetten van APAA(N) en/of MAPA en/of over de betaling van de smelters/ omzetters. Voorts het (trachten te (laten)) regelen en/of aansturen van drugslaboranten/vervoerders van harddrugs/(pre)precursoren en/of nader geduide drugslabs en/of het spreken over de inrichting van die labs en/of het aankopen/verkopen/bestellen/voorhanden hebben/regelen/(laten) vervoeren en/of maken van chemicaliën, grondstoffen en/of hardware voor harddrugsproductie en/of het uiten van het concrete voornemen daartoe.

Naar het oordeel van het hof worden door deze wijze van ten laste leggen de afzonderlijke liggende streepjes geen afzonderlijk vernoemde strafbare feiten. Het daarbij ten laste leggen van meerdere – aan die feitelijke gedragingen verbonden – pleegplaatsen, maakt dat oordeel niet anders. Hierdoor is er geen sprake van een of meer (cumulatief tenlastegelegde) gevoegde feiten als bedoeld in artikel 407, tweede lid, Sv.

Er is met het oog op de uitspraak in eerste aanleg dientengevolge geen sprake van beschermde vrijspraken op dit onderdeel. Hierdoor is gezien het – overigens onbeperkt – ingestelde appel, feit 4 geheel aan het oordeel van het hof onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste

aanleg – ten laste gelegd dat:

1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 12 juni 2020 te Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 106 kilo, althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 te Eindhoven en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Spanje en/of (elders) in Europa heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of een of meer overige personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;

3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 te Eindhoven en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Spanje en/of (elders) in Europa tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (van) een of meerdere voorwerpen, te weten

- een of meerdere geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 4.486.864, althans een of meer (grote) geldbedrag(en),

a. de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of

b. heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 te Eindhoven en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Spanje en/of (elders) in Europa tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s)wist(en) of ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- 1000 kilo, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende APAAN en/of APAA en/of MAPA gekocht en/of verkocht en/of bestelden/of voorhanden gehad en/of geregeld en/of vervoerd en/of gemaakt en/of laten vervoeren en/of geleverd (aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ) en/of

- op of omstreeks 26 augustus 2020 gecommuniceerd (met [medeverdachte 12] ) over het laden en/of transporteren van amfetamine, in elk geval van stoffen en/of chemicaliën en/of een of meerdere geldbedragen en/of

- op of omstreeks 26 en/of 27 augustus 2020 een of meer chauffeurs geregeld of trachten te regelen voor dat transport en/of

- op of omstreeks 13 september 2020 gecommuniceerd (met [medeverdachte 12] ) over het binnenkomen en/of ontvangen en/of aanpakken en/of lossen en/of smelten en/of omzetten van een hoeveelheid APAAN en/of APAA en/of MAPA en/of

- op of omstreeks 21 september 2020 gecommuniceerd (met [medeverdachte 12] ) over de betaling van personen die een hoeveelheid APAAN en/of APAA en/of MAPA hebben gesmolten en/of omgezet en/of (vervolgens) die betaling uitgevoerd en/of

- een of meerdere zogenoemde cryptotelefoon(s) voorhanden gehad en/of

- (via deze cryptotelefoon(s)) met een of meer anderen (uitgebreid) (op overige wijze) gecommuniceerd over de (overige) productie en/of aankoop en/of verkoop en/of het vervoer van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of (pre-)precursoren daarvan en/of

- [medeverdachte 2] , althans een persoon die door hem, verdachte, is aangeduid als zijn zwager, aangestuurd voor het ophalen en/of transporteren en/of laden van een of meer stoffen en/of chemicaliën en/of (overige) middelen als bedoeld op één van de lijsten van de Opiumwet en/of een of meerdere (grote) geldbedragen en/of

- een of meer laborant(en) en/of (overige) perso(o)n(en) voor de productie en/of het vervoer van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of (pre-)precursoren daarvan geregeld en/of aangestuurd en/of laten regelen en/of laten aansturen, althans getracht te (laten) regelen en/of aansturen en/of

- gesproken over de inrichting van (een) productielocatie(s) en/of bewerkings-/verwerkingslocatie(s) van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of (pre-)precursoren daarvan en/of

- een of meer productielocaties en/of bewerkings-/verwerkingslocatie(s) van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I geregeld en/of laten regelen, althans getracht te (laten) regelen, en/of

- een of meer (overige) hoeveelheid/hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen en/of hardware ten behoeve van de vervaardiging van voornoemd(e) middel(en) gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of geregeld en/of vervoerd en/of gemaakt en/of laten vervoeren en/of het concrete voornemen tot die/dat aankoop en/of verkoop en/of bestelling en/of voorhanden hebben en/of regelen en/of vervoer geuit;

5. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 9 juni 2021 te Eersel en/of Oostzaan, althans in Nederland, en/of Duitsland en/of Tsjechië en/of (elders) in Europa tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 840 kilo, althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 12 juni 2020 te Eindhoven en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of Europa en/of de Verenigde Arabische Emiraten en/of de Seychellen tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, zonder registratie (telkens) opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 80 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een werkzame stof te weten ketamine, heeft bereid en/of ingevoerd en/of in voorraad gehad en/of verkocht en/of afgeleverd en/of uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht, dan wel in een werkzame stof, te weten ketamine, een groothandel heeft gedreven.

Het hof leest hiervoor onder de feiten 1 en 5 waar in beide gevallen het verwijt begint met dat “hij op een of meer plaatsen in of omstreeks (…)” verbeterd als “dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks (…)”, nu hier naar het oordeel van het hof evident sprake is van tweemaal dezelfde kennelijke schrijffout.

Niet alleen is de algemeen bekende en gebruikelijke wijze van ten laste leggen dat een verwijt start met de pleegdatum/-data/-periode, gevolgd door de pleegplaats(en), maar ook uit de opsomming van concrete pleegplaatsen na de pleegperiode blijkt naar het oordeel van het hof dat de steller van de tenlastelegging zich overduidelijk moet hebben vergist. Ook overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:

1. in de periode van 21 februari 2020 tot en met 12 juni 2020 te Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. in de periode van 21 februari 2020 tot en met 31 mei 2021 in Europa heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 11] en [medeverdachte 12] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, 10a en 11 Opiumwet;

3.

in de periode van 21 februari 2020 tot en met 13 juni 2020 in Europa tezamen en in vereniging met anderen van voorwerpen, te weten (grote) geldbedragen, de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen was, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders daarvan een gewoonte hebben gemaakt;

4.

in de periode van 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021 in Europa tezamen en in vereniging met anderen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen, stoffen en gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,

hebbende verdachte en verdachtes mededaders

- op 26 augustus 2020 gecommuniceerd met [medeverdachte 12] over het laden en transporteren van amfetamine en chemicaliën en geldbedragen en

- op 26 en 27 augustus 2020 een chauffeur geregeld voor dat transport en

- op 13 september 2020 gecommuniceerd met [medeverdachte 12] over het binnenkomen en aanpakken en lossen en van een hoeveelheid APAAN of APAA of MAPA en

- op 21 september 2020 gecommuniceerd met [medeverdachte 12] over de betaling van personen die een hoeveelheid APAAN of APAA of MAPA hebben gesmolten en die betaling uitgevoerd en

- meerdere zogenoemde cryptotelefoons voorhanden gehad en

- via deze cryptotelefoons met anderen gecommuniceerd over de productie en aankoop en verkoop en het vervoer van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en (pre- )precursoren daarvan en

- [medeverdachte 2] , aangestuurd voor het ophalen en transporteren en laden van stoffen en chemicaliën en middelen als bedoeld in lijst 1 van de Opiumwet en grote geldbedragen;

5.

in de periode van 1 januari 2021 tot en met 9 juni 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen heeft afgeleverd en vervoerd een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6. in de periode van 21 februari 2020 tot en met 12 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, zonder registratie, opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 80 kilogram van een werkzame stof, te weten ketamine, in voorraad heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Het hof zal in zijn bewijsoverwegingen hierna de verdachte steeds bij zijn achternaam noemen.

Inleiding

Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af.

Het strafrechtelijk opsporingsonderzoek ‘26Alston’ is gestart op 28 oktober 2020. De aanleiding kwam er in de kern op neer dat de verdenking bestond dat [medeverdachte 1] (hierna steeds [medeverdachte 1] ) zich zou bezighouden met de productie van synthetische drugs, meer in het bijzonder ‘ice’ (straattaal voor metamfetamine ‘Crystal Meth’), en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. Die verdenking kwam voort uit informatie van de politie-eenheid Team Criminele Inlichtingen, aangevuld met onderschepte cryptodata. Met cryptodata wordt hier – kort gezegd – bedoeld versleutelde/vercijferde communicatie in de vorm van chats, tekstberichten, afbeeldingen, spraakberichten of notities al dan niet met behulp van speciale daarvoor uitgeruste mobiele (zogenoemde ‘pgp’-)telefoons afkomstig van of gestuurd naar pgp-accounts, waarbij de afkorting steeds staat voor ‘pretty good privacy’. Communicatie, die plaatsvindt via een van de crypto-berichtendiensten door speciale aanbieders tussen gebruikers van versleutelde gecodeerde communicatiediensten en die door buitenstaanders niet kan worden gelezen, tenzij ontsleuteld/ontcijferd. Uit informatie van de politie in het onderhavige dossier leidt het hof af dat in het algemeen kan worden gesteld dat crypto-telefoons dan wel crypto-applicaties nagenoeg louter en alleen bestemd zijn voor gebruik in het criminele circuit. Bij die vooronderstelling betrekt de politie bevindingen als de volgende. Crypto-toestellen dan wel crypto-applicaties worden bewust zo ingericht om het de opsporingsdiensten moeilijk te maken om gebruikers te identificeren. Crypto-toestellen dan wel crypto-applicaties zijn bewust gericht op de criminele gebruikersmarkt vanuit het in die markt levende vertrouwen dat de gedeelde informatie niet bekend wordt bij opsporingsdiensten door het risico op afluisteren en onderscheppen van berichten te minimaliseren. Uit vergaarde versleutelde data in voorgaande onderzoeken naar vergelijkbare aanbieders (als de onderhavige hierna te bespreken aanbieders) bleek dat via die aangeboden communicatiediensten inderdaad openlijk werd gecommuniceerd over gepleegde of te plegen strafbare feiten. Bij meerdere strafrechtelijke onderzoeken naar aanbieders van versleutelde communicatiediensten zijn dan ook, buiten een enkele geheimhouder, geen niet-criminele gebruikers geïdentificeerd. In een groot aantal Nederlandse onderzoeken naar zware criminaliteit zijn telefoons met een crypto-applicatie naar voren gekomen, waaronder in het onderhavige.

[communicatiedienst 1]

Die verdenking jegens [medeverdachte 1] werd mede gebaseerd op crypto-data die binnen het reeds voordien lopende onderzoek ‘26Lemont’ werden verkregen. Dat onderzoek richtte zich – kort samengevat – op [communicatiedienst 1] c.s. (met onder meer de handelsnaam ‘ [communicatiedienst 1] ’), een in Frankrijk gevestigd bedrijf dat zich had gespecialiseerd in het aanbieden van versleutelde berichtendiensten, en de gebruikers van die diensten die via wereldwijd door tussenkomst van resellers verworven [communicatiedienst 1] -telefoons zich strafbaar zouden maken aan diverse vormen van georganiseerde criminaliteit. Door de inzet van een interceptietool werd live informatie verzameld en na ontsleuteling van de onderschepte informatie werd bekend dat veel Nederlandse criminelen gebruik maakten van de [communicatiedienst 1] -berichtenservice (hierna ook afgekort weergegeven als [communicatiedienst 1] ). Het ging om grote hoeveelheden chatberichten tussen [communicatiedienst 1] -gebruikers en telecom-locatiegegevens van [communicatiedienst 1] -gebruikers. Uit de verkregen chatberichten kwamen zogenoemde nicknames naar voren die gebruikers van [communicatiedienst 1] elkaar gaven. De politie legt dit begrip als volgt uit: een nickname of kortweg nick is (meestal) een (zelf gekozen) bijnaam. Het is vaak een korte, slim gekozen, grappige, schattige, beledigende of anderszins alternatieve naam. Bij [communicatiedienst 1] wordt een contact weergegeven onder zijn [communicatiedienst 1] -naam. Daaraan kan door de tegenpartij een nickname worden gekoppeld, die alleen te zien is voor die tegenpartij. Identificatie van een van de [communicatiedienst 1] -gebruikers leidde tot een verdenking tegen [medeverdachte 1] en na analyse van de aan hem toegeschreven ontsleutelde chatberichten ontstond het vermoeden dat hij leiding gaf aan een crimineel samenwerkingsverband (CSV) dat zich op grote schaal schuldig maakte aan productie van synthetische drugs, de handel in grondstoffen voor de productie van synthetische drugs en de internationale handel in verdovende middelen, waaronder (met)amfetamine, MDMA, cocaïne en hasjiesj. Tijdens het onderzoek ‘26Alston’ ontstond tevens het vermoeden dat [medeverdachte 1] veel geld had verdiend met de handel in verdovende middelen.

[communicatiedienst 2]

Op 11 december 2020 startte het onderzoek ‘26Argus’, voortkomend uit onderzoek ‘Werl’ (startdatum 1 november 2019) dat was gericht op de verdenking tegen [communicatiedienst 2] , een in Frankrijk gevestigd bedrijf gespecialiseerd in het aanbieden van versleutelde communicatie. Ook in Frankrijk, waar een interceptietool was ingezet die data van [communicatiedienst 2] -toestellen verzamelde, en in België liepen onderzoeken naar dit bedrijf. De Franse autoriteiten deelden de onderzoeksbevindingen (metadata van de crypto-toestellen) met de Nederlandse autoriteiten. Nadat duidelijk werd dat ontsleuteling van het berichtenverkeer technisch mogelijk leek en wederom het vermoeden was ontstaan dat de gebruikers van deze diensten zich – kort gezegd – bezighielden met georganiseerde (zware) criminaliteit, ging het onderzoek ‘26Argus’ van start, dat zich daarbij richtte op de gebruikers van de crypto-diensten van [communicatiedienst 2] . Zo kwamen lopende het onderzoek ‘26Alston’ naast [medeverdachte 1] ook overige verdachten als deelnemers van een door [medeverdachte 1] geleid CSV (over de periode 21 februari 2020 tot en met 30 november 2021) in beeld, te weten [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] . [communicatiedienst 2] maakte gebruik van een speciale reseller-constructie, waarbij crypto-telefoons anoniem en alleen tegen contante betaling werden verhandeld. Uit de onderschepte [communicatiedienst 2] -data werd onder meer de volgende informatie verkregen: [communicatiedienst 2] -ID’s (een per account toegewezen code die bestond uit 6 karakters van cijfers en letters) van gebruikers inclusief zelfgekozen nicknames, IMEI- en simkaartnummers, de resellers (de verkopers van de telefoon(s)-/abonnementen), metadata van berichten (waaronder welke gebruiker naar welke gebruiker, wanneer verzonden/ontvangen/gelezen), de contacten van de [communicatiedienst 2] -ID’s en de contactmomenten. De [communicatiedienst 2] -chat-ID, de zes-karakters-tellende code kon niet worden gewijzigd door de gebruiker van de [communicatiedienst 2] -telefoon. Toevoegen van contacten (louter een ander [communicatiedienst 2] -ID) aan het adresboek kon alleen door eerst een uitnodiging te sturen, waarna de ontvanger expliciet toestemming moest geven om te worden toegevoegd aan het adresboek, waarna pas kon worden gechat. Nadat een contact was toegevoegd, kon de gebruiker de naam van zijn contact wijzigen, maar dat was alleen zichtbaar voor de gebruiker van de telefoon.

[communicatiedienst 3]

Voorts werd, lopende het onderzoek ’26Alston’, aanvullende informatie verkregen in de vorm van crypto-data uit het nadien gestarte strafrechtelijke opsporingsonderzoek ‘26Eagles’ (start: 26 maart 2021), betreffende onderzoek naar het (de) CSV(’s) dat (die) zich met gebruikmaking van de [communicatiedienst 3] -berichtendienst (hierna ook afgekort weergegeven als [communicatiedienst 3] ) schuldig maakte(n) aan het beramen of plegen van zware misdrijven. Dit onderzoek is opgestart nadat door de Amerikaanse autoriteiten in Nederland crypto-telefoons waren gelokaliseerd waarvan de Nederlandse gebruikers zich vermoedelijk schuldig maakten aan ernstige strafbare feiten. In dit onderzoek, gericht op crypto-communicatie en de identificatie van accounts c.q. gebruikers hiervan, bleek de betrokkenheid van [communicatiedienst 3] -gebruikers waaronder [medeverdachte 1] en vond de verdenking jegens hem bevestiging als deelnemer van [communicatiedienst 3] .

Op basis van de geanalyseerde berichten voortkomend uit voormelde onderzoeken richtten de verdenkingen zich in het bijzonder op een CSV dat zich structureel bezig hield met – samengevat weergegeven – de productie van/handel in (synthetische) drugs, voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van/handel in synthetische drugs en daarmee gepaard gaande betalingen. Een en ander resulteerde in concrete verdenkingen die door de politie zijn vastgelegd in twaalf zaaksdossiers van het politieonderzoek 26Alston, waarbij moet worden opgemerkt dat de betrokkenheid bij die verdenkingen niet voor iedere geïdentificeerde verdachte dezelfde was.

Bewijsuitsluiting van [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data?

De verdediging heeft zich op de gronden als verwoord in de pleitnota van mr. Poppelaars in de zaak van [medeverdachte 1] primair op het standpunt gesteld dat de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof zal bij de bespreking van deze verweren nader ingaan op hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd, maar in de kern genomen komen deze verweren erop neer dat de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data onrechtmatig zijn verkregen en verwerkt en dat die data onbetrouwbaar zijn. Daarbij stelt de verdediging zich op het standpunt dat zowel de rechtmatigheid van de verkrijging en de verwerking van de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data als de betrouwbaarheid van die data door de Nederlandse rechter naar Nederlands recht moet worden beoordeeld. Verder is in de visie van de verdediging (vooralsnog) sprake van een gebrek aan rechtsbescherming.

Indien het hof deze verweren niet volgt, acht de verdediging het noodzakelijk dat het hof zich eerst door het Openbaar Ministerie nader laat informeren over de navolgende vragen:

Of de interceptie van de [communicatiedienst 1] -data binnen of buiten het JIT heeft plaatsgevonden;

Wat het belang van de Franse autoriteiten was voor de verkrijging van de [communicatiedienst 1] -data van de gebruikers in Nederland;

Wat het belang van de Franse autoriteiten was voor de verkrijging van de [communicatiedienst 2] -data van de gebruikers in Nederland;

Of is onderzocht en zo ja, of het mogelijk was, om de interceptietool in verband met [communicatiedienst 1] gericht toe te passen;

Of is onderzocht en zo ja, of het mogelijk was, om de MITM-tool in verband met [communicatiedienst 2] gericht toe te passen;

Of de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika verantwoordelijkheid voor de interceptie en verwerking van de [communicatiedienst 3] -data erkennen en zo niet, waarom niet;

Of er rechterlijk toezicht is geweest door het derde land bij de interceptie en verwerking van de [communicatiedienst 3] -data;

Wat het doel van het derde land was met de interceptie en verwerking van de [communicatiedienst 3] -data;

Wat de exacte inhoud van de betrokkenheid van de Nederlandse autoriteiten binnen ‘Operation Trojan Shield / Greenlight’ was;

i. In welke periode die betrokkenheid heeft plaatsgevonden;

ii. Wie verantwoordelijk was voor de verwerkingshandelingen door de Nederlandse ambtenaren van de [communicatiedienst 3] -data;

iii. Of die verwerkingshandelingen de data betroffen die in onderhavige zaak zijn verwerkt;

iv. Of er rechterlijk toezicht, of toezicht door een andere onafhankelijke autoriteit bestond in die verwerking;

v. Of er beperkingen golden bij het onderzoek aan de data.

Indien het hof de conclusies van de verdediging over de toepasselijke juridische kaders bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de interceptie en verwerking van de respectievelijke data bij de huidige stand van zaken niet volgt, vindt de verdediging het noodzakelijk dat het hof hierover prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie).

Het hof zal hierna eerst de context schetsen waarbinnen de [communicatiedienst 1] -, de [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data zijn verkregen.

Feitelijke context [communicatiedienst 1] , [communicatiedienst 2] en [communicatiedienst 3]

De verdediging heeft in de pleitnota (paragrafen 7 tot en met 39) de feiten uiteengezet die volgens haar relevant zijn in verband met het verkrijgen en verwerken van de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data. Het hof heeft daarvan kennisgenomen, maar neemt deze niet integraal over.

Uit het dossier en de jurisprudentie, die in openbare bronnen is gepubliceerd en die voor een deel ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, waaronder het arrest van de Hoge Raad van

13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913), waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoordt, het arrest van dit hof van 26 september 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3041), het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2022 (ECLI:NLRBAMS:2022:7867) en het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 juli 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:3375) leidt het hof de volgende feitelijke context af:

[communicatiedienst 1]

a. is de naam van een bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. Met een mobiele telefoon van [communicatiedienst 1] konden versleutelde berichten worden verstuurd. [communicatiedienst 1] leverde naast deze telefoons een pakket aan diensten, waarmee toegang kon worden verkregen tot een communicatienetwerk waarbinnen versleutelde tekst- en spraakberichten en afbeeldingen konden worden verstuurd naar en ontvangen van andere gebruikers van [communicatiedienst 1] -toestellen.Het was niet mogelijk om het apparaat of de simkaart te koppelen aan een gebruikersaccount. De gebruikers maakten gebruik van een ‘username’, die werd opgeslagen in de contactenlijst onder een zelf gekozen ‘nickname’.De berichten konden na een vooraf ingestelde tijd, ook wel ‘burn-time’ of beveiligde verwijdertijd genoemd, worden gewist. Deze tijd stond standaard ingesteld op zeven dagen, maar kon door de gebruiker worden aangepast. Ook kon de gebruiker de telefoon volledig wissen (‘panic wipe’), bijvoorbeeld ingeval van een dreigende aanhouding en/of inbeslagneming van de telefoon. Dit kon ertoe leiden dat als een dergelijke telefoon in beslag was genomen en door de politie kon worden ontsleuteld, er geen of slechts in zeer beperkte mate berichtenverkeer kon worden nagelezen.

Op 25 september 2017 is het Openbaar Ministerie het onderzoek 26Bismarck gestart, omdat in verschillende Nederlandse en buitenlandse opsporingsonderzoeken sinds 2017 telefoontoestellen van dit bedrijf waren aangetroffen bij verdachten van ernstige delicten. In dit onderzoek, dat zich richtte op het bedrijf [communicatiedienst 1] , zijn via een aan Frankrijk gericht Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) meerdere kopieën van de infrastructuur van dat bedrijf verkregen.

In Frankrijk is ook onderzoek gedaan naar het bedrijf [communicatiedienst 1] . In dat onderzoek is gebleken dat de server waarvan door [communicatiedienst 1] gebruik werd gemaakt, zich in Roubaix (Frankrijk) bevond bij serverbedrijf [bedrijf 1] . Op 30 januari 2020 is door de Franse rechter een machtiging gegeven voor het plaatsen van een interceptiemiddel.

Op 10 februari 2020 is het Openbaar Ministerie het onderzoek 26Lemont gestart, dat voortvloeide uit het onderzoek 26Bismarck en zich richtte op het bedrijf [communicatiedienst 1] , de directeuren van dat bedrijf, de ‘resellers’ en de gebruikers van [communicatiedienst 1] -toestellen. In het kader van dit onderzoek is een gemeenschappelijk onderzoeksteam (‘joint investigation team’, hierna: JIT) opgericht en is een overeenkomst over dit gemeenschappelijk onderzoeksteam met Frankrijk gesloten. In deze overeenkomst is afgesproken dat alle informatie en bewijsmiddelen die ten behoeve van het gemeenschappelijk onderzoeksteam worden verzameld, worden gevoegd in een gezamenlijk onderzoeksdossier.

Op 1 april 2020 is het interceptiemiddel geplaatst op de server in Roubaix. Dit interceptiemiddel is ontworpen door de ‘Service Technique National de Captation Judiciaire’. De wijze waarop het interceptiemiddel werkt valt onder het Franse staatsgeheim. Hierdoor is niet bekend wat de exacte feitelijke en technische werkwijze is geweest bij de interceptie van de [communicatiedienst 1] -berichten.

Door de Franse autoriteiten is in de periode van 1 april tot 14 juni 2020 live informatie van [communicatiedienst 1] -telefoons verzameld. Deze informatie is gedeeld met Nederland als partner in het gemeenschappelijk onderzoeksteam en toegevoegd aan het gezamenlijk onderzoeksdossier.

De Nederlandse politie heeft data van gebruikers van [communicatiedienst 1] -toestellen gekopieerd, waarbij met een zo klein mogelijke vertraging de verzamelde nieuwe data van de [communicatiedienst 1] -toestellen werden gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie.

Het was het Openbaar Ministerie al vóór de inzet van de interceptietool vanaf 1 april 2020 duidelijk dat de interceptie ook informatie zou (kunnen) opleveren die direct afkomstig was van klanten en medewerkers van [communicatiedienst 1] die zich in Nederland bevonden. Een van de zaaksofficieren van justitie in onderzoek 26Lemont heeft om deze reden op 13 maart 2020 – dus voorafgaand aan het plaatsen van het interceptiemiddel en het verzamelen van informatie door de Franse autoriteiten – zekerheidshalve een vordering ingediend bij de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam om een machtiging te verkrijgen voor het geven van een bevel tot het binnendringen en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 126uba van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), en tot het opnemen van (tele)communicatie, als bedoeld in artikel 126t Sv. Het doel hiervan was om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van Nederlandse gebruikers ook ter toetsing voor te leggen aan een Nederlandse rechter-commissaris. Het ging daarbij om een toets of de inzet van de interceptietool en vervolgens de vergaring, de overdracht en het gebruik van de daarmee verkregen data proportioneel en subsidiair was en of daarvoor een wettelijke grondslag aanwezig was.

De rechter-commissaris heeft deze machtiging verleend op 27 maart 2020. Daaraan heeft de rechter-commissaris voorwaarden gesteld om op die manier de privacyschending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. Die voorwaarden houden het volgende in:‘1. De wijze waarop zal worden binnengedrongen in het/de geautomatiseerde syste(e)m(en) zal worden vastgelegd aan de hand van logs en in een beschrijvend proces-verbaal van bevindingen, voor zover er geen gebruik is gemaakt van een reeds goedgekeurd middel tot interventie en met uitzondering van de zaken waarin in een andere jurisdictie geen plicht bestaat tot het geven van inzage in de werking van een technisch middel waarmee wordt binnengedrongen.

2. Een beschrijving van de daarbij gebruikte software zal voor onderzoek beschikbaar zijn en dient op enig later tijdstip te kunnen worden ingezet bij een nabootsing of demonstratie van het binnendringen van het/de syste(e)men), voor zover er geen gebruik is gemaakt van een reeds goedgekeurd middel tot interventie en met uitzondering van de zaken waarin in een andere jurisdictie geen plicht bestaat tot het geven van inzage in de werking van een technisch middel waarmee wordt binnengedrongen.

3. De vergaarde informatie wordt opgeslagen op zodanige wijze dat die aan de hand van hashwaarden of anderszins de integriteit garanderende wijze te controleren en te onderzoeken is.

4. De vergaarde informatie/communicatie kan slechts worden onderzocht met toepassing van de in een proces-verbaal vastgelegde zoeksleutels (woordenlijsten) welke zullen worden opgeslagen en bewaard ten behoeve van mogelijk later reproductie of onderzoek, zulks met uitzondering van de onderzoeken waarin reeds is vastgesteld dat er sprake is van in georganiseerd verband gepleegde strafbare feiten, welke onderzoeken zijn vermeld op een voor aanvang van de inzet van het middel, aan de rechter-commissaris over te leggen lijst.

5. De vergaarde informatie/communicatie wordt onderzocht op het voorkomen van zogenaamde verschoningsgerechtigden in die communicatie aan de hand van zoeksleutels waarbij ten minste de bekende namen van advocaten, door hen opgegeven telefoonnummers en/of e-mailadressen ten behoeve van communicatie met cliënten zullen worden opgenomen.

6. De vergaarde informatie/communicatie wordt na het onderzoek door middel van voornoemde zoeksleutels na maximaal twee weken aangeboden aan de rechter-commissaris om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijk gepleegde of te plegen strafbare feiten te controleren en zal niet eerder ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings)onderzoeken.

7. De vergaarde informatie/communicatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk, een en ander voor zover die onderzoeken niet behoren tot die welke op de reeds voor aanvang van de inzet van het middel aan de rechter-commissaris overgelegde lijst zijn vermeld.’

De door de rechter-commissaris afgegeven machtiging is nadien tussentijds verlengd en getoetst.

De uit Frankrijk verkregen informatie heeft na analyse ervan geleid tot het starten van meerdere strafrechtelijke onderzoeken in Nederland en het delen van informatie met reeds lopende strafrechtelijke onderzoeken.

Een van die onderzoeken betrof het onderhavige onderzoek 26Alston. Een van de zaaksofficieren van justitie in het onderzoek 26Lemont heeft op 9 november 2020 op grond van artikel 126dd Sv de relevante informatie ter beschikking gesteld voor het onderzoek 26Alston. De ter beschikking gestelde datasets bestonden uit [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -berichten van specifieke gebruikers en de verschillende tegengebruikers in de periode van april tot en met juni 2020.

[communicatiedienst 2]

[communicatiedienst 2] ( [communicatiedienst 2] ) is de naam van het bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. Een [communicatiedienst 2] -toestel betrof een mobiele telefoon die voorgeprogrammeerd was en met een abonnement ter beschikking werd gesteld. [communicatiedienst 2] bood meerdere modules voor de telefoons aan die functionaliteiten hadden voor e-mail, instant chats, instant groepchats, notities, voicemail, beelden en berichten die automatisch werden vernietigd. Ook beschikten de telefoons over verschillende kenmerken waaronder een ‘distress’ wachtwoord en een ‘remote wipe’ waarmee het mogelijk is om (op afstand) alle data op het toestel te wissen. De telefoons werden anoniem en enkel tegen contante betaling verhandeld.

Op 30 oktober 2018 is in Nederland het titel V-onderzoek 13Yucca gestart. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van meerdere lopende strafrechtelijke onderzoeken waaruit zou blijken dat personen, die deel uitmaakten van criminele samenwerkingsverbanden die zich bezighielden met het beramen en plegen van zware criminaliteit, in de periode vanaf augustus 2015 gebruik maakten van telefoons en software van [communicatiedienst 2] om zo versleuteld te communiceren. Het onderzoek was erop gericht om de criminele samenwerkingsverbanden inzichtelijk te krijgen en zicht te krijgen op gepleegde en nog te plegen strafbare feiten.

Voorafgaand aan dit onderzoek was door Nederlandse opsporingsambtenaren reeds vastgesteld dat de servers van [communicatiedienst 2] zich in Frankrijk bevonden. Nederland was ermee bekend dat ook België voornemens was om een strafrechtelijk onderzoek naar de onderneming [communicatiedienst 2] te starten. Aangezien de servers van [communicatiedienst 2] zich bij hostingbedrijf [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) in de Franse plaats Roubaix bevonden, hebben de Nederlandse en Belgische autoriteiten contact gezocht met Frankrijk en heeft op 9 oktober 2018 een verkennend overleg plaatsgevonden. Het doel van dit overleg was om toelichting te geven over de aanstaande Europese onderzoeksbevelen (hierna: EOB’s) van Nederland en België en helderheid te verkrijgen over de vraag of Frankrijk uitvoering zou kunnen geven aan de voorgenomen verzoeken.

De officier van justitie in het onderzoek 13Yucca heeft de rechter-commissaris een machtiging gevraagd om een vordering ex artikel 126ug, tweede lid, Sv (verstrekken van in een geautomatiseerd netwerk opgeslagen gegevens) te kunnen doen. De rechter-commissaris verleende die machtiging op 30 november 2018 en gaf toestemming voor het maken van een digitale kopie (‘image’) van alle servers die werden afgenomen door [communicatiedienst 2] , met de uitdrukkelijke restrictie dat de vergaarde informatie uitsluitend mocht worden aangewend voor het onderzoek naar de technische mogelijkheden voor het tappen en de ontsleuteling. De rechter-commissaris overwoog daarbij dat het te ver zou gaan op dat moment ongeclausuleerd toestemming te geven de inhoud van het berichtenverkeer te doorzoeken op bewijs van mogelijke strafbare feiten van alle gebruikers van [communicatiedienst 2] . Er zou dan onvoldoende worden voldaan aan het vereiste van artikel 126ug Sv, inhoudende dat het moet gaan om gegevens die klaarblijkelijk afkomstig zijn (of gericht aan) een persoon ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat van betrokkenheid bij strafbare feiten in georganiseerd verband. Het enkele gebruik van versleutelde communicatiediensten kan dat redelijk vermoeden niet leveren, aldus de rechter-commissaris. De rechter-commissaris bepaalde dan ook dat de inhoud van de eventueel op de servers aan te treffen berichten niet zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris mocht worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek.

De officier van justitie in het onderzoek 13Yucca heeft vervolgens op 6 december 2018 een EOB aan Frankrijk verzonden met het verzoek om een ‘image’ (kopie) te maken van de servers, zodat de technische inrichting van de servers kon worden onderzocht met het oog op nader onderzoek, zoals het tappen en ontsleutelen van de via die servers gevoerde communicatie, en zodat inzicht kon worden verkregen in de organisatie van [communicatiedienst 2] . Verder werd verzocht om informatie te verstrekken ten aanzien van historische en toekomstige klantgegevens van [communicatiedienst 2] alsmede om het verstrekken van technische gegevens van de server. Bij het EOB zijn twee processen-verbaal gevoegd met daarin informatie over de locatie van de [communicatiedienst 2] -infrastructuur en de kenmerken van de [communicatiedienst 2] -applicatie.België heeft eerder op 21 november 2018 een EOB in verband met [communicatiedienst 2] naar Frankrijk gezonden.

Frankrijk heeft de architectuur van de servers geanalyseerd. Uit het onderzoek naar aanleiding van het Belgische EOB bleek dat er twee servers werden gehost bij [bedrijf 1] , te weten een hoofdserver die rechtstreeks met het internet verbonden was en een back-upserver. Deze twee servers communiceerden onderling met elkaar via een intranet-netwerk.

Op 13 februari 2019 besloot de Franse officier van justitie bij de rechtbank Lille een opsporingsonderzoek te starten naar [communicatiedienst 2] .

Op 27 mei 2019 vond er een bespreking plaats bij Europol tussen Franse, Belgische en Nederlandse opsporingsambtenaren waarbij operationele en technische gegevens over de werking van de servers werden uitgewisseld.

De Franse officier van justitie heeft op 14 juni 2019 toestemming gevraagd aan de Franse rechter om over te gaan tot interceptie, opname en transcriptie van de communicatie tussen de [communicatiedienst 2] -servers. Die toestemming is diezelfde dag verleend. De rechter betrok bij deze toestemming informatie afkomstig uit het Nederlandse EOB en het Belgische EOB en een tijdens de bespreking op 27 mei 2019 door de Nederlandse autoriteiten verstrekte computeruitdraai van ongeveer 9.000 berichten van Franse gebruikers van [communicatiedienst 2] die tijdens het Nederlands opsporingsonderzoek 26Sassenheim (een onderzoek naar de versleutelde communicatiedienst PGP-safe) naar voren waren gekomen. De berichten draaiden vooral om de handel in verdovende middelen en afrekeningen tussen dealers.

Op 24 en 26 juni 2019 zijn IP-taps geplaatst op de twee servers. In het proces-verbaal van bevindingen van 2 juni 2022 van een rechercheur van onderzoek Werl staat dat Nederland niet aanwezig was bij het plaatsen van de IP-tap. Nederland is op 8 juli 2019 over deze tap geïnformeerd en op 11 juli 2019 zijn de data van de IP-tap beschikbaar geworden voor Nederland. De rechercheur beschrijft dat tijdens de analyse van de IP-tap-data in de beginfase door België en Nederland verbeteringen zijn voorgesteld om de kwaliteit van de interceptie te verbeteren en dat die aanbevelingen door het Franse onderzoek zijn overgenomen en geïmplementeerd. De getapte IP-tap-data waren grotendeels versleuteld; slechts de metadata waren zichtbaar.

De officier van justitie in 13Yucca heeft op 16 juli 2019 een tweede EOB aan Frankrijk verzonden waarin stond dat was vernomen dat Frankrijk een tap had aangesloten en dataverkeer tussen de [communicatiedienst 2] -servers aftapte. Dankzij deze tap waren data verkregen over de werking van de gebruikte servers die noodzakelijk waren voor het onderzoek 13Yucca, teneinde de technische mogelijkheden voor een tap ter verkrijging van de inhoudelijke data verder te onderzoeken. Om die reden werd formeel verzocht om die verkregen data te verstrekken aan Nederland.

Voorts blijkt uit een bericht van overdracht van 20 augustus 2019 dat de geïntercepteerde data door de rechter-commissaris van de rechtbank Lille uit eigen beweging op grond van artikel 26 van het Cybercrimeverdrag en artikel 7 van het Rechtshulpverdrag zijn overgedragen aan twee officieren van justitie van het parket Rotterdam. Daarbij is verzocht om de bevindingen naar aanleiding van de data weer terug te koppelen aan Frankrijk.

Op 1 november 2019 is in Nederland het opsporingsonderzoek Werl opgestart, waarbij de verdenking was gericht jegens het bedrijf [communicatiedienst 2] . Op 13 december 2019 hebben Nederland, België en Frankrijk een JIT-overeenkomst gesloten. Onderzoek Werl maakte deel uit van het JIT. Vanaf dit moment zijn de door Frankrijk geïntercepteerde data aan het gemeenschappelijke onderzoeksteam verstrekt en op die wijze gedeeld met Nederland en België.

Een van de doelstellingen van het JIT was het gezamenlijk uitwerken, ontwikkelen en uitvoeren van de benodigde techniek om de gevoerde communicatie te kunnen ontsleutelen. Met het doel om versleutelingselementen en/of wachtwoorden te verkrijgen die gebruikt konden worden om de verbinding tussen toestellen en de [communicatiedienst 2] -servers te kunnen ontsleutelen en de servers later forensisch te kunnen onderzoeken, werd door Nederlandse rechercheurs binnen het JIT een techniek ontwikkeld om een kopie te maken van het werkgeheugen van één van de servers zonder dat die offline zou gaan. Op 14 mei 2020 en 3 juni 2020 heeft Frankrijk die ontwikkelde techniek ingezet, waarbij Nederlandse rechercheurs technische bijstand verleenden.

Vervolgens heeft Nederland een zogenoemde ‘Man in the Middle’-techniek (MITM-techniek) ontwikkeld, die het ontsleutelen van het berichtenverkeer mogelijk maakte. Deze techniek is op 18 november 2020 aangesloten en geactiveerd, nadat de Franse adviescommissie, die een oordeel moet vellen over apparatuur die inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer en het briefgeheim, hierover een oordeel had gegeven. Een vergunning werd verleend en binnen JIT-verband werd in toerbeurt een 24/7 monitoringdienst opgezet om de stabiliteit van het MITM-systeem en de [communicatiedienst 2] -infrastructuur te waarborgen.

Toen duidelijk werd dat het mogelijk werd het berichtenverkeer te ontsleutelen en leesbaar te maken, is op 11 december 2020 het (Nederlandse strafrechtelijk) onderzoek 26Argus gestart. Dit onderzoek richtte zich op vermeende criminele samenwerkingsverbanden van Nederlandse gebruikers van [communicatiedienst 2] en gebruikers van [communicatiedienst 2] in Nederland. Vanuit onderzoek Werl werd informatie gedeeld met onderzoek 26Argus. Deze informatie betrof ook de getapte en verkregen [communicatiedienst 2] -data.

Op 14 december 2020 heeft de officier van justitie in het onderzoek 26Argus bij de rechter-commissaris, onder verwijzing naar de artikelen 126t, eerste en tweede lid, Sv, gevorderd dat machtiging zou worden verleend voor het onderscheppen van [communicatiedienst 2] -communicatie en voor het ontsleutelen van deze en van de reeds onder Franse rechterlijke machtiging vergaarde en verkregen communicatie. Daarbij werd aangegeven dat een aanzienlijk deel van de gebruikers van [communicatiedienst 2] zich in Nederland bevond. Aan de rechter-commissaris is inzage verleend in de beslissingen van de Franse rechter.Bij beschikking van 15 december 2020 is door de rechter-commissaris aansluiting gezocht bij het beoordelingskader van artikel 126t Sv en heeft de rechter-commissaris met formulering van een aantal voorwaarden de gevraagde machtigingen verleend.

Later zijn door de rechter-commissaris op vorderingen van de officier van justitie meerdere machtigingen tot verlenging verleend. De vorderingen en machtigingen zagen op de toepassing van de artikelen 126t, eerste lid, en 126t, zesde lid, Sv (onderzoek communicatie door middel van een geautomatiseerd werk bij georganiseerde criminaliteit) en later ook op aanvullende, ondersteunende vorderingen op de voet van artikel 126uba Sv (hackbevoegdheid bij verdenking betrokkenheid beramen/plegen misdrijven in georganiseerd verband).

In een proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2021 hebben de rechters-commissarissen uit het onderzoek 26Argus inzicht gegeven in de gang van zaken met betrekking tot de vorderingen en machtigingen en hun afwegingen en beslissingen ten aanzien van de [communicatiedienst 2] -data in onderzoek 26Argus.

Aangezien de wet volgens de rechters-commissarissen geen procedure kent voor dit soort gevallen, hebben zij zich allereerst afgevraagd of er wel een machtiging van hen vereist was en waarop hun bevoegdheid in dat geval was gebaseerd. Zij concludeerden dat hoewel op voorhand niet vaststond dat een beslissing van de Nederlandse rechter-commissaris noodzakelijk was voor de rechtmatigheid van het gebruik van de [communicatiedienst 2] -data, een toetsing van de proportionaliteit door de rechter-commissaris toch was aangewezen, met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. De rechters-commissarissen hebben afwegingen gemaakt en voorwaarden gesteld om privacy schending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen.De voorwaarden die de rechters-commissarissen aan de uitvoering van de machtiging hebben gesteld luidden als volgt:‘1. De vergaarde en ontsleutelde informatie mag slechts worden onderzocht met toepassing van vooraf aan de rechter-commissaris voorgelegde zoeksleutels, zoals:

- informatie over [communicatiedienst 2] -gebruikers (en hun tegencontacten en eventueel daar weer de tegencontacten van) uit lopend onderzoek naar criminele samenwerkingsverbanden;

- zoektermen (steekwoorden) en/of afbeeldingen die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband;

2. Het onderzoek met de zoeksleutels moet zo worden ingericht dat desgewenst achteraf reproduceerbaar en verifieerbaar is voor de rechtbank en verdediging welke resultaten/dataset de zoekslag heeft opgeleverd, en dus welke gegevens ter beschikking zijn gesteld voor het desbetreffende opsporingsonderzoek.

3. Er wordt bij het onderzoek recht gedaan aan het verschoningrecht van geheimhouders waaronder advocaten. Voor zoveel mogelijk wordt geheimhouderscommunicatie actief uitgefilterd.

4. De rechter-commissaris wordt inzage gegeven in de onderliggende Franse rechterlijke beslissingen.

5. De vergaarde informatie wordt na het onderzoek zoals hiervoor omschreven voorgelegd aan de rechter-commissaris om de inhoud en omvang te controleren, en de relatie tot concrete vermoedelijke strafbare feiten te beoordelen.

6. De vergaarde informatie zal pas na uitdrukkelijke toestemming van de rechter-commissaris aan het Openbaar Ministerie of de politie ter beschikking worden gesteld ten behoeve van (verder) opsporingsonderzoek. Daarbij moet (gelet op voorwaarde 2) duidelijk zijn op welke gegevens de toestemming ziet, en welke gegevens aan het onderzoeksteam worden verstrekt.

7. De vergaarde informatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk.’

Op basis van de verkregen machtigingen heeft de officier van justitie een bevel gegeven om de verkregen data te analyseren binnen de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarden. Vervolgens is door de rechter-commissaris aanvullende toestemming verleend voor inzage in en het gebruik van in- en uitgaande communicatie van steeds een (data)set van Sky-ID’s. De zaaksofficier van justitie in het onderzoek 26Argus heeft op 25 februari 2021 op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven informatie uit dat onderzoek te delen met het onderzoeksteam 26Alston.

[communicatiedienst 3]

a. Uit een brief van het Landelijk Parket van 11 juni 2021 blijkt dat op 21 maart 2021 een proces-verbaal is ontvangen van de Dienst Landelijke Informatie Organisatie (DLIO). Uit dat proces-verbaal volgt dat het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC), onderdeel van het Openbaar Ministerie op 23 maart 2021, door tussenkomst van een in Nederland gestationeerde ‘liaison officer’ van de Verenigde Staten van Amerika, informatie had ontvangen van de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, dat de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika beschikten over telecommunicatiedata van cryptotelefoons. Deze cryptotelefoons maakten gebruik van het [communicatiedienst 3] -platform. Daarbij was vermeld dat deze data rechtmatig waren verkregen en door de Nederlandse opsporingsdiensten gebruikt mochten worden in strafrechtelijke onderzoeken.Uit die informatie blijkt voorts dat de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika ongeveer 530 cryptotelefoons in Nederland hadden gelokaliseerd, waarvan de nog niet nader geïdentificeerde gebruikers zich vermoedelijk schuldig maakten aan ernstige strafbare feiten, zoals de internationale handel in drugs, witwassen, moord, ontvoering, fraude, economische delicten, wapenhandel en corruptie, en onderdeel waren van criminele samenwerkingsverbanden. Elk van die individuele cryptetelefoons werd gebruikt voor de communicatie inzake ernstige strafbare feiten.

Naar aanleiding hiervan – zo blijkt verder uit de brief van het Landelijk Parket van 11 juni 2021 – heeft het Nederlandse Openbaar Ministerie op 26 maart 2021 het titel V-onderzoek 26Eagles gestart naar NN-personen die in georganiseerde criminele samenwerkingsverbanden zich schuldig maken aan het beramen of plegen van de bovengenoemde strafbare feiten. Vanaf dat moment hebben de opsporingsdiensten in de Verenigde Staten driemaal per week een dataset met ontsleutelde [communicatiedienst 3] -communicatie aan het Openbaar Ministerie ter beschikking gesteld. De Nederlandse opsporingsdiensten hebben die datasets vervolgens nader onderzocht en geanalyseerd. Binnen onderzoek 26Eagles is geen sprake geweest van de toepassing van ‘telefoonhacks’ of ‘interceptietools’.

Uit een brief van 18 februari 2022 van het Openbaar Ministerie volgt dat in de dataset enkel is gezocht naar aan georganiseerde misdaad gerelateerde termen. Ook is gezocht naar concrete strafbare feiten door middel van het gebruik van aan die feiten gerelateerde zoektermen, zoals tijdstip en plaats. Op grond van artikel 126dd Sv is de [communicatiedienst 3] -communicatie vervolgens met andere opsporingsonderzoeken gedeeld, waaronder met onderzoek 26Alston. Het ging daarbij steeds om communicatie van geconcretiseerde verdachten en geconcretiseerde strafbare feiten.

Uit een door de verdediging overgelegde brief van de Europese Commissie van 3 augustus 2023 (E-001692/2023) volgt dat Europol in verband met Operation Trojan Shield een zogeheten Operational Task Force (hierna: OTF) in het leven had geroepen: OTF Greenlight. De OTF betrof een tijdelijke groep van afgevaardigden van lidstaten en Europol die zich focuste op onderzoek naar criminele activiteiten van ‘high value targets’ naar aanleiding van de door de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika vergaarde [communicatiedienst 3] -data. In de OTF waren afgevaardigden van diverse lidstaten vertegenwoordigd, waaronder van Nederland. De OTF werd geleid door de FBI.

Wat betreft de werking van de [communicatiedienst 3] -cryptocommunicatiedienst volgt uit het document ‘Operatie Trojan Shield Technische details’ d.d. 31 augustus 2021 dat in oktober 2019 door de rechtshandhavingsinstanties van een derde land een server was ingesteld voor het verzamelen van de BCC’s (Blind Carbon Copy’s) van berichten die naar de ‘bot’-spookgebruiker werden gestuurd. Deze server was eigendom van en werd geëxploiteerd en onderhouden door het derde land tot het einde van de operatie.

Een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp (Mutual Legal Assistance Treaty) maakte de overdracht van gegevens uit het derde land mogelijk. Er werd door het derde land een proces ontwikkeld om alleen nieuwe gegevens te verkrijgen. Op de server van het derde land werden de gegevens bij ontvangst gedecodeerd in tijdelijke opslag (RAM) en de gegevens werden opnieuw gecodeerd met een combinatie van RSA asymmetrische codering en AES symmetrische codering voordat ze naar de schijf werden geschreven. Er werd geen platte tekst opgeslagen op de server van het derde land. De privésleutel voor het decoderen (met betrekking tot RSA) werd opgeslagen op de |1-server binnen ‘AWS GovCloud’ , betreffende AWS GovCloud (US) een specifieke, geïsoleerde regio binnen AWS (Amazon Web Services) die is ontworpen om te voldoen aan de strenge beveiligings- en nalevingsvereisten van de overheid van de Verenigde Staten van Amerika. Het derde land voerde handmatig een programma uit voor de verwerking van de nieuwe gegevens. Elke maandag, woensdag en vrijdag werd een programma uitgevoerd door het derde land dat de nieuwe gegevens inpakte en verzond. Het programma stuurde de ‘MD5 hash’, gevolgd door het versleutelde pakket nieuwe gegevens naar de geheime overdrachtsserver van ‘Google Compute Engine’.

In de hiervoor onder c. genoemde brief van 18 februari 2022 heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten niet met de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika hebben samengewerkt in het kader van ‘Operation Trojan Shield’. Uit een proces-verbaal van de politie gedateerd 17 december 2021, dat als bijlage bij deze brief is gevoegd, blijkt dat de Nederlandse politie zich niet heeft beziggehouden met het binnenhalen van de [communicatiedienst 3] -data. Het Openbaar Ministerie is verder op 27 mei 2022 door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika geïnformeerd dat het derde land een land binnen de Europese Unie betreft. Uit een brief van 20 juni 2022 van het Openbaar Ministerie volgt dat Nederland niet het derde land betreft.

In een ‘application for a warrant by telephone or other reliable electronic means’ d.d. 17 mei 2021 van het ‘Federal Bureau of Investigation’ (hierna: de FBI) van de Verenigde Staten van Amerika staat beschreven wat de gang van zaken is geweest in aanloop naar en bij de uitvoering van ‘Operation Trojan Shield’. Kort gezegd komt het er op neer dat de FBI in 2018 een informant rekruteerde die een ‘next generation encrypted communications product’ aan het ontwikkelen was. Voorheen distribueerde deze persoon ‘Phantom Secure’ en ‘Sky Global’ en had deze persoon flink geïnvesteerd in een ‘next generation device’, genaamd ‘ [communicatiedienst 3] ’. Dit bood hij aan aan de FBI. Hij zou het vervolgens ook willen distribueren aan zijn oorspronkelijke netwerk.De FBI begon een nieuw onderzoek onder de naam ‘Operation Trojan Shield’, draaiende om de exploitatie van [communicatiedienst 3] door het te introduceren aan criminele organisaties en samen te werken met internationale partners, waaronder de Australische federale politie (hierna: AFP) om de communicatie te monitoren. Voordat het apparaat gebruikt kon worden hebben de FBI, AFP en de informant een ‘masterkey’ ingebouwd waardoor opsporingsdiensten de berichten ook kregen en ze gedecodeerd werden. Elke [communicatiedienst 3] -gebruiker kreeg een specifieke ‘Jabber Identification’ (hierna: JID) van de informant of een [communicatiedienst 3] -beheerder. Gebruikers konden hun eigen username kiezen. De FBI hield in het kader van ‘Operation Trojan Shield’ een lijst bij van de JIDs en de corresponderende schermnamen van de gebruikers. De informant is begonnen met de distributie van de toestellen in afstemming met de FBI. In oktober 2018 is met een testfase begonnen bij criminele organisaties in Australië. De AFP monitorde de communicatie en deelde de strekking ervan met de FBI. Daaruit bleek dat 100% van de 50 [communicatiedienst 3] -gebruikers de toestellen gebruikte voor criminele activiteiten. In de zomer van 2019 begon het netwerk van [communicatiedienst 3] -gebruikers in Australië te groeien. Er kwam vraag van binnen en buiten Australië. Het onderzoeksteam benaderde in de zomer van 2019 vertegenwoordigers van een derde land om een ‘iBot-server’ in te richten en daardoor de inhoud van de berichten van [communicatiedienst 3] -gebruikers te verkrijgen. Het derde land stemde in met het aanvragen van een rechterlijke machtiging zoals daar vereist was om een ‘iBot-server’ aldaar te kopiëren en de FBI van de kopie te voorzien conform een rechtshulpverzoek. Anders dan in de Australische testfase keek het derde land niet naar de inhoud van de berichten (letterlijk: ‘Unlike the Australian beta test, the third country would not review the content in the first instance’). In oktober 2019 verkreeg het derde land een rechterlijke machtiging. Vanaf 21 oktober 2019 begon de FBI de serverinhoud van het derde land te verkrijgen. Sinds dat moment heeft de FBI de inhoud van de ‘iBot-server’ in het derde land op basis van het rechtshulpverzoek bekeken. Ze hebben de berichten indien nodig vertaald en meer dan 20 miljoen berichten van 11.800 toestellen van 90 landen wereldwijd gecatalogiseerd. De top vijf van landen waar de toestellen gebruikt werden betrof Duitsland, Nederland, Spanje, Australië en Servië. Het doel van het ‘Trojan Shield’ onderzoek was het ondermijnen van het vertrouwen van de hele industrie door te laten zien dat de FBI bereid en in staat deze berichten te onderscheppen.

Vertrouwensbeginsel: algemeen

Bij de beoordeling van de verweren stelt het hof het volgende voorop (vgl. het arrest van dit hof van 26 september 2024).

In het genoemde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023, als herhaald in het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024 (ECLI:NL:2024:192, hierna: het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024) is de Hoge Raad ingegaan op de betekenis van het (internationale of interstatelijke) vertrouwensbeginsel voor de beoordeling van de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de resultaten die zijn verkregen met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een ander land dan Nederland, terwijl die bevoegdheid in dat andere land is toegepast. De Hoge Raad maakt daarin een hoofdindeling tussen onder meer ‘A. Opsporing in het buitenland onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten’ en ‘B. Opsporing in het buitenland onder verantwoordelijkheid van Nederlandse autoriteiten’. In categorie A wordt vervolgens een onderscheid gemaakt tussen de situaties waarin de resultaten die zijn verkregen met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een ander land dan Nederland, in handen van de Nederlandse autoriteiten zijn gekomen (i) in het kader van de zogenoemde klassieke rechtshulp (kleine rechtshulp), (ii) in verband met het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en (iii) door middel van het uitvaardigen van een EOB.

In de voorliggende zaak doet zich een combinatie voor van de situaties als hiervoor bedoeld onder A (i) en A (ii). De [communicatiedienst 1] -data die met de inzet van de interceptietool door de Franse autoriteiten zijn verzameld, zijn op basis van een JIT-overeenkomst met de Nederlandse autoriteiten gedeeld (A (ii)). De [communicatiedienst 2] data die met de inzet van de interceptietool door de Franse autoriteiten zijn vergaard, zijn aanvankelijk spontaan en later op basis van een JIT-overeenkomst door de Franse autoriteiten met de Nederlandse autoriteiten gedeeld (A (i) en A (ii)). De [communicatiedienst 3] -data tot slot zijn spontaan door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika aan de Nederlandse autoriteiten overgedragen (A (i)).

Over deze situaties overweegt de Hoge Raad het volgende in zijn arrest van 13 juni 2023:

‘6.3 Resultaten die zijn of worden verkregen met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid of een dwangmiddel door de autoriteiten van een ander land dan Nederland, kunnen allereerst langs de weg van de klassieke rechtshulp worden overgedragen aan de Nederlandse strafvorderlijke autoriteiten en daardoor deel gaan uitmaken van het dossier van een in Nederland aanhangige strafzaak. Onder klassieke rechtshulp worden in dit verband begrepen die vormen van strafrechtelijke samenwerking tussen Nederland en een ander land, waarbij op verzoek van Nederland dan wel spontaan door het andere land overdracht plaatsvindt van de resultaten van strafvorderlijk onderzoek dat in dat andere land is verricht. Het kan daarbij gaan om de resultaten van (strafvorderlijk) onderzoek dat al op eigen initiatief van dat andere land is verricht, maar ook om de resultaten van (strafvorderlijk) onderzoek dat op verzoek van Nederland – en, in de regel, op grond van een verdrag – in dat andere land wordt uitgevoerd. In dat laatste geval geldt dat a. de aangezochte staat zelf beslist, mede met inachtneming van wat daarover is geregeld in het betreffende verdrag, of uitvoering wordt gegeven aan het verzoek, en b. de uitvoering van het op verzoek verrichte onderzoek doorgaans plaatsvindt door en onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van dat land, op grond van het nationale recht van dat land en met inachtneming van wat hierover is geregeld in het toepasselijke verdrag.

6.4 In het kader van de klassieke rechtshulp mag door Nederland alleen een verzoek worden gedaan aan buitenlandse autoriteiten als is voldaan aan de vereisten die op grond van het Wetboek van Strafvordering gelden voor toepassing van de in het verzoek om rechtshulp gevraagde bevoegdheden in een nationaal onderzoek naar deze strafbare feiten. Het staat ter beoordeling aan de rechter in de Nederlandse strafzaak, waarin de resultaten van het in het buitenland verrichte onderzoek voor het bewijs worden gebruikt, of aan die voorwaarden is voldaan. Die toets blijft achterwege als sprake is van spontane overdracht van de resultaten van strafvorderlijk onderzoek dat in het andere land is verricht.’

Vertrouwensbeginsel: [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2]

Wat betreft de beoordeling van de rechtmatigheid van de [communicatiedienst 1] - en de [communicatiedienst 2] -data, die geheel, respectievelijk gedeeltelijk zijn verkregen met het onderzoek van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT-team), verwijst het hof naar de overwegingen van de Hoge Raad in rechtsoverweging. 6.5 van zijn arrest van 13 juni 2023, luidende als volgt:

‘6.5.1 Waar het gaat om de beoordeling van verweren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen – zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629 – de aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van die onderzoekshandelingen naargelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. In het geval dat de onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten – daarvan is, zoals onder 6.3 is vermeld, doorgaans sprake in het kader van de klassieke rechtshulp – en het daarbij tevens gaat om de autoriteiten van een staat die tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is toegetreden, geldt het volgende.

6.5.2 Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. Zou de Nederlandse strafrechter wel tot zo’n toetsing overgaan, dan levert dat een aantasting op van de soevereiniteit van dat land. Daarnaast geldt dat, voor zover bij het verrichten van het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten sprake zou zijn van schending van enig recht dat wordt gewaarborgd door het EVRM, de verdachte het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van het betreffende land. Om deze redenen worden de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, gerespecteerd en wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter – aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, waaronder het belang van het geschonden voorschrift en het concreet voor de verdachte en ook na aanwending van het rechtsmiddel in het betreffende buitenland nog resterende nadeel – of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim.

6.5.3 Het vorenstaande brengt in relatie tot het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 8 lid 1 EVRM, met zich dat de Nederlandse strafrechter niet beoordeelt of in het recht van het land onder wiens verantwoordelijkheid het onderzoek is verricht, al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de eventueel bij het verrichten van het onderzoek gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, en ook niet of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Zo’n beoordeling zou immers vergen dat de Nederlandse rechter aan het buitenlandse recht toetst. Daaraan staat in de weg wat onder 6.5.2 is overwogen.

6.5.4 Waar het gaat om het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM, is het volgende van belang. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt dat het EVRM op zichzelf niet eraan in de weg staat dat in een strafzaak gebruik wordt gemaakt van de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek, maar dat het gebruik van dergelijke resultaten voor het bewijs niet in strijd mag komen met het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Ook als van de resultaten van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt voor het bewijs, moet de rechter de ‘overall fairness’ van die strafzaak waarborgen. Dat betekent dat de rechter alleen aandacht besteedt aan de wijze waarop die resultaten zijn verkregen, als die wijze van verkrijging van belang is voor de beoordeling of het gebruik voor het bewijs van de resultaten in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces.’

De Hoge Raad heeft in zijn reeds eerder aangehaalde arrest van 13 juni 2023 in rechtsoverweging 6.6 – dat gelet op de verdere inhoud van dat arrest ook heeft te gelden voor resultaten die zijn verkregen door het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, zoals in de onderhavige strafzaak aan de orde – onder meer het volgende overwogen:

‘Het vorenstaande heeft betrekking op (de beoordeling van) de rechtmatigheid van het onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd. Waar het gaat om de betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten die voor het bewijs worden gebruikt, geldt dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar acht. Er kan grond voor bewijsuitsluiting bestaan als zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. Hierbij maakt het in beginsel geen verschil of die onderzoeksresultaten zijn verkregen onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten dan wel in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Dat doet echter niet eraan af dat de rechter in de strafzaak tot uitgangspunt mag nemen dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn. Als er echter – al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer – concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan, is de rechter gehouden de betrouwbaarheid van die resultaten te onderzoeken. Daartoe kan hij bijvoorbeeld – met tussenkomst van het openbaar ministerie – nadere informatie inwinnen over de wijze waarop het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is verlopen en de (procedurele) waarborgen die daarbij in acht zijn genomen; één en ander voor zover dat voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door die autoriteiten verkregen resultaten van belang is. Deze nadere informatie kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de waarborgen die bij de verkrijging van gegevens in acht zijn genomen in relatie tot de betrouwbaarheid, integriteit en/of herleidbaarheid van die gegevens. Deze plicht tot het onderzoeken van de betrouwbaarheid van de resultaten hangt samen met het op grond van artikel 6 EVRM aan de verdachte toekomende recht om de authenticiteit en de betrouwbaarheid van het bewijs te betwisten en zich tegen het gebruik ervan te verzetten.’

Deze overwegingen zijn door de Hoge Raad herhaald in zijn reeds eerder aangehaalde arrest van 13 februari 2024.

Ook wijst het hof in dit verband op hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 6.11 van zijn arrest van 13 juni 2023 overweegt:

‘Uit het vorenstaande volgt ook dat het optreden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam telkens wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar het team actief is, waarbij de leider van het gemeenschappelijk onderzoeksteam optreedt binnen de grenzen van zijn bevoegdheid krachtens het nationale recht van de lidstaat waar het gemeenschappelijk onderzoeksteam actief is. Verder volgt daaruit dat, voor zover ten behoeve van het gemeenschappelijk onderzoeksteam onderzoekshandelingen in een andere lidstaat plaatsvinden, deze handelingen op verzoek kunnen worden verricht met inachtneming van het recht van die andere lidstaat. Dit stelsel komt er dus op neer dat onderzoekshandelingen telkens worden verricht onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de lidstaat waar de onderzoekshandelingen plaatsvinden. Waar het gaat om de beoordeling van de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de resultaten die zijn verkregen met het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, geldt eveneens het stelsel zoals hiervoor onder 6.5 en 6.6 is besproken. De regeling van het optreden van gemeenschappelijke onderzoeksteams zoals opgenomen in artikel 13 EU Rechtshulpovereenkomst geeft geen aanleiding om tot een ander stelsel te komen.’

Voorts wordt gewezen op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 13 februari 2024 heeft overwogen, te weten:

‘5.2.2 Deze vaststellingen komen erop neer dat de inzet van de interceptietool plaatsvond onder verantwoordelijkheid van de Franse en dus buitenlandse autoriteiten. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat ten aanzien van de toetsing van de inzet van de interceptietool het vertrouwensbeginsel van toepassing is – zodat het niet aan de Nederlandse rechter is om te toetsen of de wijze waarop die inzet heeft plaatsgevonden strookt met de rechtsregels die daarvoor gelden in Frankrijk – getuigt (…) niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. (…) De omstandigheid dat de inzet van de interceptietool meebracht dat ook gegevens van [communicatiedienst 1] -toestellen die zich op het moment van interceptie in Nederland bevonden, werden verzameld en gekopieerd, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. Die omstandigheid doet er immers niet aan af dat de inzet van de interceptietool, met het daaropvolgende onderscheppen en kopiëren van data en het vervolgens delen van die data met de Nederlandse politie, plaatsvond in en vanuit Frankrijk, terwijl die omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij de autoriteiten van het land waar een gebruiker van het toestel zich op dat moment bevindt. Ook artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen.’

Het hof wijst tot slot op de volgende overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 13 juni 2023:

‘6.20 (…)

De Hoge Raad merkt het volgende op over de vraag of en, zo ja, in welke gevallen het openbaar ministerie gehouden is een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen.

6.21.1 Als de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit plaatsvindt, hoeft alleen dan te worden voldaan aan de vereisten die op grond van het Nederlandse strafprocesrecht gelden voor toepassing van de betreffende bevoegdheid in een nationaal onderzoek naar de strafbare feiten, als de toepassing van de opsporingsbevoegdheid plaatsvindt op initiatief van de Nederlandse autoriteiten. Dat wil zeggen: op verzoek van Nederland – al dan niet in verband met het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam – dan wel op grond van een door Nederland uitgevaardigd EOB. Als dan voor de betreffende bevoegdheid naar Nederlands strafprocesrecht geldt dat een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, moet deze machtiging worden verkregen voordat aan de buitenlandse autoriteit wordt verzocht tot de toepassing van een opsporingsbevoegdheid over te gaan, dan wel met het oog op de uitvoering van een onderzoeksmaatregel een EOB wordt uitgevaardigd.

(…)

6.22 Het onder 6.21.1 genoemde vereiste van een machtiging van de rechter-commissaris geldt niet in het geval dat het betreffende onderzoek plaatsvindt of al heeft plaatsgevonden op initiatief van de buitenlandse autoriteiten, waarna die autoriteiten – al dan niet op verzoek van de Nederlandse autoriteiten of nadat de Nederlandse autoriteiten daartoe een EOB hebben uitgevaardigd – de resultaten van het onderzoek ter beschikking stellen. De wet stelt immers niet als vereiste dat voor alleen maar het gebruik in een strafzaak in Nederland van de resultaten van onderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteit wordt verricht of al is verricht, een machtiging van de rechter-commissaris is afgegeven.’

Het hof is van oordeel dat ook in de onderhavige zaak het vertrouwensbeginsel van toepassing is en dat voor het hof de rechtmatige toepassing van door de autoriteiten van een andere lidstaat toegepaste bevoegdheden niet ter toets staat. Indien in het buitenland een opsporingsonderzoek en het daaruit voortvloeiende (potentiële) bewijs onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is verricht en vergaard, ligt dat anders, maar naar het oordeel van het zijn daarvoor geen concrete aanknopingspunten. Bij zowel [communicatiedienst 1] als [communicatiedienst 2] is de interceptietool op basis van Franse wettelijke bevoegdheden ingezet door de Franse autoriteiten. Dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van het inzetten van de tool en wisten dat hierbij gegevens werden verworven die voor Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken van belang konden zijn, staat niet ter discussie, maar maakt dat niet anders. Dat er in beide gevallen sprake is geweest van een nauwe samenwerking tussen Frankrijk en Nederland en dat er overleg is geweest met name over de distributie van de resultaten van de interceptie, maakt dit evenmin anders. Bij [communicatiedienst 1] vindt de informatie-uitwisseling zijn basis in de overeenkomst die is gesloten in het kader van de samenwerking in het JIT.

Bij [communicatiedienst 2] heeft de informatie-uitwisseling eerst spontaan (dus niet op verzoek van de Nederlandse autoriteiten) door de Franse autoriteiten, daarna op grond van een door een Nederlandse officier van justitie uitgevaardigd EOB en vervolgens op basis van een JIT-overeenkomst plaatsgevonden. Een en ander leidt echter niet tot verschuiving van de verantwoordelijkheid voor het inzetten van opsporingsmiddelen.

Ook indien ervan uit zou moeten worden gegaan dat Nederland (al dan niet voorafgaand aan de totstandkoming van de JITs) technische of tactische inbreng heeft gehad, kan daar naar het oordeel van het hof evenmin uit volgen dat de inzet van de bevoegdheid in Frankrijk door Franse autoriteiten onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden.

Voor wat betreft [communicatiedienst 1] voegt het hof hieraan het volgende toe. De interceptie heeft plaatsgevonden door middel van de inzet van een tool op alle [communicatiedienst 1] -toestellen bij eindgebruikers. Dit betekent dat sprake is geweest van infiltratie van eindapparatuur in de landen waar die apparatuur zich bevond. De Franse politie is derhalve ook doorgedrongen tot de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied en heeft gegevens van die toestellen verzameld en gekopieerd. Dit leidt er naar het oordeel van het hof, onder verwijzing naar de hiervoor reeds geciteerde rechtsoverweging 5.2.2 in het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024, echter niet toe dat het vertrouwensbeginsel geen toepassing meer vindt. De wijze van interceptie maakt niet dat de locatie van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden (ook) in Nederland is geweest dan wel hierdoor naar Nederland verplaatste, hetgeen immers zou impliceren dat die locatie ook met een gebruiker mee verplaatste als deze zich over een of meer landsgrenzen begaf. Nee, de tool is geïnstalleerd door de Franse politie en vanuit Frankrijk op de toestellen van de individuele gebruikers geïnstalleerd. De aldus verkregen data zijn vervolgens verzameld en verzonden naar de Franse autoriteiten. De inzet van de interceptietool en de vergaring vonden aldus plaats in en vanuit Frankrijk, terwijl deze omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij de autoriteiten van het land waar de gebruiker van het toestel zich op dat moment bevindt. Er is geen aanwijzing dat de Nederlandse autoriteiten de Franse autoriteiten hebben aangestuurd bij het binnendringen van de telefoons van gebruikers op Nederlands grondgebied (bijvoorbeeld door aan te sturen op het binnendringen van specifieke telefoons). Het bedrijf [communicatiedienst 1] bood digitale diensten aan. Het is inherent aan een dergelijke dienstverlening dat deze over traditionele landsgrenzen heen gaat. Het begrenzen volgens die traditionele landsgrenzen van een strafrechtelijk onderzoek is naar zijn aard in die situatie onmogelijk. Dat de Franse autoriteiten overigens nauw met de Nederlandse zullen hebben samengewerkt bij een internationale operatie als de onderhavige, ligt naar ’s Hofs oordeel voor de hand, maar daarmee strookt niet de conclusie dat (onder verantwoordelijkheid van) het Nederlandse Openbaar Ministerie de beoordeling die in Frankrijk heeft plaatsgevonden door de Franse (onderzoeks)rechter heeft gestuurd of beïnvloed. Het voorliggende dossier, noch hetgeen (waaronder de jurisprudentie, die in openbare bronnen is gepubliceerd en die) ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, biedt enig concreet aanknopingspunt voor die conclusie.

Gezien het bovenstaande, kan het binnendringen van Nederlandse telefoons door de Franse autoriteiten niet worden beschouwd als een onderzoekshandeling waarvan de uitvoering (mede) onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geschied. Dat betekent dat het hof de stelling van de verdediging dat Nederland rechtsmacht heeft waar het de interceptie betreft van gegevens op de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied niet volgt. Ook artikel 31 van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: Richtlijn 2014/41/EU) geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023, r.o. 6.23 en 7.4).

Voor zover de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat de overdracht van [communicatiedienst 1] -data van vóór 10 april 2020 niet heeft plaatsgevonden binnen het kader van de tussen Frankrijk en Nederland gesloten JIT-overeenkomst en er derhalve geen juridische grondslag was voor de overdracht van die data, omdat de JIT-overeenkomst pas op 10 april 2020 door Frankrijk is ondertekend, overweegt het hof als volgt.

Het enkele feit dat Frankrijk de overeenkomst pas op 10 april 2020 heeft ondertekend is leidt niet tot de conclusie dat de overdracht van [communicatiedienst 1] -data van vóór die datum niet heeft plaatsgevonden binnen het kader van die JIT-overeenkomst en derhalve geen juridische grondslag heeft.

De interceptie van de gegevens ( [communicatiedienst 1] -data) vond plaats onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten en niet in het kader van het JIT. De geïntercepteerde gegevens van vóór en ná 10 april 2020 zijn vervolgens overgedragen binnen het kader van de op 10 april 2020 gesloten JIT-overeenkomst. Ook gegevens die eerder vergaard zijn dan 10 april 2020, kunnen in het kader van een later formeel tot stand gekomen JIT worden overgedragen. Of die data voor de feitelijke ondertekeningsdatum van de JIT-overeenkomst al aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen doet niet af aan het feit dat de overdracht op basis van de JIT-overeenkomst heeft plaatsgevonden. In dat verband hecht het hof er nog aan te wijzen op het volgende. De Nederlandse autoriteiten waren ervan op de hoogte dat de Franse autoriteiten voornemens waren binnen te dringen in [communicatiedienst 1] -telefoons en gegevens te vergaren door [communicatiedienst 1] -gesprekken te onderscheppen, dat bleek vanzelfsprekend niet pas bij de ondertekening van de overeenkomst. Het was de bedoeling van de autoriteiten om deze gegevens te voegen in een gezamenlijk onderzoeksdossier én deze met elkaar te delen. Het JIT was juist opgericht om de samenwerking en werkzaamheden tussen de landen in dat kader vast te leggen. In dat kader overweegt het hof nog dat een JIT primair tot doel heeft om de samenwerking en werkzaamheden tussen landen vast te leggen en niet primair de rechten van de individuele verdachte beoogt te beschermen. Deze rechten van de verdachte zijn in de genoemde periode bovendien op een andere wijze gewaarborgd geweest. In het onderzoek 26Lemont heeft het Openbaar Ministerie reeds op 13 maart 2020 – dus vóór het plaatsen van het interceptiemiddel en het verzamelen en overdragen van data door de Franse autoriteiten – een vordering bij de rechter-commissaris ingediend om een machtiging te verstrekken voor een bevel tot het binnendringen en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk ex artikel 126uba Sv en tot het opnemen van (tele)communicatie ex artikel 126t Sv. Op 27 maart 2020 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam deze machtiging verleend. In die machtiging heeft de rechter-commissaris afwegingen gemaakt en voorwaarden gesteld, om op die manier de privacyschending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenoemde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. De door de rechter-commissaris afgegeven machtiging is daarna verlengd en getoetst.

De overdracht van onderschepte [communicatiedienst 1] -data werd door de JIT overeenkomst beheerst.

Met betrekking tot zowel [communicatiedienst 1] als [communicatiedienst 2] geldt het volgende. Het behoort noch bij klassieke rechtshulp, noch in geval van de inzet van een JIT, noch bij het uitvaardigen van een EOB, tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. De beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, worden gerespecteerd en er wordt van uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht, hetgeen in de voorliggende zaak niet het geval is. Dit brengt mee dat het hof de beslissingen van de Franse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen respecteert en ervan wordt uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Uit het vorenoverwogene vloeit verder voort dat het niet aan het hof is om te toetsen of er al dan niet een toereikende (Nederlandse) wettelijke grondslag bestond voor een eventueel door de Franse autoriteiten gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven dan wel of die inbreuk noodzakelijk is geweest. Het hof ziet zijn taak in een geval als het onderhavige beperkt tot het waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit buitenlandse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het hof is van oordeel dat het vertrouwensbeginsel onverminderd en onverkort van toepassing is in deze zaak, zowel voor wat betreft de interceptie als voor wat betreft de overdracht van de [communicatiedienst 1] - en [communicatiedienst 2] -gegevens. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtmatigheid van de door Frankrijk toegepaste bevoegdheden om [communicatiedienst 1] - en [communicatiedienst 2] -gegevens te verkrijgen niet kan worden getoetst door de Nederlandse rechter.

Vertrouwensbeginsel: [communicatiedienst 3]

De [communicatiedienst 3] -data zijn de resultaten van strafvorderlijk onderzoek door de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika die op eigen initiatief in / door de Verenigde Staten van Amerika zijn verkregen en die in het kader van de klassieke rechtshulp door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika spontaan – dus niet op verzoek van de Nederlandse autoriteiten – zijn overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten.

Nu de verantwoordelijkheid voor de verkrijging van deze data berust bij de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, is het hiervoor besproken, door de Hoge Raad in rechtsoverwegingen 6.5.1 tot en met 6.5.4 vervatte beoordelingskader niet zonder meer van toepassing, aangezien de Verenigde Staten van Amerika niet zijn toegetreden tot het EVRM. Het hof ziet evenwel reden om dit kader op dezelfde wijze toe te passen in geval van bewijsmateriaal verkregen door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika. Hoewel de Verenigde Staten niet zijn toegetreden tot het EVRM, zijn zij wel verdragspartij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Dat verdrag garandeert op eenzelfde wijze de mensenrechten die hier relevant zijn, in het bijzonder ook het recht op privacy en

de toegang tot een onafhankelijke rechter.

Bovendien moet worden aangenomen dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten. Hetzelfde geldt voor de Europese Unie (EU) bij het sluiten van de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika. De EU is weliswaar als zodanig niet toegetreden tot het EVRM en het IVBPR, maar heeft zich wel gecommitteerd aan de naleving van de mensenrechten die in die twee verdragen zijn vastgelegd.

Ook in het geval van [communicatiedienst 3] is het hof derhalve van oordeel dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is en dat voor het hof de rechtmatige toepassing van door de autoriteiten van een andere staat toegepaste bevoegdheden niet ter toets staat. Voor de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel maakt het overigens naar ’s hofs oordeel ook geen verschil of het gaat om bewijs waarom is verzocht of bewijs dat spontaan is verstrekt. Indien in het buitenland een opsporingsonderzoek en het daaruit voortvloeiende (potentiële) bewijs onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is verricht en vergaard, ligt dat anders, maar naar het oordeel van het hof ontbreken daarvoor concrete aanknopingspunten. Dit volgt in elk geval niet uit de door de verdediging overgelegde brief van de Europese Commissie van 3 augustus 2023, waaruit blijkt dat Nederland vertegenwoordigd was in de door Europol opgezette en door de FBI geleide OTF Greenlight, dat zich naar aanleiding van de door de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika vergaarde [communicatiedienst 3] -data richtte op onderzoek naar criminele activiteiten.

Voor wat betreft de betrokkenheid en rol van een derde land bij het onderzoek van de opsporingsautoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika naar [communicatiedienst 3] overweegt het hof het volgende. Uit de hierboven opgenomen feitelijke context leidt het hof af dat er sprake is van een derde land, een EU-lidstaat, niet zijnde Nederland, waar een server ten dienste van een FBI-onderzoek heeft gestaan. Niet gebleken is dat in het kader van dit onderzoek sprake is geweest van opsporingsactiviteiten van het derde land zelf. Het moet er daarom voor worden gehouden dat slechts sprake is geweest van technische bijstand door het derde land, een EU-lidstaat, bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, waarbij de Verenigde Staten van Amerika het intercepterende land waren.

Indien en voor zover de interceptie heeft plaatsgevonden door middel van de inzet van een tool op alle [communicatiedienst 3] -toestellen bij eindgebruikers, waardoor sprake is geweest van infiltratie van eindapparatuur in de landen waar die apparatuur zich bevond, geldt hetzelfde als het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de [communicatiedienst 1] -toestellen, onder verwijzing naar de geciteerde rechtsoverweging 5.2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024. De inzet van de interceptietool vond plaats onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika. Met betrekking tot de toetsing van de inzet van de interceptietool is derhalve het vertrouwensbeginsel van toepassing, zodat het niet aan de Nederlandse rechter is om te toetsen of de wijze waarop die inzet heeft plaatsgevonden strookt met de rechtsregels die daarvoor gelden in de Verenigde Staten van Amerika. De omstandigheid dat de inzet van de interceptietool wellicht meebracht dat ook gegevens van [communicatiedienst 3] -toestellen die zich op het moment van interceptie in Nederland bevonden, werden verzameld en gekopieerd, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. Die omstandigheid doet er immers niet aan af dat de inzet van de interceptietool, met het daaropvolgende onderscheppen en kopiëren van data en het vervolgens delen van die data met de Nederlandse politie, plaatsvond in en vanuit de Verenigde Staten van Amerika, met technische bijstand van een derde land, een EU-lidstaat, niet zijnde Nederland, terwijl die omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overging naar of mede kwam te liggen bij de autoriteiten van het land waar een gebruiker van het toestel zich op dat moment bevond. Ook artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen.

Artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de interceptie van de [communicatiedienst 1] - en [communicatiedienst 2] -data niet heeft plaatsgevonden binnen het kader van de JITs en dat daarom op grond van artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU (ook wel kortweg EOB-Richtlijn genoemd) Frankrijk als intercepterende lidstaat aan Nederland een kennisgeving had moeten zenden van de interceptie die ten aanzien van gebruikers op het grondgebied van Nederland plaatsvond.

Indien het hof van oordeel zou zijn dat wat betreft de [communicatiedienst 1] -data de interceptie wel binnen het kader van de JITs heeft plaatsgevonden, heeft volgens de verdediging te gelden dat gelet op artikel 13, derde lid, onder b, van de EU-Rechtshulpovereenkomst en de artikelen 5.2.2 en 5.2.5 Sv met de interceptie van telecommunicatie van gebruikers in Nederland op het grondgebied van Nederland wordt gehandeld en dat daarom Nederlands recht van toepassing is en de rechtsbescherming in Nederland dient te liggen.

Volgens de verdediging was er naar Nederlands recht geen wettelijke grondslag voor de interceptie. Artikel 126nba Sv is niet van toepassing, omdat die bepaling het slechts mogelijk maakt binnen te dringen in het geautomatiseerde werk dat door de verdachte in gebruik is. De verdachten betreffen hier echter de aanbieder en de daaraan gelieerde personen en dus niet de gebruikers. Artikel 126uba Sv kan evenmin de wettelijke grondslag vormen. Een titel V-bevoegdheid mag namelijk niet worden ingezet bij een titel IVa-onderzoek, waarvan volgens de verdediging hier sprake was.

Voor die machtiging had de rechter-commissaris zelfstandig een toets dienen te verrichten volgens Nederlands recht, hetgeen hij niet heeft gedaan. De machtiging kan dan ook niet worden beschouwd als een machtiging voor de interceptie.

Met betrekking tot de [communicatiedienst 3] -data heeft de verdediging – op de gronden als verwoord in de pleitnota, kort samengevat – primair betoogd, dat de interceptie niet onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika heeft plaatsgevonden, maar onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van het derde land dat bij de interceptie was betrokken, een EU-lidstaat. Dat maakt dat artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU van toepassing is.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is met betrekking tot de toetsing van de interceptie, omdat dat vertrouwen niet kan worden ontleend aan het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, aan de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, aan het EVRM, aan het IVBPR of aan welke andere verdragsbepaling dan ook.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met betrekking tot [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2]

Artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘Kennisgeving aan de lidstaat waar de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt en van welke geen technische bijstand vereist is’

1. Indien de bevoegde autoriteit van één lidstaat (de ‘intercepterende lidstaat’) ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel toestemming heeft gegeven voor interceptie van telecommunicatie, en het communicatieadres van de in de interceptieopdracht genoemde persoon op wie de interceptie betrekking heeft, in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat (de ‘in kennis gestelde lidstaat’) en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, stelt de intercepterende lidstaat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat van de interceptie in kennis, en wel:

a) voorafgaand aan de interceptie in de gevallen waarin de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat op het tijdstip van het geven van de interceptieopdracht weet dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of zal bevinden;

b) tijdens of na de interceptie, zodra de intercepterende lidstaat te weten komt dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich tijdens de interceptie op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of heeft bevonden.

2. De in lid 1 bedoelde kennisgeving geschiedt middels het formulier in bijlage C.

3. Indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, kan de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat onverwijld en uiterlijk 96 uur na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis stellen:

a) dat de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, en,

b) dat waar nodig, materiaal dat reeds is geïntercepteerd terwijl de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op haar grondgebied bevond, niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt. De bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat deelt de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat de redenen voor deze voorwaarden mee.

(…)’

Artikel 5.4.18 Sv luidt als volgt:

‘Kennisgeving aan de lidstaat waar de persoon op wie het opnemen van telecommunicatie betrekking heeft, zich bevindt wanneer geen technische bijstand is vereist

1. Indien de officier van justitie door middel van het formulier in bijlage C een kennisgeving inzake opnemen van telecommunicatie ontvangt, stelt hij de kennisgeving onverwijld in handen van de rechter-commissaris. De kennisgeving dient te zijn opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal.

2. De rechter-commissaris beslist binnen 48 uur nadat hij kennisgeving heeft ontvangen, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 126m en 126t, of met het opnemen kan worden ingestemd. De instemming kan worden geweigerd indien in een soortgelijke Nederlandse strafzaak het opnemen van telecommunicatie niet zou worden toegestaan.

3. Binnen 96 uur nadat hij de kennisgeving van de uitvaardigende autoriteit heeft ontvangen, deelt de officier van justitie aan de uitvaardigende autoriteit mede of wordt ingestemd met het opnemen van de telecommunicatie.

4. Indien instemming wordt verleend, verbindt de officier van justitie daaraan, onder opgave van redenen, de voorwaarden die de rechter-commissaris heeft gesteld, alsmede de voorwaarden, dat de gegevens verkregen door het aftappen van de telecommunicatie van de gebruiker tijdens diens verblijf op Nederlands grondgebied:

a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 kan verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, en

b. alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan de kennisgeving is gedaan en dat voor het gebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijn verkregen.

5. Indien de instemming wordt verleend, is artikel 126bb van overeenkomstige toepassing.’

In het licht van deze artikelen begrijpt het hof het (primaire) standpunt van de verdediging, dat artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU van toepassing is aldus, dat in de visie van de verdediging interceptie in een soortgelijke zaak in Nederland niet zou zijn toegestaan vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag en dat daarom de bevoegde autoriteit van Nederland als de in kennis gestelde lidstaat ingevolge het derde lid van artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU de bevoegde autoriteit van Frankrijk als de intercepterende lidstaat ervan in kennis had moeten stellen dat de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd en dat, waar nodig, materiaal dat reeds is geïntercepteerd terwijl de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op Nederlands grondgebied bevond, niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die Nederland stelt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt (vgl. het arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1258. Tevens kan worden gewezen op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1105).

Het toepassingsgebied van een EOB wordt bepaald in artikel 3 van Richtlijn 2014/41/EU.

Dit artikel 3 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘Het EOB omvat alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (‘de overeenkomst’) en in Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad, (…).’

Het hof concludeert dat Richtlijn 2014/41/EU derhalve niet van toepassing is als het gaat om bewijsgaring en uitwisseling/overdracht van die bewijsgegevens tussen twee of meerdere lidstaten die een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT) hebben gevormd.

De vraag of er genotificeerd is overeenkomstig artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU is aldus van belang voor de vraag of de Nederlandse autoriteiten, waren zij in kennis gesteld door de uitvoerende staat van de interceptie ten aanzien van gebruikers op het grondgebied van Nederland, instemming met (het gebruik van verkregen) interceptie zouden weigeren. Die vraag is evenwel weinig relevant als de Nederlandse autoriteiten, zoals in casu het geval was, hun medewerking verleenden aan een JIT.

In het arrest van het Hof van Justitie van 30 april 2024, waarnaar de verdediging in het kader van de gestelde notificatieplicht heeft verwezen, gaat het om een zaak waar het Duitse Openbaar Ministerie door middel van een EOB aan de Franse autoriteiten overdracht had verzocht van de door Frankrijk door middel van interceptie reeds verkregen [communicatiedienst 1] -gegevens. Nu de [communicatiedienst 1] - en [communicatiedienst 2] -gegevens waar het in het onderhavige onderzoek om gaat, telkens door Nederland zijn verkregen in het kader van een JIT, zoals hiervoor al weergegeven, is het door de verdediging aangehaalde arrest van het Hof van Justitie voor het onderhavige onderzoek 26Alston in dit geval niet relevant.

Het hof volgt het (primaire) standpunt van de verdediging dus niet.

Ten overvloede voegt het hof hier evenwel nog het volgende aan toe. Zelfs al zou artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU van toepassing zijn, dan levert niet-naleving van dat voorschrift

– ervan uitgaande dat de bevoegde autoriteit van Frankrijk de bevoegde autoriteit van Nederland niet in kennis heeft gesteld van de interceptie ten aanzien van gebruikers op het grondgebied van Nederland – niet een onherstelbaar vormverzuim op dat weliswaar buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt, maar waaraan toch het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting (of enig ander in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemd rechtsgevolg) zou moeten worden verbonden. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 30 april 2024 onder meer het volgende overwogen:

‘120. Met zijn vierde vraag, onder c), wenst de verwijzende rechter in wezen te

vernemen of artikel 31 van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het strekt tot bescherming van de rechten van gebruikers op wie een maatregel tot ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is gericht, en dat die bescherming zich ook uitstrekt tot het gebruik van de aldus vergaarde gegevens in het kader van een in de in kennis gestelde lidstaat ingeleide strafrechtelijke procedure.

121. Om te beginnen is er bij de ‘interceptie van telecommunicatie’ zoals

bedoeld in artikel 31 van richtlijn 2014/41, dat wil zeggen een vorm van interceptie die kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon op wie die interceptie betrekking heeft, zich bevindt, anders dan bij de ‘interceptie van telecommunicatie met technische hulp van een andere lidstaat’, waarop artikel 30 van die richtlijn betrekking heeft, geen sprake van een EOB. Hieruit volgt dat de verschillende voorwaarden en waarborgen voor een EOB niet op eerstgenoemde interceptie van toepassing zijn.

122. Vervolgens komt uit de bewoordingen van artikel 31, lid 3, van richtlijn

2014/41, zoals is opgemerkt in punt 118 van het onderhavige arrest, naar voren dat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat, indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis kan stellen dat die interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, of zelfs in voorkomend geval dat materiaal dat reeds is geïntercepteerd niet mag worden gebruikt of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt.

123. Het gebruik van het werkwoord ‘mogen’ in die bepaling impliceert dat de in

kennis gestelde lidstaat over een beoordelingsmarge beschikt die kan worden uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van die staat, onder verwijzing naar het feit dat een dergelijke interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan.

[Het hof constateert dat in de officiële Nederlandse vertaling van dit arrest in deze rechtsoverweging een nadere duiding lijkt te worden gegeven aan het gebruik van het werkwoord ‘mogen’ in artikel 31, derde lid, van Richtlijn 2014/41/EU, terwijl uit de context van het arrest blijkt dat het betrekking heeft op het werkwoord ‘kunnen’ in de officiële Nederlandse vertaling van de aanhef van artikel 31, derde lid, van Richtlijn 2014/41/EU (‘Indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, kan [onderstreping, hof] de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat onverwijld en uiterlijk 96 uur na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, de bevoegde autoriteit van de intercepterende lidstaat ervan in kennis stellen (…)’ en niet op het werkwoord ‘mogen’ in de officiële Nederlandse vertaling van het bepaalde in sub a en b van dat artikellid.

Het hof leest de officiële Nederlandse vertaling van deze rechtsoverweging dan ook verbeterd en begrijpt dat hier is bedoeld een nadere duiding te geven aan het gebruik van het werkwoord ‘kunnen’ in artikel 31, derde lid, van Richtlijn 2014/41/EU. Deze verbeterde lezing komt overeen met de officiële Duitse vertaling van deze rechtsoverweging (‘Die Verwendung des Verbs ‘können’), in deze zaak de gebruikte procestaal].

124. Artikel 31 van richtlijn 2014/41 beoogt dus niet alleen te waarborgen dat de

soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat wordt geëerbiedigd, maar ook dat het in die lidstaat gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht. Aangezien een maatregel tot interceptie van telecommunicatie een inmenging vormt in het in artikel 7 van het Handvest verankerde recht op de eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft (zie in die zin arrest van 17 januari 2019, Dzivev e.a.,C‑310/16, EU:C:2019:30, punt 36), moet daarom worden overwogen dat met artikel 31 van richtlijn 2014/41 ook de bescherming wordt beoogd van de rechten van gebruikers op wie een dergelijke maatregel is gericht. Dit doel strekt zich uit tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde lidstaat.

125. Gelet op een en ander moet op de vierde vraag, onder c), worden

geantwoord dat artikel 31 van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het ook strekt tot bescherming van de rechten van gebruikers op wie een maatregel tot ‘interceptie van telecommunicatie’ in de zin van dat artikel is gericht.’

Indien artikel 31 van Richtlijn 2014/41/EU hier al van toepassing zou zijn en de hierin benoemde kennisgeving onterecht achterwege is gebleven door de Franse autoriteiten, levert dit overigens geen (onherstelbaar) vormverzuim op. Dit artikel beoogt namelijk niet alleen het waarborgen van de eerbiediging van de soevereiniteit van de in kennis gestelde staat (Nederland) door de autoriteiten van een land (Frankrijk) die soeverein zijn om te bepalen welke onderzoeksactiviteiten op het eigen grondgebied (Frankrijk) plaatsvinden, ook al hebben die activiteiten hun uitwerking mede in andere landen (in casu Nederland). Daarnaast beoogt dit artikel ook dat het in de kennis gestelde lidstaat (Nederland) gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht. Dit ziet het hof overigens ook verankerd in het derde artikellid, waarin de bevoegdheid tot weigeren van de instemming door de in kennis gestelde staat verband houdt met de verplichting die rust op staten het beschermingsniveau ten behoeve van de geïntercepteerde gebruikers daarin te betrekken en te eerbiedigen. Deze bepaling kent evenwel niet als zodanig en in het bijzonder rechten toe aan die gebruikers. Of het in deze strafzaak relevant zou zijn geweest vast te stellen of een inbreuk is gemaakt op de Nederlandse soevereiniteit door niet te notificeren, betreft dan ook niet een vraag waar de verdachte in zijn individuele strafzaak een beroep op toekomt.

Het subsidiaire standpunt van de verdediging, indien het hof van oordeel zou zijn dat de interceptie zelf binnen het kader van het JIT heeft plaatsgevonden, behoeft geen nadere bespreking, omdat uit hetgeen het hof hiervoor onder ‘Feitelijke context [communicatiedienst 1] , [communicatiedienst 2] en [communicatiedienst 3] ’ heeft overwogen al blijkt dat het hof als uitgangspunt bij de beoordeling hanteert dat de JIT-overeenkomsten alleen zagen op het delen van informatie en bewijsmiddelen en niet op de interceptie zelf.

Het verweer wordt daarom in al zijn onderdelen verworpen.

Met betrekking tot [communicatiedienst 3]

De (primaire) stelling van de verdediging dat de interceptie van de [communicatiedienst 3] -data niet onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika heeft plaatsgevonden, maar onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van het derde land, een EU-lidstaat, en de (subsidiaire) stelling dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is met betrekking tot de toetsing van de interceptie van de [communicatiedienst 3] -data, gaan niet op. Het hof verwijst kortheidshalve naar hetgeen het hiervóór daaromtrent heeft overwogen onder ‘Vertrouwensbeginsel: [communicatiedienst 3] ’.

Het verweer wordt bijgevolg in al zijn onderdelen verworpen.

Rechtmatigheid van de verwerking van de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data

Op de gronden als verwoord in de pleitnota heeft de verdediging aangevoerd dat de verwerking van de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data onrechtmatig was. Deze gronden houden – kort samengevat – het volgende in.

In de eerste plaats was de verwerking van de data onrechtmatig, omdat de interceptie ook onrechtmatig was.

Daarnaast is er geen wettelijke grondslag voor de verwerking van die data, terwijl die grondslag er op grond van artikel 52, eerste lid, Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) wel zou moeten zijn nu door de verwerking van de data sprake is van een beperking van de in de artikelen 8 van het EVRM en 7 en 8, eerste lid, van het Handvest vervatte grondrechten, te weten het recht op eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven en het recht op de bescherming van persoonsgegevens, waarbij die beperking ook nog eens moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel.

Met betrekking tot de [communicatiedienst 3] -data heeft bovendien te gelden dat de verwerking van deze data voorafgaand aan de ‘spontane verstrekking’ ervan onrechtmatig is geschied, omdat daarbij geen rechter of onafhankelijke autoriteit is betrokken, terwijl dat wel had gemoeten vanwege de verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten bij de verwerking van die data voorafgaand aan de ‘spontane verstrekking’.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft hiervóór onder ‘Vertrouwensbeginsel: [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2] ’ en ‘Vertrouwensbeginsel: [communicatiedienst 3] )’ al overwogen dat het van oordeel is dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is in deze zaak, zowel voor wat betreft de interceptie als voor wat betreft de overdracht van de data. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtmatigheid van de door Frankrijk bij [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2] en de door de Verenigde Staten van Amerika bij [communicatiedienst 3] toegepaste bevoegdheden om die gegevens te verkrijgen niet kan worden getoetst door de Nederlandse rechter. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van de verdediging dat de interceptie onrechtmatig was.

Met betrekking tot de verwerking van de [communicatiedienst 3] -data voorafgaand aan de ‘spontane verstrekking’ ervan door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika voegt het hof hieraan toe dat het hof van enige verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten voor de verwerking van deze data tot aan het moment waarop zij door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika spontaan aan de Nederlandse autoriteiten zijn verstrekt, niet is gebleken. Het hof verwijst daarvoor naar hetgeen het hiervoor onder ‘Vertrouwensbeginsel: [communicatiedienst 3] ’ heeft overwogen.

Voor zover de verdediging zich heeft beroepen op Richtlijn 2002/58/EG en Richtlijn (EU) 2016/680 verwijst het hof naar hetgeen de Hoge Raad onder E in zijn reeds meermalen aangehaalde arrest van 13 juni 2023 heeft overwogen:

‘E. Richtlijn 2002/58/EG en Richtlijn (EU) 2016/680 (6.26-6.27)

6.26 Mede naar aanleiding van de schriftelijke opmerkingen die zijn gemaakt, overweegt de Hoge Raad nog het volgende over het (eventuele) belang van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie; hierna: Richtlijn 2002/58/EG), en van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (hierna: Richtlijn (EU) 2016/680).

6.27.1 Richtlijn 2002/58/EG beoogt de fundamentele rechten respectievelijk de rechtmatige belangen te beschermen van natuurlijke personen en rechtspersonen die abonnee zijn van een openbare elektronische-communicatiedienst. Deze richtlijn voorziet in de harmonisering van de regelgeving van de lidstaten die nodig is om een gelijk niveau van bescherming van fundamentele rechten en vrijheden – met name het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid – bij onder meer de verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie te waarborgen. Op grond van artikel 3 Richtlijn 2002/58/EG is deze richtlijn van toepassing op ‘de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap, met inbegrip van openbare communicatienetwerken die systemen voor gegevensverzameling en identificatie ondersteunen’. Daartoe zijn in deze richtlijn voorschriften opgenomen die erop zijn gericht de vertrouwelijkheid te waarborgen van de persoonsgegevens van abonnees en gebruikers en van de informatie betreffende de communicatie door deze abonnees en gebruikers. Richtlijn 2002/58/EG is niet van toepassing op (onder meer) activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied (artikel 1 lid 3).

6.27.2 Richtlijn 2002/58/EG is, gelet op het hiervoor geschetste toepassingsbereik van deze richtlijn, onder meer van belang als de toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden ertoe leidt dat op een aanbieder van een openbare elektronische-communicatiedienst een verplichting komt te rusten om met de communicatie verband houdende persoonsgegevens

– bijvoorbeeld verkeers- of locatiegegevens – te bewaren en/of te verstrekken. Dit betekent echter niet dat in alle gevallen waarin de toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden ertoe leidt dat de strafvorderlijke autoriteiten komen te beschikken over dergelijke gegevens, Richtlijn 2002/58/EG toepassing vindt. Maatregelen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie zonder dat daarbij verwerkingsverplichtingen worden opgelegd aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten, vallen buiten het bereik van Richtlijn 2002/58/EG. In de uitspraak La Quadrature du Net overweegt het Hof van Justitie van de Europese Unie hierover:

‘Wanneer de lidstaten daarentegen rechtstreeks maatregelen toepassen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, zonder dat zij verwerkingsverplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronische communicatiediensten, wordt de bescherming van de gegevens van de betrokken personen niet beheerst door richtlijn 2002/58, maar uitsluitend door nationaal recht, behoudens de toepassing van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89), wat betekent dat de betrokken maatregelen met name in overeenstemming moeten zijn met het nationale constitutionele recht en met de vereisten van het EVRM.’

6.27.3 Uit de vaststellingen van de rechtbanken volgt dat in de voorliggende zaken geen onderzoeksresultaten zijn verkregen op grond van aan de bedrijven [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2] opgelegde verwerkingsverplichtingen. Het gaat in deze zaken daarentegen om de uitoefening door strafvorderlijke autoriteiten van bevoegdheden waarmee rechtstreeks gegevens in verband met het versleutelde berichtenverkeer zijn verkregen. Dat brengt met zich dat Richtlijn 2002/58/EG hier verder niet van belang is. Bovendien volgt uit de vaststellingen van de rechtbanken dat de bedrijven [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2] beide een versleutelde berichtendienst aanboden, waarbij de gebruikers van die dienst niet hun identiteit – en dus ook geen persoonsgegevens – kenbaar hoefden te maken en waarbij communicatie alleen mogelijk was tussen de gebruikers van de betreffende dienst. Voor zover het hierbij al ging om de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken, volgt uit de vaststellingen van de rechtbanken dat geen sprake was van verwerking van persoonsgegevens door die bedrijven. Ook om deze redenen is Richtlijn 2002/58/EG hier niet van belang. Deze richtlijn is er immers op gericht de persoonsgegevens die worden geregistreerd of anderszins bekend worden door het gebruik van openbare elektronische-communicatiediensten, te beschermen, onder meer doordat – op grond van artikel 15 Richtlijn 2002/58/EG – nader wordt genormeerd in welke gevallen en onder welke voorwaarden dergelijke gegevens mogen worden bewaard dan wel aan overheidsinstanties toegang kan worden verleend tot die gegevens.

6.27.4 Richtlijn (EU) 2016/680 heeft betrekking op de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd door wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, alsmede het Besluit politiegegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten. Deze regelgeving is van belang als (persoons)gegevens die onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten zijn verkregen en vervolgens aan de Nederlandse autoriteiten ter beschikking zijn gesteld, in Nederland worden verwerkt ten behoeve van de opsporing of vervolging. (…)’

Verder overweegt het hof het volgende (vgl. het genoemde arrest van dit hof van 26 september 2024).

Het verwerken van de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data valt onder de werkingssfeer van Richtlijn (EU) 2016/680, in Nederland onder andere geïmplementeerd in de Wet politiegegevens en daarmee onder het Handvest. De Nederlandse wet biedt geen expliciete grondslag voor de verwerking van gegevens als in deze zaak aan de orde, die zijn verkregen in het kader van een buitenlands opsporingsonderzoek. Ook artikel 126uba Sv biedt die grondslag in strikte zin niet.

Het ontbreken van een wettelijke grondslag staat er echter niet aan in de weg dat – zoals bij de [communicatiedienst 1] - en [communicatiedienst 2] -gegevens is gebeurd – het Openbaar Ministerie een machtiging vordert van de rechter-commissaris voor het gebruik van dergelijke gegevens in een strafrechtelijk onderzoek en dat die rechter-commissaris op die vordering beslist buiten situaties waarin de wet dit eist. Die bevoegdheid vloeit voort uit het systeem van de wet, waarin de rechter-commissaris krachtens artikel 170 Sv is belast met toezichthoudende bevoegdheden met betrekking tot het opsporingsonderzoek. In het algemeen wordt hieruit de opdracht afgeleid te waken over de rechtmatigheid en volledigheid van het opsporingsonderzoek. Aldus kan ook buiten het wettelijk kader betrokkenheid van de rechter-commissaris een noodzakelijke voorwaarde zijn om een bepaalde opsporingsmethode rechtmatig te doen zijn. In het bijzonder kan worden gedacht aan een machtiging door de rechter-commissaris ter zake van het gebruik van communicatiegegevens in gevallen waarin op voorhand is te verwachten of is te voorzien, dat de inbreuk op persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend kan zijn.

In onderzoek 26Lemont met betrekking tot [communicatiedienst 1] heeft de rechter-commissaris, naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie, een machtiging gegeven voor het binnendringen van een geautomatiseerd netwerk op grond van artikel 126uba Sv. In de beschikking heeft de rechter-commissaris overwogen dat de informatie niet op een andere, effectieve en minder ingrijpende wijze kon worden verkregen en worden gebruikt en zijn voorwaarden geformuleerd teneinde de (mogelijke) privacy-schending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenoemde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. Pas na het verkrijgen van aanvullende toestemming van de rechter-commissaris mochten de onderzoeksgegevens worden verstrekt aan een onderzoeksteam ten behoeve van de verwerking in een ander onderzoek. Dat is in onderzoek 26Alston ook gebeurd.

In onderzoek 26Argus is hetzelfde beslist, zoals hiervoor bij de weergave van de feitelijke context is vermeld.

Voor zover door de verwerking van de [communicatiedienst 1] - en [communicatiedienst 2] -data al sprake is van een inbreuk op enig grondrecht vervat in het EVRM en/of het Handvest, is die inbreuk naar het oordeel van het hof door de aldus gevolgde werkwijze in voldoende mate bij wet voorzien. Van enig vormverzuim is daarmee niet gebleken.

De [communicatiedienst 3] -data zijn spontaan door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika verstrekt aan de Nederlandse autoriteiten. Hieraan is geen toets door een Nederlandse rechter(-commissaris) voorafgegaan. Dat hoefde ook niet de data zijn immers spontaan verstrekt.

In de brief van het Landelijk Parket van 11 juni 2021 hebben de officieren van justitie in het onderzoek 26Eagles verantwoording afgelegd over onder meer de wijze waarop de verwerking van de data, nadat deze van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika waren verkregen, in dat onderzoek heeft plaatsgevonden:

‘Dataverwerking in 26Eagles

Zoals gezegd, betreft onderzoek 26Eagles een voorbereidend strafrechtelijk onderzoek naar NN verdachten die zich vermoedelijk schuldig maken aan het in georganiseerd verband beramen en plegen van bovengenoemde ernstige misdrijven.

Aangezien in het proces verbaal van de DLIO is beschreven dat elk toestel voor het beramen en plegen van dergelijke ernstige misdrijven wordt gebruikt, is er voldoende grond de gebruiker van die toestellen te achterhalen en daartoe, indien noodzakelijk, opsporingsmiddelen in te zetten.

Het proces verbaal van de DLIO en het start proces verbaal 26Eagles zullen niet worden verstrekt aan de behandelende officieren van justitie in andere onderzoeken, waaraan ingevolge artikel 126dd Sv gegevens uit het onderzoek 26Eagles zijn verstrekt.

Het onderzoek 26Eagles betreft een ander voorbereidend onderzoek dan de strafrechtelijke onderzoeken waaraan gegevens uit 26Eagles zijn verstrekt. Daarin worden dan ook geen specifieke feiten of omstandigheden betreffende specifieke verdachten c.q. specifieke verdenkingen vermeld, maar feiten en omstandigheden in relatie tot het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband. Bij de verstrekking van gegevens vanuit onderzoek 26Eagles gaat het telkens om verstrekking aan onderzoeken aangaande geconcretiseerde verdachten en geconcretiseerde strafbare feiten en daarmee derhalve andere strafbare feiten en verdachten dan de niet-geconcretiseerde strafbare feiten die in het kader van voornoemde onderzoek 26Eagles werden vermoed begaan te zijn of beraamd te worden door niet-geconcretiseerde NN-personen.

Voor het onderzoek aan de data worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

1. De van de Amerikaanse autoriteiten verkregen en ontsleutelde gegevens worden onderzocht met toepassing van zoeksleutels, zoals

- informatie over [communicatiedienst 3] -gebruikers (en hun contacten en eventueel daar weer de contacten van) uit lopende onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden;

- zoektermen (steekwoorden) en/of afbeeldingen die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband.

2. Het onderzoek moet zo worden ingericht dat achteraf reproduceerbaar en

verifieerbaar is voor de rechtbank en verdediging welke resultaten/dataset de zoekslag heeft opgeleverd, en dus welke gegevens ter beschikking zijn gesteld voor het desbetreffende opsporingsonderzoek. Daarbij moet duidelijk zijn op welke gegevens de toestemming ziet, en welke dataset aan het betreffende andere onderzoeksteam kan worden verstrekt.

3. Bij het onderzoek aan de data wordt recht gedaan aan het verschoningrecht van geheimhouders waaronder advocaten. Voor zoveel mogelijk wordt communicatie van en met geheimhouders actief uitgefilterd.

Binnen de bovengenoemde gestelde kaders en voorwaarden hebben analisten van de Nationale Politie en buitengewone opsporingsdiensten (KMAR en FIOD) de verkregen informatie geanalyseerd. Voor zover specifieke informatie van belang is gebleken voor een (lopend) strafrechtelijk onderzoek, is in een proces verbaal beschreven welke ID’s, ten aanzien waarvan tegen de gebruiker de verdenking was gerezen dat deze deel uitmaakte van een omschreven georganiseerd verband, en welke kaders voor het betreffende onderzoek relevant werden geacht. Vervolgens hebben wij als zaaksofficieren van 26Eagles deze informatie getoetst en toestemming verleend om die informatie te mogen gebruiken in het betreffende strafrechtelijke onderzoek. Na verkregen toestemming hebben de onderzoeksteams toegang gekregen tot de inhoudelijke berichten van de desbetreffende in het proces verbaal omschreven en toegestane dataset en is door de zaaksofficieren bepaald dat de verkregen data mogen worden gebruikt voor een ander strafrechtelijk onderzoek ex artikel 126dd WvSv.

Daarnaast is gekeken naar strafbare feiten op basis van zoekwoordenlijsten van aan zware criminaliteit gerelateerde termen. Aan de hand van deze analyses zijn via de zaaksofficieren van 26Eagles ook ID’s en hun vermoedelijke betrokkenheid bij georganiseerde criminaliteit in beeld gekomen, waarna het georganiseerde verband verder kon worden geanalyseerd, en in kaart gebracht. Daarnaast kon gebruik worden gemaakt van de inhoud van de toegestane dataset ten behoeve van de opsporing van concrete strafbare feiten.

Geheimhouders

Vanaf de start van het onderzoek is getracht om informatie van geheimhouders die gebruik maakten van een toestel van [communicatiedienst 3] ontoegankelijk te maken. Er is door de zaaksofficieren van 26Eagles bepaald dat dergelijke informatie ontoegankelijk moest worden gemaakt, in elk geval totdat een andere officier van justitie buiten het onderzoek (de zogenaamde geheimhoudersofficier) heeft geoordeeld of die informatie valt onder het verschoningsrecht of niet. Het actief zoeken op mogelijk aanwezige geheimhouders in de dataset is zeer lastig gebleken, omdat de toestellen zelf niet gelinkt zijn aan bestaande bekende telefoonnummers of namen van geheimhouders. Er zijn binnen onderzoek 26Eagles tot op heden geen geheimhouders onderkend. (…)’.

Naar het oordeel van het hof hebben de zaaksofficieren van het onderzoek 26Eagles aldus voldoende waarborgen gecreëerd ter zake van het gebruik van communicatiegegevens waarin op voorhand was te verwachten of te voorzien, dat de inbreuk op persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend kon zijn.

Het hof heeft in het kader van het vorenoverwogene acht geslagen op hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 6.25 van zijn arrest van 13 juni 2023 heeft overwogen, te weten het volgende:

‘D. Gebruik van informatie in andere onderzoeken

6.25 Nadat gegevens die onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten zijn verkregen, ter beschikking zijn gesteld aan de Nederlandse autoriteiten, kunnen deze gegevens in ieder geval worden gebruikt voor het onderzoek waarin – met het oog op de verkrijging van die gegevens – het rechtshulpverzoek is gedaan of een EOB is uitgevaardigd, of die ten behoeve van dat onderzoek spontaan zijn overgedragen. Ook kunnen gegevens die zijn verkregen door een (gedetacheerd) lid van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, worden gebruikt voor het doel waarvoor het gemeenschappelijk onderzoeksteam is ingesteld. De mogelijkheid om die gegevens te bewaren en/of te gebruiken voor andere strafvorderlijke onderzoeken, kan zijn beperkt op grond van wat over dat gebruik is geregeld in de betreffende rechtsinstrumenten, bijvoorbeeld doordat het verdere gebruik is verbonden aan de voorwaarde van het verkrijgen van toestemming, dan wel de Nederlandse wetgeving, waaronder de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Daarnaast geldt dat artikel 126dd Sv overeenkomstige toepassing vindt als het gaat om gegevens die zijn verkregen door middel van toepassing van in het buitenland uitgeoefende bevoegdheden die overeenkomen met de bevoegdheden die worden genoemd in die bepaling. Tot slot is het openbaar ministerie, in het geval dat een machtiging door de rechter-commissaris is verleend waaraan voorwaarden met betrekking tot het gebruik van gegevens zijn opgenomen (zie onder 6.24), gebonden aan de betreffende voorwaarden.’

Het hof voegt hieraan nog het volgende toe.

De verdediging baseert het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting onder meer op de in de artikelen 8 van het EVRM en de artikel 7 en 8, eerste lid, van het Handvest vervatte grondrechten.

De richtlijnen en daarop gebaseerde jurisprudentie waar de verdediging zich bij de onderbouwing van de schending van artikel 8 van het EVRM en de artikelen 7 en 8 van het Handvest op baseert, hebben betrekking op – kort gezegd – de bescherming van individuen tegen ongeoorloofde inmenging in hun privéleven door overheidsinstanties en op de bescherming van persoonsgegevens. Het verweer van de verdediging komt er daarmee in de kern op neer dat de privacy van de [communicatiedienst 3] -gebruikers is geschonden. De verdediging heeft evenwel niet geconcretiseerd waaruit die schending in deze zaak, met betrekking tot de onderhavige verdachte, bestaat.

Uit de hiervóór uiteengezette feitelijke context blijkt dat [communicatiedienst 3] , anders dan bijvoorbeeld [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2] , een mede door de opsporingsdiensten van de Verenigde Staten van Amerika ontwikkelde, niet voor eenieder toegankelijke, cryptcommunicatiedienst was en dat elk [communicatiedienst 3] -toestel werd gebruikt voor de communicatie met betrekking tot ernstige strafbare feiten. Dit laatste blijkt ook uit de onderhavige zaak, waarin de [communicatiedienst 3] -toestellen doelbewust, veelvuldig en uitsluitend zijn gebruikt om strafbare drugsfeiten mee te plegen en de opsporing daarvan door politie en justitie te frustreren.

Gelet hierop beschouwt het hof [communicatiedienst 3] in deze zaak niet anders dan als een instrument om criminele activiteiten toe te dekken. Het hof deelt met de verdediging de conclusie dat uit de genoemde richtlijnen een hoog niveau van bescherming van de privacy en van de persoonsgegevens van onderdanen van de lidstaten voortvloeit, maar hecht eraan te benadrukken dat deze richtlijnen nooit zijn bedoeld om criminele activiteiten toe te dekken en de opsporing daarvan doelbewust te frustreren. Voor zover in de marge van de via [communicatiedienst 3] gevoerde gesprekken al privacygevoelige gegevens zijn genoemd, verdienen deze gegevens naar het oordeel van het hof geen privacybescherming.

Kortom, het hof is van oordeel dat door de interceptie en de (verdere) verwerking van [communicatiedienst 3] -gegevens in deze zaak geen beschermenswaardige aspecten van het recht op privacy, zoals gegarandeerd door artikel 8 van het EVRM en de artikelen 7 en 8 van het Handvest, zijn geraakt. Van een schending van die bepalingen is ook daarom geen sprake.

Het verweer wordt verworpen.

Rechtsbescherming en eindconclusie

De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota, op het standpunt gesteld dat door de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er (vooralsnog) sprake is van een ‘totaalgebrek’ aan rechtsbescherming voor de Nederlandse burger, zodat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces en de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] en [communicatiedienst 3] -data om die reden moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt als volgt.

Onder verwijzing naar de hiervoor onder ‘Vertrouwensbeginsel: [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2] ’ geciteerde rechtsoverwegingen 6.5.2 tot en met 6.5.4 van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023 stelt het hof voorop dat de taak van het hof in de onderhavige zaak ertoe beperkt is de ‘overall fairness’ van de strafzaak te waarborgen. De wijze waarop van de resultaten van de buitenlandse onderzoeken in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, mag geen inbreuk maken op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Het betoog van de verdediging miskent dat toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel niet betekent dat onderzoeksresultaten afkomstig uit het buitenland niet door de verdediging getoetst kunnen worden. De verdediging is in de gelegenheid gesteld en geweest om effectief commentaar te geven op de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data, zowel op de data die zijn opgenomen in het procesdossier als op de door de politie in deze zaak gebruikte datasets (meta-data) waarin de verdediging, zoals inmiddels veel voorkomend in zaken waarbij crypto-data deel uitmaken van het bewijs, volledig inzage heeft kunnen krijgen door middel van het zogenoemde Hansken-systeem. De verdediging heeft naar het oordeel van het hof dan ook voldoende gelegenheid gehad om de crypto-data die in de strafvervolging tegen de verdachte worden gebruikt, te (kunnen) toetsen en (eventuele discrepanties) effectief te becommentariëren.

Van een gebrek aan rechtsbescherming is dan ook geen sprake.

Onder verwijzing naar al hetgeen het hof hiervóór heeft overwogen onder ‘Bewijsuitsluiting van [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data?’ concludeert het hof dat niet is gebleken van enig onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek of daarbuiten, waaraan ingevolge het bepaalde in artikel 359a, eerste lid, Sv het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting of enig ander rechtsgevolg zou moeten worden verbonden. Het hof is van oordeel, dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Identificatie crypto-data gebruikers

Uit het politiedossier blijkt dat niet alle ten behoeve van onderzoek ‘26Alston’ ter beschikking gestelde data ontsleuteld en zichtbaar zijn geworden, ook bleken periodes van data te ontbreken. Uit de wel ontsleutelde zichtbare data kwam naar voren dat veelal in verhullende termen met elkaar werd gecommuniceerd, waarbij bovendien gebruik bleek te worden gemaakt van bijnamen. Hoewel deze omstandigheden ertoe leiden dat het hof bij zowel de identificatie van de gebruikers van de berichtenservices als bij de interpretatie van die berichten behoedzaamheid dient te betrachten, kan uit de voor het bewijs gebezigde ontsleutelde berichtgeving niet anders worden geconcludeerd dan dat het voor de gebruikers van de berichtenservices duidelijk was met wie zij over en weer communiceerden. Dat is voor het hof tevens een indicatie voor de conclusie dat de accounts (al dan niet met de daaraan gekoppelde telefoons) een vaste gebruiker hadden en dat de accounts niet van gebruikers wisselden. En als het al zo was dat een gebruiker van account wisselde of gebruik maakte van een account van een ander, meldde deze zich met zijn bijnaam, nickname of een voordien gebruikte accountnaam, waardoor het voor het contact meteen duidelijk was wie zich meldde. Daaruit kan worden afgeleid dat als een account (telefoon) al werd uitgeleend, dit meteen duidelijk werd gemaakt door degene die deze tijdelijk in gebruik had.

Uit de [communicatiedienst 1] -data bleek dat gebruik werd gemaakt van [communicatiedienst 1] -namen (Chat ID’s/ [communicatiedienst 1] -accounts) en het hof merkt op voor zover die termen hierna in zijn overwegingen worden betrokken, daarmee steeds en overal wordt gedoeld op de [communicatiedienst 1] -namen, bestaande uit *naam*@ [communicatiedienst 1] .com. Uit de [communicatiedienst 2] -data alsmede de [communicatiedienst 3] -data bleek dat gebruik werd gemaakt van accounts. De politie heeft de gebruikers van deze cryptodiensten geïdentificeerd als vermeld in onderstaande tabel 1, waarbij opvalt dat verschillende aanbieders van versleutelde berichtendiensten zijn toegeschreven aan eenzelfde gebruiker. In het verlengde van de bevindingen van de politie nadat de berichtendienst [communicatiedienst 1] niet meer beschikbaar was als gevolg van politieonderzoek, is gebleken dat er sprake was van een substantiële toename van gebruikers van [communicatiedienst 2] -berichtendienst. Het hof ziet daarin ook een verklaring voor het gebruik van meerdere (opvolgende) aanbieders van versleutelde communicatiediensten door eenzelfde gebruiker in de onderhavige gevallen.

tabel 1

[communicatiedienst 1] -naam/-account/ Chat-ID

[communicatiedienst 2] - account

[communicatiedienst 3] - account

Geïdentificeerde gebruiker

tiempo-dorado@ encrochat .com

toirtoise@ encrochat .com

1DBE5U

2E0T9P

QG3RYU

pluralthink

[medeverdachte 1]

Geboren op [geboortedag 2] 1962 te [geboorteplaats 2]

amigotje@ encrochat .com

8E8O5C

5WSQ7D

[verdachte]

Geboren op [geboortedag 1] 1978 te [geboorteplaats 1]

imposingcardinal@ [communicatiedienst 1] .com

D1NNV7

IWP9QD

[medeverdachte 2]

Geboren op [geboortedag 3] 1992 te [geboorteplaats 3]

[betrokkene 7] -@ [communicatiedienst 1] .com

[medeverdachte 3]

Geboren op [geboortedag 4] 1961 te [geboorteplaats 4]

Overleden op 12 mei 2020.

stalesnail@encochat.com

[medeverdachte 4]

Geboren op [geboortedag 5] 1967 te [geboorteplaats 5]

ooievaar@ [communicatiedienst 1] .com

[medeverdachte 5]

Geboren op [geboortedag 6] 1971

balr.vw@ [communicatiedienst 1] .com/

vw.new@encochat.com

[medeverdachte 6]

Geboren op [geboortedag 7] 1987 te [geboorteplaats 6]

realsand@encochat.com

SDMFKQ

[medeverdachte 7]

Geboren op [geboortedag 8] 1973 te [geboorteplaats 7]

robijntje@ [communicatiedienst 1] .com

KA18T8

O5JRHN

[medeverdachte 8]

Geboren op [geboortedag 9] 1984 te [geboorteplaats 8]

stunningcandy@ [communicatiedienst 1] .com

billymckinny@ [communicatiedienst 1] .com

67EFMW

[medeverdachte 12]

Geboren [geboortedag 10] 1986 te [geboorteplaats 9]

Het hof concludeert dat de in tabel 1 vermelde verdachten telkens de vaste gebruikers waren van de aldaar bij hun naam vermelde accounts van de verschillende versleutelde berichtenservices en overweegt in aanvulling op de daartoe redengevende bewijsmiddelen als volgt.

Identificatie [medeverdachte 1] als [communicatiedienst 1] gebruiker ‘tiempo-dorado@ encrochat .com’

Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘tiempo-dorado@ encrochat .com’ via [communicatiedienst 1] berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘tiempo-dorado’ tot [medeverdachte 1] als gebruiker is te herleiden. Op 11 april 2020 liet ‘tiempo-dorado’ aan een contact via [communicatiedienst 1] weten in de Seychellen te verblijven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [medeverdachte 1] desgevraagd verklaard dat hij in coronatijd in de Seychellen heeft verbleven en heeft hij bevestigd dat zijn schoonmoeder toentertijd is overleden. Voorts is door [medeverdachte 1] raadsman mr. Van ’t Land ter terechtzitting in hoger beroep een proces-verbaal overgelegd waarin – voor zover hier relevant – is gerelateerd dat uit onderzoek naar voren kwam dat er twee vluchten vanuit de Seychellen zijn gemaakt, in ieder geval een vlucht op 10 april 2020 voor een bedrag € 102.000,-, zulks naar aanleiding van de stelling in het dossier dat [betrokkene 3] voor een bepaald bedrag was teruggevlogen naar Nederland, hetgeen in dit proces-verbaal bevestiging vindt. Over zijn vrouw berichtte ‘tiempo-dorado’ dat zij op 10 april 2020 naar huis zou zijn gevlogen in verband met haar zieke moeder. Vervolgens werd ‘tiempo-dorado’ in de periode 15 april tot 19 april 2020 gecondoleerd met het overlijden van zijn schoonmoeder of de moeder van [betrokkene 3] . Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] een (ex-)partner, genaamd [betrokkene 3] , had en dat haar moeder [betrokkene 4] , geboren op [geboortedag 11] 1938 volgens gegevens uit de BRP op 14 april 2020 is overleden. Dat [medeverdachte 1] [betrokkene 3] toentertijd zelf als zijn partner zag, blijkt uit een mutatie van de politie toen hij op 10 juli 2020 bij een verkeerscontrole als bestuurder van een op “zijn vriendins” naam gesteld voertuig reed dat inderdaad op [betrokkene 3] naam stond. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt voorts dat ‘tiempo-dorado’ zichzelf op [communicatiedienst 1] tegenover een contact die hij een “nieuwe [communicatiedienst 1] ” had gestuurd desgevraagd voorstelde als “ [medeverdachte 1] ”, overeenkomstig de bij de politie ambtshalve bekende roepnaam van [medeverdachte 1] . En ook “zijn oude woning”, die “schiet tent”, die “van haar is”, die door ‘tiempo-dorado’ op 9 mei 2020 via [communicatiedienst 1] - werd aangeboden aan een contact dat op zoek was naar een woning, zijn aanwijzingen in de richting van [medeverdachte 1] , daar de hoekwoning van [betrokkene 3] in het verleden was beschoten en tiempo-dorado desgevraagd ook bevestigde dat het ging om een hoekwoning. En tot slot sprak een contact ‘little-one’(volgens de politie [betrokkene 5] , de partner van [medeverdachte 1] ’ dochter [betrokkene 6] ,) ‘tiempo-dorado’ via [communicatiedienst 1] aan op 12 april 2020, en aldus terwijl tiempo-dorado nog op de Seychellen verbleef, dat hij had gehoord van de vrouw van ‘tiempo-dorado’ dat zijn broer aangehouden was bij de grens in verband met 10 openstaande maanden, hetgeen bleek te matchen met de aanhouding van [medeverdachte 1] ’ broer door de KMAR op 11 april 2020 bij een grenscontrole in verband met een openstaande straf van 300 dagen. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat de ChatID ‘tiempo-dorado’ kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] als gebruiker.

Identificatie [medeverdachte 1] als [communicatiedienst 1] gebruiker ‘toirtoise@ encrochat .com’

Uit het onderzoek 26Alston is gebleken dat op 11 mei 2020 naast ‘tiempo-dorado’ een nieuw [communicatiedienst 1] -account actief werd met de naam ‘toirtoise’. Op die dag liet ‘tiempo-dorado’ die zich via [communicatiedienst 1] desgevraagd kenbaar maakte als “ [medeverdachte 1] ” aan zijn contact weten hem een nieuwe [communicatiedienst 1] te hebben gestuurd. De politie heeft [medeverdachte 1] ook aan deze nieuwe ChatID gekoppeld. Daartoe leidden in de eerste plaats de nicknames die door de contacten aan zowel ‘tiempo-dorado’ als ‘toirtoise’ waren gegeven. Volgens de politie nicknames die zijn te herleiden tot [medeverdachte 1] , die in 2020 een leeftijd van 57 jaar had en die volgens de BRP ingeschreven stond op het [adres 2] net als zijn jongste dochter Noëlle [medeverdachte 1] . Zo waren er onder meer de volgende nicknames voor ‘tiempo-dorado’: opa, ouwe, opa ehv, ouwe ehv, beer, [medeverdachte 1] en peerke eindh. Volgens de politie zijn opa, ouwe, [medeverdachte 1] etc. ambtshalve bekende bijnamen voor [medeverdachte 1] . Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] , vergeleken met de overige personen die in het onderzoek 26Alston als verdachten zijn aangemerkt en vervolgd, – behoudens de op 12 mei 2020 overleden Theo [medeverdachte 3] die nog ruim 1 jaar ouder was – de oudste man betrof. Voornoemde nicknames zouden gelet op zijn leeftijd, zijn woonplaats en zijn roepnaam goed kunnen passen bij [medeverdachte 1] . Datzelfde geldt voor de nicknames die onder meer door de contacten zijn gegeven aan ‘toirtoise’, te weten: [medeverdachte 1] hollyday, Toirtoise tempo, Toirtoise/Eindhoven, Ouwe ehv, Toirtoise/ouwe eindhoven, Toirtoise/ [medeverdachte 1] , Ouwe nieuw en Ouwe ehv nieuw. Deze nicknames zouden niet alleen goed kunnen passen bij [medeverdachte 1] , maar ook bij dan wel opvolgend op zijn eerdere [communicatiedienst 1] -account ‘tiempo-dorado’. Nadat een van ‘toirtoise’s contacten ‘ [betrokkene 7] -’ overleed op 12 mei 2020 meldde zich via [communicatiedienst 1] diens dochter [betrokkene 13] om “ [betrokkene 7] ’s” activiteiten voort te zetten en reageerde ‘toirtoise’ met het bericht “Ik bem het [medeverdachte 1] ”. Voorts was het ‘toirtoise’ die op 21 mei 2020 aan het contact ‘wineoclock’, in het onderzoek door de politie geïdentificeerd als [medeverdachte 1] ’ oudste dochter [betrokkene 6] [medeverdachte 1] , berichtte “En kijk aub regelmatig in brieven bus boutenslaan”. Deze aanwijzingen in onderling verband en samenhang bezien leiden tot de conclusie dat de ChatID ‘toirtoise’ kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] als gebruiker.

Identificatie [medeverdachte 1] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘2E0T9P’

Voorts bleek in het opsporingsonderzoek dat er een [communicatiedienst 2] -account ‘2E0T9P’ actief was van 26 januari 2020 tot en met 26 augustus 2020 en dat dit account werd gebruikt onder meerdere nicknames, waaronder ‘Flaco’. Een in het oog springend chatgesprek vond plaats op 13 juni 2020 toen de gebruiker van ‘2E0T9P’ het volgende bericht stuurde naar het contact: “Vader wine o clock”. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat ‘2E0T9P’ zich kenbaar maakte als de vader van [betrokkene 6] [medeverdachte 1] , die zoals reeds hiervoor is overwogen als gebruiker van het [communicatiedienst 1] -account ‘wineoclock’ door de politie was geïdentificeerd. Drie dagen later leek deze gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘2E0T9P’ zich in een chatgesprek via [communicatiedienst 2] wederom kenbaar te maken onder bijnamen die tot [medeverdachte 1] te herleiden kunnen zijn. Zo noemde deze ‘Ouwe’ en ‘ [medeverdachte 1] ’. Dit zijn bijnamen voor [medeverdachte 1] en nicknames die anderen gaven aan [medeverdachte 1] ’ [communicatiedienst 1] -accounts. Sterke aanwijzingen die voor wat betreft de gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘2E0T9P’ in de richting van [medeverdachte 1] wijzen. De vraag is of het hof deze aanwijzingen voldoende acht om [medeverdachte 1] als de gebruiker van dit account te identificeren. Die vraag kan naar het oordeel van het hof eerst worden beantwoord nadat ook de overige door de politie aan [medeverdachte 1] toegeschreven [communicatiedienst 2] -accounts zijn besproken.

Identificatie [medeverdachte 1] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘QG3RYU’

Uit het opsporingsonderzoek kwam naast voormeld account nog een [communicatiedienst 2] -account ‘QG3RYU’ naar voren, dat volgens de historische verkeersgegevens van het IMEI-nummer van 10 augustus 2020 tot en met 15 december 2020 actief bleek te zijn geweest in meerdere landen, waaronder in Dubai en in Nederland. Op de eerste dag van activiteit vond een chatgesprek plaats via [communicatiedienst 2] , waarbij ‘QG3RYU’ chatte ‘ouwe Eindhoven’, hetgeen in lijn met het vorenoverwogene een aanwijzing zou kunnen zijn dat ook ‘QG3RYU’ zich hier met deze bijnaam van [medeverdachte 1] kenbaar maakte. Direct daarop volgde het bericht van ‘QG3RYU’ “Flaco kan weg”. Op zichzelf bezien niet veelzeggende teksten in deze twee berichten. Evenwel bezien vanuit degenen die via de cryptoservice dergelijke bondige berichten naar elkaar stuurden, was de betekenis klaarblijkelijk zonneklaar. Zeker indien het hof ervan uitgaat dat de gebruikers van in dit geval [communicatiedienst 2] die contact met elkaar hadden geen willekeurige contacten betroffen, zij elkaar hadden uitgenodigd/geaccepteerd als contact en elkaar aldus kenden en konden herkennen aan de door de gebruikers zelfgekozen nicknames. In dat licht moet dan ook de inhoud van het mediabestand dat [communicatiedienst 2] -account ‘2E0T9P’ een paar uur later naar een ander contact met de nickname ‘Toptaxi’ via [communicatiedienst 2] stuurde, worden geplaatst. Dat mediabestand behelsde immers louter de code “QG3RYU” met daarbij het bericht “Flaco sent Toptaxi a contact: and Al Capon”. Liet ‘2E0T9P’ met zijn nickname ‘Flaco’ nu aan zijn contact weten dat de nickname ‘Al Capon’ behoorde bij het nieuwe [communicatiedienst 2] -account ‘QG3RYU’ van Flaco als vermeld in het mediabestand? Het hof is van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord, aangezien 14 seconden later ‘2E0T9P’ nog berichtte aan datzelfde contact “Is mijn nieuwe” en ‘Flaco’ ook reeds aan een ander contact had laten weten dat Flaco weg kon. De gebruiker van dit nieuwe [communicatiedienst 2] -account ‘QG3RYU’ maakte zich op 31 augustus 2020 via [communicatiedienst 2] -bekend aan een contact als “ik [betrokkene 2] P”. Wederom een aanwijzing in de richting van [medeverdachte 1] . De vraag is echter wederom of deze aanwijzingen voldoende zijn voor de identificatie van [medeverdachte 1] als de gebruiker van dit account. Ook hier acht het hof het van belang, voorafgaande aan de duiding van de gebruiker van dit account, het totaalbeeld te overzien.

Identificatie [medeverdachte 1] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘1DBE5U’

Volgens de politie bleek uit het opsporingsonderzoek dat het hiervoor besproken [communicatiedienst 2] -account ‘QG3RYU’, dat de politie aan [medeverdachte 1] toeschrijft, contact had met [communicatiedienst 2] -account ‘1DBE5U’ dat de politie ook aan [medeverdachte 1] toeschrijft. Dat zou dan impliceren dat de gebruiker met zichzelf zou chatten of dat het toch een of meer andere gebruikers dan [medeverdachte 1] betrof/betroffen die van (een van) deze accounts gebruik maakte. Echter, indien wordt gekeken naar de inhoud van die chatgesprekken, valt de tweede optie af. Dan is het geen vreemde conclusie maar een logische dat hier inderdaad chatgesprekken plaatsvonden tussen een en dezelfde gebruiker, aangezien nagenoeg alle berichten mediabestanden bleken te betreffen met contactgegevens. Het heeft er dan ook alle schijn van – zoals ook de politie concludeerde – dat de contacten van het account ‘QG3RYU’ op die wijze zijn overgezet naar het nieuwe account ‘1DBE5U’. Die overzet-chats vonden plaats in de periode van 10 tot en met 14 december 2020 en in diezelfde periode werd ‘1DBE5U’ actief. Zo werd op 12 december 2020 de nickname ‘Uw naam’ veranderd in ‘Ali Capone’ en een dag later in ‘Al Capone’ en een dag eerder liet ‘1DBE5U’ al via [communicatiedienst 2] aan een contact weten in Dubai te zijn. Dit laatste is een relevant bericht, omdat nog onbesproken is gebleven dat op 24 november 2020 de gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘QG3RYU’ ook aan een contact liet weten in Dubai te zijn, conform de historische verkeersgegevens van dat account. Wat bijdraagt aan die relevantie is dat laatstgenoemd bericht van ‘QG3RYU’ werd gestuurd naar het contact ‘VK6D1B’. En het was vervolgens de gebruiker van dat account-‘VK6D1B’ die op 12 december 2020 in het Engels aan [communicatiedienst 2] -account ‘1DBE5U’ vroeg “Hello who is this” en klaarblijkelijk, toen ‘VK6D1B’ duidelijk was met wie hij contact had, in het Nederlands aan ‘1DBE5U’ vroeg “Hey hoe gaat het (…) die oude Capone kan ik verwijderen?”. Het was aldus de gebruiker van ‘VK6D1B’ die deze vraag stelde aan een hem bekend contact, terwijl deze gebruiker zowel eerst contact had (op 24 november 2020) met [communicatiedienst 2] -account ‘QG3RYU’ als drie weken later met [communicatiedienst 2] -account ‘1DBE5U’ (op 12 december 2020). Aangezien aan beide laatstgenoemde accounts dezelfde nickname was verbonden, namelijk ‘Al Capone’, volgt ook uit die chatsessie van 12 december 2020 dat hier met een nieuw [communicatiedienst 2] -account contact werd gelegd tussen twee bestaande contacten. Waar overigens eerder in het bericht van ‘2E0T9P’ als ‘Flaco’ aan ‘Toptaxi’ de nieuwe nickname “Al Capon” werd doorgegeven, gaat het hof indachtig al het hiervoor overwogene ervan uit dat daar sprake is geweest van een kennelijke verschrijving en dat daar zonder meer ook ‘Al Capone’ als nieuwe nickname werd aangekondigd en bedoeld.

Conclusie gebruiker [communicatiedienst 2] -accounts ‘2E0T9P’,‘QG3RYU’ en ‘1DBE5U’

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen leidt het hof af dat de [communicatiedienst 2] -accounts ‘2E0T9P’, ‘QG3RYU’ en ‘1DBE5U’ naast elkaar en opeenvolgend werden gebruikt. Voorts concludeert het hof op basis van de inhoud van de onderschepte berichtgeving dat deze accounts werden gebruikt door dezelfde gebruiker die zijn contacten informeerde over zijn nieuwe accounts en nicknames. Was die gebruiker dan [medeverdachte 1] ? Jawel, maar niet alleen op basis van de aanwijzingen en conclusies tot dusver, maar vooral die aanwijzingen en conclusies bezien in combinatie met het navolgende. Op 18 december 2020 werd door een contact via [communicatiedienst 2] aan [communicatiedienst 2] -account ‘1DBE5U’ bericht “Dat geloof ik je papa Noël !”, tien seconden later gevolgd door de vraag “Hoe is het met [betrokkene 3] ???”. Zoals reeds uit eerdere overwegingen blijkt, had [medeverdachte 1] toentertijd een (ex-)partner genaamd [betrokkene 3] en twee dochters, waarvan de jongste is genaamd Noëlle. Twee aanwijzingen die ontegenzeglijk wijzen in de richting van [medeverdachte 1] . Tot slot is van doorslaggevende betekenis bij de conclusie dat het bij de drie accounts om [medeverdachte 1] ging, de vaststelling dat [medeverdachte 1] ook daadwerkelijk in Dubai was, zoals hij met diverse accounts in november en december aan zijn contacten liet weten en ook uit historische verkeersgegevens is gebleken. Op basis van de vraag aan [communicatiedienst 2] -account ‘1DBE5U’ “You will be in NL on Wednesday” op 2 februari 2021 en het antwoord daarop een dag later van ‘1DBE5U’ “Fly back in 30 min” deed de politie in 26Alston naspeuringen die uitwezen dat [medeverdachte 1] op 3 februari 2021 vanuit Dubai was teruggevlogen naar Düsseldorf en van daaruit per taxi naar Nederland was gereisd, getuige ook de in- en uitreisstempels in zijn paspoort: inreis Verenigde Arabische Emiraten op 21 oktober 2020 en uitreis 3 februari 2021.

Identificatie [medeverdachte 1] als gebruiker van [communicatiedienst 3] -account ‘pluralthink’

Een derde crypto-berichtendienst die gedurende het opsporingsonderzoek 26Alston naar voren kwam was [communicatiedienst 3] . ‘Pluralthink’ was de Chat ID van een gebruiker die uit het onderzoek naar voren kwam en die zich desgevraagd tegenover een contact op [communicatiedienst 3] bekend maakte als “ik eindhoven” en “ouwe”, betreffende [medeverdachte 1] ’ woonplaats en een van zijn bijnamen dan wel een eerder door anderen aan hem gegeven nickname. Aanwijzingen die wederom wijzen in de richting van [medeverdachte 1] . Wat hier evenwel van doorslaggevende relevantie is, betreft de GPS-locatiegegevens die bij het [communicatiedienst 3] -berichtenverkeer zijn verkregen. Daaruit bleek dat ‘Pluralthink’ tijdens meerdere gesprekken, zowel in de vroege ochtend, overdag als in de avond, eenzelfde locatie aanstraalde, te weten het adres [adres 3] zijnde het BRP-adres van [betrokkene 3] op welk adres [medeverdachte 1] meermalen is waargenomen. Zo ook tijdens het gesprek op 28 maart 2021 met de ‘Pluralthink’ bekende Surinamer die gebruik maakte van de Chat ID ‘djshop’ en die ‘Pluralthink’ tijdens het aanstralen van voormeld adres blijkens de inhoud van het chatgesprek thuis een broodje kwam bezorgen. Gelet hierop neemt het hof de conclusie van de politie dat het [communicatiedienst 3] -account ‘Pluralthink’ kan worden toegeschreven aan diens gebruiker [medeverdachte 1] over en maakt die tot de zijne.

Identificatie [medeverdachte 12] F. [medeverdachte 12] als gebruiker van ‘stunningcandy@ [communicatiedienst 1] .com’

Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘stunningcandy@ [communicatiedienst 1] .com’ via [communicatiedienst 1] berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘stunningcandy’ tot [medeverdachte 12] als gebruiker is te herleiden. Zo stuurde ‘stunningcandy’ een afbeelding. Hierop is voor het hof waarneembaar een deel van een schutting waarvan een aantal latten een donkere (antraciete) kleur hebben en een aantal niet. De ontvanger van het bericht noemde het ‘mooi antraciet’ en ‘stunningcandy’ berichtte dat hij er zo mee stopt. De politie gaat ervan uit dat ‘stunningcandy’ de schutting aan het verven was. Op die afbeelding van die schutting is ook een deel van een afvalcontainer waarneembaar. Op die container nam de politie een leesbaar adreslabel waar. Dit adres bleek het GBA-adres (hof: BRP-adres) te betreffen van [medeverdachte 12] . Voorts sprak ‘stunningcandy’ in een bericht over hoe ze iets in Eindhoven zeggen. Eindhoven is de woonplaats van [medeverdachte 12] . ‘stunningcandy’ kreeg op 4 april 2020 een bericht over de verjaardag van zijn dochter morgen en werd op [geboortedag 12] 2020 gefeliciteerd met zijn dochter. Het dochtertje van [medeverdachte 12] is op [geboortedag 12] jarig. En toen ‘stunningcandy’ door een andere gebruiker werd gevraagd naar de leeftijd van zijn dochter, antwoordde ‘stunningcandy’ “7”, conform de leeftijd van [medeverdachte 12] dochtertje die is geboren op [geboortedag 12] 2013. Verder gaf ‘stunningcandy’ op 15 april 2020 als nieuwtje te kennen dat hij net was bekeurd voor bellen op de scooter. [medeverdachte 12] is volgens de politiesystemen op die dag bekeurd voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op een bromfiets in Eindhoven.

Identificatie [medeverdachte 12] F. [medeverdachte 12] als gebruiker van ‘billymckinny@ [communicatiedienst 1] .com’

Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat een van de contacten van ‘stunningcandy’ in april 2020 betrof ‘billy-euro@ [communicatiedienst 1] .com’. Op 29 mei 2020 leken ‘stunningcandy’ en ‘billy-euro’ in gesprek over een nieuwe gebruikersnaam, te weten “billymckinny” en toen liet ‘stunningcandy’ weten “die” te willen. Een paar uur later leek dit geregeld toen ‘stunningcandy’ aan ‘billy-euro’ berichtte “billymckinny” en “Add my new mail”, waarop ‘billy-euro’ aan ‘stunningcandy’ liet weten er “nickymckinny” van te hebben gemaakt, maar die gebruikersnaam hoefde ‘stunningcandy’ niet, waarop ‘billy-euro’ liet weten dat dat een grap was. In het oog springend detail is hierbij dat de grap moet zijn gelegen in de voorgestelde accountnaam met daarin de voornaam ‘ [medeverdachte 12] ’, net als die van [medeverdachte 12] , verwerkt. Daar moest ‘stunningcandy’, om de voor zich sprekende reden dat de vermelding van een voornaam die direct herleidbaar zou zijn tot een gebruiker afbreuk doet aan de idee om verhuld te communiceren, evenwel niets van hebben. Op 3 juni 2020 was het account ‘billymckinny@ [communicatiedienst 1] .com’ actief en werd door een andere [communicatiedienst 1] -gebruiker gevraagd “Wie is dit”, waarop ‘billymckinny’ berichtte “oude mail stunningcandy”. Het hof stelde reeds vast dat [medeverdachte 12] de gebruiker ‘stunningcandy’ betrof en in het verlengde daarvan stelt het hof op basis van het hiervoor overwogene eveneens vast dat [medeverdachte 12] ook de gebruiker van ‘billymckinny’ betrof. Aan die vaststelling draagt bij dat ‘stunningcandy’ van [communicatiedienst 1] gebruik maakte tot 3 juni 2020 en daaropvolgend ‘billymckinny’ van 3 juni 2020 tot 12 juni 2020, waarbij van belang is te betrekken dat laatstgenoemde datum nagenoeg gelijk viel met het moment dat [communicatiedienst 1] ontdekte dat het communicatienetwerk was gekraakt en de gebruikers hierover werden geïnformeerd. Daar bleef het evenwel niet bij voor [medeverdachte 12] .

Identificatie [medeverdachte 12] F. [medeverdachte 12] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’

Een van de contacten van [communicatiedienst 2] -account ‘2E0T9P’, een account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 1] , bleek [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’. Dit [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’ was actief in de periode van 16 juni 2020 tot en met 25 januari 2021, nadat het communicatienetwerk van [communicatiedienst 1] , was gekraakt. Het hof stelt vast dat de gebruiker van dit [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’ wederom [medeverdachte 12] betrof, daar via [communicatiedienst 2] berichten zijn verzonden én ontvangen door dit account met zodanig concrete informatie die tot [medeverdachte 12] als gebruiker zijn te herleiden, evenals een van de nicknames van dit account te weten ‘lange strtm’, zijnde ‘strtm’ een afkorting voor de wijk Stratum in Eindhoven, de wijk waar [medeverdachte 12] woonachtig was. Zo ontving [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’ op 23 juli 2020 een afbeelding van een ander [communicatiedienst 2] -account, te weten van ‘JKOSMM’. Op die afbeelding was volgens de politie een persoon te zien die poseert voor een ander die de foto (de afbeelding) maakte. De persoon die poseert vertoont volgens de politie zeer sterke gelijkenis met [medeverdachte 12] , tot welke bevinding de politie blijkens het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal komt bij uitvergroting van het gezicht van die persoon tot portretformaat en de daaropvolgende vergelijking met een RDW-portretfoto van [medeverdachte 12] van twee jaar eerder. Wat vervolgens opvalt is dat de gebruiker van dat [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’, op [geboortedag 10] 2020 werd gefeliciteerd met zijn verjaardag door diezelfde ‘JKOSMM’. [geboortedag 10] betreft [medeverdachte 12] verjaardag. Dat het bij ‘67EFMW’ daadwerkelijk om [medeverdachte 12] gaat, vindt voorts bevestiging in een afspraak tussen [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’ en [communicatiedienst 2] -account ‘SDMFKQ’-gebruiker, welk [communicatiedienst 2] -account door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 7] . In berichten die op 16 december 2020 over en weer gingen, kwam het tot een afspraak waarbij [communicatiedienst 2] -account ‘SDMFKQ’ “pap”, volgens de politie bekend versluierd taalgebruik voor ‘geld’, zou gaan brengen bij [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’, die op zijn beurt bevestigde dat hij in “Ehv” zat, in Stratum. Ze spraken vervolgens af bij de “tamoil pomp tivolilaan”, waar [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’ te voet naartoe zou komen. In Eindhoven, grenzend aan de Tivolilaan, bleek op de Bonifaciuslaan een Tamoil tankstation gevestigd dat op 270 meter loopafstand van [medeverdachte 12] woning was gelegen. Ook deze informatie plaatst ‘67EFMW’ bij [medeverdachte 12] . Naast de nickname, de verjaardagsfelicitaties en woonomgeving die in de richting van [medeverdachte 12] wijzen, bevindt zich onder de bewijsmiddelen ook nog een spraakbericht dat op 4 augustus 2020 door [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’ was verzonden. Daarop is volgens een verbalisant die [medeverdachte 12] na diens aanhouding heeft verhoord, [medeverdachte 12] te horen. De stem is als identiek aan die van [medeverdachte 12] herkend, waarbij het Brabants accent, de intonatie, de snelheid van spreken en de klank als elementen van die herkenning zijn gegeven. Al met al aanwijzingen die het hof leiden tot de conclusie dat het [medeverdachte 12] is geweest die een foto ontving van hemzelf op 23 juli 2020 en dat het aldus [medeverdachte 12] was die na het gekraakte communicatienetwerk van [communicatiedienst 1] als de gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘67EFMW’ wederom het versleuteld communiceren voortzette.

Identificatie [medeverdachte 7] als gebruiker van ‘realsand@ [communicatiedienst 1] .com’

Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘realsand@ [communicatiedienst 1] .com’ via [communicatiedienst 1] berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘realsand’ tot [medeverdachte 7] als gebruiker is te herleiden. Zo stuurde ‘realsand’ op 28 maart 2020 via [communicatiedienst 1] een bericht aan ‘koshermouth@ [communicatiedienst 1] .com’ over zijn schoonvader en aanvragen voor mondkapjes. Een uur later stuurde ‘realsand’ aan hetzelfde contact een bericht dat er nu een aanvraag lag voor een miljoen stuks en een direct daarop volgend bericht “Hij is bij ons” en “Kan niet terug naar bangkok”. Uit de inhoud van deze chatgesprekken leidt het hof af dat ‘realsand’ met “hij” doelde op zijn schoonvader, die op 28 maart 2020 bij ‘realsand’ verbleef en niet terug kon naar Bangkok in Thailand. Hierbij betrekt het hof als feit van algemene bekendheid dat op en rond die datum reeds sprake was van een rondwarend coronavirus dat de wereld in zijn greep had en wereldwijd maatregelen werden getroffen waaronder – kort gezegd – grenssluiting voor niet-essentiële reizen. Volgens de gebezigde bewijsmiddelen had [medeverdachte 7] toentertijd een partner, [betrokkene 8] . Zij bleek met haar vader J.P. Coolen bij de Kamer van Koophandel als uittredende functionarissen van een bedrijf geregistreerd te staan, waarbij als adres van J.P. Coolen een adres in Bangkok, Thailand, vermeld stond. Uit informatie van de BRP bleek voorts dat zowel [betrokkene 8] als haar vader uit Nederland zouden zijn vertrokken: Rosina per 18 januari 2005 en haar vader per 1 maart 2012. Ook [medeverdachte 7] bleek geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en wel met een adres in België, te weten: [adres 4] in Neeroeteren. Dit adres bleek per 4 mei 2017 ook [medeverdachte 7] ’ BRP-adres te zijn. En op dat adres stond ten tijde van het onderhavige opsporingsonderzoek [betrokkene 8] geregistreerd als kentekenhouder van een Mercedes Benz AMG GLC 43, met kenteken [kenteken 1] . ‘realsand’ gaf in een gesprek van 1 april 2020 te kennen dat hij blij was niet in NL te wonen nadat ‘ooievaar@ [communicatiedienst 1] .com’ (zijnde het [communicatiedienst 1] -account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 5] als [communicatiedienst 1] -gebruiker) ‘realsand’ berichtte “tsja jij wil in bels” wonen. Het hof sluit zich aan bij de opmerking van de politie dat met ‘bels’ in deze context onmiskenbaar ‘België’ is bedoeld. Ook is met ‘realsand’ op 28 maart 2020 door een ander contact gechat over “Roosje is wel blij nou jij zoveel thuis bent”, waarop ‘realsand’ antwoordde “Nee niet echt. Haha”. In mei 2020 heeft ‘realsand’ het nog in gesprekken met ooievaar over “Vriendin van roos is nu daar in ziekenhuis” en “ff onderweg met vrouwtje”. Uit deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leidt het hof af dat ‘realsand’ op 28 maart 2020 met ‘koshermouth’ in gesprek was over zijn schoonvader die op dat moment bij ‘realsand’ en zijn partner [betrokkene 8] , door ‘realsand’ ‘Roos’ genoemd, in België verbleef. Daarnaast bevat het dossier meer aanwijzingen die naar [medeverdachte 7] wijzen, zo beantwoordde ‘realsand’ op 30 maart 2020 de vraag van ‘koshermouth’ naar ‘realsand’s email met: “robkonings42@gmail.com”, inhoudende zowel de (afgekorte) voor- als achternaam van [medeverdachte 7] en werd ook ‘realsand’ via [communicatiedienst 1] op zaterdag [geboortedag 8] 2020 gefeliciteerd met zijn verjaardag. [medeverdachte 7] is geboren op [geboortedag 8] 1973. En tot slot bevestigt de afbeelding die ‘realsand’ op 4 april 2020 naar ‘regularmouth’ stuurde, waarbij hij chatte dat “Hier alles zijn gangetje” (gaat), dat deze afbeelding van [medeverdachte 7] ’ verblijfadres afkomstig is. De politie heeft de afbeelding met daarop een perceel met op de oprit een donkerkleurige Mercedes-Benz van het type GLC met Belgisch kenteken vergeleken met meergenoemd aan [medeverdachte 7] (en zijn partner [betrokkene 8] ) toegeschreven adres in België aan de [adres 4] , Neeroeteren, als raadpleegbaar in Google Streetview, en concludeerde dat de door ‘realsand’ gestuurde afbeelding op het perceel bij dat adres is gemaakt.

Identificatie [medeverdachte 7] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘SDMFKQ’

Het hof concludeert uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ook [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘SDMFKQ’ [medeverdachte 7] betrof. Een van de contacten van [communicatiedienst 2] -account ‘2E0T9P’, een account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 1] , bleek [communicatiedienst 2] -account ‘SDMFKQ’ te zijn. Het aan dit [communicatiedienst 2] -account gekoppelde IMEI-nummer bleek volgens de historische verkeersgegevens een thuispaal te hebben in Maaseik, België, daar het toestel met dat [communicatiedienst 2] -account in de nachtelijke uren aldaar een zendmast aanstraalde. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, gaat het hof er vanuit dat de [medeverdachte 7] een verblijfsadres had in België, [adres 4] , Neeroeteren, zijnde Neeroeteren een deelgemeente van de gemeente Maaseik. Op 9 maart 2021 vond een observatie plaats op basis van de verkeersgegevens van het IMEI-nummer en werden de bewegingen van het toestel gevolgd naar Eersel, in de omgeving van [adres 5] , op welk adres op dat moment de Mercedes met Belgisch kenteken op naam van [betrokkene 8] kwam aanrijden. Deze Mercedes vertrok een klein half uur later naar het verblijfsadres van Cees [medeverdachte 4] aan de [adres 6] in Waalre en de bestuurder werd later aan de hand van een foto herkend als [medeverdachte 7] . Uit een voorafgaand chatgesprek van 9 juli 2020 tussen [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘9B00DC’ en [communicatiedienst 2] -account ‘SDMFKQ’ kan worden afgeleid dat ‘SDMFKQ’ rijdt in een Mercedes met Belgisch kenteken, hetgeen matcht met de observatie als voormeld. Voorts valt uit een chatgesprek van 11 juli 2020 tussen dezelfde gebruikers af te leiden dat ‘9B00DC’ met ‘SDMFKQ’ wil afspreken in Maaseik, zijnde de verblijfsplaats van [medeverdachte 7] . En tot slot geeft [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘SDMFKQ’ prijs dat hij uit Waalre (hof: stad, grenzend aan Eindhoven) komt als hem op 16 december 2020 wordt gevraagd of hij Stratum (hof: in Eindhoven) kent. [medeverdachte 7] is in Waalre geboren.

Identificatie [medeverdachte 7] (als [communicatiedienst 1] -Chat gebruiker ‘realsand’ en [communicatiedienst 2] -accountgebruiker “SDMFKQ”) als ‘Henkie’

In het onderhavige onderzoek lijken op het eerste gezicht meerdere verdachten in aanmerking te komen voor een identificatie als ‘Henkie’. Zo luidt zowel de voornaam van [medeverdachte 5] ‘ [medeverdachte 5] ’ als die van [medeverdachte 8] ‘ [medeverdachte 8] ’. Dit zijn voornamen die in het dagelijks spraakgebruik worden verkort tot de roepnaam ‘Henk’ of zo men wil ‘Henkie’. En uit het hele onderzoek, waaronder dat ter terechtzitting, blijkt ook wel dat niet ter discussie staat dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] in het dagelijks leven ‘Henk’ of ‘Henkie’ werden en worden genoemd. De vraag is evenwel of het hier in onderzoek 26Alston gaat om de roepnaam Henk/Henkie of om een bijnaam voor iemand die feitelijk een volstrekt andere naam heeft dan wel iemand die zich online bedient van een (zelf)gekozen ‘nickname’. Hiervoor is reeds beschreven hoe de politie de nicknames/bijnamen bij [communicatiedienst 1] en nicknames bij [communicatiedienst 2] gebruikers ziet. Raadplegen van Van Dale leert nog dat van een nickname sprake is in geval van een (zelfgekozen) bijnaam waaronder iemand actief is op internet. Voorts dat een synoniem voor nickname ‘netnaam’ is en bij ‘netnaam’ spreekt Van Dale van een schuil- of bijnaam die je op internet gebruikt. Met die omschrijving lijkt ook Van Dale de spijker op z’n kop te slaan, voor wat betreft de ‘Henkie’ waar het onderzoek 26Alston op ziet. Hiermee lijken – in ieder geval voor wat betreft de berichtgeving in de gebezigde bewijsmiddelen – inderdaad niet Henk(ie) [medeverdachte 5] en/of Henk(ie) [medeverdachte 8] te worden bedoeld, daar het opsporingsonderzoek in een geheel andere richting wijst, namelijk in die van [medeverdachte 7] . Zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ‘realsand’ en ‘SDMFKQ’ de gebruikersnamen betroffen waarvan [medeverdachte 7] zich bediende op [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2] . Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt ook dat [communicatiedienst 1] -contacten van ‘realsand’ hem, zijnde aldus [medeverdachte 7] naar ’s Hofs oordeel, een nickname/bijnaam konden geven en dat zij dit ook deden. Het hof stelt namelijk vast dat naast de [communicatiedienst 1] -contacten die zich met [medeverdachte 7] in onderzoek 26Alston moesten verantwoorden, te weten ‘balr.vw’, ‘ooievaar’, ‘vw-new’ en ‘ [betrokkene 7] -’ (hof: laatstgenoemde is overleden, maar daarover hierna meer), ‘realsand’ steeds de nickname ‘Henkie’ gaven en dat ook overige [communicatiedienst 1] -contacten van ‘realsand’ hem eenzelfde nickname gaven. Daarbij komt dat bij de veredeling van [communicatiedienst 2] -account ‘SDMFKQ’ is gebleken dat de gebruiker, aldus [medeverdachte 7] zelf, gebruik maakte van de nickname ‘Henkie’. Dit betrof een door [medeverdachte 7] zelfgekozen nickname, zoals voor de politie in de metadata van de onderschepte communicatie van [communicatiedienst 2] -ID’s (accounts) zichtbaar was. [medeverdachte 7] die zich aldus zelf de nickname ‘Henkie’ gaf, terwijl hij [medeverdachte 7] heet, maar ook door anderen ‘Henkie’ werd genoemd. De nickname ‘Henkie’ is overigens niet beperkt gebleven tot de cryptoaccounts van [medeverdachte 7] bij [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 2] , maar zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, bleek ook een van de aan [medeverdachte 7] ’ toe te schrijven telefoonnummers ( [telefoonnummer] ) in de IPhone die onder [medeverdachte 5] in beslag werd genomen opgeslagen als het contact ‘Henkes Bels’. Onder deze naam stond [medeverdachte 7] in de telefoon van [medeverdachte 5] opgeslagen zowel in de applicatie Signal als in de applicatie WhatsApp. Op 16 november 2021 stuurde [medeverdachte 7] , het hof concludeert aldus ‘als Henkes Bels’, via WhatsApp een foto van – volgens de politie –zichzelf in pak naar [medeverdachte 5] . Het hof neemt op die foto waar een man in donkerkleurig pak die in een spiegel een selfie lijkt te maken en waarvan het hof voor wat betreft de gelaatsvorm, de gezichtsuitdrukking, de neus, de haarkleur en de haardracht inderdaad sterke gelijkenissen waarneemt met de man op de portretfoto die is opgenomen in het persoonsdossier van [medeverdachte 7] . Gelet op al het hiervoor overwogene lijdt het naar ’s hofs oordeel geen twijfel dat [medeverdachte 7] zich bediende van een nickname als schuilnaam en dat was in zijn geval ‘Henkie’ en daarmee maakte hij onder een eveneens niet rechtstreeks tot hem te herleiden gebruikersnaam online gebruik van de versleutelde berichtendiensten. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat [medeverdachte 7] onder de nickname ‘Henkie’ met anderen communiceerde, zowel via [communicatiedienst 1] met de gebruikersnaam ‘realsand’ als via [communicatiedienst 2] met het gebruikersaccount ‘SDMFKQ’, en dat als zijn contacten communiceerden over ‘Henkie’ daarmee [medeverdachte 7] werd bedoeld. Ter illustratie hiervan verwijst het hof overigens nog naar drie chatgesprekken op 2 en 3 maart 2021. Deze vonden plaats tussen ‘O5JRHN’ (hierna herleid tot ‘ [medeverdachte 8] (Henk) [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 7] , waarbij de berichten van [medeverdachte 7] niet zichtbaar waren, althans wel in de vervolgens door [medeverdachte 7] aan ‘1DBE5U’ (hiervoor reeds geïdentificeerd als [medeverdachte 1] ) doorgestuurde berichten van Henk [medeverdachte 8] . Het was aldus Henk [medeverdachte 8] die op genoemde data berichten stuurde aan [medeverdachte 7] , waaronder een vraag op 2 maart 2020, waarna ‘SDMFKQ’, deze twee berichten (inclusief de reacties in berichten van [medeverdachte 7] aan Henk [medeverdachte 8] die aldus wel zichtbaar waren bij het doorsturen) doorstuurde aan ‘1DBE5U’ ( [medeverdachte 1] ), waarna ‘1DBE5U’ ( [medeverdachte 1] ) ook antwoordde op de doorgestuurde vraag. In beide door ‘SDMFKQ’ doorgestuurde berichten neemt het hof waar dat voor beide berichten vermeld staat als zender “Malibu:”, hetgeen aldus ziet op beide kort tevoren door ‘O5JHRN’ ( [medeverdachte 8] ) aan [medeverdachte 7] overeenkomstig ook [medeverdachte 8] nickname voor ‘O5JHRN’ en daarónder de daaropvolgende berichten van [medeverdachte 7] in reactie op de berichten van Malibu (en aldus aan ‘O5JHRN’ met als gebruiker [medeverdachte 8] ) met daarvóór in beide gevallen als zender “Henkie:”, de zelfgekozen nickname van [medeverdachte 7] die hier volledig tot uiting komt. Gelet op dit alles ontbreekt iedere twijfel dat met ‘Henkie’ in de gebezigde bewijsmiddelen steeds [medeverdachte 7] werd bedoeld.

Identificatie [verdachte] E. [verdachte] als [communicatiedienst 1] -Chat gebruiker ‘amigotje@ encrochat .com’

Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘amigotje@ encrochat .com’ via [communicatiedienst 1] berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘amigotje’ tot [verdachte] als gebruiker is te herleiden. Zo stuurde ‘amigotje’ op dinsdag 31 maart 2020 via het [communicatiedienst 1] een Engelstalig bericht “she will b 4 on Friday”, inhoudende dat zij vier wordt op vrijdag. De daaropvolgende vrijdag was het [geboortedag 13] 2020 en op die dag chatte ‘amigotje’ dat zijn kleine jarige is. Volgens de BRP-gegevens zou [verdachte] een dochtertje ‘ [betrokkene 9] [verdachte] ’ hebben dat is geboren op [geboortedag 13] 2016. Zij is aldus op vrijdag [geboortedag 13] 2020 vier jaar geworden. Uit de onderschepte [communicatiedienst 1] -communicatie bleek voorts dat met ‘amigotje’ in relatie tot zijn thuis werd gechat over ‘jes’ als iemand die mogelijk ‘amigotje’s auto in gebruik had. Uit de BRP-gegevens van [verdachte] bleek naast zijn dochtertje ook [telefoonnummer] (hof: dan wel [telefoonnummer] , zoals ook uit diverse processen-verbaal naar voren komt) [telefoonnummer] op hetzelfde adres te zijn ingeschreven. Volgens de politie toentertijd zijn partner. Zij stonden ingeschreven op de Banstraat 25 in Veldhoven en vanaf 22 mei 2020 op het [adres 7] in Eindhoven. Dat zou volgens de politie een hoekwoning betreffen op de hoek van de [adres 7] met de [adres 8] . Datzelfde adres in Veldhoven gaf ‘amigotje’ op 24 april 2020 desgevraagd door als het zijne en op 30 april 2020 liet ‘amigotje’ weten over twee weken te gaan verhuizen naar een hoekhuis in Eindhoven op de [adres 8] . In juni 2020 woonde ‘amigotje’ inmiddels op dat adres. Tot slot bleek ‘amigotje’s [communicatiedienst 1] -contact ‘Elusivewaffle’ ‘Amigotje’ te hebben opgeslagen als ‘ [verdachte] ’. Deze concrete feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wijzen buiten twijfel [verdachte] aan als de gebruiker van ‘amigotje@ encrochat .com’.

Identificatie [verdachte] E. [verdachte] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘8E8O5C’

Het hof concludeert uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ook [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘8E8O5C’ [verdachte] betrof. Een van de contacten van [communicatiedienst 2] -account ‘2E0T9P’, een account dat door het hof hiervoor reeds is toegeschreven aan [medeverdachte 1] , bleek [communicatiedienst 2] -account ‘8E8O5C’. Dit [communicatiedienst 2] -account ‘8E8O5C’ was actief, na het gekraakte communicatienetwerk van [communicatiedienst 1] , in de periode van 13 juni 2020 tot en met 15 december 2020. Het was [communicatiedienst 2] -account gebruiker ‘8E8O5C’ die op 1 juli 2020 een screenshot van een NRC.NL-artikel met als titel “Hack van aanbieder-telefoons leidt tot een hausse aan strafzaken” d.d. 1 juli 2020 stuurde naar een [communicatiedienst 2] -contact. Diezelfde dag liet deze ‘8E8O5C’ aan een ander contact weten te hopen geluk te hebben en niet voor een tijd weg te moeten door die klote telefoon. Daaraan vooraf gingen de woorden “sinds [betrokkene 9] wordt het elke dag moeilijker”. Het hof leidt hieruit af dat gebruiker ‘8E8O5C’ een veroordeling vreesde als het eerdere gebruik van een cryptotelefoon tot ‘8E8O5C’ zou zijn te herleiden. Dat ‘8E8O5C’ eerder een cryptotelefoon gebruikte en wel onder de naam ‘amigotje’, volgt uit een chatbericht van 3 juli 2020, waarin ‘8E8O5C’ aan het contact dat eerder voornoemd artikel ontving, liet weten de naam te hebben veranderd en “amigotje” niet meer te durven gebruiken. Diezelfde ‘8E8O5C’ liet vervolgens nog bij herhaling in de tweede helft van 2020 weten een witte BMW 5-serie te hebben en eind 2020 werd door ‘8E8O5C’ nog gemeld een Golf R te hebben. Uit politieonderzoek volgde dat [verdachte] partner zowel een witte BMW 5-serie als een Golf R op haar naam had staan waarvan [verdachte] ook gebruik kon maken. Het hof stelt vast dat de komst van zijn inmiddels vierjarig dochtertje [betrokkene 9] [verdachte] als ‘8E8O5C’ er klaarblijkelijk niet van heeft weerhouden om na de hack van [communicatiedienst 1] waar hij gebruik van maakte onder de gebruikersnaam ‘amigotje@ encrochat .com’ over te stappen naar de crypto-berichtendiensten van [communicatiedienst 2] teneinde het versleuteld communiceren voort te zetten. En bij dat nieuwe account bleef het niet.

Identificatie [verdachte] E. [verdachte] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘5WSQ7D’

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt evenzo dat het [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘8E8O5C’ zelf was die op 10 december 2020 aan [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘67EFMW’ (hiervoor reeds geïdentificeerd als [medeverdachte 12] ) zijn “nieuwe” doorgaf, te weten “5WSQ7D”, gevolgd door het bericht “deze” nu te wissen. “Deze” zag op het account waarmee door de gebruiker het bericht werd verstuurd, namelijk ‘8E8O5C’, en “nieuwe” zag op het nieuwe account van deze gebruiker, te weten het nieuwe [communicatiedienst 2] -account ‘5WSQ7D’. Deze “nieuwe”, te weten het [communicatiedienst 2] -account ‘5WSQ7D’, was actief vanaf 10 december 2020. Op 14 december 2020 liet ‘5WSQ7D’ aan [medeverdachte 12] weten naar Spanje te gaan. Het was [verdachte] die volgens de politie toen met zijn gezin naar Spanje ging. Op 8 februari 2021 sprak ‘5WSQ7D’ tegenover [medeverdachte 12] over het ophalen van school van [betrokkene 9] , zijnde aldus het meergenoemde dochtertje van [verdachte] . Gelet op dit alles concludeert het hof dat het aldus wederom [verdachte] was die gebruikt maakte van ditmaal [communicatiedienst 2] -account ‘5WSQ7D’.

Identificatie [medeverdachte 4] T.F. [medeverdachte 4] als [communicatiedienst 1] -Chat gebruiker ‘stalesnail@ [communicatiedienst 1] .com’

Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘stalesnail@ [communicatiedienst 1] .com’ via [communicatiedienst 1] - berichten heeft verzonden én ontvangen die direct wijzen in de richting van [medeverdachte 4] , een algemeen bekend te veronderstellen en veelgebruikte afkorting/roepnaam voor de voornaam [medeverdachte 4] als in die van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] bleek volgens de onderzoeksbevindingen van de politie in België tot een jarenlange gevangenisstraf te zijn veroordeeld. Deze straf had hij deels in Nederland ondergaan. Hij verbleef in ieder geval begin 2020 in het penitentiair ziekenhuis in Scheveningen. Op 26 maart 2020 werd deze straf onderbroken in verband met een zeldzame longziekte. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 26 maart 2020 ook over die strafonderbreking van [medeverdachte 4] door contacten van ‘stalesnail’ via [communicatiedienst 1] werd gecommuniceerd, zij het dat men het over “Sjakie” had, een nickname/bijnaam die meerdere contacten aan ‘stalesnail’ bleken te hebben verbonden. Kort nadat [medeverdachte 4] diezelfde middag werd opgehaald door zijn partner [betrokkene 10] , wonende op De [adres 6] in Waalre, alwaar ook ‘stalesnail’ zou gaan verblijven, meldde ‘stalesnail’ zich op het [communicatiedienst 1] platform bij ‘realsand’ (hiervoor reeds geïdentificeerd als [medeverdachte 7] ) en ‘vw-new’ (door het hof hierna toe te schrijven aan [medeverdachte 6] ) met het bericht dat hij net thuis was en de wachtwoorden (“paswoorden”) nog moest veranderen. Volgens ‘vw-new’ werd het tijd dat ‘stalesnail’ thuiskwam en berichtte hij aan ‘stalesnail’ “nu weer gezond worden”. Op 8 april 2020 vroeg [medeverdachte 7] als ‘realsand’ aan ‘stalesnail’ wat hij iemand moest berichten, waarop ‘stalesnail’ reageerde met “Dat ik vrij [betrokkene 2] uit scheveningen”. Verder gebruikte ‘stalesnail’ zijn partners e-mailadres evenals haar 06-nummer en ook bleek de zus van ‘stalesnail’ nabij te wonen, namelijk in Aalst, deel uitmakend van de gemeente Waalre. Ook al deze informatie zoals die uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, valt naar ’s hofs oordeel naadloos te relateren aan [medeverdachte 4] ’ strafonderbreking, ziekte en partner, zodat het hof concludeert dat [medeverdachte 4] [communicatiedienst 1] gebruiker ‘stalesnail@ [communicatiedienst 1] .com’ was.

Identificatie [medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -accounts ‘IUP703'

Het hof concludeert voorts uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ook [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘IUP703’ [medeverdachte 4] betrof. Een van de contacten van [communicatiedienst 2] -account ‘2E0T9P’, een account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 1] , bleek [communicatiedienst 2] -account ‘IUP703’ te zijn. Dit [communicatiedienst 2] -account ‘IUP703’ was actief, na het gekraakte communicatienetwerk van [communicatiedienst 1] , in de periode van 13 juni 2020 tot en met 12 december 2020. Het aan dit [communicatiedienst 2] -account gekoppelde IMEI-nummer straalde in de nachten dat het actief was een zendmast aan in Waalre, precies de plaats waar [medeverdachte 4] sinds zijn strafonderbreking verbleef bij zijn vriendin. Ook [medeverdachte 4] ’ zus en vader waren woonachtig in Waalre, zo bleek toen de politie naar aanleiding van een gesprek via [communicatiedienst 2] tussen ‘IUP703’ en de door het hof als [medeverdachte 7] geïdentificeerde gebruiker van het [communicatiedienst 2] -account ‘SDMFKQ’ onderzoek deed in de BRP nadat ‘IUP703’ liet weten dat op 26 juni 2020 bij zijn vader water uit de stopcontacten kwam en dat heel Aalst onder waterstond. Op 2 juli 2020 was weer contact tussen beide gebruikers en liet ‘IUP703’ weten dat het niet best was met zijn longen, maar dat hij wel meer lucht kreeg, hetgeen past bij [medeverdachte 4] die langdurig kampt met een longaandoening. Op 31 juli 2020 chatte [medeverdachte 7] als ‘SDMFKQ’ via [communicatiedienst 2] . Hij had eerst contact met ‘IUP703’die hem liet weten dat op het telefoonbeeldscherm stond “Geef je pincode op om Android te starten” nadat deze door ‘IUP703’ voor het eerst was uitgezet. Vervolgens had [medeverdachte 7] contact met een derde over “Sjakie”, dat Sjakies telefoon was gecrasht door het invoeren van een verkeerde pin en dat deze moest worden hersteld omdat Sjakie deze telefoon nodig had. Gelet op het feit dat [medeverdachte 4] door eerdere contacten de bijnaam (nickname) “Sjakie” was toegedicht als gebruiker van het [communicatiedienst 1] -account ‘stalesnail@ [communicatiedienst 1] .com’, spreekt het niet voor zich dat het wijzigen van crypto-berichtendienst per saldo ook een nieuwe bijnaam betekende. Waar voorheen ‘stalesnail’ als ‘Sjakie’ communiceerde en inmiddels ‘Sjakie’ communiceerde met het [communicatiedienst 2] -account ‘IUP703’ met zelfgekozen nicknames waaronder ‘Test’, laat onverlet dat ook ‘IUP703’ steeds [medeverdachte 4] was, die zichzelf ‘Sjakie’ noemde en voor zijn contacten “Sjakie” bleef.

Identificatie [medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘KIWYSE’

Vervolgens maakte [medeverdachte 4] gebruik van [communicatiedienst 2] -account ‘KIWYSE’, zo is het hof van oordeel. Dit [communicatiedienst 2] -account ‘KIWYSE’ was actief na ‘IUP703’ in de periode van 7 januari 2021 tot en met 6 februari 2021 en het aan dit [communicatiedienst 2] -account gekoppelde IMEI-nummer straalde evenals ‘IUP703’ in de nachten dat het actief was een zendmast aan in Waalre, waar [medeverdachte 4] verbleef. De gebruiker van dit [communicatiedienst 2] -account KIWYSE maakte gebruik van de zelfgekozen nicknames ‘Test’ en ‘Brassica’. Het was vervolgens ‘IUP703’ die zich op 7 januari 2021 bij de als [medeverdachte 1] geïdentificeerde [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘1DBE5U’ meldde met “Hallo” en “Sjakie”. Twee weken later besprak ‘KIWYSE’ via [communicatiedienst 2] hoe het met hem ging en uit die berichten valt af te leiden dat ‘KIWYSE’ zijn contact informeerde over de mate van zuurstofverzadiging (saturatie) en in hoeverre dit ‘KIWYSE’ al dan niet beperkte voor wat betreft op gang komen in de ochtend en bewegen in zijn algemeenheid, hetgeen past bij de longproblemen waar [medeverdachte 4] langdurig mee kampt(e). Op 4 maart 2021 was er [communicatiedienst 2] -contact over ‘sjaki’ en werd door [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘O1SRFO’ aan ‘1DBE5U’ ( [medeverdachte 1] ) gevraagd om aan ‘sjaki’ te vragen of hij sky heeft en of hij ‘sjaki’ nog had gesproken, in reactie waarop ‘1DBE5U’ ( [medeverdachte 1] ) liet weten dat hij hem net nog had gesproken en ‘sjaki’ een toestel had, waarna ‘1DBE5U’ ( [medeverdachte 1] ) met zijn nickname ‘Al Capone’ een mediabestand doorstuurde aan ‘O1SRFO’ en met de contactgegevens van ‘Brassica’. ‘KIWYSE’ kreeg direct na het doorsturen van de contactgegevens contact via [communicatiedienst 2] met die [communicatiedienst 2] -gebruiker “O1SRFO’ die met “Sjaki” wilde communiceren via “Sky”. ‘KIWYSE’ beklaagde zich dat “Sky” niet wilde opstarten en dat het die dag redelijk met hem ging. Gelet op de thuispaal in Waalre, de specifieke aan [medeverdachte 4] longaandoening te relateren inhoud, de bijnaam ‘Sjakie’ en ‘Sjaki’ alsmede de nickname ‘Brassica’ die blijkt uit de [communicatiedienst 2] -account informatie van dit account ‘KIWYSE’ die matcht met de door [medeverdachte 1] als [communicatiedienst 2] -accountgebruiker ‘1DBE5U’ met de nickname ‘Al Capone’ doorgestuurde contactgegevens van Sjaki(e), is het hof van oordeel dat het [medeverdachte 4] was die zich bediende van [communicatiedienst 2] -account ‘KIWYSE’. Hetgeen hiervoor is overwogen ter zake van “Sjakie” en het wijzigen van berichtendienst, geldt naar het oordeel van het hof onverkort bij het wijzigen van account of bij een opvolgend account na(ast) een eerder. Hierbij valt overigens op dat een van de twee nicknames ‘test’ behorend bij ‘IUP703’ gelijkluidend is aan een van de twee nicknames ‘test’ bij [communicatiedienst 2] -account ‘KIWYSE’. Deze vaststelling laat overigens onverlet dat gebruikers de contacten in hun berichtenverkeer onverkort ‘Sjakie’ oftewel ‘Sjaki’ bleven noemen en ook het contact zichzelf zo bleef noemen bij het leggen van contact. Voor de contacten van de gebruiker die zich “Sjakie” noemde en die ook zij “Sjaki(e)” noemden was in ieder geval steeds duidelijk met wie zij via de crypto-berichtendienst in contact waren, in dit geval met Cees [medeverdachte 4] .

Identificatie [medeverdachte 6] als [communicatiedienst 1] -Chat gebruiker ‘vw-new@ [communicatiedienst 1] .com’

Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘vw-new@ [communicatiedienst 1] .com’ via [communicatiedienst 1] berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘vw-new’ tot [medeverdachte 6] als gebruiker is te herleiden. De chat-ID ‘vw-new’ was actief van medio maart 2020 tot en met 15 mei 2020. [medeverdachte 6] stond toentertijd samen met zijn vader A.M. [medeverdachte 6] ingeschreven op het adres [adres 9] (hof: welke woonplaats zou kunnen worden afgekort tot ‘vw’). De moeder van [medeverdachte 6] woonde in Eindhoven en de broer van [medeverdachte 6] , genaamd Martijn [medeverdachte 6] , woonde volgens [medeverdachte 6] toentertijd in België (in Hasselt volgens de politie). In een chatsessie met ‘stalesnail’, hiervoor door het hof geïdentificeerd als [medeverdachte 4] , stuurde ‘vw-new’ op 27 maart 2020 een foto van zijn – door de politie als zodanig herkende – vader, zittend (zo neemt het hof waar op de afbeelding) bij – door de politie als zodanig herkende – voordeur van [medeverdachte 6] ’ en zijn vaders adres. Daarbij schreef ‘vw-new’ dat hij (hof: zijn vader) zo 100 wordt. Op [geboortedag 11] 2020 in de avond liet vw-new aan onder meer [medeverdachte 4] (via ‘stalesnail@ [communicatiedienst 1] .com’) weten dat zijn vader weer in het Maxima-ziekenhuis in Veldhoven was opgenomen, met hoofdletsel en dat zijn vader weer ladderzat was. Volgens de politie bleek op die avond [medeverdachte 6] ’ vader te zijn binnengebracht bij het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven. Op 23 maart 2020 stuurde ‘vw-new’ in een chatsessie met een andere [communicatiedienst 1] -gebruiker een foto vanuit een rijdende auto, waarop een deel van een dashboard waarneembaar is, met de mededeling dat het lekker rustig is op de weg. Dit impliceert dat ‘vw-new’ op dat moment in die auto reed. Het dashboard op die afbeelding is door de politie vergeleken met het dashboard van de in het onderzoek 26Alston onder [medeverdachte 6] inbeslaggenomen auto en beide dashboards komen volgens de politie overeen gelet op typische overeenstemmende kenmerken, hetgeen impliceert dat de foto is gemaakt vanuit die auto waarin ‘vw-new’ op dat moment reed. Dat [medeverdachte 6] later heeft verklaard dat dit de auto was van zijn in België woonachtige broer, doet aan die bevindingen dat het ‘vw new’ was die het bericht stuurde vanuit die auto, niets af. Het was ook ‘vw-new’ die in een chat met ‘realsand’ (hof: [medeverdachte 7] ) sprak over de grenzen België/Nederland en dat ‘vw-new’ zijn broer “gisteren” nog had meegesmokkeld, hetgeen duidt op smokkelen over de grens van de broer van ‘vw-new’. Zoals hiervoor reeds vermeld betrof Martijn [medeverdachte 6] de in Hasselt (België) woonachtige broer van [medeverdachte 6] . Het contact tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] gaat veel verder terug in de tijd dan voormeld chatbericht via [communicatiedienst 1] , want al in februari 2019 werden zij in elkaars gezelschap aangehouden in een voertuig met goederen geschikt voor de productie van synthetische drugs. Verder is er een chatgesprek met als deelnemer ‘vw-new’ in mei 2020 over een “Impalla”, die ‘vw-new’ hoopte snel bij zich te hebben. Uit de context van deze chat heeft de politie afgeleid dat het om een Amerikaanse oldtimer van het merk Chevrolet type Impala ging en uit politienaspeuringen bleek dat [medeverdachte 6] vanaf 12 juni 2021 een Chevrolet Impala op zijn naam had staan, die op 2 juli 2020 reeds in Nederland was ingevoerd en volgens de importeur kort daarna was verkocht aan een man uit Brabant die pas later het kenteken had laten overschrijven. Ook chatte ‘vw-new’ met [communicatiedienst 1] -gebruiker ‘ooievaar’ (een account dat door het hof wordt toegeschreven aan [medeverdachte 5] ) over het nu zijn van “een echte volvo-bezitter” en bleek uit onderzoek dat [medeverdachte 6] op 14 mei 2020 een Volvo op naam had. Ook spraken ‘vw-new’ en ‘ooievaar’ voor 15 mei 2020 af bij “shugard” op de ‘ [adres 10] ’ en bleek [medeverdachte 6] bij Shurgard in Eindhoven op genoemd adres een autostalling te huren. Het contact tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] is voortgezet, daar [medeverdachte 6] op 17 maart 2021 in een bestelbus reed op naam van [medeverdachte 5] , beiden op 30 maart 2021 [verdachte] bezochten en zij ook op 17 augustus 2021 met z’n tweeën op pad waren. Ook stuurde [medeverdachte 5] als gebruiker van het [communicatiedienst 1] -account ‘ooievaar’ via [communicatiedienst 1] op 17 april 2020 een foto van (volgens de politie) [medeverdachte 6] , die zoals het hof waarneemt, een geopende bierfles in zijn linkerhand vasthoudt en twee bierflessen voor zich heeft staan op een tafel. Het contact van [medeverdachte 5] reageerde daarop dat ‘ooievaar’ ( [medeverdachte 5] ) dan maar bij “vw” moest blijven pitten, aangezien [medeverdachte 5] volgens dat contact dronken was (“met zijn zatte kloten”) en zo nog een heel stuk naar huis moest rijden. Gelet op de inhoud van het bericht in de context van de foto, heeft het er alle schijn van dat [medeverdachte 5] zich op dat moment bij ‘vw-new’ die op die foto stond, bevond en daar op advies van zijn [communicatiedienst 1] -contact moest blijven slapen.

Gelet op al deze aanwijzingen in onderling verband en samenhang bezien, die onmiskenbaar en louter wijzen in de richting van [medeverdachte 6] als zijnde ‘vw-new’, is het hof van oordeel dat vw-new [medeverdachte 6] betreft.

Identificatie [medeverdachte 6] als [communicatiedienst 1] -Chat gebruiker ‘balr.vw@ [communicatiedienst 1] .com’

Een van de gebruikers van [communicatiedienst 1] bleek voorts te zijn ‘balr.vw’. Deze was volgens de politie actief van 15 mei 2020 tot en met 13 juni 2020. In het oog springt dan ook een tot het bewijs gebezigd [communicatiedienst 1] -gesprek van die eerste dag tussen (de door het hof als zodanig geïdentificeerde) [medeverdachte 5] als ‘ooievaar’ en aldus [medeverdachte 6] als ‘vw-new’ van 15 mei 2020 waarin [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] berichtte “je hangt vast met je nieuw nr” en een minuut later “Krijg niks getypt bij balr”. Vast staat zoals hiervoor vermeld dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] elkaar kenden en in elkaars gezelschap zijn gezien door de politie en zij hadden het in voormeld chatgesprek precies op die 15e mei 2020 én over een nieuw nummer van [medeverdachte 6] én in dat verband over “balr”. Voorts blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ‘balr-vw’ dezelfde contacten had als ‘vw-new’ en daarmee chatte als ‘balr-vw’ nadat het ‘vw-new’-account buiten gebruik was. Zo waren er contacten met [medeverdachte 7] als ‘realsand’, [verdachte] als ‘amigotje’, [medeverdachte 5] als ‘ooievaar’ en [medeverdachte 4] als ‘stalesnail’. Tot slot worden de letters ‘vw’ in deze gebruikersnaam herhaald, zoals voormeld, mogelijk duidende op Valkenswaard, zijnde de woonplaats van [medeverdachte 6] . Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat ook ‘balr-vw’ moet worden toegeschreven aan [medeverdachte 6] als gebruiker van deze accountnaam.

Identificatie [medeverdachte 8] (Henk) A. [medeverdachte 8] als [communicatiedienst 1] -Chat gebruiker ‘robijntje@ [communicatiedienst 1] .com’

Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘robijntje@ [communicatiedienst 1] .com’ via [communicatiedienst 1] berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘robijntje’ tot Henk (een roepnaam in het dagelijks spraakgebruik voor ‘ [medeverdachte 8] ’, zoals hiervoor reeds is overwogen) [medeverdachte 8] als gebruiker is te herleiden. De chat-ID ‘robijntje’ was actief van 20 maart 2020 tot en met 2 juni 2020. [medeverdachte 8] hield zich bezig met goederenvervoer en woonde in een woning op het adres [adres 11] op welk adres tot en met 29 januari 2019 zijn – inmiddels blijkens het politieonderzoek op 6 december 2020 overleden – vaders bedrijf [bedrijf 2] was gevestigd. [medeverdachte 8] heeft samen met zijn ex-partner Inge Bogaerts een zoontje genaamd Ryan [medeverdachte 8] , geboren op [geboortedag 1] 2014. Achter deze woning ligt een eigen crossbaan. Op 6 april 2020 stuurde ‘robijntje’ naar de door het hof als [medeverdachte 7] geïdentificeerde gebruiker van ‘realsand’ een foto van een Duitse bekeuring voor een inhaalverbod en snelheidsovertreding op naam van [medeverdachte 8] met diens geboortedatum en adres. Op 7 mei 2020 stuurde ‘robijntje’ via [communicatiedienst 1] het bericht “Met kids ff crosse hier”. Op 31 mei 2020 berichtte ‘robijntje’ via [communicatiedienst 1] ‘ooievaar’ “Ander autotje gehaald gister” en op de vraag van ‘ooievaar’ wat voor auto, antwoordde ‘robijntje’ een “Mini cooper” “2008”, waarna de politie vaststelde dat op 30 mei 2020 een Mini Cooper, bouwjaar 2008, op naam van [medeverdachte 8] moeder was gezet en tijdens het onderzoek 26Alston was gebleken dat het [medeverdachte 8] was die van die Mini Cooper gebruik maakte. Voorts bleek uit diverse chats via het [communicatiedienst 1] dat ‘robijntje’ actief was met vrachtwagentransporten. Het hof oordeelt dat ‘robijntje’ Henk [medeverdachte 8] betreft.

Identificatie [medeverdachte 8] (Henk) A. [medeverdachte 8] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘KA18T8’

Een van de contacten van [communicatiedienst 2] -account 2E0T9P, dat hiervoor is geïdentificeerd als [medeverdachte 1] , bleek [communicatiedienst 2] -account KA18T8. Dit [communicatiedienst 2] -account KA18T8 was actief, na de hack van [communicatiedienst 1] , in de periode van 14 juni 2020 tot en met 2 januari 2021. Het hof stelt vast dat de gebruiker van dit [communicatiedienst 2] -account KA18T8 wederom [medeverdachte 8] betrof, daar via [communicatiedienst 2] berichten zijn verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie die tot [medeverdachte 8] als gebruiker zijn te herleiden. Zo gaf ‘KA18T8’ zodanige instructies hoe een [communicatiedienst 2] -contact bij KA18T8 thuis kon komen, te weten “dhl-depot Eersel”, “Stokkelen”, “zat kringloopwinkel”, “weg Bergeijk-Eersel camping paal rechts dan stukje verder rechts dhl”, “dan door die poort naar binnen rijden” dat dit onmiskenbaar duidde op het thuisadres van [medeverdachte 8] [adres 11] ), waar op nummer 62 een Kringloopwinkel zat en op nummer 64-66 een DHL-servicepunt. Op 30 juni 2020 chatte ‘KA18T8’ met [medeverdachte 7] als ‘SDMFKQ’ via [communicatiedienst 2] over het ophalen van en wegbrengen naar school van zijn kleine, hetgeen past bij het feit dat [medeverdachte 8] zoontje op dat moment bijna zes jaar oud en schoolgaand was. Dit zoontje heeft [medeverdachte 8] samen met zijn ex-partner Inge Bogaerts en op dat feit sluit dan weer een chatgesprek aan tussen ‘KA18T8’ en [medeverdachte 7] als ‘SDMFKQ’ op 21 juli 2020, waarin ‘KA18T8’ een screenshot van een WhatsAppgesprek met het contact ‘Inge Ex’ stuurt naar [medeverdachte 7] , in welk gesprek het gaat over een last-minutevakantie en een (negatief) reisadvies voor Kroatië in verband met het toentertijd rondwarende coronavirus en de optie Mallorca. Dat het WhatsAppgesprek tussen [medeverdachte 8] en zijn ex-partner plaatsvond, concludeert het hof uit de direct op het screenshot volgende berichten via [communicatiedienst 2] , waarin ‘KA18T8’ met [medeverdachte 7] als ‘SDMFKQ’ laat weten “moest ff antwoorden”, duidend op zijn reacties als weergegeven in het screenshot.

Identificatie [medeverdachte 8] (Henk) A. [medeverdachte 8] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘O5JRHN’

Het hof oordeelde hiervoor reeds dat de gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘KA18T8’ Henk [medeverdachte 8] betrof. Dat account ontving op [geboortedag 2] 2020 via [communicatiedienst 2] het bericht met de volgende inhoud: “Heb voor jou hier nieuwe tel klaar”. Vervolgens stelde de politie vast dat dezelfde reseller die [communicatiedienst 2] -account ‘KA18T8’ (met de zelfgekozen nickname ‘Malibu’) had geactiveerd, op 27 december 2020 ook [communicatiedienst 2] -account ‘O5JRHN’ (met dezelfde zelfgekozen nickname ‘Malibu’) had geactiveerd en het diezelfde reseller was (met [communicatiedienst 2] -account ‘20DAE8’) die [medeverdachte 8] drie dagen later berichtte zijn nieuwe telefoon klaar te hebben. Dat account ‘O5JRHN’ was vervolgens aldus actief van 27 december 2020 tot en met 11 februari 2021. Dat het [communicatiedienst 2] -account ‘O5JRHN’ door [medeverdachte 8] werd gebruikt, vindt verder bevestiging in een chatgesprek van 10 februari 2021 tussen ‘O5JRHN’ met [medeverdachte 7] als ‘SDMFKQ’ waarin ‘O5JRHN’ laat weten zo goed als thuis te zijn en effe een keer de kleine op te halen van school. Vervolgens vindt nog een gesprek plaats tussen ‘O5JRHN’ en [medeverdachte 7] als ‘SDMFKQ’ waarin ‘O5JRHN’ opties noemt die in relatie staan tot het perceel waar [medeverdachte 8] woont, waaronder “bij mij onder afdak” en “voor bij de winkel” en “zal truck gewoon achteruit zetten dat je niet in kan”. Wat dit laatste betreft zijn de uitgekeken camerabeelden van camera’s op [medeverdachte 8] perceel aan de [adres 11] relevant, want daarop is door de politie waargenomen dat er een trailer geparkeerd stond met de achterzijde tegen de bosjes en die trailer incidenteel door [medeverdachte 8] met een truck naar voren werd verplaatst (van de bosjes vandaan, waardoor de trailer naar voren reed), zodat de laadklep van die trailer openging. Dit alles leidt ertoe dat het hof concludeert dat Henk [medeverdachte 8] in navolging van [communicatiedienst 2] -account ‘KA18T8’ ook de gebruiker was van [communicatiedienst 2] -account ‘O5JRHN’.

Identificatie [medeverdachte 2] J.G. [medeverdachte 2] als [communicatiedienst 1] -Chat gebruiker ‘imposingcardinal@ [communicatiedienst 1] .com’ en als gebruiker van [communicatiedienst 2] -accounts ‘D1NNV7’ en ‘IWP9QD’

In het onderzoek 26Alston bleek dat de gebruiker van het [communicatiedienst 1] -account ‘imposingcardinal@ [communicatiedienst 1] .com’ door zijn [communicatiedienst 1] -contacten was opgeslagen onder diverse namen, waaronder ‘chafeur van amigo’, ‘zwager amigo’ en ‘amigotje zwager’. Deze namen hebben gemeen dat daarvan deel uitmaakt ‘amigo(tje)’ en ook is meermalen de combinatie met ‘zwager’ gemaakt. De hiervoor als [verdachte] geïdentificeerde [communicatiedienst 1] -gebruiker ‘amigotje’ was op zijn beurt ook een van de contacten van ‘imposingcardinal’ en had hem opgeslagen als contact onder de naam ‘vlugge japie’. Via de [communicatiedienst 2] -contacten van de aan [verdachte] toegeschreven [communicatiedienst 2] -accounts ‘8E8O5C’ en ‘5WSQ7D’ en daarbij behorende zelfgekozen nicknames en resellers stuitte de politie wederom op de nickname ‘Vlugge Japie’, waarvan gebruik werd gemaakt door [communicatiedienst 2] -account ‘D1NNV7’, alsmede op de nickname ‘Vlugge Japie 2.0’, waarvan gebruik werd gemaakt door [communicatiedienst 2] -account ‘IWP9QD’. Voorts bleek dat beide [communicatiedienst 2] -accounts dezelfde reseller ‘ [betrokkene 7] ’ hadden.

Uit de historische verkeersgegevens van het SIM-kaartnummer behorend bij [communicatiedienst 2] -account ‘D1NNV7’ bleek dat dit actief was van 13 juni 2020 tot en met 2 januari 2021 en uit de historische verkeersgegevens van het IMEI-nummer behorend bij [communicatiedienst 2] -account ‘IWP9QD’ bleek dat dit actief was vanaf 14 november 2020. In de nachtelijke uren straalde het toestel met het [communicatiedienst 2] -account ‘IWP9QD’ een zendmast aan in Valkenswaard. [verdachte] stuurde als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘8E8O5C’ in een chatgesprek met [medeverdachte 7] als gebruiker van [communicatiedienst 2] -account ‘SDMFKQ’ op 11 augustus 2020 een adres in Valkenswaard, te weten [adres 12] Ook was het [verdachte] die met dat account op 19 augustus 2020 via [communicatiedienst 2] berichtte dat hij zijn zwager de kant van het contact op zou sturen om iets op te halen en dat zijn zwager van Valkenswaard kwam. Op 26 november 2020 was het wederom [verdachte] die via [communicatiedienst 2] met zijn account ‘8E8O5C’ in relatie tot zijn zwager berichtte dat een grijze BMW 3-serie touring zou komen en op 1 en 8 maart 2021 was het [verdachte] inmiddels als gebruiker van het [communicatiedienst 2] -account ‘5WSQ7D’ die [communicatiedienst 2] -accountgebruiker 1DBE5U, geïdentificeerd als [medeverdachte 1] , via [communicatiedienst 2] liet weten dat hij, [verdachte] , zijn zwager “voorreed naar Adam”, waaruit het hof afleidt dat [verdachte] net als zijn zwager naar Amsterdam zou gaan en zijn zwager als het ware (op afstand) zou begeleiden bij beide ritten. Het op dat moment door het onderzoeksteam 26Alston van een peilbaken voorziene voertuig van [verdachte] bleek op beide data naar Amsterdam te zijn gereden via de A2. Gelet op de inhoud van de chatgesprekken over het “voorrijden naar Adam” zijn de ANPR-gegevens opgevraagd van de voertuigen die binnen een kwartier na het voertuig van [verdachte] de ANPR-camera op de A2 passeerden. Daar kwam één kenteken uit dat in de bevraagde tijdvakken, vier keer, de camera was gepasseerd. Dit kenteken stond op naam van [medeverdachte 2] , die overigens tot 6 januari 2021 een BMW320D Touring op zijn naam had staan. Deze [medeverdachte 2] bleek in het verleden op het eerder door [verdachte] in een chatgesprek genoemde adres [adres 12] in Valkenswaard ingeschreven te hebben gestaan, waar – na raadpleging van de BRP – ook de halfzus van [verdachte] en haar dochters, waaronder [betrokkene 11] [medeverdachte 2] , bleken te staan ingeschreven. Hoewel [medeverdachte 2] inmiddels in Almere stond ingeschreven, verbleef hij volgens de politie nog steeds bij zijn gezin op genoemd adres in Valkenswaard. Gelet op dit alles was [medeverdachte 2] niet alleen aan te merken als “zwager” van [verdachte] , maar bleek aldus ‘vlugge japie (2.0)’ zoals [verdachte] zijn zwager noemde, te herleiden tot [medeverdachte 2] , die aanvankelijk net als [verdachte] gebruik maakte van [communicatiedienst 1] en nadien van [communicatiedienst 2] . Het hof is dan ook van oordeel dat deze bevindingen leiden tot de conclusie dat de ‘chafeur van amigo’, ‘zwager amigo’ en ‘amigotje zwager’ (evenals dus ‘vlugge japie’) de contactnamen betroffen van de [communicatiedienst 1] gebruiker ‘imposingcardinal’, zijnde [medeverdachte 2] en dat deze [medeverdachte 2] zich na de hack van [communicatiedienst 1] bediende van de [communicatiedienst 2] -accounts ‘D1NNV7’ en ‘IWP9QD’.

Identificatie [medeverdachte 5] (Henk) A.E. [medeverdachte 5] als [communicatiedienst 1] gebruiker ‘ooievaar@ [communicatiedienst 1] .com’

Het hof stelt vast dat de gebruiker van ‘ooievaar@ [communicatiedienst 1] .com’ via [communicatiedienst 1] berichten heeft verzonden én ontvangen met zodanig concrete informatie dat ‘ooievaar’ tot Henk [medeverdachte 5] als gebruiker is te herleiden. Op 17 april 2020 bevond ‘ooievaar’ zich op [communicatiedienst 1] en stuurde ‘ooievaar’ vijf foto’s met daarop een of meer personen, berichtte ‘ooievaar’ met 3 man te zijn en chatte ‘ooievaar’ “bij Robijntje op de plaats” te zijn. Het contact van ‘ooievaar’ in dat gesprek gaf te kennen aan ‘ooievaar’ “Dan blijf je maar bij vw” pitten. Zoals hiervoor reeds uiteengezet deelt het hof de bevindingen van de politie voor wat betreft de identificaties van ‘vw’ als [medeverdachte 6] uit Valkenswaard en ‘robijntje’ als [medeverdachte 8] uit Eersel. De politie heeft de vijf foto’s bekeken en meent op die foto’s naast [medeverdachte 5] ook zowel [medeverdachte 6] als [medeverdachte 8] te herkennen. In dat verband hecht het hof er nog waarde aan dat uit het chatgesprek van ‘ooievaar’ lijkt te volgen dat de foto’s bij ‘robijntje’ en aldus [medeverdachte 8] zijn gemaakt en dat zeer wel lijkt te kloppen, nu het hof op de foto’s waarneemt dat het typische diagonale tweekleurige legverband van de terras/verandavloer alsmede de typische houten balkenbalustrade in kruisvorm daadwerkelijk zeer sterke overeenkomsten vertonen met eenzelfde type vloer en balustrade als waarneembaar op de camerabeelden bij [medeverdachte 8] woning (de veranda is dan in gebruik als serre). Op 20 april 2020 chatte ‘ooievaar’ via [communicatiedienst 1] met een contact dat ‘ooievaar’ bij zich thuis uitnodigde en desgevraagd naar het adres, antwoordde ‘ooievaar’ met “Leutherweg maat”. Het hof stelt vast dat ‘ooievaar’ hiermee als adres de straat van het BRP-adres van [medeverdachte 5] doorgaf. Op 30 april 2020 werd ‘ooievaar’ door meerdere contacten gefeliciteerd met zijn dochter/dame, waaronder door de hiervoor als [medeverdachte 7] geïdentificeerde [communicatiedienst 1] -gebruiker ‘realsand’. Desgevraagd door een contact antwoordde ‘ooievaar’ dat ze “23” is geworden. Uit de BRP-gegevens blijkt dat [medeverdachte 5] twee dochters heeft, waarvan de jongste [betrokkene 12] [medeverdachte 5] op 30 april 2020 jarig was. [betrokkene 12] werd toen 23 jaar. Op 2 mei 2020 liet ‘ooievaar’ weten “morgen komt haagse familie langs”, terwijl uit de BRP blijkt dat [medeverdachte 5] geboren is in Den Haag. Die familie kwam langs in verband met de verjaardag van ooievaars jongste dochter en dat die verjaardag als gevolg van de coronabeperkingen verspreid over vier dagen werd gevierd. Diezelfde jongste dochter van ‘ooievaar’ bleek ook betrokken bij een steek-/bijtincident in de nacht van 2 april 2020, van welk incident [betrokkene 12] [medeverdachte 5] op [geboortedag 12] 2020 aangifte deed. Over dit incident chatte ‘ooievaar’ met de als ‘vw-new’ geïdentificeerde [medeverdachte 6] en de als ‘realsand’ geïdentificeerde [medeverdachte 7] en aan laatstgenoemde stuurde ‘ooievaar’ nog een op een nieuwssite geplaatst artikel. Gelet op al deze concrete en duidelijke aanwijzingen oordeelt het hof dat ‘ooievaar’ de gebruikersnaam van [medeverdachte 5] (Henk) [medeverdachte 5] betrof als gebruiker van ‘ooievaar’.

Identificatie [medeverdachte 5] (Henk) A.E. [medeverdachte 5] (als [communicatiedienst 1] gebruiker ‘ooievaar’) als ‘Hok’

Hiervoor zijn reeds een groot aantal identificaties besproken. Zo leidde de identificaties van ‘vw-new’ en ‘balr.vw’ naar [medeverdachte 6] , de identificatie van ‘stalesnail’ naar [medeverdachte 4] en die van ‘realsand’ naar [medeverdachte 7] . Ook blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de [communicatiedienst 1] -naam ‘ [betrokkene 7] -’ kan worden toegeschreven aan de op 12 mei 2020 overleden [medeverdachte 3] J.M.M. [medeverdachte 3] en na diens overlijden aan zijn dochter [betrokkene 13] , die ‘ooievaar’ had opgeslagen als ‘hok’. Uit het onderzoek 26Alston kwam steeds ‘ [betrokkene 7] -’ als de reseller van de pgp-telefoons/accountactivator naar voren. Al deze contacten van ‘ooievaar’ waarover hiervoor reeds is overwogen dat die [communicatiedienst 1] -naam werd gebruikt door [medeverdachte 5] , hebben ‘ooievaar’ de nickname/bijnaam ‘hok’ gegeven, althans ‘vw-new’ gaf hem ‘hok1’. Ook uit een [communicatiedienst 1] -gesprek tussen [medeverdachte 8] als ‘robijntje’ en [medeverdachte 7] als ‘realsand’ op 6 april 2020 blijkt dat met ‘hok’ een persoon werd bedoeld als [medeverdachte 7] hem chatte “Overleg ff met hok aub”. Datzelfde blijkt uit meerdere in dit onderzoek ontsleutelde chatsessies waaronder die op 8 juni 2020 tussen [medeverdachte 6] als ‘balr.vw’ en [verdachte] als ‘amigotje’ toen ‘Balr.vw’ ( [medeverdachte 6] ) chatte “Ik moest van hok vragen als je 15k had en dan zal die zo meteen laten zien waar voor”, waarop ‘amigotje’( [verdachte] ) reageerde met “Als hij dat met ouwe besproken heeft dan wel”. Ook hier werd met ‘hok’ evident een persoon bedoeld. Gelet hierop alsmede gelet op deze nickname/bijnaam die door de contacten van ‘ooievaar’ aan hem zijn gegeven, werd naar ’s hofs oordeel met ‘hok’ steeds [medeverdachte 5] (Henk) [medeverdachte 5] bedoeld.
<nr>1</nr>Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier 2, de export van cocaïne) 1.1.
Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 1 tenlastegelegde, kort gezegd de uitvoer van cocaïne, wettig en overtuigend bewezen.
1.2.
Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van feit 1, de export van cocaïne, bepleit dat het hof tot vrijspraak zou moeten komen omdat niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk cocaïne is uitgevoerd. De combinatie van de termen blokken, camels, ladies, de foto’s in de chats, de berekening in de chats en het aanvullend proces-verbaal met 2 vergelijkbare zaken leveren naar mening van de verdediging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dat er in deze zaak cocaïne is uitgevoerd naar Engeland. De term “blokken” en het gebruik van vacuümzakken rechtvaardigen niet zonder meer de conclusie dat het in deze zaak daadwerkelijk om cocaïne gaat. Het is bovendien geen feit van algemene bekendheid dat enkel cocaïne in blokken wordt verhandeld. Het hof moet naar het oordeel van de verdediging een te grote stap zetten om op basis van stempels in 2 andere onderzoeken tot eenzelfde vaststelling (namelijk dat er sprake is van export van cocaïne) in onderhavige zaak te komen. De enkele verwijzing naar 2 andere onderzoeken is geen representatief aantal bij een mega databank van vonnissen en arresten in relatie tot cocaïne die jaarlijks worden gepubliceerd. In de zaak 26Alston is er geen sprake van een bekennende verklaring over de export van cocaïne. Voorts is er geen sprake van inbeslagname van de geëxporteerde goederen en is er aldus geen test van inbeslaggenomen cocaïne. Daar komt bij dat er in de zaak 26Alston geen sprake is van duidelijk en ondubbelzinnig taalgebruik in chats over cocaïne.

De raadsman concludeert dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt hetgeen tot vrijspraak moet leiden van feit 1 de export van cocaïne naar Engeland. Het aanvullend proces-verbaal bevat de nodige gebreken en de getrokken conclusies kunnen niet door het hof worden getoetst omdat slechts zeer beperkte informatie is verwerkt en verbalisanten geen opheldering hebben kunnen geven over het door hun gedane onderzoek.
1.3
Oordeel hof

Na het vonnis in eerste aanleg, waarbij een vrijspraak volgde van het medeplegen van de uitvoer van cocaïne, is er een ‘aanvullend proces-verbaal van bevindingen t.b.v. zaaksdossier 02 Export 106 kilo cocaïne en ondergronds bankieren’ d.d. 6 juni 2023 opgemaakt met vijf bijlagen. Tevens zijn de twee verbalisanten die het aanvullend proces-verbaal hebben opgemaakt ter zake van dit feit als getuigen in hoger beroep gehoord.

Het hof betrekt deze nieuwe informatie bij de beoordeling van het reeds in eerste aanleg voorhanden zijnde eindproces-verbaal van het onderzoek 26Alston en overweegt als volgt.

In de eerste plaats merkt het hof op dat in de overwegingen omtrent de identificatie reeds is vastgesteld van welke [communicatiedienst 1] -accounts, [communicatiedienst 2] -accounts en/of [communicatiedienst 3] -accounts [verdachte] en zijn medeverdachten gebruik maakten. In de weergave van de gesprekken/chats zijn voor de duidelijkheid daarom hieronder niet de accountnamen, maar de namen van de geïdentificeerde verdachten genoemd.

Met de rechtbank stelt het hof vast dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en (de inmiddels overleden) Theo [medeverdachte 3] naast anderen betrokken waren bij de export vanuit Nederland van verdovende middelen naar het Verenigd Koninkrijk, waarbij het om miljoenen euro’s ging.

Het bewijs voor hun betrokkenheid destilleert het hof uit het ontsleutelde berichtenverkeer. Daaruit blijkt namelijk het volgende.

In het eerste kwartaal van 2020 bleek van contact in de Engelse taal tussen de [communicatiedienst 1] -gebruikers ‘jabbadehut’ en ‘vladooo’. Uit het berichtenverkeer tussen deze twee [communicatiedienst 1] -gebruikers leidt het hof af dat ‘vladooo’ internationale transporten regelde met het daarbij behorende papierwerk. Met een dergelijk – naar de uiterlijke verschijningsvorm legaal – transport werden evenwel verdovende middelen over de grens gesmokkeld. ‘Vladooo’ leek aan zo’n illegaal transport de voorwaarde te stellen dat het én om een goede lading “good stuff” moest gaan én om sluitend papierwerk “all papers must be perfect”, waarmee de te smokkelen lading verdovende middelen kon worden gemaskeerd. ‘Vladooo’ liet overigens weten dat hij over geweldig transport beschikte, omdat hij al meer dan twee jaar transporteerde en zelfs met een scan van een transport met 46 stuks smokkelwaar aan boord, niets was ontdekt. Volgens ‘vladooo’ had hij een “golden egg” en achtte ‘vladooo’ naast een goed transport de juiste personen van belang, waarbij hij duidde op ‘jabbadehut’, zichzelf en ‘P’. Het hof begrijpt dat ‘vladooo’ met ‘P’ doelde op [medeverdachte 1] , waarover later meer.

Transport april 2020

‘Jabbadehut’ informeerde eind maart/begin april 2020 bij herhaling bij ‘vladooo’ naar een transportmogelijkheid. Echter, door het coronavirus en alle beperkingen/maatregelen die daarbij hoorden, behoefden eenmaal gemaakte plannen (voor wat betreft locatie, datum en tijdstip) klaarblijkelijk steeds bijstelling. Zo werd het in plaats van 7 april 2020, 9 april 2020 dat een transport vanuit Nederland kon vertrekken. Uiteindelijk lukte het om de verdovende middelen in Nederland te laden en werden deze in het Verenigd Koninkrijk op [geboortedag 8] 2020 ontvangen.

[medeverdachte 1] , die toentertijd op de Seychellen verbleef, wist van de hoed en de rand voor wat betreft dit transport. [medeverdachte 1] had rechtstreeks contact met ‘jabbadehut’ over het transport naar het Verenigd Koninkrijk van ‘camels’. Zij maakten met elkaar de plannen en voor de uitvoering van die plannen in Nederland verwees [medeverdachte 1] ‘jabbadehut’ naar ‘Dallas’.

Ook [verdachte] had rechtstreeks contact met ‘jabbadehut’ over ditzelfde transport. Zij communiceerden over geld (“the paper”/“pap”) en de financiële afwikkeling met behulp van een token. ‘Jabbadehut’, ‘vladooo’, [medeverdachte 1] en [verdachte] hadden duidelijk al eerder met elkaar samengewerkt en contact gehad, zo blijkt uit de bewijsmiddelen bij dit feit. [verdachte] betrok [medeverdachte 3] bij de financiële administratie, hij was immers de boekhouder, die op zijn beurt dan ook volledig op de hoogte bleek van de transacties en de bedragen die daarin omgingen. Er werd gebruik gemaakt van tokens en [verdachte] regelde een rol voor zijn zwager. Zijn zwager [medeverdachte 2] haalde geld op, zoals bij een “wisselaar” in Amsterdam, en was daarmee onderweg. Ook was het [verdachte] die ervoor zorgde dat de verdovende middelen ingepakt werden, daarbij geholpen door [medeverdachte 2] , voor het transport naar het Verenigd Koninkrijk.

Meer in het bijzonder bleek uit het ontsleutelde berichtenverkeer het volgende. Op 31 maart 2020 vroeg ‘jabbadehut’ aan ‘vladooo’ “Do you know what day will be pick up in nl?” waarop ‘vladooo’ antwoordde “Is very difficult with work to UK cuz fucking corona and normal things don’t go. Lot of fabrics are close and some products are not necessary any more. I think this weekend”. Zij hielden contact en op [geboortedag 12] 2020 liet ‘vladooo’ weten “Driver wrote that he will come around 21 oclock tmrw”, waarop ‘jabbadehut’ vroeg “Nl or UK?”, waarop het antwoord van ‘vladooo’ was “NL brother” en “next day UK”.

Op 6 april 2020 was er contact via [communicatiedienst 1] tussen ‘jabbadehut’ en [verdachte] , waarbij ‘jabbadehut’ liet weten “We have to pass the last 40 camels. At 21.00 tomorrow. I think P told me you seen the tp last time is that correct”. Ook [medeverdachte 1] en ‘jabbadehut’ hadden die ochtend contact waarbij ‘jabbadehut’ schreef “Vladdoo wants us to pass camels round 20.00 tom night by rotterdam”. [medeverdachte 1] schreef aan ‘jabbadehut’ dat hij dit moest vragen aan ‘Dallas’, zijnde – zo concludeert het hof uit de bewijsmiddelen – de door ‘jabbadehut’ opgeslagen nickname voor het [communicatiedienst 1] -account ‘amigotje@ encrochat .com’ ( [verdachte] ), waarop ‘jabbadehut’ aan [medeverdachte 1] schreef dat ze bezorgd waren over het tijdstip dat het transport op de weg zou zijn en of het mogelijk was om een “stash car” te lenen, waarop [medeverdachte 1] liet weten een “stash car” te hebben. Echter volgens ‘jabbadehut’ had ‘Dallas’ hem, ‘jabbadehut’, al laten weten dat de door [medeverdachte 1] bedoelde “stash car” te klein was voor de lading, waarop ‘jabbadehut’ naar [medeverdachte 1] een foto stuurde van een Engelse ambulance die zij tijdens kantooruren zouden gebruiken als “stash car” voor de te ontvangen lading. Buiten kantooruren zouden zij gebruik maken van een busje, waarbij de chauffeur was voorzien van een brief van de overheid met toestemming om te rijden buiten die tijden. Nadat [medeverdachte 1] geen alternatief leek te hebben voor de “stash car”, stelde hij in de namiddag aan ‘jabbadehut’ voor dat de locatie zou worden verplaatst en het tijdstip zou worden vervroegd. Diezelfde middag stuurde [verdachte] een chatconversatie door aan [medeverdachte 3] die eerder die dag tussen [medeverdachte 1] en ‘jabbadehut’ plaatsvond, waarop [medeverdachte 3] aan [verdachte] vroeg “Moet je 40 blokken over geven” met als reactie van [verdachte] “Ja eerst inpakken morgen middag” “om 20.00u im Rotterdam aan tp geven”. Een uur later vroeg [verdachte] aan [medeverdachte 3] of hij nog vacuüm zakken had van 30 bij 40 cm en dat hij ze morgenochtend zou ophalen. [medeverdachte 3] dacht “op zaak” nog zakken te hebben.

In de ochtend van 7 april 2020 liet [verdachte] aan ‘jabbadehut’ weten dat zij bezig waren met inpakken (“we are packing them now”) en dat zij binnen twee uur klaar zouden zijn. Die ochtend stemde ook ‘vladooo’ tegenover ‘jabbadehut’ ermee in dat op het door [verdachte] voorgestelde – en door ‘jabbadehut’ doorgestuurde – adres in Eersel [adres 13] , nabij Eindhoven, de “pass camels” kon plaatsvinden en aldus niet in Rotterdam. Om 10:20 uur stuurde [verdachte] nog aan [medeverdachte 3] “Heb die 40 voor TP ingepakt” met daarbij het bericht dat “als het goed is komt hij bij ons in de buurt laden zodat we vanavond niet naar Rotterdam hoeven”. Echter, later die 7e april volgden berichten dat het transport werd opgehouden in Duitsland. Blijkbaar was een probleem ontstaan bij het bedrijf in Duitsland en kon men als gevolg van corona daar niet lossen en werd ‘het’ voor vandaag gecanceld en zou het morgen (8 april 2020) of zelfs overmorgen (9 april 2020) worden. Het was ‘vladooo’ die ‘jabbadehut’ hiervan op de hoogte stelde en ‘jabbadehut’ communiceerde dit door aan [medeverdachte 1] .

Op 8 april 2020 om 05:36 stuurde ‘jabbadehut’ aan [medeverdachte 1] het bericht dat gisteren de ‘camels’ niet waren aangeboden voor het transport (“We did not pass camels yday”) en dat het hopelijk in de komende dagen zou zijn. Ook hield ‘jabbadehut’ [verdachte] op de hoogte. Die middag berichtte ‘jabbadehut’ aan [verdachte] dat het morgen, aldus 9 april 2020, zou worden.

Op 9 april 2020 om 19:22:27 stuurde [medeverdachte 1] aan ‘jabbadehut’ het bericht “camels droped”. ‘jabbadehut’ reageerde op het bericht van [medeverdachte 1] met de vraag “in NL U mean”, waarna [medeverdachte 1] een van [verdachte] ontvangen bericht doorstuurde naar ‘jabbadehut’ waarin [verdachte] meldde “Heb die 40 stuks aan to gegeven”. Het bericht dat [verdachte] die 40 stuks aan het – naar het hof uit de context van alle berichten begrijpt – transport had afgegeven, had [verdachte] aldus tevoren al naar [medeverdachte 1] gestuurd. Hierbij gaat het hof ervan uit dat sprake was van een tikfout en dat [verdachte] in lijn met alle eerdere berichten in plaats van “to” doelde op “tp”, zijnde de afkorting voor “transport”.

Op [geboortedag 8] 2020 om 10:07 uur stuurde ‘jabbadehut’ aan [medeverdachte 1] “We collect camel tom morning” en “camels are on are site”.

Verder zijn er nadien in april 2020 nog berichten tussen ‘jabbadehut’ en ‘vladooo’ uitgewisseld waarin zij chatten over mogelijke volgende transporten en dat een en ander ook met ‘P’ moest worden besproken. Dat ‘jabbadehut’ en ‘vladooo’ met ‘P’ [medeverdachte 1] bedoelden, volgt niet alleen uit de context van het berichtenverkeer en de deelname daaraan door [medeverdachte 1] , maar vindt overigens bevestiging in een chatconversatie tussen beiden op 15 en 16 april 2020. Het was ‘vladooo’ die voorstellen deed over volgende transporten en aan ‘jabbadehut’ vroeg “Let P call me pls”. Nadat ‘vladooo’ met ‘P’ zou hebben gesproken, liet hij ‘jabbadehut’ weten dat ‘P’ ook met hem wilde spreken en schreef hij over ‘P’ “Talk wit P pls and find out solution” “He is the boss” “I mean he decided what we do”. Toen ‘vladooo’ vervolgens informeerde of ‘jabbadehut’ al een oplossing had gevonden met ‘P’, antwoordde deze “His wife’s mother died so havnt message so much”. Medio mei 2020 vroeg ‘vladooo’ aan ‘jabbadehut’: “Send me Nick of P”, “His new [communicatiedienst 1] ” en “Give me his nickname”, waarop ‘jabbadehut’ reageerde met “toirtoise”. Gelet op deze inhoud in combinatie met de eerdere identificatie van [medeverdachte 1] als de gebruiker van het [communicatiedienst 1] -account ‘toirtoise@ encrochat .com’ en het overlijden van diens schoonmoeder op 14 april 2020 volgt uit het voorgaande dat met “P” steeds [medeverdachte 1] werd bedoeld.

Transport mei

Niet alleen [medeverdachte 1] had een tweede [communicatiedienst 1] -account, maar ook ‘jabbadehut’. Hij bediende zich ook van een tweede account: ‘lando-cal@ [communicatiedienst 1] .com’.

Op 29 mei 2020 vond tussen ‘lando-cal’ en [verdachte] contact plaats over een nieuw transport dat zou plaatsvinden de volgende ochtend om 04:45 uur. Dat tijdstip werd aan ‘lando-cal’ doorgegeven door ‘vladooo’, die weer het transport regelde. Dit tijdstip gaf [verdachte] ook door aan [medeverdachte 2] met het verzoek om hem, [verdachte] , te berichten als het was gelukt. Op 30 mei 2020 om 04:23 uur checkte [verdachte] of [medeverdachte 2] al wakker was en liet hij hem weten dat hij voor de zekerheid zijn wekker had gezet. [medeverdachte 2] liet weten al wakker te zijn en om 04:48 uur gaf hij door aan [verdachte] “heb afgegeven”.

Een aantal dagen later, op 5 juni 2020, meldde ‘lando-cal’ zich via [communicatiedienst 1] bij [verdachte] . Uit de inhoud van die berichten vanaf 17:30 uur kan worden afgeleid dat het transport inmiddels had plaatsgevonden en de verdovende middelen waren aangekomen. Het was ‘lando-cal’ die aan [verdachte] vroeg hoe ze het verschil konden zien tussen de “3 old ladies” en de “new 33 ladies”. [verdachte] schreef daarop dat dit alleen maar kon als ze geopend werden, dat hij er niet aan had gedacht en dat hij ervan uitging dat de tape er sowieso af zou worden gehaald. Het hof leidt hieruit af dat aan de gevacumeerde en dicht getapete verpakking van de verdovende middelen niet viel te zien wat erin zat en dat er klaarblijkelijk twee soorten waren geleverd, een eerdere variant en een nieuwe.

Een dag later op 6 juni 2020 vond berichtenverkeer plaats tussen ‘lando-cal’ en ‘frosty-hand@ [communicatiedienst 1] .com’. ‘lando-cal’ liet weten dat ze misschien alles open zouden moeten maken om vast te stellen welke de hunne waren. Waarop ‘frosty-hand’ vroeg waarom ze niet gemarkeerd waren zoals ze dat eerder deden, waarop ‘lando-cal’ reageerde “he forgot” en dat er maar 3 anders waren en dat op die 3 “TOP” zou staan. ‘frosty-hand’ stuurde daarop een drietal foto’s. Het hof neemt op de drie foto’s telkens waar een blok, twee zijn wit en steeds voorzien van een andere stempel/indruk of opdruk, waaronder een blok met daarop de ingedrukte letters “TOP” en een ander blok met het stempel in de vorm van het symbool dat volgens de politie is te linken aan DJ Marshmellow, hetgeen bij raadpleging door het hof van de openbaar toegankelijke bron op het internet “Google” zou betreffen de Amerikaans DJ Marshmello, zonder “w”. Het derde blok oogt nog niet uitgepakt, maar lijkt voorzien van een sticker met een tekening van een vuist met uitgestoken duim.

Op 9 juni werd door ‘lando-cal’ en [verdachte] gesproken over de betaling. [verdachte] liet weten dat ‘P’ ( [medeverdachte 1] ) hem de avond ervoor (8 juni 2020) had gemeld dat ‘lando-cal’ het geld gereed had (“P told me yesterday evening you have paper ready”) en hem, [verdachte] , had gevraagd of het geld al was opgehaald. ‘lando-cal’ gaf daarop een adres door en zij spraken af dat het dezelfde Nederlandse jongen zou zijn als de vorige keer en er werd een token voor de betaling gedeeld. Tevens werd een bericht doorgestuurd van ‘imposingcardinal’ ( [medeverdachte 2] ) met het tijdstip 13:25 uur. Ditzelfde bericht was ook terug te vinden in de contacten tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] . Hieruit leidt het hof af dat voor de levering van de 36 ladies op 5 juni 2020 werd betaald op 9 juni 2020. [medeverdachte 1] gaf opdracht aan [verdachte] om het geld te innen, waarvoor [verdachte] – zoals eerder – zijn zwager [medeverdachte 2] inzette.

Overzicht transporten (“jobs”)

Op 10 juni 2020 om 14:42 uur stuurde ‘lando-cal’ naar [medeverdachte 1] een overzicht. Naar het oordeel van het hof betreft dit een overzicht van betalingen en een overzicht van verschuldigde bedragen. Dat het gaat om enerzijds betalingen en anderzijds verschuldigde bedragen leidt het hof af uit de opsomming van cijfers, die zijn voorzien van euro-tekens “€” alsmede het teken voor het Britse pond sterling “£”, gevolgd door “@1.02”, betreffende de omrekenfactor van pond naar euro. Ook neemt het hof waar dat opgesomde bedragen worden gevolgd door “Dallas” en een cijfercombinatie die gelet op de weergave steeds lijkt te duiden op een betaaldatum in het verleden. Voorts neemt het hof waar de woorden “paid”, Engels voor “betaald, “owd” hetgeen het hof begrijpt als de Engelse spreektaal voor “verschuldigd zijn” als in “I owed you”, “next bill” als in “de volgende rekening” en “payments for previous bill” als in “betalingen voor de vorige rekening. Voorts staat er ook omschreven waar de betalingen op zagen. Zo staan er “ladies/cams” en “’24 ladies and 58 camels”.

Het hof concludeert het volgende.

Uit het bovenste deel van het overzicht volgt onder meer dat een bedrag van € 791.316 voor “ladies/cams” en een bedrag van € 1.047.380 voor “24 ladies en 58 camels” verschuldigd was met een totaalbedrag van € 1.828.696 (“total owd”). Daaronder staan 8 betalingen aan Dallas ( [verdachte] ) die plaatsvonden vanaf 21 februari tot en met 6 juni opgesomd alsmede een bedrag voor door Dallas betaalde (het hof begrijpt: PGP-)telefoons aan [betrokkene 7] (reseller [medeverdachte 3] ). Volgens het overzicht is hetgeen verschuldigd was, voldaan en is er nog een bedrag van € 166.500,- over dat van de volgende rekening afgetrokken zal worden.

Het hof merkt voorts op dat één van de betalingen aan Dallas zou dateren van 2 april en zou zien op een bedrag van € 164.400,-. Dat dit bedrag aan Dallas was betaald, vindt bevestiging in een [communicatiedienst 1] -bericht tussen ‘jabbadehut’ en [verdachte] op 2 april 2020. [verdachte] schreef hierin dat ‘ze’ het zojuist hadden opgehaald en noemde daarbij “166400”. Hierna berichtte [verdachte] aan [medeverdachte 3] dat “hij” zojuist pap had aangepakt van punk, waarbij met “hij” volgens het berichtenverkeer [medeverdachte 2] werd bedoeld. Dit valt ook af te leiden uit de berichten tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] dat hij er om 15.30 uur moest zijn. Hieruit leidt het hof af dat ook alle overige data in het overzicht zien op data in 2020, voorafgaande aan 10 juni 2020 (de dag waarop het overzicht werd verzonden).

Wat verder nog in het overzicht in het oog springt, is dat er onder de bovenste opsomming staat vermeld “2nd job TOPS”. Daaronder volgt dan een bedrag van € 651.840,- voor “24 ladies punk” waarop in mindering wordt gebracht een bedrag van € 166.500,- onder de vermelding van “over payments for previous bill”, welk bedrag correspondeert met het eerder genoemde bedrag dat van de volgende rekening zou moeten worden afgetrokken. Het totaal resterende bedrag van € 485.340 voor de nieuwe “TOPS” is volgens het overzicht verschuldigd aan Tony (“owd to tony off new TOPS”).

Het hof concludeert het volgende.

Deze tweede opsomming ziet aldus op een tweede “job”. Die term “job” begrijpt het hof als een tweede “klus” en die klus zag op “TOPS”, hetgeen impliceert dat er ook een eerste klus “TOPS” is geweest. In de context van alle bevindingen kan het niet anders zijn dan dat die klussen zagen op drugstransporten. Blijkens de omschrijving van het te betalen bedrag ging het bij die tweede klus “TOPS” om “24 ladies”, hetgeen impliceert dat “TOPS” werd gebruikt om iets te duiden en “ladies” werd gebruikt om daarmee iets náder te duiden.

Dan nog de onderste helft van dit overzicht, beginnend met “NOTE”, gevolgd door eerst een paar opmerkingen en dan een opsomming van bedragen met daarachter de omrekenfactor van pond naar euro.

Uit deze “NOTE” concludeert het hof dat hier wordt duidelijk gemaakt wat ten tijde van het verzenden van het overzicht (10 juni 2020) de stand van zaken was, zoals wie nog welk bedrag aan wie was verschuldigd, wat er nog moest worden verrekend, welk(e) bedrag(en) recent was/waren betaald en hoeveel er uiteindelijk onder de streep op dat moment nog verschuldigd was, te weten € 503.040,-. Zo zou “tony” nog “8250” verschuldigd zijn aan Dallas, omdat “I” (het hof begrijpt ‘lando-cal’) een bedrag van “250” bovenop “33 ladies” had berekend aan “tony”. Voorts zou “tony” nog een bedrag van “40435” verschuldigd zijn aan “German” vanuit een “oz job”, waarbij “oz” overigens ook reeds was vermeld als een “omschrijving” in het bovenste deel bij een bedrag.

Uit het totaalbeeld van dit overzicht concludeert het hof voorts dat het bij deze klussen, naar ’s hofs oordeel drugstransporten, steeds ging om grote geldbedragen, om tonnen aan euro’s per klus, en in totaal om miljoenen euro’s.

Voorafgaande aan dit overzicht van 10 juni 2020 stuurde dezelfde gebruiker als ‘lando-cal’ met zijn eerdere/andere [communicatiedienst 1] -account ‘jabbadehut’ op 28 april 2020 ook al een overzicht naar [medeverdachte 1] . In dat overzicht stonden 4 bedragen en data vermeld die gelijkluidend zijn aan 4 betalingen die terugkomen in dat latere overzicht. Op diezelfde dag liet ‘jabbadehut’ evenwel ook aan [medeverdachte 1] weten “So far I paid Dallas this” en “So 831 I paid Dallas so far and we still have 40 camels left”. De som van de vier betalingen bedraagt 831.134, waaruit het hof afleidt dat beide overzichten weergeven voor welke bedragen toen ‘ladies’ en ‘camels’ waren geleverd.

Een dag na het overzicht, op 11 juni 2020, stuurde ‘lando-cal’ aan [medeverdachte 1] het bericht dat Dallas ( [verdachte] ) die dag een bedrag van € 205.600,- zou ophalen. Dit werd ook gecommuniceerd tussen ‘lando-cal’ en [verdachte] , die om 14:05 uur liet weten dat het was opgehaald. Dit bedrag/deze betaling kwam gelet op die datum vanzelfsprekend niet terug op het overzicht van 11 juni 2020.

Conclusie

Uit al het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat er in de bewezenverklaarde periode in april, mei en juni 2020 voor miljoenen euro’s transporten van (onder meer) “camels” en “ladies” naar het Verenigd Koninkrijk hebben plaatsgevonden. De inhoud van de chatberichten waaraan ‘lando-cal’/‘jabbadehut’ deelnam en die overigens steeds in de Engelse taal plaatsvonden alsmede het hiervoor besproken overzicht van 10 juni 2020, bieden daarvoor voldoende en overtuigende aanknopingspunten. Het was ‘jabbadehut’/‘lando-cal’ die steeds contact had met [medeverdachte 1] en [verdachte] over deze transporten, die uitgevoerd werden door ‘vladooo’ die op zijn beurt over een geweldige transportmiddel beschikte dat over de weg reed en zij hadden bij herhaling contact over de “UK” en dat daar de lading (uiteindelijk) naartoe moest. ‘vladooo’s transportmiddel, genoemd “TP”, was zo geweldig zo leidt het hof uit ‘vladooo’s berichten af, omdat dit bij controle van een lading met smokkelwaar bestand was gebleken tegen scan-apparatuur. Dat voertuig verplaatste zich vanuit Duitsland naar Nederland en zowel in Rotterdam als in Eersel zou dit transportmiddel kunnen worden beladen met de voor ‘jabbadehut’/’lando-cal’ bedoelde lading. Het was ‘jabbadehut’ die op 9 april 2020 aan [medeverdachte 1] vroeg of [medeverdachte 1] bedoelde dat de “camels” in NL waren gedropped, waarop [medeverdachte 1] liet weten dat die 40 stuks aan het transport waren gegeven, waarna ‘jabbadehut’ op [geboortedag 8] 2020 aan [medeverdachte 1] liet weten dat de “camels are on are site”, hetgeen naar het oordeel van het hof niets anders kan betekenen dan dat ‘jabbadehut’ liet weten dat het transport was aangekomen aan “hun kant”, in een ander land dan Nederland, in dit geval het Verenigd Koninkrijk. Bij die conclusie betrekt het hof dat het ook ‘jabbadehut’ was die in zijn zoektocht naar een stash car in Nederland een foto stuurde naar [medeverdachte 1] waarop het hof een Engelse ambulance waarneemt, die zij zouden gebruiken als stash car “I have this guy to collect for us”. Diezelfde foto stuurde ‘jabbadehut’ ook naar ‘vladooo’ in de context van zijn vraag of ‘vladooo’ kon berichten rond welke tijd het in zijn stad zou zijn, omdat ‘jabbadehut’ tussen 06:00 en 15:00 uur het zou kunnen ophalen in die ambulance, vergezeld van dezelfde foto, waarop ‘vladooo’ liet weten dat het in de ochtend zou zijn. Het spreekt voor zich dat voor een stash in beginsel louter een zo onopvallend als mogelijke (opslag)locatie kan dienen. Een dergelijke ambulance zou in het Nederlandse straatbeeld meteen opvallen, terwijl deze in het Verenigd Koninkrijk volledig op kon gaan in het straatbeeld. Die foto van die stash car, die ambulance, zag dus onmiskenbaar op de stash die ‘jabbadehut’ beschikbaar had voor de lading na ontvangst in het Verenigd Koninkrijk. En dan nog de omrekenfactor van Britse pond naar euro die meermalen werd gebruikt in het overzicht in combinatie met het in dat overzicht vermelde £-teken. Deze vormt eveneens een bevestiging van alle overige aanknopingspunten, die al met al voldoende zijn voor de conclusie dat de transporten de grens over gingen met bestemming Verenigd Koninkrijk.

Het hof is van oordeel dat het daarbij ging om cocaïne. Daartoe overweegt het hof als volgt:

In de eerste plaats kan uit het overzicht dat ‘lando-cal’ op 10 juni 2020 stuurde naar [medeverdachte 1] worden afgeleid dat er minimaal 58 zogenoemde camels en minimaal 48 zogenoemde ladies zijn verkocht, nu geen hoeveelheid is vermeld bij de in de bovenste regel vermelde “ladies/cams”. Dat het hierbij ging om verdovende middelen en niet om kamelen en dames, spreekt tegen de achtergrond van het dossier en de context waarin de communicatie plaatsvond voor zich. Het kan dan ook niet anders dan dat het hierbij om verdovende middelen ging en die werden gesmokkeld naar het Verenigd Koninkrijk. Wat er exact per eenheid “camel” bij ‘lando-cal’/’jabbadehut’ in rekening was gebracht, kan het hof niet uit dat overzicht afleiden, omdat “camel” steeds in combinatie met “ladies” werd genoemd. Wel kan hieruit een prijs per eenheid “lady” worden afgeleid, omdat bij “24 ladies” een bedrag van € 651.840,- is vermeld. Hiervan uitgaande werd ‘lando-cal’/’jabbadehut’ per eenheid “lady” een bedrag van € 27.160,- gerekend. Hoewel het Openbaar Ministerie van een andere rekenwijze uitgaat en deze prijs weliswaar iets naar boven afwijkt van de volgens de politie in 2020 gangbare ‘groothandelprijs’ per kilo cocaïne van € 26.873,- ziet het hof hiervoor desalniettemin bevestiging in een onderschept chatbericht van een klein jaar later. Toen kreeg [medeverdachte 1] op 27 februari 2021 via [communicatiedienst 2] vier foto’s toegezonden met daarop rechthoekige blokken met een opdruk, volgens de politie uiterlijk gelijkend op blokken cocaïne. [medeverdachte 1] informeerde daarop bij zijn contact naar de prijs en of het uit “Col” kwam. Het antwoord luidde “27250” en “bolli”. Nu is het hof ambtshalve bekend dat cocaïne, afkomstig van bladeren van de cocastruik die vooral wordt verbouwd in Zuid-Amerika, een herkomst vindt in onder andere Colombia en Bolivia, afgekort wordt tot “Col” en “Bolli”. Gelet op deze combinatie van de blokken op de foto’s, de afkortingen en de prijs, gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 1] het hier had over een kiloprijs voor cocaïne en die bedroeg volgens zijn contact € 27.250,-. Nu dit bedrag in geringe mate afwijkt van het hiervoor berekende bedrag, gaat het hof ervan uit dat het bedrag van

€ 27.160,- een reële kiloprijs voor cocaïne betrof.

In de tweede plaats blijkt uit de [communicatiedienst 1] -berichten van 5 en 6 juni 2020 dat er 3 oude “ladies” en 33 nieuwe “ladies” zijn geleverd en dat [verdachte] was vergeten om deze aan de buitenkant duidelijk te kenmerken. Hieruit valt af te leiden dat er aldus al eerder “ladies” waren geleverd, omdat er wordt gerefereerd aan “old” en “new”. De door [verdachte] in Nederland verpakte blokken moesten na ontvangst in het Verenigd Koninkrijk eerst opengemaakt worden om het verschil te zien tussen de nieuwe “ladies” en de oude “ladies”. ‘lando-cal’ liet, ervan uitgaande dat hij wist hoe de 3 “old ladies” er uitzagen omdat hij klaarblijkelijk eerder “TOP”s had ontvangen, daarbij aan ‘frosty-hand’ weten dat er op 3 blokken “TOP” moest staan (“TOP” “Thats wots on them”). Hierop liet ‘frosty-hand’ aan ‘lando-cal’ weten “Got 3 different one here’ en stuurde drie foto’s. Zoals voormeld, neemt het hof op twee foto’s telkens waar een blok met steeds een andere stempel/opdruk, te weten een wit blok met de tekst “TOP” en een wit blok met een stempel dat is te herleiden tot “DJ Marshmellow” (oftewel de juist geschreven artiestennaam van deze Amerikaanse DJ “DJ Marshmello”). Op het derde blok, dat nog ingepakt oogt en voorzien is van tape, neemt het hof een wit papier/sticker waar met daarop in kleur een tekening van een vuist met uitgestoken duim. Gelet hierop, in de context bezien van het voorafgaande bericht, leidt het hof hieruit af dat die tekening weergeeft het stempel in/op het blok in de verpakking daaronder. Dit leidt het hof tot de conclusie dat ‘lando-cal’ met de “3 old ladies” doelde op witte blokken met het stempel erin/erop gedrukt met de letters/het logo “TOP” en dat ‘lando-cal’ eerder blokken voorzien van ditzelfde stempel/logo had ontvangen van [verdachte] . Deze conclusie vindt bevestiging in het door ‘lando-cal’ op 10 juni 2020 aan [medeverdachte 1] verzonden overzicht waarin is vermeld “2nd job TOPS” en “new TOPS”, waarbij ‘TOP’ gebruikt als zelfstandig naamwoord in het meervoud in het Engels luidt ‘TOPS’. Door ‘lando-cal’ en [medeverdachte 1] is gecommuniceerd over “TOPS” en “ladies” en voor beiden was klaarblijkelijk duidelijk waarover zij het dan hadden. Ook voor [verdachte] was duidelijk wat hij samen met [medeverdachte 2] vacuüm had verpakt toen hij met ‘lando-cal’ communiceerde over de door laatstgenoemde ontvangen “ladies”. En dat een en ander zo duidelijk was, kan het hof ook plaatsen in een van de resultaten van een Amerikaans onderzoek naar drugsjargon/nicknames die algemeen bekend zijn en die worden gebruikt binnen het wereldwijde criminele drugscircuit, waarbij voor “cocaïne” de term “Lady” werd aangetroffen.

Uit het aanvullende proces-verbaal van 6 juni 2023 volgt dat de verbalisanten de foto’s van de hiervoor omschreven blokken hebben vergeleken met onderzoeksgegevens uit andere onderzoeken. Hieruit kwam naar voren dat in het onderzoek Hardloper in 2019 blokken cocaïne in beslag waren genomen met daarop het stempel “TOP”. Verder bleek binnen het onderzoek 26Omskirk dat R.S. [betrokkene 14] , gebruiker van het [communicatiedienst 1] -account ‘seventytwo@ [communicatiedienst 1] .com’ en de [communicatiedienst 2] -accounts ‘6C66UY’ en ‘B2APU’, een contact was van [medeverdachte 1] en dat deze [betrokkene 14] in de periode van 29 september 2020 tot en met 23 oktober 2020 397 kilogram cocaïne had verhandeld waarbij een aantal van de verhandelde blokken waren voorzien van het stempel “DJ Marshmellow” (hof: oftewel DJ Marshmello). [betrokkene 14] had bekend dat die blokken cocaïne bevatten en is hiervoor in 2023 ook veroordeeld.

De hiervoor ter sprake gekomen foto’s met de stempels “TOP” en “DJ Marshmellow” (hof: DJ Marshmello) zijn bij voormeld aanvullend proces-verbaal door de politie omschreven als “foto van een crèmekleurig blok, uiterlijk gelijkend op een blok cocaïne, stempel “TOP”, respectievelijk als “foto van een crèmekleurig blok, uiterlijk gelijkend op een blok cocaïne, stempel “DJ Marshmellow”. Nader politieonderzoek naar die stempels wees uit dat in andere onderzoeken pakketten met cocaïne van ongeveer 1 kilogram in beslag waren genomen met stempels die gelijkenis vertoonden met de stempels in de witte blokken die ‘lando-cal’ ontving van ‘frosty-hand’. Het ging dan om een stempels van “TOP” en “DJ Marshmallow”. Voor wat betreft de blokken met het stempel van “DJ Marshmellow” ziet het hof ook bevestiging in de nieuwe onderzoeksbevindingen uit het onderzoek 26Omskirk dat daarbij sprake was van cocaïne. Uit die bevindingen komt immers naar voren dat [medeverdachte 1] in 2020 contact had via [communicatiedienst 2] met [betrokkene 14] , geïdentificeerd als gebruiker van account ‘B2APU4’, en dat deze [betrokkene 14] is veroordeeld voor de handel in grote hoeveelheden cocaïne in 2020.

Gelet op al het hiervoor overwogene stelt het hof aan de hand van die foto’s en de daarbij gevoerde communicatie vast dat in ieder geval de “ladies” waarover werd gesproken op 5 en 6 juni 2020 cocaïne betroffen. Het hof is van oordeel dat ook de eerdere en daaropvolgende transporten die zagen op “ladies” cocaïne betroffen. De vermelding van de klussen, immers “2nd job” impliceerde een eerdere klus, met betrekking tot “TOPS” evenals de vermelding dat er nog een bedrag verschuldigd was voor “new TOPS”, duidend op een ander/volgend transport in het overzicht van 10 juni 2020 van ‘lando-cal’ zag naar het oordeel van het hof op cocaïne, waarbij niet alleen de “ladies”, maar ook de “camels” een nadere duiding betroffen van de cocaïne. De “ladies” en “camels” werden in de communicatie zogezegd in één adem genoemd en niet van elkaar (anders dan in aantal) onderscheiden. Zo kan het hof zich voorstellen dat hiermee nader werd geduid bijvoorbeeld (doch vanzelfsprekend niet limitatief) de hoeveelheid/omvang van een blok (bijvoorbeeld een kilo of een halve kilo), de samenstelling/consistentie van een blok of de vorm van een blok. Nog daargelaten waar die nadere duiding nu daadwerkelijk op zag, voor [medeverdachte 1] en [verdachte] en ook voor ‘lando-cal’/‘jabbadehut’ was zonder meer duidelijk wat er met “camels”, “ladies” en “TOPS” werd bedoeld. Als een van deze drie termen werd gebezigd in chats/gesprekken/berichten, wist eenieder waar men het over had en werden geen vragen ter verduidelijking gesteld, werd over en weer op elkaars berichten gereageerd en werden berichten van elkaar doorgestuurd zonder nadere tekst en uitleg en evenmin werden dan daarover vragen gesteld. En daarbij komt dat voor die “camels”, “ladies” en “TOPS” miljoenen euro’s werden betaald door ‘lando-cal’/ ‘jabbadehut’ aan [medeverdachte 1] conform een prijs die daarvoor gangbaar was in de drugswereld waarin [medeverdachte 1] zich had begeven. Weliswaar werd voor de cocaïne niet rechtstreeks “handje-contantje” aan [medeverdachte 1] betaald, want dat gebeurde door tussenkomst van [verdachte] , die op zijn beurt zijn zwager [medeverdachte 2] inzette voor het fysiek ophalen en wegbrengen van het geld met behulp van tokens en codes. De regie lag evenwel volledig in handen bij [medeverdachte 1] .

Tot slot overweegt het hof nog als volgt.

Hoewel er geen cocaïne in beslag is genomen die direct is terug te herleiden tot het onderzoek 26Alston en daarmee enige (indicatieve) test ontbreekt, oordeelt het hof aldus op basis van de gebezigde bewijsmiddelen dat er buiten gerede twijfel in de bewezenverklaarde periode cocaïne is uitgevoerd in een nauwe en bewuste samenwerking door in ieder geval [medeverdachte 1] en [verdachte] . De blokken op de foto’s zijn herkend als cocaïne, die blokken waren geperst en vacuüm verpakt, hetgeen past bij (de handel in) cocaïne, die blokken werden naar Engeland gesmokkeld en daarvoor werd een prijs betaald die daarbij paste.

Op basis van al het hiervoor overwogene in samenhang bezien met de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het bij de “TOPS”-transporten, nader geduid als de “camels” en de “ladies”, steeds ging om en over cocaïne, die met behulp van transporteur ‘vladooo’ naar het Verenigd Koninkrijk werd uitgevoerd. Hoewel de hoeveelheden niet exact vallen te berekenen, kan het op basis van het overzicht van de betalingen, de verschuldigde bedragen en de daarover gevoerde communicatie, niet anders zijn geweest dan dat het in de bewezenverklaarde periode ging om grote hoeveelheden.

Rol [verdachte]

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [medeverdachte 1] de leiding had over deze cocaïne transporten naar het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 1] , hoewel hij zich bevond op de Seychellen, wist van de hoed en de rand. Zo was hij toentertijd steeds in contact met zowel zijn klant ‘lando-cal’/‘jabbadehut’ als zijn kompaan [verdachte] . Hij sprak met ‘lando-cal’/‘jabbadehut’ over de leveringen en speelde dit vervolgens weer door naar [verdachte] . Dat het daarbij ging om dezelfde transporten blijkt uit de inhoud van de communicatie die [medeverdachte 1] steeds met een ander voerde, maar dezelfde strekking kende. Ook had [medeverdachte 1] contact met ‘vladooo’ die zorgde voor het fysieke transport. Uit de berichten tussen ‘jabbadehut’ en ‘vladooo’ blijkt voorts ook dat [medeverdachte 1] (“P”) de baas (“P”, “he is the boss”) was en dat met hem overlegd moest worden over de transporten. [verdachte] regelde na goedkeuring van [medeverdachte 1] de tijdstippen en plaatsen van het laden voor transport en de daaropvolgende levering. Daartoe had hij contact met ‘jabbadehut’/’lando-cal’. Wanneer de plaats en het tijdstip van het laden voor transport was geregeld, schakelde hij zijn zwager [medeverdachte 2] in. Zo blijkt uit de berichten in ieder geval dat [medeverdachte 2] geld voor transporten ophaalde, hij daarbij gebruik maakte van tokens (“Moet je code hebb?”) en ook daarover communiceerde en voorts dat hij met [verdachte] de blokken moest helpen klaarmaken voor transport

De door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.
<nr>2</nr>Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier 1, de criminele organisatie) 2.1.
Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 2 tenlastegelegde, kort gezegd de deelname aan een criminele organisatie, wettig en overtuigend bewezen.
2.2.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het al dan niet bestaan van een organisatie en de deelneming van [verdachte] daaraan, maar heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde, voor zover dat betreft de periode na medio maart 2021, en heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat [verdachte] vanaf maart 2021 niet meer in verband kan worden gebracht met strafbare feiten. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat [verdachte] niet de rol van boekhouder had binnen de organisatie, hetgeen relevant is in het kader van de strafmaat.
2.3.
Oordeel hof

Juridisch kader

Aan [verdachte] is tenlastegelegd deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (als logische specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)). De organisatie had volgens het Openbaar Ministerie als oogmerk het plegen van misdrijven, namelijk:

het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en II en/of

het voorbereiden en/of bevorderen van een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 en/of het derde of vijfde lid van artikel 11 van de Opiumwet.

Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop.

Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een ‘organisatie’. Onder ‘organisatie’ wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere rechts- dan wel natuurlijk persoon. Daarvoor is niet noodzakelijk dat binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en waarbij op de deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen.

Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een of meer misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven.

Bij de vraag of sprake is geweest van deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat vastgesteld wordt dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten – in het kader van de criminele organisatie – ook zelf strafrechtelijk verantwoordelijk is in de zin van pleger, medepleger of een andere deelnemingsvorm. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelneming door de afzonderlijke verdachte gaat het er om of kan worden vastgesteld:

of de verdachte – in zijn algemeenheid – wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en

of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende, rol of een verdachte wordt veroordeeld voor één van de afzonderlijke tenlastegelegde andere feiten in het kader van de criminele organisatie. In dit kader wordt nog opgemerkt dat niet vereist is dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend is geweest met, alle andere natuurlijke en rechtspersonen die deel uitmaken c.q. uitmaakten van de organisatie.

Beoordeling

Het hof is op grond van de bewijsmiddelen met betrekking tot alle overige feiten van oordeel dat gedurende de gehele tenlastegelegde periode sprake is geweest van een crimineel samenwerkingsverband. Dit samenwerkingsverband had tot oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, 10a en 11 van de Opiumwet. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat met deze misdrijven grote sommen geld werden verdiend, die buiten het zicht van de autoriteiten werden gehouden. Er werd geen belastingaangifte gedaan ten aanzien van de gelden die werden verdiend. Er werd gecommuniceerd met behulp van cryptotelefoons om ontdekking door politie en justitie te voorkomen, zij het dat dat niet is gelukt. Zoals blijkt bij de overige feiten werd door de organisatie een boekhouding bijgehouden. Uitgaande van deze boekhouding ontvingen deelnemers onkostenvergoedingen en sommigen ook ‘werkgeld of loon’ voor hun werkzaamheden binnen de organisatie, ieder met een eigen rol. Uit het bekend geworden gedeelte van de boekhouding (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 27, vanaf pagina 687) blijkt dat de organisatie miljoenen euro’s heeft omgezet.

Het hof beschrijft hierna de rollen van de betreffende verdachten, zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komen, en haalt ter illustratie steeds enkele tot het bewijs gebezigde tapgesprekken aan. Daar in de overwegingen omtrent de identificatie reeds is vastgesteld van welke [communicatiedienst 1] -accounts, [communicatiedienst 2] -accounts en/of [communicatiedienst 3] -accounts [verdachte] en zijn medeverdachten gebruik maakten, zijn in de weergave van de gesprekken/chats voor de duidelijkheid daarom hieronder niet de accountnamen, maar de namen van de geïdentificeerde verdachten genoemd.

[medeverdachte 1] was de onbetwiste leider van het criminele samenwerkingsverband. Hij gaf opdrachten tot aan- en verkoop van drugs en drugsprecursoren en bepaalde waarin werd geïnvesteerd. Hij werd ook “patron” genoemd, zie bijvoorbeeld het bericht van [medeverdachte 12] via [communicatiedienst 2] aan [medeverdachte 1] van 16 december 2020, waarin deze zegt: “Patron. Eerste ronde is geregeld. Spullen net opgehaald en betaling ook geregeld” (zie proces-verbaal zaaksdossier 05, relaas proces-verbaal, pagina 18). Op 17 april 2020 (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 33, pagina 967) zegt [medeverdachte 5] via [communicatiedienst 1] tegen [medeverdachte 1] dat hij zijn leven voor hem geeft en dat het een eer is om voor hem te werken.

Het opzetten van harddrugproductielocaties werd met [medeverdachte 1] besproken en pas als hij akkoord was, werd daadwerkelijk actie ondernomen. Terwijl andere leden van de organisatie risico’s namen door met grote hoeveelheden drugs en tonnen aan contant geld de weg op te gaan tijdens de eerste coronalockdown, bevond [medeverdachte 1] zich op een luxe jacht op de Seychellen en gaf hij vanaf daar zijn orders. Op 15 april 2020 bijvoorbeeld stuurde hij via [communicatiedienst 1] vanaf de Seychellen naar [verdachte] : “Kun je morgen 80 keta aanpakken” (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 852).

Hoe de verdeling van de winsten plaatsvond, wordt op grond van het dossier niet duidelijk. Wel blijkt dat [medeverdachte 1] zelf in ieder geval flinke sommen geld naar eigen inzicht kon uitgeven, bijvoorbeeld voor het vervoer van zijn vriendin per privéjet van de Seychellen naar Nederland in april 2020 voor een bedrag van ruim 100.000 euro.

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [verdachte] na het overlijden van [medeverdachte 3] op 12 mei 2020 de boekhouding bijhield. Op de onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoon werd de Secret Photo Album applicatie aangetroffen (SA-applicatie). Dit is een applicatie waarmee de gebruiker met een apart wachtwoord toegang kan krijgen tot privéfoto's/video's in een heimelijke folder. In de SA-applicatie werden onder ‘notes’ meerdere foto's van schermafbeeldingen van een telefoon aangetroffen met financiële overzichten/onkosten /betalingen, gezien de aard en de samenhang (namen, bijnamen, afkortingen onder andere B en huur) ten behoeve van de criminele organisatie. Verder verzorgde [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] de overdrachten van drugs en geld van en aan de organisatie. Hij had in die hoedanigheid de beschikking over en toegang tot grote contante geldbedragen. Het hof heeft overigens geconstateerd dat de politie de telefoon die bij de verdachte in gebruik was, na inbeslagneming heeft kunnen uitlezen. Hoewel door de verdediging op dit punt geen verweer is gevoerd, ziet het hof in de omstandigheid dat de info uit de SA-applicatie bijdraagt tot het bewijs, zulks tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van justitie in het zogenoemde Landeck-arrest (ECLI:EU:C:2024:830), aanleiding tot navolgende ambtshalve overwegingen. Hoewel de politie bevoegd is tot het doen van onderzoek aan en in een inbeslaggenomen telefoon, vergt onderzoek naar gegevens op een telefoon dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan. In dit geval kreeg de politie volledige inzage in verdachtes telefoon, reden waarom het hof ervan uitgaat dat van een dergelijke inbreuk sprake was, terwijl niet is gebleken dat voor dat onderzoek een voorafgaande toestemming door de rechter-commissaris was verkregen. Dit levert naar het oordeel van het hof weliswaar een onherstelbaar vormverzuim op, maar blijft een rechtsgevolg anders dan de constatering dat hiervan sprake is verder uit. Bij dat oordeel betrekt het hof dat, zou de rechter-commissaris om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan de telefoon zoals dat onderzoek heeft plaatsgevonden, had de rechter-commissaris die toestemming, naar het oordeel van het hof tegen de achtergrond van het dossier, naar alle waarschijnlijkheid dan ook gegeven. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de verdachte als gevolg van het verzuim concreet nadeel heeft geleden dan wel enig concreet belang is geschonden, nu het belang van de verdachte dat zonder onderzoek aan zijn telefoon het hem belastende materiaal niet zou zijn aangetroffen, geen rechtens te respecteren belang van de verdachte betreft. Van een situatie waarin de politie met het onderzoek van verdachtes telefoon ernstig inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is naar het oordeel van het hof gelet op de geldende jurisprudentie van toentertijd tegen de achtergrond van de alstoen geldende bepalingen in Sv geen sprake. Dit alles leidt ertoe dat het bewijsmateriaal dat als gevolg van dit vormverzuim is verkregen en als hiervoor is weergegeven naar het oordeel van het hof tot het bewijs kan worden gebezigd.

Op 15 april 2020 vroeg [medeverdachte 1] zoals hiervoor reeds vermeld aan [verdachte] : “Kun je morgen 80 keta aanpakken?” [verdachte] reageerde met: “Ja kan, geen probleem”. ’s Avonds bericht hij aan [medeverdachte 1] : “Heb contact ze brengen keta naar ehv”

(zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 852-853). Op 19 april 2020 stuurde account ‘mountainpark’ via [communicatiedienst 1] aan [medeverdachte 1] dat hij nog 25k van hem had liggen, waarna [verdachte] een dag later aan ‘mountainpark’ via [communicatiedienst 1] liet weten dat “Ouwe” (bijnaam voor [medeverdachte 1] ) hem gisteren stuurde dat ‘mountainpark’ 25k klaar had liggen en vroeg wanneer het uitkwam dat hij die oppikte. Ze spraken af bij de loods. Diezelfde ochtend nog stuurde ‘mountainpark’ aan [medeverdachte 1] , wederom via [communicatiedienst 1] , het bericht dat hij 25k aan [verdachte] had gegeven (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 857-858).

[medeverdachte 2] werd, vooral door [verdachte] , ingezet voor het feitelijk ophalen en wegbrengen van drugs, precursoren en geld in het kader van door [medeverdachte 1] met andere criminelen gesloten drugsdeals. Op 2 april 2020 gaf [verdachte] aan [medeverdachte 3] door dat zijn zwager [medeverdachte 2] zo “pap” (waarmee naar ’s hofs oordeel niets anders werd bedoeld dan geld) zou aanpakken in Amsterdam. Het ging daarbij om “166400”. [medeverdachte 2] liet aan [verdachte] die middag weten “ik ben er je hoort me als ik terug rij” (zie proces-verbaal zaaksdossier 02, relaas proces-verbaal, pagina 17-18). Op [geboortedag 13] 2020 berichtte [verdachte] aan [medeverdachte 2] : “Maat, heb dadelijk een ritje voor je” “Hoor over 10 minuten hoe laat je aan kan pakken”, waarop [medeverdachte 2] zei “Okj, is goed”. Op 24 april 2020 vroeg [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] “Kan je ff pap aanpak in Tilburg”, waarop [medeverdachte 2] binnen een halve minuut reageerde met “Ja is goed” (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 860). Voor diens overlijden was het vooral [medeverdachte 3] die [medeverdachte 2] aanstuurde om geld op te halen. Op 5 mei 2020 berichtte [verdachte] aan account ‘skyscanner’ via [communicatiedienst 1] dat hij zijn zwager 2x laat rijden voor die b. en dat hij geen bus had. [verdachte] vroeg: “Hoe laat kan hij die eerste 150 oppikken?”, waarop ‘skyscanner’ aan [verdachte] liet weten “12 uur kan hij komen”. ‘skyscanner’ liet [medeverdachte 1] weten dat er nu “7/Kane” werden opgehaald” en “Amjgo Haald op” en “Is meer dan 300/lit”. Kort daarna stuurde [verdachte] een bericht van ‘imposingcardinal’( [medeverdachte 2] ) door naar ‘skyscanner’ met de inhoud “sta er” en de reactie “Oke maat hij zal er zo wel zijn” van ‘amigotje’. Daarop vroeg ‘skyscanner’ aan [verdachte] welke auto de “shafeur” had, waarop [verdachte] zei “Grijze bmw 3 serie touring”. Daarop volgden 2 foto’s van ‘skyscanner’ aan [verdachte] waarop het hof witte jerrycans met een zwarte dop waarneemt, gevuld met een blauwkleurige vloeistof. Op de tweede foto staan meerdere jerrycans in de achterbak van een grijze auto, waarop [verdachte] reageert met “past maar net”. Ook liet ‘skyscanner’ aan [medeverdachte 1] weten rond datzelfde tijdstip dat hij ze nu had opgehaald en hij straks de rest (“rast”) zou ophalen (zie proces-verbaal zaaksdossier 01, bijlage 30, pagina 865- 866).

De organisatie had de beschikking over verschillende locaties voor de opslag van hardware, precursoren, chemicaliën en drugs.

Hier kwam ook [medeverdachte 5] in beeld, want hij was betrokken bij de opbouw/inrichting van de nieuwe laboratoria/locaties en hield zich in dat verband (onder meer) ook bezig met de aanschaf van de hardware en het erop toezien dat er maatwerk werd geleverd. Voor wat betreft maatwerk doelt het hof bijvoorbeeld op de voor de organisatie verrichte laswerkzaamheden, perswerkzaamheden en de gemaakte berekeningen. Zo had [medeverdachte 5] op 7 april 2020 contact met [medeverdachte 4] , waarbij [medeverdachte 4] tekeningen van voorwerpen met tekst en berekeningen naar [medeverdachte 5] stuurde en het bericht “Dus 5 rekjes en bakken rest kopen”, waarop [medeverdachte 5] reageerde “OK maat duidelijk”. Op de vraag van [medeverdachte 4] of [medeverdachte 5] wist waar ze koppelingen aan slangen kunnen persen en slangen kunnen kopen, bleek [medeverdachte 5] een antwoord paraat te hebben. [medeverdachte 5] antwoordde “Ja denk het wel morgen even langsrijden maat”, waarop [medeverdachte 4] hem liet weten “Oke ik maak lijstje met wat we nodig hebben zijn slangen voor stoomketel naar didteleerder en koeling compleet”, waarop [medeverdachte 5] nog zei “Ok maat maak maar zorg ik dat die geperst worden”, hetgeen [medeverdachte 4] bevestigde met een emoticon van een omhooggestoken duim. Ook had [medeverdachte 5] rechtstreeks contact met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Bijvoorbeeld uit een [communicatiedienst 1] -gesprek van 15 april 2020, volgt onomstotelijk dat [medeverdachte 5] wist waar hij zich mee bezig hield. In een door [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] op die dag doorgestuurde conversatie tussen [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 5] vroeg [medeverdachte 1] of de lasser het druk had. [medeverdachte 5] liet [medeverdachte 1] daarop weten “Ja met onze spullentjes maar moet er iets tuusendoor gemaakt worden? [medeverdachte 1] liet weten “Ketel voor fosforapaan”, waarop [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 1] vroeg “Groot?”. Ook liet [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 1] weten “Lasser zegt kan altijd als ie tekening krijgt en de spullen geleverd krijg en als ie in tijd nood komt moet ik hem helpen”. Die conversatie loopt nog door en wordt dus later doorgestuurd door [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] . Zij hebben het dan samen over die ketel. [medeverdachte 6] zei immers “Foafor gaat moeilijk zijn” “Moet speciaal rvs zijn” “Is voor te smelten” en “Gaat denk ik wel. Maar moeten we weer dikke rand hebben”. Dit is slechts als voorbeeld een verkorte weergave van de betrokkenheid van [medeverdachte 5] . Hij wist waar hij mee bezig was, zeker tegen de achtergrond van het dossier, namelijk met de opbouw en inrichting van laboratoria ten behoeve van de productie van (grondstoffen voor) harddrugs, ook was hij zeer wel op de hoogte van wat de bedoeling was met de spullen en was hij zelfs beschikbaar om bij te dragen aan de laswerkzaamheden als voormalig lasser.

Op 30 november 2021 zijn hardware, precursoren, chemicaliën en drugs aangetroffen op locaties in Bladel, Eersel en Weert. De locaties in Eersel en Bladel kunnen op grond van het dossier worden gekoppeld aan [medeverdachte 8] .

[medeverdachte 8] had een ondersteunende rol en was met name betrokken in het kader van opslag-/voorraadlocaties en hield zich ook bezig met het vervoer. Het was [medeverdachte 8] die de hasjiesj uit Tsjechië invoerde, als Robijn(tje) veelvuldig in gesprekken tussen anderen werd genoemd voor wat betreft de voorraad/opslag, zelf op de hoogte was van die voorraad/opslag en daarvoor ook door de organisatie werd betaald. Voorts stond [medeverdachte 8] in nauw contact met overige leden van de organisatie en blijkt uit de inhoud van de chatgesprekken dat hij ervan op de hoogte was dat deze organisatie zich met drugsdelicten bezighield.

[medeverdachte 7] bezocht gedurende de tenlastegelegde periode de locaties in Weert, Eersel en Bladel. [medeverdachte 7] stuurde [medeverdachte 8] en [medeverdachte 11] aan op het gebied van transport en opslag van hardware en chemicaliën. [medeverdachte 7] stuurde op 31 maart 2020 een uitgebreid overzicht aan [medeverdachte 4] met door hem en anderen gemaakte kosten over de voorafgaande maanden. Op 25 februari 2021 had [medeverdachte 7] een gesprek met [medeverdachte 1] waarin hij aangaf dat hij alles zou gaan nawegen en dat hij dozen van 20 kg had gemaakt. Verder vroeg hij of de chauffeur nog een keer moest. Op 3 maart 2021 overlegde [medeverdachte 7] met [medeverdachte 1] over de betaling van [medeverdachte 8] . [medeverdachte 1] zei dat dat vandaag al kon. [medeverdachte 1] hoopte zo te horen dat hij wat kon verkopen.

[medeverdachte 4] was degene binnen de organisatie met ruime kennis van de (chemische) processen rond de productie van synthetische drugs. [medeverdachte 4] was op 26 maart 2020 vanwege gezondheidsredenen in vrijheid gesteld, terwijl hij een langdurige straf uitzat voor drugsdelicten. Vanaf de dag van zijn invrijheidstelling had hij een cryptotoestel in bezit, zo blijkt uit een chat op 26 maart 2020 met [medeverdachte 6] , en coördineerde hij de opzet van productielocaties en de aanschaf van de hiervoor benodigde hardware en chemicaliën. Hij overlegde hierover direct met [medeverdachte 1] , waarbij [medeverdachte 1] bij de beoordeling van wat er nodig was, afging op de ervaring en deskundigheid van [medeverdachte 4] , zo blijkt uit een gesprek op 5 mei 2020 waarin hij [medeverdachte 1] vertelt dat omzetten het beste gaat met fosfor, waarop [medeverdachte 1] aangeeft dat hij dat aan hen overlaat. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] waren, onder aansturing van [medeverdachte 4] , betrokken bij het opzetten van productielocaties en het aanschaffen van de hiervoor benodigde spullen. Uit de bekend geworden kostenoverzichten blijkt dat grote geldbedragen zijn geïnvesteerd in het opzetten van productielocaties.

[medeverdachte 6] betrokkenheid bij de organisatie kwam tot uiting in de opbouw en inrichting van drugslaboratoria/productielocaties. [medeverdachte 6] had in dat verband veelvuldig contact met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] . Zo stuurde [medeverdachte 5] op 20 maart 2020 het bericht “Zit bij lasser in de auto maat” naar [medeverdachte 6] , waarop [medeverdachte 6] antwoordde “Werd gvd tijd ”. [medeverdachte 5] liet [medeverdachte 6] weten “Slavendrijver”, waarop [medeverdachte 6] reageerde “Ik ben al onderweg daarheen” “maak maar een geintje” en daarop liet [medeverdachte 5] weten “Weet ik pik” “Zie je zo maat”. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] op weg waren naar een locatie en dat de lasser hen op die locatie vergezelde. Deze conclusie vindt bevestiging in het vervolg van het gesprek waarin [medeverdachte 5] berichtte “Leg maar vast alles klaar haha” “Heb de spullen van utrecht ook meegenomen” “Alleen de plaat niet”, hetgeen [medeverdachte 6] “oke” vond, omdat “Moeten toch een ketel laten maken”, aldus [medeverdachte 6] . Diezelfde middag liet [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 5] weten dat er nog een andere ketel gemaakt moest worden, maar dat was iets voor de volgende week. [medeverdachte 5] begreep waar het over ging.

Twee dagen later vroeg [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 7] waar die ketel, die Wiske had, stond. [medeverdachte 7] reageerde met “Staat die niet bij Robijntje”. Voor [medeverdachte 6] was duidelijk wie met ‘Robijntje’ werd bedoeld (net als voor het hof, te weten [medeverdachte 8] ), want hij reageerde met “Weet ik niet heb jij toen opgehaald meen ik”. [medeverdachte 7] gaf daarop te kennen “Heb ik gelost met robijntje toenn. Volgens mij staat die daar achter in stal” en ook dat bleek voldoende duidelijk voor [medeverdachte 6] , gelet op zijn reactie “Ah ok top” “Dan zalnik die vande week welnis gaannkijken” en “Moeten nieuwe projeckt klaar maken”.

De volgende dag chatte [medeverdachte 6] met [medeverdachte 5] over ‘coke vloeistof’, waarbij [medeverdachte 6] meteen wist waar het over ging. Immers, toen [medeverdachte 5] hem vroeg “Maat weet jij weg met coke vloeistof?”, vroeg [medeverdachte 6] “Wat kost die” en “Kemne misschien zelf omzetten”. Daarop liet [medeverdachte 5] nog weten “Heeft ook ❄️olie” “Heel veel” ”Zeg wil wel misschien iets doen met metb-olie”, waarop [medeverdachte 6] reageerde met “Moet ik snug vragen hoe we om kenne zo tten”. Uit deze gesprekken kan reeds worden afgeleid dat [medeverdachte 6] aan een paar woorden genoeg had en zonder meer en zonder vragen te stellen wist waar zijn contacten het over hadden. Dit duidt op een langdurige relatie, waarbij men elkaar al langer kent en samenwerkt. Daarbij ging het onmiskenbaar over (grondstoffen voor) harddrugs, wat daarmee kon worden gedaan, bijvoorbeeld omzetten, daarmee kon worden verdiend en wie daarvoor moest worden gevraagd (Snug). In een contact met [medeverdachte 4] van 3 maart 2020 duidde [medeverdachte 6] zichzelf en [medeverdachte 4] als “werkers”, hetgeen ook een samenwerkingsverband bevestigt. En dat [medeverdachte 6] ook actief was in de productie van (grondstoffen voor) harddrugs leidt het hof af uit een conversatie tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] op 6 april 2020 toen [medeverdachte 7] aan hem vroeg “Hoeveel kg hebben we noorden gemaakt, waarop [medeverdachte 6] eerst het totaal niet meer zou weten, maar dan spreekt over de laatste ronden daar en dat dat 148 was. [medeverdachte 7] memoreerde dat daar drie partijen waren gedaan en dat de laatste de grootste was, waarop [medeverdachte 6] liet weten “die vuile olie was 484 liter dat weet ik wel” en “Dat was laatste olie die ik zelf nog moeten rota”. [medeverdachte 7] zei daarop “Ja en daar voor nog 60 meth België ovrr”. Wederom een bevestiging van [medeverdachte 6] betrokkenheid, niet alleen bij de opbouw en inrichting van locaties, maar ook fysiek bij de productie van (grondstoffen voor) harddrugs.

[medeverdachte 9] alias ‘de tekenaar’ had blijkens zijn verklaring bij de politie, afgelegd op 14 december 2021 contact gehad met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] . Hij had in opdracht van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] op eigen naam goederen besteld bij diverse bedrijven en deze goederen vervolgens ter beschikking gesteld aan de organisatie. Verder had [medeverdachte 9] in opdracht van [medeverdachte 4] technische tekeningen gemaakt. Hij kreeg hiervoor betaald, zo blijkt onder meer uit het kostenoverzicht dat [medeverdachte 7] op 31 maart 2020 aan [medeverdachte 8] stuurde waarin onder meer staat: 1000 tekenaar. Op 9 juni 2020 stuurde [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 6] een kostenoverzicht waarin onder meer staat: “50tekenaar”.

[medeverdachte 12] speelde een belangrijke rol bij de aankoop van de benodigde grondstoffen en (pre-) precursoren en bij het (laten) verwerken hiervan. Hij had hierover contact met [medeverdachte 7] , [verdachte] en veelvuldig met [medeverdachte 1] .

Op 30 maart 2020 stuurde [medeverdachte 12] aan [medeverdachte 1] : “Gm. Heb net nagevraagd ap. Krijg ik morgen antw op”. Op 1 april 2020 stuurde hij: “Gmorgen. Ap eind vlgnd week hier is verwachting”. [medeverdachte 1] antwoordde met een duimpje omhoog.

Op 10 mei 2020 vroeg [medeverdachte 12] aan [medeverdachte 1] of hij mono kon verkopen. [medeverdachte 1] zei: “denk het wel”.

Op 28 mei 2020 stuurde [medeverdachte 12] een bericht naar [medeverdachte 1] dat ze begin juli konden beginnen met het maken van ice als alles meezat en dat de ketels eind juni klaar zouden zijn. De plek was rond.

Op 18 december 2020 zei [medeverdachte 7] tegen [medeverdachte 12] via [communicatiedienst 2] : “Morgen 200 app moet ik aanpakken”. [medeverdachte 12] zei: “Oke das top. Als je wil kan je dan morgen die b van 150 ophalen en 200 brengen en maandag b van 200 halen zijn we maandag klaar”.

Even later zei [medeverdachte 12] : “Maat dit is 50. Is 10 teveel”. [medeverdachte 7] zegt: “Ok had niet geteld”. [medeverdachte 12] zei: “Verrekenen we met volgende keer dan”. [medeverdachte 7] zei: “Maat kan je aub plastic van pap afhalen en weggooien”. [medeverdachte 12] zei: “ja zeker maat”.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachten zowel afzonderlijk als gezamenlijk, al dan niet in wisselende samenstellingen, gedurende de gehele dan wel een groot deel van de tenlastegelegde periode op vele momenten betrokken zijn geweest bij de genoemde misdrijven. Daaruit leidt het hof af dat de samenwerking van de verdachten niet incidenteel is geweest en geen beperkt karakter, maar een zekere duurzaamheid had. Gelet daarop is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een dusdanige mate van duurzaamheid en structuur dat sprake is geweest van een organisatie in vorenbedoelde zin.

Uit de onderschepte communicatie, met name de [communicatiedienst 1] - en [communicatiedienst 2] berichten, blijkt dat de deelnemers aan die communicatie heel goed wisten waar ze mee bezig waren en waar de activiteiten van de organisatie op waren gericht. Er wordt openlijk gesproken over de productie van en handel in synthetische drugs, precursoren, hasjiesj en ketamine. Uit deze communicatie blijkt ook dat niemand op enig moment morele bedenkingen heeft gehad tegen de activiteiten waaraan werd deelgenomen. De deelnemers leken vooral gretig en bereid tot actie. Men wilde aan de slag, omzet draaien en geld verdienen.

Gelet op de door de genoemde deelnemers aan de organisatie gepleegde handelingen, het duurzame en gestructureerde karakter van de samenwerking en de planmatigheid en stelselmatigheid van de activiteiten, had deze organisatie als oogmerk het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk binnen- en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hard- en softdrugs, kort gezegd de opzettelijke handel in en productie van (synthetische) drugs en de handel daarin en het opzettelijk verrichten van harddrugsgerelateede voorbereidingshandelingen.

Bij het ontbreken van (voor het bewijs bruikbare) verklaringen van [verdachte] en zijn medeverdachten omtrent ieders taken en verantwoordelijkheden kan op basis van het dossier een precieze gezagsverhouding en rolverdeling tussen de verdachten naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld. Wel kan op basis van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat sprake was van een structuur waarbij [medeverdachte 1] de leiding had en eenieder zonder nadere uitleg wist wat er gedaan moest worden. Ook [verdachte] had een prominente rol in dit samenwerkingsverband, gezien zijn rol en betrokkenheid bij de overige bewezenverklaarde feiten. Samen met de anderen werd er op routinematige wijze gezorgd dat de handelingen die op dat moment van hen werden verwacht, werden uitgevoerd.

Alle verdachten hebben tenminste in een deel van de tenlastegelegde periode deelgenomen aan deze organisatie. De bijdrage die [verdachte] leverde is naar het oordeel van het hof van voldoende intensiteit en duur geweest, waardoor hij gelet op het voorgaande kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van [verdachte] , zowel op de deelneming aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt reeds uit de bewijsmiddelen en hetgeen het hof daaromtrent heeft overwogen.

Ten aanzien van de periode overweegt het hof met de rechtbank dat [verdachte] omstreeks mei 2021 door getuige [getuige] nog werd gezien bij de locatie aan de [adres 14] te Son en Breugel. Hier heeft op 12 mei 2021 in opdracht van [medeverdachte 1] een overdracht van 1000 kilo apaan/mapa plaatsgevonden, uitgevoerd door [medeverdachte 2] . In de telefoon van [verdachte] was ook een notitie opgenomen van april 2021 waarin dit adres wordt genoemd. Van strafbare betrokkenheid van [verdachte] op een later moment is uit het dossier niet gebleken. [verdachte] had op het moment dat zijn telefoon in beslag werd genomen nog wel een deel van de boekhouding op deze telefoon staan in de vorm van screenshots. Dit deel van de boekhouding loopt echter maar tot 5 maart 2021. Gelet op het vorenstaande acht het hof, met de rechtbank, niet bewezen dat verdachte na mei 2021 nog heeft deelgenomen aan de criminele organisatie onder leiding van [medeverdachte 1] .

Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De door de verdediging gevoerde bewijsverweren, vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.
<nr>3</nr>Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier 3, gewoontewitwassen) 3.1.
Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 3 tenlastegelegde, kort gezegd het medeplegen van gewoontewitwassen, wettig en overtuigend bewezen.
3.2.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde voor het al dan niet bestaan van een organisatie en deelname daaraan door [verdachte] gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat verweer is gevoerd ter zake van de pleegperiode die volgens de raadsman beperkt is tot maart 2021 en overigens [verdachte] niet de rol van boekhouder vervulde.
3.3.
Oordeel hof

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, sub a, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Voor het bewijs van een vermoeden van witwassen kan onder meer gebruik worden gemaakt van feiten van algemene bekendheid en zogenoemde witwastypologieën. Dit zijn min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring heeft geleerd, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. De Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland heeft deze feiten van algemene bekendheid, typologieën en andere indicatoren met betrekking tot witwassen in kaart gebracht.

Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.).

In dit geval is naar het oordeel van het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband te leggen tussen de in de opsomming op pagina 33 van zaaksdossier 3 opgenomen geldbedragen (welke bedragen opgeteld het tenlastegelegde bedrag van € 4.845.364 vormen) en een bepaald misdrijf. Dit maakt dat het hof – gelet op het hiervóór vooropgestelde beoordelingskader – om te kunnen komen tot bewezenverklaring van (medeplegen van) (gewoonte)witwassen eerst dient te beoordelen of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof begrijpt dat de steller van de tenlastelegging als feitelijke witwashandeling telkens de contante geldtransacties en de transacties via ondergronds bankieren op het oog heeft gehad (de herkomst van het geld verhullen en verhullen wie de rechthebbende op het geld was).

Bij de verdere beoordeling van het bewijs overweegt het hof dat uit de bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1, 4 en 5 voortvloeit dat [verdachte] het opzet had op overtreding van de Opiumwet zoals onder 1, 4 en 5 is bewezenverklaard. Bij de grootschalige handel in en productie van harddrugs worden, zo is van algemene bekendheid, doorgaans grote sommen contant geld verdiend. Een deel van deze gelden zal, zo mag worden aangenomen, weer worden aangewend ten behoeve van de aankoop van nieuwe hoeveelheden harddrugs en (pre)precursoren daarvan. Voor zover bewezen kan worden geacht dat [verdachte] een bijdrage van voldoende gewicht aan de contante geldtransacties en de transacties via ondergronds bankieren heeft gehad, geldt tegen de achtergrond van het voorgaande dat indien hij voorts voor de herkomst van deze geldbedragen geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan geven, ook het voor bewezenverklaring van witwassen vereiste opzet aanwezig wordt geacht.

Bij de beoordeling van het feit zal het hof het hiervóór geschetste beoordelingskader toepassen. Bij de beantwoording van de vraag of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is en de vraag of [verdachte] daarvan wetenschap had, neemt het hof mede in ogenschouw dat uit de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 4, 5 en 6 en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen blijkt dat [verdachte] deelnemer was aan een criminele organisatie die zich bezig hield met (het voorbereiden van) de grootschalige handel in en productie van (synthetische) drugs en de uitvoer van en handel in harddrugs. Zoals gezegd is het een feit van algemene bekendheid, dat er bij de grootschalige handel in en productie van (synthetische) drugs en bij de handel in harddrugs doorgaans grote sommen contant geld worden verdiend.

Uit de vele in het dossier opgenomen [communicatiedienst 1] -berichten blijkt dat de gebruikers van deze communicatiedienst, onder wie [verdachte] , veelvuldig met elkaar communiceerden over ‘pap’ ophalen, wegbrengen of uitgeven. Deze berichten zijn naar het oordeel van het hof, zoals ook al hiervoor is overwogen, concreet en duidelijk genoeg om vast te kunnen stellen dat het daarin om contante geldbedragen gaat. Binnen de criminele organisatie van [medeverdachte 1] was steeds een boekhouder verantwoordelijk voor het bijhouden en/of bewaren van deze bedragen en geldstromen. De te verhandelen bedragen werden aan deze boekhouder doorgegeven. [verdachte] en zijn mededaders maakten gebruik van ondergronds bankieren via zogenoemde tokens (in de vorm van een foto van een cijferreeks op een bankbiljet). De communicatie via cryptotelefoons, de contante geldtransacties en de transacties via ondergronds bankieren waren erop gericht om de geldstromen buiten het zicht van de autoriteiten te houden en om te verhullen wie de rechthebbende op de geldbedragen was.

Het hof volgt de advocaat-generaal in de opsomming van de ontvangen en betaalde bedragen en de uitwerking daarvan. Voor zover hieronder (delen van) tot het bewijs gebezigde chatgesprekken zijn weergegeven, zijn de verdachten voor de leesbaarheid steeds bij naam genoemd voor zover hun identificatie als een van de gebruikers van [communicatiedienst 1] , [communicatiedienst 2] en/of [communicatiedienst 3] reeds hiervoor heeft plaatsgevonden.

Ontvangen bedragen

Op pagina 33 van het relaas proces-verbaal van het ‘proces-verbaal zaaksdossier 03 witwassen’ is een schema opgenomen. In dit schema zijn de geldbedragen opgenomen die blijkens de onderliggende tot het bewijs gebezigde chatberichten zijn witgewassen, waarbij ook is vermeld op welke datum en door welke verdachte dat is gedaan. Uit dit schema volgt dat [medeverdachte 2] op vier data geld heeft opgehaald in opdracht van [verdachte] , die dat weer deed in opdracht van [medeverdachte 1] . Dat gebeurde op 2 april 2020, 8 april 2020, 12 mei 2020 en 9 juni 2020.

Daarnaast heeft [verdachte] nog 12 keer geld opgehaald voor [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] heeft van deze 12 keer blijkens de chats alleen op 2 april 2020 geld opgehaald (een bedrag van € 164.400,-).

Naast al deze genoemde geldtransporten zijn er nog drie geweest waarbij [medeverdachte 1] geld

heeft ontvangen zonder dat uit de chats blijkt dat [verdachte] en/of [medeverdachte 2]

daarbij een rol hebben gespeeld.

Op [geboortedag 13] 2020 chatte [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] “150k kleine w”. [medeverdachte 1] reageerde met een emoticon dat aangeeft dat het prima is (duim en wijsvinger op elkaar).

Dan waren er nog twee geldoverdrachten blijkens chats tussen [medeverdachte 1] en ‘wineclock’, geïdentificeerd als [medeverdachte 1] ’ oudste dochter [betrokkene 6] . ‘Wineclock’ stuurde op 21 mei 2020 een foto van een bundel briefgeld en vroeg waar dat weg te leggen. [medeverdachte 1] vroeg hoeveel dat was, en ‘wineclock’ liet weten: “Ok”. ‘Wineclock’ zei dat [medeverdachte 1] dat een paar maanden geleden aan haar gegeven heeft. [medeverdachte 1] zei “och ja”. Op 29 mei liet ‘wineclock’ aan [medeverdachte 1] weten dat er 6500 was afgegeven en zij vroeg [medeverdachte 1] of hij wilde dat zij het weglegde.

Uit het hiervoor bedoelde berichtenverkeer blijkt dat in de periode van 21 februari 2020 tot en met 11 juni 2020 flinke bedragen zijn opgehaald in opdracht van [medeverdachte 1] . In totaal gaat het om € 3.561.364,-. [verdachte] is blijkens de chats bij het overgrote deel van de geldoverdrachten betrokken.

Betaalde bedragen

Naast bedragen ontvangen is er blijkens de chats ook drie keer een geldbedrag namens [medeverdachte 1] betaald. Bij de betaling van 9 mei 2020 heeft [verdachte] een rol gehad.

Op 9 mei 2020 had [medeverdachte 1] via [verdachte] € 1.092.000,- euro betaald aan de hiervoor reeds als [betrokkene 14] geïdentificeerde [communicatiedienst 1] -gebruiker ‘seventytwo’. Uit de chats blijkt dat [betrokkene 14] [medeverdachte 1] op 8 mei 2020 vroeg of hij ( [medeverdachte 1] ) de centen regelde. Hierop liet [medeverdachte 1] weten dat hij nu pas bereik had en het ging regelen.

Dit verzoek kwam nadat blijkens de chats ‘seventytwo’ met [medeverdachte 1] op 5 mei 2020 had afgesproken dat 42 stuks zouden worden opgehaald en dat er geen geld zou worden gegeven omdat [medeverdachte 1] had gezegd dat het al in Amsterdam zou liggen (zie proces-verbaal zaaksdossier 03, relaas proces-verbaal, pagina 22). Op 5 mei 2020 had [medeverdachte 2] ingevolge de chats de 3 big shoppers opgehaald.

Op 9 mei 2020 berichtte [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] “1092.000” en “bevestig ff”. Dezelfde dag chatte [verdachte] aan [medeverdachte 3] “Pap geleverd”.

‘Seventytwo’ ( [betrokkene 14] ) liet die middag dan ook aan [medeverdachte 1] weten dat het geld geleverd was, waarna [medeverdachte 1] zich verontschuldigde dat het wat laat was. ‘Seventytwo’ chatte toen “Nee man helemaal niet erg, jou kennende heb je je weer helemaal in allerlij berichten gewrongen om op tijd te betalen”.

Tot slot is relevant een foto van geldbundels opgenomen op pagina 11 van het relaas proces-verbaal bij het proces-verbaal zaaksdossier 03 en het berichtenverkeer daaromheen. ‘Toxicrose’ chatte op 30 maart 2020 met [medeverdachte 1] en stuurde hem een foto waarop het hof diverse bundels met biljetten waarneemt van verschillende coupures (500 euro, 100 euro, 50 euro en 20 euro biljetten). ‘Toxicrose’ liet weten dat alles nog steeds vacuüm was en dat [medeverdachte 1] zich geen zorgen moest maken. ‘Toxicrose’ berichtte voorts aan [medeverdachte 1] dat het geld bij een vriend in een kluis werd bewaard. Die vriend kon altijd grote bedragen uitleggen als er iets verkeerd zou gaan en die vriend zou werken met dure auto’s. ‘Amigo’ ( [verdachte] ) zou weten waar zijn garage was, 1 km bij ‘toxicrose’ vandaan. ‘Toxicrose’ leek [medeverdachte 1] vervolgens nog te willen geruststellen en berichtte hem “Dat je weet safe is”. Deze foto en de berichten van ‘toxicrose’ aan [medeverdachte 1] onderschrijven het oordeel van het hof dat alle genoemde chats daadwerkelijk over geldbedragen gingen.

Op grond van het voorgaande acht het hof dan ook het vermoeden gerechtvaardigd dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van [verdachte] mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

[verdachte] heeft zich tijdens het proces structureel beroepen op zijn zwijgrecht en dus geen verklaring gegeven over de herkomst van de geldbedragen.

Er is aldus naar het oordeel van het hof geen aanleiding tot enig nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de (grote) geldbedragen die omgingen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Dat er tussen [verdachte] en zijn medeverdachten via de gebruikte cryptotelefoons werd gesproken over legale handel en niet over de productie en de handel in (synthetische) drugs is overigens gesteld noch gebleken.

[verdachte] heeft door zijn handelwijze van (grote) geldbedragen de herkomst verhuld. Uit het dossier wordt niet duidelijk op welke wijze de winsten die door de criminele organisatie werden verdeeld en eveneens niet op welke wijze deze gelden vervolgens werden besteed en geïnvesteerd. Dit doet echter niet af aan de constatering dat de herkomst van deze geldbedragen is verhuld en tevens is verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was, terwijl [verdachte] wist dat die geldbedragen zoals hierboven genoemd – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Nu, zo mag worden aangenomen, een deel van de door de organisatie ontvangen gelden weer werd aangewend ten behoeve van de aankoop van nieuwe hoeveelheden drugs en

(pre-)precursoren van drugs, kan het hof niet uitsluiten dat er sprake is van dubbeltellingen in de opsomming op eerdergenoemde pagina 33 van het relaas proces-verbaal voor wat betreft de kolommen ‘Ontvangen en Betaald’. Het precieze ‘witwasbedrag’ is daardoor voor het hof niet vast te stellen. Het hof komt derhalve op grond van de gebezigde bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het witwassen van grote geldbedragen.

Medeplegen

Uit de tot het bewijs gebezigde berichten volgt dat [verdachte] een bijdrage van voldoende gewicht aan de contante geldtransacties en de transacties via ondergronds bankieren heeft gehad en dat hij dit samen deed met zijn medeverdachten als genoemd in de bewijsmiddelen.

Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] samen met zijn mededaders de herkomst van de geldbedragen heeft verhuld en ook heeft verhuld wie de rechthebbende op deze geldbedragen was. Het hof acht derhalve het medeplegen van witwassen bewezen.

Gewoontewitwassen

Gelet op de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede op het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarin deze zich hebben afgespeeld, acht het hof bewezen dat [verdachte] en zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

De door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

4. Ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier 6 en zaaksdossier 11, voorbereidingshandelingen)
4.1.
Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 4 tenlastegelegde, kort gezegd het medeplegen van voorbereidingshandelingen, wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft deels vrijspraak bepleit van het onder 4 tenlastegelegde, en wel voor het gedachtestreepje betreffende het voorhanden hebben van 1000 kilogram apaan en de vier gedachtestreepjes betreffende de communicatie met [medeverdachte 12] . De verdediging heeft ten aanzien van de 1000 kilogram apaan aangevoerd dat een notitie van [verdachte] van

19 april 2021 onvoldoende is om betrokkenheid te bewijzen bij een vermeende levering tussen 12 mei 2021 en [geboortedag 3] 2021. Voorts ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] op het terrein is geweest. De verklaring van de getuige [getuige] hieromtrent heeft, gelet op de inhoud, geen bewijswaarde.

Ten aanzien van de vier gedachtestreepjes betreffende de communicatie met [medeverdachte 12] heeft de verdediging – samengevat – aangevoerd dat het wettig en overtuigende bewijs ontbreekt dat het steeds daadwerkelijk over apaan ging dan wel dat de apaan daadwerkelijk is binnengekomen.

Het voorhanden hebben volgt niet uit de berichten en ook kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] anderszins een materiële of intellectuele bijdrage heeft geleverd van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken.
4.3.
Oordeel hof

Juridisch Kader

In artikel 10a van de Opiumwet zijn als zelfstandig misdrijf gedragingen strafbaar gesteld, die beogen de (internationale) handel in en productie van harddrugs voor te bereiden of te bevorderen. Dergelijke gedragingen zijn pas dan strafbaar, indien bij de dader het opzet heeft bestaan om een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet (onder meer het opzettelijk bereiden, vervoeren, verkopen, afleveren en het binnen- of buiten het grondgebied van Nederland brengen van lijst I middelen) voor te bereiden of te bevorderen.

Voor een bewezenverklaring in de zin van artikel 10a van de Opiumwet is, naast opzet van de dader, ook vereist dat deze aan die intentie uiting heeft gegeven door een of meer van de in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet omschreven voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten.

Niet is vereist dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet) deze handelingen dienen.

Voorbereidingshandelingen zijn zowel strafbaar wanneer de pleger in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het voorgenomen misdrijf waarop de voorbereidingshandelingen zich richten, is gerealiseerd dan wel een poging daartoe is ondernomen. Handelingen die plaatsvinden in de uitvoerings- of voltooiingsfase van het delict kunnen eveneens onder het bereik van artikel 10a van de Opiumwet vallen.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof het plegen van de onder 4 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen wettig en overtuigend bewezen.

Ter illustratie geeft het hof hieronder (delen van) een aantal van de tot het bewijs gebezigde chatgesprekken weer. In de overwegingen omtrent de identificatie is reeds vastgesteld van welke [communicatiedienst 1] -accounts, [communicatiedienst 2] -accounts en/of [communicatiedienst 3] -accounts [verdachte] en zijn medeverdachten gebruik maakten. In de weergave van de gesprekken zijn voor de duidelijkheid daarom hieronder niet de accountnamen, maar de namen van de verdachten genoemd.

Op 26 augustus 2020 stuurde [verdachte] naar [medeverdachte 12] : “Yooo maat, weet niet of ouwe al heeft gevraagd. Maar die A laden kunnen we dat naar morgen verzetten heb geen chauffeur vanmiddag, en kan zelf niet rijden”. “Ik ben vande week door recherche aangehouden dus kan risico niet nemen nu”. Enige tijd later die dag stuurde hij: “Jou chauffeur mag ze ok in Venlo afgeven”. “Krijgt daar ook pap mee terug dan kan je jou geld er meteen af pakken”. “Mijn zwager laad om 18.30u in brunsum die moet voortaan i n Eersel lossen dan meteen richting jou maat”. ”En dan zien we elkaar morgen ergens voor pap”.

Op 13 september 2020 stuurde [verdachte] naar [medeverdachte 12] : “Wat komt binnen? Ap? “ “Hij kan aanpakken als hij gekost gelost heeft”.

Op 21 september 2020 stuurde [verdachte] naar [medeverdachte 12] : “Maat die pap voor smelters moet die naar jou?” “Kan je over 45min aanpakken ongeveer maat mijn zwager is nu pap halen”. “Oké maat ik laat je weten als hij er bijna is”. 25 minuten later stuurde hij: “10min is hij daar” en 12 minuten later stuurde hij: “Hij is er”.

Uit deze aangehaalde chats en de overige bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] zich in de tenlastegelegde periode bezighield met voorbereidingshandelingen voor internationale handel in en productie van harddrugs.

Er wordt in de chatberichten veelvuldig gesproken over ‘ap’, ‘a’, ‘olie’, smelten, afdraaien en andere vergelijkbare termen. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze termen worden gebruikt om verdovende middelen en (pre)precursoren/grondstoffen en het verwerkingsproces hiervan aan te duiden. [verdachte] geeft regelmatig de opdracht om middelen of geld op te laten halen of te leveren (door [medeverdachte 12] en [medeverdachte 2] ). [verdachte] kan als medepleger worden beschouwd. Hij krijgt zelf opdrachten, geeft opdrachten en laat die door anderen uitvoeren.

[verdachte] heeft daarmee zichzelf en anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van de in artikel 10 van de Opiumwet genoemde strafbare feiten getracht te verschaffen en voorwerpen, stoffen en gelden (of andere betaalmiddelen) voorhanden gehad. Uit de chats volgt dat [verdachte] wist dat de voorwerpen, stoffen en het geld bestemd waren voor het plegen van die strafbare feiten en zijn wil en zeker zijn opzet was daar gelet op de inhoud van de chats ook op gericht.

[verdachte] en zijn mededaders hadden veelvuldig contact. Alle uit de bewijsmiddelen volgende gedragingen zijn, in onderling verband en samenhang bezien, te beschouwen als een intellectuele en/of materiële bijdrage aan het onder 4 tenlastegelegde. Het hof acht deze bijdragen van meer dan voldoende gewicht om het medeplegen van de voorbereidingshandelingen bewezen te verklaren.

Het hof acht het onder 4 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden voor het overige weerlegging in de bewijsmiddelen.
<nr>5</nr>Ten aanzien van feit 5 (zaaksdossier 4, de invoer van hasjiesj) 5.1.
Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 5 tenlastegelegde, kort gezegd de invoer van hasjiesj, wettig en overtuigend bewezen.
5.2.
Standpunt verdediging

De verdediging is van oordeel dat de rechtbank terecht tot een partiële vrijspraak is gekomen met betrekking tot de invoer van 840 kilogram hasjiesj. De rechtbank heeft volgens de verdediging echter onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat [verdachte] als medepleger betrokken is geweest bij de verdere distributie van de hasjiesj in Nederland. De rechtbank heeft op basis van chats geconcludeerd dat [verdachte] ervoor heeft gezorgd dat de hasjiesj werd opgehaald bij een persoon die de hasjiesj heeft bewerkt. De enkele PGP-berichten in het dossier zijn te beperkt qua aantal en zijn onduidelijk, vaag en onbepaald, aldus de verdediging. Het bewijs schiet daarom te kort, terwijl er diverse contra-indicaties zijn voor de betrokkenheid van [verdachte] in de zin van medeplegen. De vermeende “bemoeienis” van [verdachte] in het berichtenverkeer stopt op 25 januari 2021. De bijdrage van [verdachte] in de berichten tot 25 januari 2021 is volgens de verdediging niet zodanig dat dit een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht oplevert. Tussen 25 januari 2021 en 4 maart 2021 neemt [verdachte] niet deel aan gesprekken en wordt er ook niet door anderen over hem gesproken.

De verdediging verzoekt om [verdachte] bij gebrek aan voldoende duidelijke en transparante door hem gestuurde berichten vrij te spreken. Het wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoer van hasjiesj in de tenlastegelegde periode ontbreekt. Ook voor de betrokkenheid van [verdachte] bij de invoer is geen bewijs, aldus de verdediging.
5.3.
Oordeel hof

In de overwegingen omtrent de identificatie is reeds vastgesteld van welke [communicatiedienst 1] -accounts, [communicatiedienst 2] -accounts en/of [communicatiedienst 3] -accounts [verdachte] en zijn medeverdachten gebruik maakten. In de weergave van de gesprekken/chats zijn voor de duidelijkheid daarom hieronder niet de accountnamen, maar de namen van de geïdentificeerde verdachten genoemd.

Uit het dossier leidt het hof het navolgende af.

Op 3 januari 2021 vroeg het [communicatiedienst 2] -account ‘SD6ISX’ aan [medeverdachte 1] of hij nog samples nodig had in Frankfurt. Op 4 januari 2021 berichtte dezelfde ‘SD6ISX’ aan [medeverdachte 1] dat de samples morgen (dus 5 januari 2021) in Eindhoven zouden zijn tussen 12.00 en 13.00 uur. Op 5 januari 2021 stuurde [verdachte] aan [medeverdachte 1] een foto met daarop een 8-tal ovaalvormige witte pakketjes met naar wat het hof waarneemt in ieder geval opdrukken/stempels/stickers met tekeningen met symbolen die zijn te herleiden tot het symbool van de Rolling Stones (rode lippen en uitgestoken tong), rode letters die het automerk Range Rover vormen en in het blauw letters en een logo die zijn te herleiden tot de Spaanse voetbalclub Real Madrid. Later gaf [verdachte] aan [medeverdachte 1] te kennen dat de samples waren afgegeven bij Risetto. Op 6 januari 2021 berichtte [verdachte] aan [medeverdachte 1] dat ‘ze’ allemaal hetzelfde waren, keihard en als je ze openmaakte er stukken uitvielen. Hierna stuurde [verdachte] een aantal foto’s van bruine brokken naar [medeverdachte 1] .

Op 23 januari 2021 vroeg ‘SD6ISX’ aan [medeverdachte 1] via [communicatiedienst 2] om een plaats in Holland om de start van het “tp” (transport) voor te bereiden. Daarna stuurde ‘SD6ISX’ foto’s naar [medeverdachte 1] waarop het hof waarneemt een aantal ovaalvormige witte pakketjes met wederom een soortgelijk logo van de Rolling Stones en een soortgelijk blauw logo van de voetbalclub Real Madrid met daaronder de clubnaam in letters en een logo van een blauwe Z met als onderschrift de letters ZEIN. Ook neemt het hof waar dat op een aantal foto’s naast de verpakkingen bruine blokken/brokken staan, qua omvang en formaat passend bij de verpakkingen. Op 24 januari 2021 vroeg ‘SD6ISX’ wederom aan [medeverdachte 1] om een naam van een plaats in Holland voor de levering van 400.

[verdachte] vroeg op 25 januari 2021 aan [medeverdachte 2] via [communicatiedienst 2] of hij even het plastic eraf kon halen zodat het linnen zakje te zien was en dat hij even een stukje eraf moest breken. Verder vroeg hij om het account ‘QYA6SW’ toe te voegen nu dat “die Surfer” waar de stukken hasj naar toe moeten. In die chat stond aldus letterlijk “Voeg hem even toe dat is die Surfer daar moeten die stukken hasj naar toe”. [medeverdachte 2] stuurde vervolgens klaarblijkelijk een foto naar [verdachte] , die [verdachte] doorstuurde. Immers, uit berichten van [verdachte] aan een zekere [betrokkene 15] , die volgens de politie de bijnaam ‘Habibi’ heeft, bleek dat er foto’s werden verzonden van – volgens de waarneming van het hof – 8 ovale witte pakketjes, een close-up van een ovaal wit pakketje met een vergelijkbaar met eerder genoemd blauw Real Madrid-logo én ook een pakketje, deels zonder de verpakking, waarbij de inhoud van een vergelijkbaar pakketje te zien is, zijnde een bruine vaste substantie. Vervolgens berichtte [verdachte] aan [medeverdachte 1] dat de samples waren afgegeven bij Hab.

Transport februari 2021

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat er op 23 en 24 februari 2021 een transport heeft plaatsgevonden. Hiervoor bezigt het hof onder andere de berichten van [medeverdachte 8] aan [medeverdachte 7] , waarbij de reactie van [medeverdachte 7] niet te zien is. [medeverdachte 8] stuurde op [geboortedag 7] 2021 om 15:29 uur dat hij onderweg was, om 21.11 uur stuurde [medeverdachte 8] dat het nog 375 was en dat hij nog 275/300 wilde doen. De volgende dag (24 februari 2021) om 09.39 uur schreef [medeverdachte 8] dat hij de klok wel kon uitzetten en daarheen kon rijden en vroeg of “hun” met hun eigen chauffeurskaart reden of met de zijne. Om 12.14 uur stuurde [medeverdachte 8] een foto van de binnenzijde van de trailer met daarin een aantal gesloten dozen op pallets. Dit doet het hof vermoeden dat de lading voor het transport was opgehaald.

Deze berichten zijn ook terug te vinden in de groepschat tussen [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en de hiervoor reeds in beeld gekomen ‘SD6ISX’ die samples regelde voor [medeverdachte 1] via [verdachte] . Zo had [medeverdachte 8] op 24 februari 2021 om 08.17 uur een foto van een route op een navigatiescherm gestuurd waaruit valt af te leiden dat hij nog 8 minuten moest rijden naar het adres “ [adres 15] ”. Vervolgens ging het over een “Myto CZ box” voor Tsjechië, waarvan tevens een foto werd gedeeld. [medeverdachte 7] vroeg om 09.38 uur in het Engels hoe lang de chauffeur moest wachten. Dit was op het moment dat [medeverdachte 8] zelf geen berichten meer stuurde in de chatgroep. [medeverdachte 7] en ‘SD6ISX’ spraken 12.00 af en de jongens van ‘SD6ISX’ zouden er dan om 12.00 uur zijn. [medeverdachte 7] berichtte daarna ‘Henk look first for a box’ en vroeg daarna of de chauffeur van ‘SD6ISX’ een chauffeurskaart voor de vrachtwagen zou gebruiken. De jongen van ‘SD6ISX’ kwam er aan en vroeg of de chauffeur van [medeverdachte 7] de kaart kon achterlaten. De jongen van ‘SD6ISX’ zou alleen de trailer oppikken en [medeverdachte 7] werd gevraagd of hij hem, het hof begrijpt [medeverdachte 8] , kon vragen om zich voor te bereiden. Een en ander zou binnen 10 minuten klaar zijn. ‘SD6ISX’ was in afwachting van een “GO”. Nadat [medeverdachte 8] om 10.49 uur een foto stuurde met daarop voor het hof waarneembaar een gebouw en rijdende auto’s en werd gevraagd waar hij moest wachten en of hij erin moest rijden of dat hij naar links moest of dat hij zijn vrachtauto voor de trailer moest zetten, berichtte ‘SD6ISX’ dat elke plek kon en dat zijn jongens er in een paar minuten zouden zijn. Hierop liet [medeverdachte 8] weten dat hij er klaar voor was. Om 11.57 uur liet ‘SD6ISX’ weten dat hij nu vertrok, waarna hij “good luck” wenste. Om 12.14 uur berichtte [medeverdachte 8] dat alles oké was en ‘SD6ISX’ berichtte dat het spul in 4 pallets zat, waarna [medeverdachte 8] zich bedankte. De chatgroep werd op 2 maart 2021 beëindigd door [medeverdachte 8] .

In het berichtenverkeer naar [medeverdachte 7] berichtte [medeverdachte 8] die ochtend van 24 februari 2021 bij de locatie op de foto “is soort industrie maar slagboom en beveiliging. En sta ervoor” en “beetje parking hier”. Nadat [medeverdachte 8] een foto van de binnenkant van de trailer met de dozen had gestuurd, liet hij om 12.21 uur aan [medeverdachte 7] weten dat hij “een packing list enz” had gekregen en dat het 10 pall waren. (12.22 uur). Om 12.33 uur stuurt [medeverdachte 8] dat hij in “pl” was, waarmee hij volgens het hof doelde op Polen, en om 12.38 uur liet [medeverdachte 8] weten dat hij weer in D, waarmee hij volgens het hof doelde op Duitsland, was. Om 14.13 uur moest [medeverdachte 8] nog 660 kilometer. [medeverdachte 8] vroeg vervolgens om 17.34 uur “hoe laat willen jullie komen of losse” en later berichtte hij dat hij de truck gewoon achteruit zou zetten zodat je er niet in kon en dat hij de sleutels mee naar binnen zou nemen. Om 21.58 uur was hij weer “Back in nl” zo liet [medeverdachte 8] aan [medeverdachte 7] weten toen hij net de grens over was. Om 22.54 kwam zijn laatste bericht dat hij weer terug was en de sleutels op het aanrecht zouden liggen. Op 25 februari 2021 om 13.30 uur vraagt [medeverdachte 8] aan [medeverdachte 7] hoeveel 1 blok verkoop kost, hij kent namelijk een maat die dat rookt.

Uit de gegevens van de bestuurderskaart van [medeverdachte 8] ving de rit op [geboortedag 7] 2021 aan om 15.59 uur en werd als beginland Nederland aangegeven. Op de dagen 23 en 24 februari 2021 werd er in totaal 1536 kilometer gereden met een gemiddelde snelheid van 84,4 kilometer per uur.

Op 25 februari 2021 om 9.51 uur stuurde [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 1] het bericht dat hij nu alles ging nawegen en dat hij 34 dozen had. Daarbij stuurde [medeverdachte 7] foto’s van handgeschreven overzichten met cijfers/aantallen van Range Rover, Real Madrid, Rolling Stones en Zein. [medeverdachte 7] telde alles bij elkaar op en kwam op 500 alles bij elkaar en had dozen gemaakt van 20 kilogram, zo liet hij [medeverdachte 1] weten. Daarna liet [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 1] weten dat de chauffeur vroeg of hij nog een keer moest, waarop [medeverdachte 1] antwoordde “Normaal wel kun je aub goed wegzetten en ff op groepsapp sturen geteld 500”, waarop [medeverdachte 7] antwoordde dat te doen. Nadat [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 1] liet weten het goed te hebben weggezet, vroeg [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 1] of hij de chauffeur gewoon kon betalen, waarop [medeverdachte 1] antwoordde “Doe ik”. Diezelfde avond nog berichtte [medeverdachte 1] om 22.23 uur aan [betrokkene 15] dat hij vandaag 500 kilogram had ontvangen en dat wanneer Berlijn het wilde, hij dat kon laten brengen.

Op 1 maart 2021 liet [medeverdachte 1] aan [betrokkene 15] weten dat er gebroken stukken bij zaten en of hij die kon laten maken. [betrokkene 15] reageerde met “Ya zeker” en vroeg [medeverdachte 1] op 2 maart 2021 hem eerst een 1 kilo te geven, zodat hij kon laten zien hoe dit gemaakt zou worden. Daarbij stuurde [betrokkene 15] een bericht door van ‘Surfer’ met de tekst ”Bro kan je 1kg van die hasj sturen” en “En zit die nog in de zakken”. [medeverdachte 1] reageerde hierop dat hij dat zou regelen.

Op 4 maart 2021 kondigde [betrokkene 15] bij [medeverdachte 1] aan een foto aan [medeverdachte 1] te sturen om te laten zien hoe het was geworden en dat hij ermee bezig was. Op de foto neemt het hof waar een ovaalvormig wit zakje met een blauwe stempel met een meergenoemd Rolling Stones-logo te zien. Op een volgende foto neemt het hof waar een ovaalvormige bruine vaste substantie. [medeverdachte 1] kreeg het bericht van [betrokkene 15] dat hij het straks kon ophalen. [medeverdachte 1] vroeg even later hoeveel hij op een dag kon doen en liet weten dat hij het nu mooier vond dan het origineel. [betrokkene 15] berichtte dat hij die ook als “morcans” kon maken en stuurde een bericht door van ‘Surfer’ die liet weten dat het zelfs als marok kon worden verkocht. ‘Surfer’ kon volgens een doorgestuurd bericht tussen de 25 kilo en 50 kilo per dag doen, maar hij werkte liever rustig omdat je het snel kon verpesten.

[betrokkene 15] stuurt gelijktijdig aan [verdachte] een foto waarop het hof een zevental pakketjes waarneemt en berichtte dat het klaar was. Na wat uitleg, en na de bevestiging dat [betrokkene 15] met ‘amigo’ van doen had, was het [verdachte] na ontvangst van een audiofile duidelijk waar het over ging en zou hij ervoor gaan zorgen dat het werd opgehaald.

Transport maart 2021

Op 2 maart 2021 om 10.26 stuurde [medeverdachte 8] aan [medeverdachte 7] het bericht dat hij net weer weg was en vroeg wanneer het werd afgehandeld aangezien hij voor de eerste keer ook nog niets had gehad. Dit bericht stuurde [medeverdachte 7] om 10:39 door naar [medeverdachte 1] , waarbij als opgeslagen contact/naam bij het bericht van [medeverdachte 8] vermeld stond ‘Malibu’ en bij de antwoorden van [medeverdachte 7] als opgeslagen contact/naam stond ‘Henkie’. [medeverdachte 1] berichtte daarop dat dit vandaag kon, waarop [medeverdachte 7] berichtte dat zij dat dan zouden doen als hij ( [medeverdachte 8] /’Malibu’) terug zou zijn, want hij was weer onderweg richting daar. [medeverdachte 1] reageerde dat dat super was en dat hij hoopte zo te horen dat hij wat kon verkopen.

[medeverdachte 8] berichtte [medeverdachte 7] op 2 maart 2021 om 11:18, zo begrijpt het hof uit de emoticon van een politievoertuig en een agent en de daarbij verzonden berichten, dat er volop politie was in Duitsland bij de grens. Om 17.37 uur liet [medeverdachte 8] weten dat hij in Leipzig was en om 17.58 uur berichtte hij nog een kleine 200 kilometer te moeten. Om 20.35 uur kwam het bericht bij [medeverdachte 7] binnen dat [medeverdachte 8] net de grens over was en dat hij hetzelfde zou doen als de vorige keer. Op 3 maart 2021 om 12.30 uur stuurde [medeverdachte 8] een foto waarop het hof pallets met dozen waarneemt aan de binnenkant van een trailer. Om 12.51 uur stuurde hij [medeverdachte 7] het bericht dat hij nu weer was vertrokken. Om 13.10 uur stuurde [medeverdachte 8] het bericht dat hij cz-pl over was, volgens het hof doelde [medeverdachte 8] daarmee op de grens tussen Tsjechië en Polen, en daarna om 13.11 uur dat hij PL-D ook weer over was, waarmee [medeverdachte 8] volgens het hof de grens tussen Polen en Duitsland bedoelde. [medeverdachte 8] liet om 17.12 uur weten dat de planning was dat hij er in de nacht zou zijn. Om 19.09 uur liet [medeverdachte 8] weten dat hij bij Kassel was en om 21.25 dat hij bijna bij Duisburg was en er rond 00.00 uur zou zijn. Hij schreef om 21.28 uur nog “1447 en de km die niet geteld zijn”.

Uit de gegevens van de bestuurderskaart van [medeverdachte 8] ving de rit op 2 maart 2021 aan om 10.53 uur aan en werd als beginland Nederland aangegeven. Op de dagen 2 en 3 maart 2021 werd er in totaal 1570 kilometer gereden met een gemiddelde snelheid van 84,1 kilometer per uur.

Op 3 maart 2021 om 12.37 uur stuurde [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 1] de foto door van de met dozen geladen trailer– zoals door het hof is waargenomen – en meldde hij “Op terug weg nu”. Om 13.12 uur stuurde [medeverdachte 7] [medeverdachte 1] een drietal berichten door van ‘Malibu’( [medeverdachte 8] ) “CZ-pl ben ik over” en “Pl-D ook weer … nu op naar huis” en de reactie van ‘Henkie’( [medeverdachte 7] ) “Top top topper”. Om 22.57 uur liet [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 1] weten dat “hij” terug was.

Op 3 maart 2021 stuurde ‘SD6ISX’ naar [medeverdachte 1] het bericht “Hi, this is finl account. Your guy picked op 340”. Daarna stuurde ‘SD6ISX’ een foto waarop het hof waarneemt een handgeschreven overzicht met bedragen en bovenaan en achter diverse bedragen de letter “P”. [medeverdachte 1] reageert hierop meteen en bedankt ‘SD6ISX’.

Op 4 maart 2021 om 9.53 uur stuurde [medeverdachte 7] een handgeschreven overzicht met “Rolling Stones”, “Range Rover” en “Zizou” met daarbij de getallen 138 (Rolling Stones), 55 (Range Rover) en 145 (Zizou) met de vermelding van een totaal van 339,4 kilogram. Wederom vroeg [medeverdachte 7] daarna of hij het vandaag kon afwerken met de chauffeur, waarop [medeverdachte 1] reageerde dat hij zo 45000 liet afgeven en als Amsterdam was afgegeven zou hij gelijk ook geld mee terug krijgen.

Observatie

Op 9 juni 2021 vond een observatie plaats, waarbij werd gezien dat de groene Audi A4 met kenteken [kenteken 2] , in gebruik bij [medeverdachte 2] , en voorzien van een geregistreerd peilbaken, stopte in Eersel op de Monseigneur de Haasstraat ter hoogte van nummer 77. De bestuurder van die auto werd herkend als [medeverdachte 2] . De auto reed zonder te stoppen naar Amsterdam en parkeerde op de Slijperweg ter hoogte van een kringloopwinkel. [medeverdachte 2] stapte uit de auto en maakte contact met een man en liep vervolgens weer naar zijn auto en stapte in. [medeverdachte 2] verplaatste de auto en parkeerde naast een blauwe bestelauto met op de zijkant de opdruk Fresh Orange Company. [medeverdachte 2] deed de achterklep van zijn Audi A4 open en haalde vijf koffers uit de laadruimte van zijn auto en overhandigde deze aan de andere man, die de koffers overlaadde in de blauwe bestelauto. Hierna reed [medeverdachte 2] weer weg. De blauwe bestelauto is gevolgd en gezien werd dat deze een loods in Oostzaan binnenreed. Deze loods werd op 9 juni 2021 binnengetreden en doorzocht en daar werden koffers aangetroffen met in totaal 936 plakken hasjiesj met een totaal gewicht van 187 kilogram. De plakken hasjiesj waren verpakt in witte zakjes en voorzien van verschillende opdrukken, te weten “Rolling Stones” (symbool), “Range Rover”, “Real Madrid” en “Zizou”. De plakken werden bemonsterd en indicatief getest middels de MMC Cannabis test. Alle monsters testen positief voor THC. De plakken wogen gemiddeld 200 gram.

Conclusie

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1] betrokken zijn geweest bij de invoer van hasjiesj vanuit Tsjechië naar Nederland. In dat verband heeft [medeverdachte 1] contact gehad met ‘SD6ISX’ waarbij is gesproken over “samples”. Deze “samples”/monsters zijn vervolgens door [verdachte] ontvangen en gezien en op zijn beurt stuurde [verdachte] foto’s van die monsters door naar [medeverdachte 1] . Hierna vertrok [medeverdachte 8] met een vrachtwagen naar Tsjechië, waarbij hij [medeverdachte 7] op de hoogte hield van de voortgang van zijn rit. Na ontvangst van de lading, stuurde [medeverdachte 8] een foto – zoals het hof waarneemt – van een lading, die zich in dozen bevond in de trailer, naar [medeverdachte 7] . [medeverdachte 7] berichtte over deze voortgang aan [medeverdachte 1] . Dit gebeurde op deze wijze zowel bij het transport in februari 2021 als bij het transport in maart 2021. Dat deze ritten naar Tsjechië en terug hebben plaatsgevonden, volgt ook uit de uitgelezen chauffeurskaarten van [medeverdachte 8] . Dat hieruit van een afwijkend aantal kilometers zou blijken, maakt niet dat deze ritten niet hebben plaatsgevonden. Zo blijkt uit het berichtenverkeer van [medeverdachte 8] dat hij de klok wel kon uitzetten (transport februari 2021) en dat een aantal kilometers niet waren geteld (transport maart 2021). Hoewel de chauffeurskaarten niet tot op de kilometer nauwkeurig lijken overeen te komen met de veronderstelde door [medeverdachte 8] gereden kilometers, blijkt hieruit wel van lange ritten die wel grotendeels overeenkomen met de door [medeverdachte 8] doorgegeven voortgang van zijn ritten.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er voor minimaal 840 kilogram aan hasjiesj is geïmporteerd waarbij het transport in februari 2021 500 kilogram bedroeg en het transport in maart 2021 340 kilogram. Dit zijn niet alleen de aantallen waarover door [medeverdachte 1] en ‘SD6ISX’ is gecommuniceerd, maar dit totaalgewicht stemt ook overeen met de door [medeverdachte 7] doorgegeven aantallen van de Rolling Stones, Real Madrid, Range Rover, Zein en Zizou. Na het tellen en wegen van de lading van februari 2021 stuurde [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 1] het bericht dat hij een totaalgewicht had van 500 en in maart 2021 stuurde [medeverdachte 7] [medeverdachte 1] een foto met daarop – zoals het hof waarneemt – een handgeschreven overzicht met het totaalgewicht van 339,4 kilogram.

Het hof acht dan ook bewezen dat [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1] zich schuldig hebben gemaakt aan de import van afgerond 840 kilogram hasjiesj waarbij [medeverdachte 8] optrad als chauffeur, [medeverdachte 7] als tussenpersoon tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] , en [medeverdachte 1] de initiator en leider was van deze transporten.

Voorts acht het hof bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] betrokken waren bij de distributie van de hasjiesj. Zo had [verdachte] op 5 januari 2021 contact met [medeverdachte 1] , nadat [medeverdachte 1] op 4 januari 2021 met SD6ISX had afgesproken dat er morgen (5 januari 2021 tussen “12-13:00” samples in Eindhoven zouden zijn. [verdachte] stuurde om 14.10 uur foto’s naar [medeverdachte 1] van – naar ’s hofs waarneming – een 8-tal pakketjes met daarop onder andere de afbeeldingen als hiervoor bedoeld met het logo van de Rolling Stones, Real Madrid en de letters Range Rover en liet in de namiddag aan [medeverdachte 1] weten dat er samples waren afgegeven en daarna dat die samples, keihard waren. Op 25 januari 2021 had [verdachte] contact met [medeverdachte 2] en verzocht hij [medeverdachte 2] om foto’s te maken van de voorraad en deze te ontdoen van de verpakking. [verdachte] liet [medeverdachte 2] letterlijk weten “dat is die Surfer daar moeten die stukken hasj naartoe”. Deze foto’s stuurde [verdachte] vervolgens weer door naar [betrokkene 15] en [medeverdachte 1] en werd door [verdachte] bericht dat de samples waren afgegeven. Het hof leidt hieruit af dat de door ‘SD6ISX’ in Eindhoven overgedragen samples via [verdachte] terecht zijn gekomen bij [betrokkene 15] en ‘Surfer’, gebracht door [medeverdachte 2] . Uit de berichten volgt ook dat [medeverdachte 2] de samples onder zich heeft gehad, gelet op de gestuurde foto’s, waarop het hof aldus pakketjes waarneemt.

Tevens bleek uit de berichten dat de in februari 2021 ingevoerde hasjiesj niet van voldoende kwaliteit was. Een deel van de voorraad was naar [betrokkene 15] gebracht, waarna ‘Surfer’ de hasjiesj heeft bewerkt en heeft hersteld. Dit blijkt onder meer uit het berichtenverkeer tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 15] . [medeverdachte 2] was degene die de hasjiesj naar Surfer had gebracht en nadat de kwaliteit door ‘Surfer’ was verbeterd, berichtte [betrokkene 15] [verdachte] dat deze weer kon worden opgehaald. Het hof is dan ook van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 2] betrokken waren bij de distributie van hasjiesj, waarbij de distributierol van [medeverdachte 2] die hij vervulde bij gelegenheid van de observatie op 9 juni 2021 naar het oordeel van het hof voor zich spreekt. [medeverdachte 2] ging op pad met koffers, zorgde voor de overdracht van koffers en korte tijd daarna werden de gevolgde koffers vol met hasjiesj aangetroffen en bleken die hasjiesj identiek verpakt aan de eerder ontvangen samples.

De door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

6. Ten aanzien van feit 6 (zaaksdossier 12, het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine)
6.1.
Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 6 tenlastegelegde, kort gezegd het zonder registratie in voorraad hebben van 80 kilogram ketamine, wettig en overtuigend bewezen.
6.2.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 6 tenlastegelegde en heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat [verdachte] 80 kilo ketamine voorhanden heeft gehad en dat eveneens het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat het daadwerkelijk ketamine betrof. De berichten van en naar [verdachte] zijn daarvoor te beperkt, zodat daaraan geen rechtens relevante conclusie kan worden verbonden.
6.3.
Oordeel hof

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de tot het bewijs gebezigde [communicatiedienst 1] berichten in de periode van 9 tot en met 15 april 2020 blijkt dat [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] in april 2020 ’80 Keta’ heeft aangepakt.

Op 9 april 2020 had [verdachte] als de gebruiker van [communicatiedienst 1] -account ‘amigotje’ contact met de gebruiker van [communicatiedienst 1] -account ‘usefulcastle’ en die laatste vroeg aan [verdachte] of hij iets weet van een voorbeeld van keta dat ouwe (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) bij ‘usefulcastle’ zou laten afgeven.

In de dagen daarna van 11 tot en met 15 april 2020 had [medeverdachte 1] als de gebruiker van [communicatiedienst 1] -account ‘tiempo-dorado’ in de Engelse taal contact met de gebruiker van [communicatiedienst 1] -account ‘mailto:emupie@ [communicatiedienst 1] .com’. Blijkens de inhoud van de chats bood laatstgenoemde ‘emupie’ een hoeveelheid van 80 kilogram aan van ‘pharma grade’ keta. Het in de betreffende berichten genoemde ‘Keta’ is een gangbare benaming voor de stof ‘ketamine’. Het hof merkt dit aan als een feit van algemene bekendheid en bovendien heeft [medeverdachte 1] noch [verdachte] een verklaring afgelegd welke betekenis hier – anders dan de gangbare – aan zou moeten worden gegeven. De door ‘emupie’ gevraagde prijs, te weten € 3.800,00 per kilo, komt het hof ook voor als een niet ondenkbare handelsprijs voor 1 kilo ruwe, onbewerkte, ketamine in 2020, nu raadpleging van de voor eenieder toegankelijke internetbron ‘nationaledrugmonitor’ van het Trimbosinstituut inzicht geeft in de consumentenprijs die in 2020 vele malen hoger lag, te weten € 23,48 per gram ketamine. In de regel is een gegeven dat aan een internetbron is ontleend van algemene bekendheid indien dat gegeven geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. Het hof neemt derhalve aan dat het voor eenieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen zonder meer duidelijk is dat het hier gaat om een algemeen bekend gegeven met betrekking tot consumentenprijs van dit middel die uit voormelde algemeen toegankelijke internetbron zonder noemenswaardige moeite of specialistische kennis te achterhalen valt, zodat dit gegeven niet bij het onderzoek ter terechtzitting ter sprake behoefde te worden gebracht. Ook chatte ‘emupie’ dat het ‘pharma grade’ betrof. Dat ziet vertaald op farmaceutische kwaliteit, hetgeen ook past bij ketamine, nu dat van origine een geneesmiddel is.

Op 14 april 2020 chatte ‘emupie’ dat 304 correct is. Het hof begrijpt dat het gaat om

€ 304.000,00, namelijk 80 kilo ketamine à € 3.800,00 per kilo.

Gelet op het bovenstaande concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat hetgeen waar in deze berichten over werd gesproken ketamine betrof.

Op 15 april 2020 spraken ‘emupie’ en [medeverdachte 1] af dat ‘emupie’ de keta morgen zou leveren. [medeverdachte 1] zou ‘emupie’ de volgende ochtend laten weten hoe laat en waar.

Ruim 1 minuut nadat ‘emupie’ later die dag (nog steeds 15 april 2020) zich meldde bij [medeverdachte 1] en checkte of [medeverdachte 1] de overdracht voor de volgende ochtend had georganiseerd, legde [medeverdachte 1] contact met [verdachte] als gebruiker van [communicatiedienst 1] -account ‘amigotje’ of hij, amigotje, morgen 80 keta kon aanpakken. [verdachte] reageerde meteen terug dat dat geen probleem was, waarna hij vroeg hoe laat. Daarop liet [medeverdachte 1] weten ‘emupie’. Het hof concludeert hieruit dat [verdachte] met dit gegeven, de accountnaam van de [communicatiedienst 1] -gebruiker, voldoende wist. Het was [verdachte] duidelijk met wie hij contact kon opnemen, wie de aanbieder/verkoper van de ketamine betrof. De chatconversatie tussen beiden vervolgde en [verdachte] vroeg aan [medeverdachte 1] wat de bedoeling was, of hij deze moest bewaren ‘wegzetten’ of bij iemand ‘ergens’ moest afgeven. Daarop berichtte [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat kleine w een monster moest krijgen. Daarop liet [verdachte] nog aan [medeverdachte 1] weten dat hij inmiddels contact had, het hof begrijp met degene die ervan op de hoogte was dat er ketamine zou worden geleverd/verkocht door ‘emupie’, en dat de ketamine naar Eindhoven zou worden gebracht. Met de gebruiker van [communicatiedienst 1] -account ‘misterprime@ [communicatiedienst 1] ’ sprak [verdachte] vervolgens later die avond van 15 april 2020 nog over hoe laat de 16e april 2020 die 80 naar hen, het hof begrijpt naar Eindhoven, te brengen.

Op 16 april 2020 liet [verdachte] aan de gebruiker van [communicatiedienst 1] -account ‘usefulcastle’ weten dat hij een “sample”, Engelse taal voor een monster, voor hem had. Dit betrof datzelfde contact van [verdachte] dat hem een week voordien had gevraagd of [verdachte] wist hoe het zat met het voorbeeld, zijnde aldus een monster/sample, dat [medeverdachte 1] als “ouwe” bij ‘usefulcastle’ zou laten afgeven. Toen ‘usefulcastle’ die 16e april 2020 het gevraagde voorbeeld ontving en of er genoeg van was, berichtte [verdachte] : “we hebben er 80”.

Naar het oordeel van het hof kan het, gelet op de inhoud van de tot het bewijs gebezigde berichten, niet anders zijn dat dat het hier gaat over een monster van ketamine en over het beschikbaar en aldus in voorraad hebben van 80 kilogram ketamine. Dit vindt bevestiging in de chatberichten van 16 april 2020 tussen ‘usefulcastle’ en de gebruiker van [communicatiedienst 1] -account ‘juicyfeline@ [communicatiedienst 1] .com’, vanaf ongeveer het moment dat ‘usefulcastle’ [verdachte] zou ontmoeten in Stratum (hof: een wijk in Eindhoven) bij de vader van ‘usefulcastle’. Het was ‘usefulcastle’ die toen vroeg of ‘juicyfeline’ nog suiker keta zocht. ‘usefulcastle’ chatte: “man heeft er 80”, direct nadat hij van [verdachte] had vernomen dat ‘zij’, het hof begrijpt de organisatie waartoe [verdachte] en [medeverdachte 1] behoren, er 80 hadden.

Het hof stelt op basis van deze [communicatiedienst 1] -berichten vast dat [medeverdachte 1] niet alleen de intentie had om 80 kilogram ketamine in te kopen, maar dat hij dit op afstand heeft geregeld, [verdachte] hiervan van meet af aan op de hoogte was en [verdachte] in samenspraak met [medeverdachte 1] ervoor heeft gezorgd dat er concrete afspraken werden gemaakt voor de levering en zij ook daadwerkelijk in het bezit zijn gekomen van 80 kilogram van een materiaal dat door de verkoper is bestempeld als ketamine. Vervolgens hadden zij dit in voorraad, beschikbaar voor de doorverkoop. Immers, waar [verdachte] aan ‘usefulcastle’ liet weten, nadat [verdachte] in Stratum het monster aan ‘usefulcastle’ had afgeleverd, “wij hebben er 80” is dit “wij” voor geen andere uitleg vatbaar dan dat [verdachte] daarmee doelde op – in ieder geval – [medeverdachte 1] en [verdachte] zelf.

Naar het oordeel van het hof is derhalve genoegzaam vast komen te staan dat [verdachte] samen met een ander 80 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad.

Dat de door [medeverdachte 1] en [verdachte] ingekochte stof niet in beslag is genomen en derhalve niet nader is onderzocht, doet hier naar het oordeel van het hof niet aan af.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in het geheel geen verklaring hebben gegeven over deze berichten, daar waar het op hun weg had gelegen om, in het geval dat het niet om ketamine ging of in het geval dat ze iets anders geleverd hadden gekregen, hierover te verklaren.

Uit de, de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] betreffende, bevoegdheidsbeoordelingen, uitgevoerd door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd d.d. 11 februari 2022, volgt dat aan [verdachte] noch aan [medeverdachte 1] een registratie is verleend als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet. Zij beschikten ten tijde van het tenlastegelegde derhalve niet over enige bevoegdheid tot het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten met een werkzame stof, in dit geval ketamine, als bedoeld in de Geneesmiddelenwet.

Het hof acht het onder 6 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

(Voorwaardelijke) verzoek(en)

Ten aanzien van het horen van getuigen

Naar aanleiding van de regiezittingen van 18 april en 2 mei 2023 zijn in de onderhavige zaak meerdere verzoeken tot het horen van getuigen, te weten de medeverdachten toegewezen door het hof, waarbij is bepaald dat deze getuigen tijdens de inhoudelijke zitting in hoger beroep zullen worden gehoord.

Deze getuigen zijn op zitting gehoord. De toegewezen getuige [medeverdachte 7] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

Met betrekking tot het niet verschijnen van de getuige [medeverdachte 7] en de vraag of de getuige nogmaals zou moeten worden opgeroepen, heeft het Openbaar Ministerie bij e-mailbericht van 31 maart 2025 het volgende laten weten: Via deze weg brengt het OM u op de hoogte van zijn visie aangaande het horen van getuige [medeverdachte 7] , toegewezen in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 12] en [medeverdachte 8] .

Op 17 maart 2025 was de eerste zittingsdag in hoger beroep. Ondanks een correcte oproeping daartoe was [medeverdachte 7] niet ter zitting verschenen, noch als verdachte, noch als getuige. Evenmin was hij aanwezig bij de behandeling van zijn zaak op 27 maart 2025.

[medeverdachte 7] is sinds de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 mei 2023, inzake het onderzoek Alston, voortvluchtig. Zoals bekend diende hij zich op dat moment te melden nu de schorsing van zijn voorlopige hechtenis liep tot de uitspraak in eerste aanleg. De rechtbank heeft deze schorsing in haar uitspraak niet verlengd.

Het OM heeft na de uitspraak een EOB naar België doen uitgaan, waarin is verzocht –kort gezegd- op zoek te gaan naar [medeverdachte 7] . Dit heeft geen resultaat opgeleverd. Ook heeft de rechter-commissaris een EAB ondertekend (zie bijlage). [medeverdachte 7] staat nationaal en internationaal gesignaleerd. Tot op heden heeft het signaleren geen effect gesorteerd.

[medeverdachte 7] heeft ervoor gekozen niet bij de uitspraak in eerste aanleg en niet bij de behandeling in hoger beroep aanwezig te zijn. Hij is al langere tijd voortvluchtig; ondanks een nationale en internationale signalering. Hieruit volgt dat het onaannemelijk is dat hij op korte termijn gehoord zal kunnen worden, waarmee volgens het OM sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 sub a Sv.

Wat betreft het OM dient van het horen van [medeverdachte 7] te worden afgezien, omdat de strafzaken van de medeverdachten bij niet afzien niet binnen een redelijke termijn zouden kunnen worden afgerond.

Het hof sluit zich bij deze overweging aan. Op grond van artikel 288, eerste lid, sub a, Sv kan van het wederom oproepen van de getuige worden afgezien wanneer het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Nu de verdachte reeds twee jaar voortvluchtig is en zich aan de door de rechtbank bevolen voorlopige hechtenis al had onttrokken, is naar het oordeel van het hof aan dit criterium voldaan.

Daarnaast doet zich naar het oordeel van het hof met betrekking tot de getuige [medeverdachte 7] en met betrekking tot de getuigen die zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen en niet inhoudelijk bevraagd zijn kunnen worden door de verdediging ook de situatie voor van artikel 288, eerste lid, sub c, Sv nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor de verdachteniet in zijn verdediging wordt geschaad.

Vooropgesteld moet worden dat de verdachte het recht heeft om ter terechtzitting alle getuigen te (doen) horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. In bepaalde gevallen moet het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige worden voorondersteld. Dat is aan de orde wanneer het gaat om het verhoor van een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al eerder – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).

Ten aanzien van de opgeroepen getuigen stelt het hof vast dat het hier geen getuigen betreffen waarbij dát belang bij de verdediging behoeft te worden voorondersteld.

Indien en voor zover deze getuigen gehoord moeten worden als ‘getuige à décharge’ kan aan de rechtspraak van het EHRM (vgl. EHRM (GC) 18 december 2018, appl. no. 36658/05, Murtazaliyeva vs. Rusland) worden ontleend dat voor de beoordeling van het al dan niet horen van getuigen als voornaamste toets wordt aangelegd of het verhoor relevant is in het licht van de beschuldiging die aan de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Het gaat dan met name om de vraag of het verhoor van de ontlastende getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant is voor de beoordeling van de zaak en of het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te kunnen verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te kunnen beïnvloeden. De relevantie van het verhoor wordt in dit soort gevallen vooral afgezet tegen de kwaliteit van het tegen de verdachte aanwezige belastende bewijs.

Naar het oordeel van het hof is, bij de huidige stand van zaken, onvoldoende gebleken waarom het alsnog horen van deze getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant zou zijn voor de beoordeling van de zaak en waarom en in hoeverre het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te beïnvloeden. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat deze getuige noch de verdachte zelf in deze zaak op enig moment een inhoudelijke verklaring hebben afgelegd zodat het onduidelijk is over welke de verdachte ontlastende feiten en omstandigheden deze getuige dan zouden moeten verklaren c.q. welke ontlastende lezing van de verdachte deze getuige dan zou moeten bevestigen. Bij die stand van zaken kan thans redelijkerwijs worden aangenomen dat de verdediging niet in enig belang is geschaad door het niet horen van de getuige.

Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat in de gegeven omstandigheden het feit dat de verdediging de getuige [medeverdachte 7] niet heeft kunnen ondervragen onverlet dat de procedure in haar geheel voldoet aan het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Ten aanzien van [communicatiedienst 1] , [communicatiedienst 2] en [communicatiedienst 3]

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof zich voldoende voorgelicht en in staat acht om de rechtmatigheid van de interceptie en verwerking van de [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data alsmede de gevoerde verweren strekkende tot bewijsuitsluiting te beoordelen. Het hof acht de voorwaardelijke verzoeken om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de toepasselijke kaders respectievelijk om zich door het Openbaar Ministerie nader te laten informeren over de bovengenoemde punten niet noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv en wijst deze voorwaardelijke verzoeken dan ook af. Zoals hiervoor besproken heeft het hof overigens reeds vastgesteld dat de interceptie van de [communicatiedienst 1] -data buiten het JIT heeft plaatsgevonden, zodat de eerste te stellen vraag a. die de verdediging verzoekt aan het Openbaar Ministerie te stellen reeds genoegzaam is beantwoord.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, 10a en 11 van de Opiumwet.

Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en

- voorwerpen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.

Het onder 6 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met door de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht om – indien het hof komt tot een bewezenverklaring – aan de verdachte maximaal een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht op te leggen. Daarbij heeft de raadsman onder meer verwezen naar het aandeel van de verdachte in de verweten gedragingen en is gewezen op het feit dat de verdachte zich steeds gehouden heeft aan de schorsingsvoorwaarden en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie, het medeplegen van de export van een grote hoeveelheid cocaïne, het medeplegen gewoontewitwassen van grote geldbedragen, het medeplegen van het voorbereiden van een feit als bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet, het medeplegen van de invoer van 840 kilo hennep en het medeplegen van het voorhanden hebben van 80 kilo ketamine.

De verdachte is gedurende een periode van ruim veertien maanden lid geweest van een criminele organisatie die zich op professionele wijze bezighield met (het voorbereiden van) grootschalige handel in en productie van (synthetische) drugs. De verdachte was de “rechterhand” van medeverdachte [medeverdachte 1] , die de organisatie leidde. In opdracht van [medeverdachte 1] verzorgde de verdachte de overdrachten van drugs en geld. Ook was hij na het overlijden van [medeverdachte 3] verantwoordelijk voor de boekhouding. De verdachte had dan ook de beschikking over grote contante geldbedragen. Ook stuurde de verdachte anderen, zoals [medeverdachte 2] , aan. Door de organisatie zijn enorme bedragen omgezet. Deze geldbedragen heeft de verdachte vervolgens aan het zicht van de autoriteiten onttrokken. De verdachte probeerde, onder meer door te communiceren via verschillende cryptotelefoons, buiten het zicht van justitie te blijven.

De georganiseerde en grootschalige productie van en handel in verdovende middelen is zeer ontwrichtend voor de samenleving. Er gaat veel geld in om, waardoor de financiële belangen van daders groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt geweld vaak niet geschuwd. Van de georganiseerde drugshandel gaat in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Verder geldt dat een aanzienlijk deel van vermogensdelicten zoals winkeldiefstallen en woninginbraken terug te leiden is tot de behoefte aan drugs bij armlastige gebruikers. Een van de activiteiten van de criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte was het produceren van metamfetamine. Dit is een middel met aanzienlijke gezondheidsrisico’s voor de gebruikers met daarnaast een hoog verslavingspotentieel. Op voor iedereen toegankelijke bronnen als internetsites van organisaties die zich met verslavingszorg bezighouden worden als veel voorkomende bijwerkingen genoemd, een verhoogde hartslag, angst, rusteloosheid en ernstige uitputting na gebruik. Het gebruik kan ook leiden tot een paniekaanval, psychose, epileptische aanval, hartinfarct of beroerte. Daarbij kan het gebruik van metamfetamine leiden tot blijvende hersenschade. De leden van de organisatie hebben zich in het geheel niet bekommerd om de ernstige lichamelijke gevolgen voor de gebruikers van dit middel.

Het is naar het oordeel van het hof dan ook passend dat voor de georganiseerde productie van en handel in verdovende middelen lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting waar de verdachte aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van zware straffen tot doel om anderen ervan te weerhouden zich met de georganiseerde drugscriminaliteit in te laten.

Aan de hiervoor onder ‘Bewijsuitsluiting van [communicatiedienst 1] -, [communicatiedienst 2] - en [communicatiedienst 3] -data?’ besproken verweren heeft de verdediging subsidiair het rechtsgevolg van strafvermindering verbonden.

Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, is niet van vormverzuimen gebleken met betrekking tot die data. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is strafvermindering op die grond derhalve niet aan de orde.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 6 januari 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor Opiumwetdelicten. Dit heeft de verdachte klaarblijkelijk niet ervan weerhouden de thans bewezenverklaarde feiten te plegen.

Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte herstellende is van een geperforeerde darm en de daarmee gepaard gaande operaties. In die persoonlijke situatie en daarmee voor de verdachte gepaard gaande belangen is eerder aanleiding gezien de voorlopige hechtenis te onderbreken.

Het hof heeft bij de bepaling van de straf voorts acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn weerslag heeft gevonden.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de lange duur en de intensiteit en de vooraanstaande rol van de verdachte in de criminele organisatie.

Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof heeft zich voorts rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Als uitgangspunt in zaken met een gedetineerde verdachte heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen.

De verdachte is op 7 februari 2022 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 16 mei 2023. Het hof is van oordeel dat in eerste aanleg derhalve geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

De verdachte heeft op 25 mei 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 22 augustus 2025, zo’n 2 jaar en bijna 3 maanden na het instellen van het hoger beroep. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel met een periode van bijna 11 maanden.

De overschrijding is deels te wijten aan de complexiteit van de zaak, de gelijktijdige berechting van deze zaak met de zaken tegen meerdere medeverdachten en voorts aan de volle zittingsagenda van het hof.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 8,5 jaar passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in bovengenoemde mate is geschonden, acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10Sv, aan de orde is.

Voorlopige hechtenis

Het hof is ten aanzien van de voorlopige hechtenis van oordeel dat, bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang – gelet op de in dit arrest gegeven beslissingen – dient te prevaleren. Het hof zal daarom afzien van een nieuwe schorsing van de voorlopige hechtenis.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen iPhone vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp waarvan een of meer bewezenverklaarde feiten zijn begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van de feiten aan de verdachte toebehoorde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 47, 57, 62 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 38 van de Geneesmiddelenwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een iPhone (goednummer 699495)

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. L. Feraaune, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder en mr. R.M. Gloudemans, griffiers,

en 22 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Waar hierna wordt gesproken over [communicatiedienst 1] , wordt daaronder mede verstaan -tenzij anders vermeld- [communicatiedienst 1] , [communicatiedienst 1] , [communicatiedienst 1] en [communicatiedienst 1] en waar hierna wordt gesproken over [communicatiedienst 2] , wordt daaronder mede -tenzij anders vermeld- verstaan [communicatiedienst 2] , [communicatiedienst 2] , Sky, sky en SKY.

Proces-verbaal zaaksdossier 1, pagina 558.

Proces-verbaal algemeen dossier, pagina 248.

Voor de leesbaarheid van het arrest zal het hof bij de verwijzing naar jurisprudentie van elke uitspraak slechts eenmaal de vindplaats vermelden. Daarna zal het hof volstaan met het noemen van de rechterlijke instantie en de uitspraakdatum.

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, meer in het bijzonder op 3 april 2025, pagina 25.

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, meer in het bijzonder op 3 april 2025, pagina 30.

Artikel delen