ECLI:NL:GHSHE:2026:1468
Proceskostenvergoeding. Het hof is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb. Het hof wijkt daarom af van het puntensysteem en matigt de hoogte van de kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 7 July 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:1468
text/xml
public
2026-07-07T08:43:03
2026-06-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-06-03
24/957
Uitspraak
Hoger beroep
NL
's-Hertogenbosch
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2024:2249, Bekrachtiging/bevestiging
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1468
text/html
public
2026-07-07T08:42:18
2026-07-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2026:1468 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 03-06-2026 / 24/957
Proceskostenvergoeding. Het hof is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb. Het hof wijkt daarom af van het puntensysteem en matigt de hoogte van de kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 24/957
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 mei 2024, nummer SHE 23/1124 in het geding tussen belanghebbende en
de invorderingsambtenaar van de gemeente Helmond,
hierna: de invorderingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De invorderingsambtenaar heeft belanghebbende aangemaand om een naheffingsaanslag parkeerbelasting te betalen. Daarbij is € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De invorderingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2Feiten
2.1.
Aan belanghebbende zijn aanmaningskosten van € 8 in rekening gebracht wegens het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de aanmaningskosten gegrond verklaard en geoordeeld dat deze ten onrechte in rekening zijn gebracht.
2.3.
De rechtbank heeft de invorderingsambtenaar veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase.
De rechtbank heeft met betrekking tot de proceskostenvergoeding in haar uitspraak onder r.o. 6 overwogen:
“Nu het beroep van eiseres gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de invorderingsambtenaar te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten van eiseres in de bezwaar- en beroepsfase. Dit levert op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de bezwaarfase 2 punten op (à € 296) en voor de beroepsfase 1 punt (à € 875) met wegingsfactor 1. De rechtbank ziet, gelet op bijzondere omstandigheden die zich voordoen, aanleiding deze proceskostenvergoeding te matigen. Het belang dat in deze zaak kan worden nagestreefd is namelijk slechts € 8,-. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ziet in dergelijke gevallen aanleiding om een wegingsfactor 0,5 te hanteren. Daarbij komt dat de gemachtigde van eiseres rechtsbijstand verleent in een veelvoud van soortgelijke invorderingszaken over dezelfde geschilpunten, met dezelfde juridische argumenten over de verzendadministratie. Daarnaast zijn zowel het bezwaar- als beroepsschrift van eiseres (dat door haar gemachtigde is opgesteld) van zeer algemene aard en standaardmatig. Als met deze omstandigheden geen rekening zou worden gehouden, dan leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Daarom zijn er niet alleen redenen om de wegingsfactor aan te passen naar 0,5 maar ook bijzondere omstandigheden aan te nemen zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank stelt het door de invorderingsambtenaar te betalen bedrag aan proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase vast op € 200.”
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft de hoogte van de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en een vergoeding van de kosten die in deze procedure redelijkerwijs zijn gemaakt. De invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt dat voor de kostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte is uitgegaan van een te laag tarief per punt. Het tarief dient op grond van onderdeel B2 punt 2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht € 624 te bedragen. Verder stelt hij dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de proceskostenvergoeding gematigd moet worden. Ook is het financiële belang geen reden om af te wijken van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).
4.2.
Het hof leidt uit de stukken af dat tussen partijen niet in geschil is dat voor de bezwaarfase twee punten moeten worden toegekend en voor de beroepsfase één punt (belanghebbende is niet ter zitting verschenen). Verder leidt het hof uit de stukken af dat tussen partijen niet in geschil is dat kan worden uitgegaan van een wegingsfactor 0,5.
4.3.
Met betrekking tot het door de rechtbank gehanteerde tarief voor de kostenvergoeding in de bezwaarfase is het hof van oordeel dat belanghebbende in het gelijk moet worden gesteld. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een tarief van € 296 per punt. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2024 heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Bpb buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het onderscheid in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen naar een tarief per punt van € 666 (tarief 2026). Dit leidt echter niet tot een gegrond hoger beroep gelet op hetgeen hierna is overwogen.
4.4.
Met betrekking tot de matiging van de proceskostenvergoeding op de grond dat sprake is van bijzondere omstandigheden overweegt het hof als volgt.
In artikel 2, lid 3, Bpb is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden kan afwijken van de forfaitaire of gelimiteerde tariefstelling als bedoeld in artikel 2, lid 1, Bpb.
Het hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep aanvullend nog heeft aangevoerd, werpt geen nieuw of ander licht op de zaak. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende betoogt is het hof van oordeel dat in dit geval rekening moeten worden gehouden met de omstandigheid dat het geschil betrekking had op een zeer gering financieel belang. Het hof verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 11 juli 2025.
4.5.
Indien met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het Bpb, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Het hof acht dit onwenselijk gelet op het doel en de strekking van het Bpb. De vergoedingen op grond van het Bpb hebben immers het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Het hof wijkt daarom af van het puntensysteem en stelt de kostenvergoeding, zoals de rechtbank terecht heeft gedaan, voor de bezwaar- en beroepsfase vast op € 200.
Tussenconclusie
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.7.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
R.J.M. de Fouw J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Vergelijk: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9827.
ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, zie r.o. 4.6.4.3. onder b en c.
Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o 4.6.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o 4.3 tot en met 4.6.