ECLI:NL:GHSHE:2026:1683
Diefstal door twee of meer verenigde personen.
Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 July 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:1683
text/xml
public
2026-07-03T11:43:44
2026-06-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-06-18
20-001629-25
Uitspraak
Hoger beroep
Op tegenspraak
NL
Breda
Strafrecht
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:3593
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1683
text/html
public
2026-07-03T11:43:12
2026-07-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2026:1683 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-06-2026 / 20-001629-25
Diefstal door twee of meer verenigde personen.
Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.
Parketnummer : 20-001629-25
Uitspraak : 18 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-086733-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 5 tenlastegelegde en het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’ (telkens feit 1 primair, feit 3 en feit 4 primair) en ‘poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen’ (feit 2), de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 195 dagen, met aftrek van het voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder feit 1, feit 2 en feit 4 tenlastegelegde en heeft zich voor wat betreft het onder feit 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder feit 5 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis - voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - met een aanvulling van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering.
Aanvullende bewijsmotivering
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 4 primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe werd in de kern aangevoerd dat de tenlastegelegde feiten apart beoordeeld dienen te worden en dat geen sprake is van een gelijksoortige modus operandi zoals door de rechtbank overwogen. Een schakelbewijsconstructie is hier dus niet mogelijk, zodat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Met de term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Geen steun in het recht vindt echter de opvatting dat voor een dergelijke bewijsvoering moet worden vastgesteld dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. (vgl. HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118) De stelling dat een schakelbewijs-constructie alleen is toegelaten indien sprake is van een sterke overeenkomst in de wijze van uitvoering van de feiten “waarvan eerst is vastgesteld dat zij zijn begaan”, vindt evenmin steun in het recht. (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455)
Bij de beoordeling van de vraag of een schakelbewijsconstructie mogelijk is, is van belang of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. Dat is niet beperkt tot louter de modus operandi. Gedacht kan bijvoorbeeld ook worden aan het handelen van de verdachte, de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd, situationele/contextuele omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat de feiten binnen een beperkt tijdbestek en in de nabije omgeving zijn begaan. Daarbij geldt dat schakelbewijs zowel kan worden gebruikt voor het oordeel over de vraag wie een bepaalde activiteit heeft verricht, als voor de vraag naar de wijze waarop die activiteit is verricht. De rechter kan bij zijn oordeel dat uit de modus operandi kan worden afgeleid dat een verdachte een bepaald feit heeft begaan, betrekken dat niet gebleken is van contra-indicaties. Het gebruik van schakelbewijs is niet beperkt tot situaties waarin de betrokkenheid van de verdachte bij een bepaald feit bewijs behoeft, maar kan ook worden gebruikt in een situatie waarin het gaat om de vraag op welke (verboden) voorwerpen bepaalde gedragingen zijn gericht.
Voor zover de verdediging met haar betoog uitgaat van een beperktere toepassing van schakelbewijs, steunt het betoog niet op het recht.
Bij de beoordeling van de vraag of een schakelbewijsconstructie aangewezen is, dient de rechter echter niet uitsluitend oog te hebben voor de gesignaleerde overeenkomsten tussen de met elkaar te vergelijken delicten, maar ook oog te hebben voor de waargenomen verschillen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan zich namelijk de situatie voordoen dat die waargenomen verschillen het niet boven redelijke twijfel verheven maken dat de verdachte zich aan die onderscheidende delicten steeds heeft schuldig gemaakt.
Het hof stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten op essentiële punten overeenkomsten vertonen. Zo wordt de verdachte telkens vergezeld door dezelfde medeverdachten, maken zij gebruik van dezelfde auto, worden telkens dezelfde type luxegoederen weggenomen bij winkels van dezelfde winkelketen ( [bedrijf] ) en volgen de diefstallen, dan wel de pogingen daartoe, zich in een kort tijdsbestek op. Opvallend is ook dat de diefstallen dan wel de pogingen daartoe telkens pas na het middaguur plaatsvinden. Daar komt nog bij dat telkens dezelfde handelswijze wordt gehanteerd, namelijk dat de goederen in een winkelkar worden geladen welke vervolgens voor medeverdachte [medeverdachte] wordt klaargezet om mee te nemen. Het hof acht, evenals de rechtbank, de waargenomen overeenkomsten op essentiële onderdelen voldoende specifiek en kenmerkend om de tenlastegelegde feiten aan elkaar te kunnen linken.
Naar het oordeel van het hof is aldus genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair, feit 2 en feit 4 primair tenlastegelegde feiten. Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Hetgeen door de verdediging voor het overige met betrekking tot het bewijs is aangevoerd, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en de door de rechtbank gebezigde, en door het hof aangevulde, bewijsoverwegingen.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de door de rechtbank opgelegde straf zal bevestigen.
De verdediging heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke straf dan wel een taakstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op verschillende tijdstippen schuldig heeft gemaakt aan diefstallen in vereniging en een poging daartoe.
Het hof rekent het de verdachte aan dat hij met zijn handelen overlast en materiële schade heeft veroorzaakt. Het hof weegt in strafverzwarende zin mee dat de feiten in vereniging zijn gepleegd, waarbij op basis van de feiten en omstandigheden van deze zaak sprake is van diefstallen waarbij in georganiseerd verband te werk is gegaan. De verdachte ging op geraffineerde wijze te werk en had daarbij met name oog voor goederen die een grote geldwaarde vertegenwoordigen. Ter terechtzitting heeft de verdachte geen blijk gegeven van de laakbaarheid van zijn handelen. De verdachte heeft een weinig serieus te nemen houding aangenomen door stellig te zijn in zijn ontkenning, terwijl hij zich vervolgens niet kan herinneren wat hij op de tenlastegelegde datums heeft gedaan.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 2 april 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte, zij het enige tijd geleden, eerder onherroepelijk veroordeeld is ter zake van soortgelijke feiten.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij met zijn gezin in Nederland woont en dat zijn restaurant inmiddels gesloten is.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof heeft in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep wordt afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg met bijna 2,5 maanden is overschreden, nu de verdachte op 28 maart 2023 in verzekering is gesteld en het vonnis waarvan beroep is gewezen op 10 juni 2025. Het hof stelt tevens vast dat de redelijke termijn hoger beroep niet is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijdingen van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.
In beginsel zou het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zonder meer passend en geboden achten. Het hof zal de overschrijdingen van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal verminderen met 1 maand.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder feit 5 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep - voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 18 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.