ECLI:NL:HR:2026:1106
text/xml
public
2026-06-26T11:47:16
2026-06-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Hoge Raad
2026-06-26
24/02627
Uitspraak
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
NL
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1106
text/html
public
2026-06-26T11:46:41
2026-06-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:HR:2026:1106 Hoge Raad , 26-06-2026 / 24/02627
HR: 81.1 RO
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02627
Datum 26 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2024, nrs. BK-ARN 22/2035 tot en met 22/2037, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 21/1256, 21/1257 en 22/630) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan verhuurderheffing.
1Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door Z.H. van Dorth tot Medler, advocaat te Rotterdam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
Namens partijen is deze zaak, tezamen met 55 andere, samenhangende zaken, mondeling toegelicht, voor belanghebbende door Z.H. van Dorth tot Medler, voor de Staatssecretaris door M.E.A. Möhring, advocaat te Den Haag.
2Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.