ECLI:NL:HR:2026:1126
Opzetheling van fiets, art. 416.1.a Sr. Verweer dat verdachte onrechtmatig is staande gehouden en dat p-v van ‘BOA’s’ moet worden uitgesloten van bewijs.
HR: art 81.1 RO.
Hoge Raad 7 July 2026
ECLI:NL:HR:2026:1126
text/xml
public
2026-07-07T17:27:09
2026-07-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
Hoge Raad
2026-07-07
24/03544
Uitspraak
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
NL
Strafrecht
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:3585
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1126
text/html
public
2026-07-07T17:23:17
2026-07-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:HR:2026:1126 Hoge Raad , 07-07-2026 / 24/03544
Opzetheling van fiets, art. 416.1.a Sr. Verweer dat verdachte onrechtmatig is staande gehouden en dat p-v van ‘BOA’s’ moet worden uitgesloten van bewijs.
HR: art 81.1 RO.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03544
Datum 7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 september 2024, nummer 20-003285-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.B.M. Bos bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.