Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:HR:2026:799

Economische zaak. Feitelijk leiding geven aan overtreden van voorschriften voor opslag van afvalstoffen, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 2.3.a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud). Kon hof oordelen dat aanwezige vloeistof (nog vóór deze een behandeling voor recycling heeft ondergaan) een “afvalstof” is? HR: art. 81.1 RO.

Hoge Raad 26 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:HR:2026:799 text/xml public 2026-05-26T14:57:32 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-05-26 24/00844 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:242 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:799 text/html public 2026-05-26T11:10:15 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:799 Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/00844
Economische zaak. Feitelijk leiding geven aan overtreden van voorschriften voor opslag van afvalstoffen, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 2.3.a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud). Kon hof oordelen dat aanwezige vloeistof (nog vóór deze een behandeling voor recycling heeft ondergaan) een “afvalstof” is?

HR: art. 81.1 RO.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00844 E

Datum 26 mei 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 27 februari 2024, nummer 21-005240-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
4Beslissing
De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 95 uren beloopt, subsidiair 47 dagen hechtenis;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.

Artikel delen