Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:OGEABES:2026:75

Tussenvonnis. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. De echtelijke woning zal worden toebedeeld aan de man. De man neemt de aandelen van de gezamenlijke onderneming van partijen over. Het Gerecht is voornemens voor de waardering van de aandelen een deskundige te benoemen.

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 29 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:OGEABES:2026:75 text/xml public 2026-06-29T14:31:51 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-03-25 BON202500498 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEABES:2026:75 text/html public 2026-06-29T14:30:31 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEABES:2026:75 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 25-03-2026 / BON202500498
Tussenvonnis. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. De echtelijke woning zal worden toebedeeld aan de man. De man neemt de aandelen van de gezamenlijke onderneming van partijen over. Het Gerecht is voornemens voor de waardering van de aandelen een deskundige te benoemen.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202500498

datum beslissing: 25 maart 2026

in de zaak van

[de vrouw],

wonend op Bonaire,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna: de vrouw,

gemachtigde: mr. E.J. Winkel,

tegen

[de man],

wonend op Bonaire,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna: de man,

gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout.
1De procedure 1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:

het verzoekschrift van 25 september 2025 met producties;

de conclusie van antwoord met eis in reconventie met producties;

de conclusie van antwoord in reconventie.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 maart 2026. De vrouw is verschenen, bijgestaan door mr. Winkel. De man is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lieshout.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2De kern van de zaak 2.1.
Partijen zijn met elkaar in gemeenschap van goederen getrouwd geweest. De echtscheiding is uitgesproken en de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De ontbonden huwelijksgemeenschap moet verdeeld worden. Partijen verschillen van mening hoe dat moet gebeuren. Het belangrijkste geschilpunt is de echtelijke woning. Die woning zal worden toebedeeld aan de man. Dat wordt hierna uitgelegd en de andere vorderingen van partijen zullen ook worden besproken.
3De beoordeling
in conventie en in reconventie
3.1.
De vorderingen van beide partijen strekken tot verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Die vorderingen hangen naar hun aard nauw met elkaar samen en zullen daarom gezamenlijk worden beoordeeld.

De achtergrond van het geschil
3.2.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2018 in de Verenigde Staten van Amerika getrouwd. In haar verzoekschrift heeft de vrouw het standpunt ingenomen dat tussen partijen sprake was van een beperkte gemeenschap van goederen. Maar bij conclusie van antwoord in reconventie heeft de vrouw dat standpunt ingetrokken. Partijen zijn het er inmiddels over eens dat sprake is van een algehele gemeenschap van goederen.
3.3.
Op [datum] 2024 is de echtscheiding tussen partijen in een beschikking van dit Gerecht uitgesproken. De echtscheiding is op [datum] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Erfpachtrecht [adres]
3.4.
In de ontbonden gemeenschap valt een recht van erfpacht op een perceel met woning dat plaatselijk bekend staat als [adres]. Dit betreft de echtelijke woning met een werkplaats die partijen in het verleden samen exploiteerde. Partijen zijn het erover eens dat de waarde hiervan USD 425.000 bedraagt.
3.5.
Ten behoeve van de aankoop en verbouwing van de echtelijke woning heeft de moeder van de vrouw partijen een lening van USD 135.000 en USD 72.000 verstrekt tegen een rente van respectievelijk 2% en 1% per jaar. Voor die leningen is een recht van hypotheek op het erfpachtrecht van de echtelijke woning gevestigd. In hun processtukken schrijven partijen dat de openstaande schuld op 1 september 2025 USD 146.431,00 bedraagt.
3.6.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat het belangrijkste geschilpunt voor partijen is aan wie de woning wordt toebedeeld. Beide partijen willen in de echtelijke woning blijven wonen.
3.7.
De vrouw stelt dat zij de echtelijke woning in juni 2024 gedwongen heeft moeten verlaten vanwege psychisch en fysiek geweld van de man. Ter bescherming van haarzelf en het minderjarige kind van partijen is zij in een blijf van mijn lijf-huis getrokken en later in een huurwoning. Bovendien hebben partijen voor het financieren van de echtelijke woning een lening afgesloten bij de moeder van de vrouw. Die lening is door de moeder van de vrouw verstrekt ten behoeve van de toekomst van de vrouw en de minderjarige dochter van partijen. De vrouw heeft een bevestiging van de bank ontvangen dat zij financieel draagkrachtig is om de echtelijke woning over te nemen.
3.8.
De man stelt dat in de echtelijke woning een werkplaats gevestigd is voor de onderneming die partijen voorheen samen exploiteerde. Partijen zijn het erover eens dat de man de exploitatie van die onderneming zal voortzetten en de aandelen daarin toebedeeld krijgt. De man heeft die werkplaats nodig voor de werkzaamheden van die onderneming. Bovendien heeft de man de woning eigenhandig verbouwd. De man heeft een bevestiging ontvangen dat hij financieel draagkrachtig is om de echtelijke woning over te nemen.
3.9.
De woning zal worden toebedeeld aan de man. Beide partijen stellen dat zij draagkrachtig zijn om de woning over te nemen, dus dat maakt geen verschil. Ook het gebruik van de echtelijke woning door het minderjarige kind van partijen maakt geen verschil, omdat het kind in de toekomst bij zowel de man als de vrouw zal verblijven. Wat wél verschil maakt is dat in de woning een werkplaats gevestigd is voor de onderneming die de man na uittreding van de vrouw voort is gaan zetten en waarvan de aandelen aan de man zullen worden toebedeeld. Weliswaar heeft de onderneming een huurovereenkomst voor het gebruik van de werkplaats, maar gelet op het feit dat de vrouw niets meer met de man te maken wil hebben valt niet in te zien hoe die werkplaats door de man gebruikt moet worden als de vrouw de woning toebedeeld zal krijgen. De vrouw heeft bovendien inmiddels een huurwoning gevonden van waaruit zij haar eigen onderneming kan exploiteren.
3.10.
Omdat de woning aan de man wordt toebedeeld, zal hij de vrouw moeten compenseren voor de helft van de overwaarde daarvan. Het is niet in geschil dat de woning moet worden gewaardeerd op USD 425.000. Uit de stellingen van partijen volgt dat zij de hypothecaire schuld op de woning per 1 september 2025 waarderen op USD 146.431. Kennelijk – nu zij geen andere peildatum voor de waardering van woning en hypotheekschuld hebben genoemd – wensen zij voor de verdeling hiervan de peildatum van 1 september 2025 te hanteren. Dat betekent dat de overwaarde van de woning 425.000 minus 146.431 = USD 278.569 bedraagt. De onderbedeling van de vrouw komt daarmee op de helft van 278.569 = USD 139.284,50.

Gebruiksvergoeding
3.11.
De vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding voor het gebruik en genot van de echtelijke woning door de man. Zij vordert een vergoeding van 4% over de marktwaarde van de woning.
3.12.
Het is niet in geschil dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten en later in een huurwoning is getrokken. De man heeft geen gemotiveerd verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding. Hij heeft alleen aangevoerd dat de lasten van de echtelijke woning van de gemeenschappelijke rekening zijn betaald. Maar dat is geen verweer tegen de verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding. Een gebruiksvergoeding is juist bedoeld voor de situatie dat beide deelgenoten in een gemeenschap de lasten van de woning betalen, maar alleen één van de deelgenoten daarvan het gebruik en genot heeft.
3.13.
De man zal worden veroordeeld om een gebruiksvergoeding te betalen vanaf 28 februari 2025 tot de datum dat de man de echtelijke woning geleverd heeft gekregen. De gebruiksvergoeding zal 4% van de helft van de overwaarde van de woning per jaar bedragen. In dit geval komt dat uit op een bedrag van 4% x 139.284,50 = USD 5.571,38 per jaar, oftewel 5.571,38 / 12 = USD 464,28 per maand.

Inboedel
3.14.
De vrouw heeft een lijst opgesteld met de titel “Overzicht splitsingen boedels in verband met persoonlijke + zakelijke scheiding [naam]”. Op die lijst heeft zij de inboedel van partijen verdeeld en daar een waarde aan verbonden. De man stelt dat de vrouw al een deel van de inboedel uit de woning heeft opgehaald. Voor de goederen die de vrouw heeft opgehaald eist de man geen vergoeding. De man stelt dat de overige inboedel onderling verdeeld kan worden.
3.15.
Het Gerecht draagt partijen op, zoals door de man voorgesteld, om de inboedel in onderling overleg te verdelen. Als het niet lukt om tot een onderlinge verdeling te komen worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten omtrent de inboedelgoederen waarover partijen van mening verschillen en waarom die inboedelgoederen aan de ene of de andere partij verdeeld moeten worden en welke waarde die goederen vertegenwoordigen.

De aandelen in de besloten vennootschap Phish Phaktory B.V.
3.16.
Partijen zijn het erover eens dat de aandelen in de vennootschap Phish Phaktory B.V. worden toebedeeld aan de man. Bovendien zijn partijen het erover eens dat de peildatum voor de waardering van de aandelen 31 december 2025 moet zijn. Tot slot zijn partijen het erover eens dat voor de waardering van de aandelen een deskundige moet worden benoemd.
3.17.
Voordat het Gerecht zal overgaan tot het benoemen van een deskundige, zal het Gerecht partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over het aantal en specialisme van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
3.18.
Het Gerecht is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van het waarderen van ondernemingen en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:

1. Wat is naar uw deskundig oordeel de waarde van de aandelen van de onderneming Phish Phaktory B.V. op 31 december 2025?

2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
3.19.
De rechtbank ziet in de aard van het geding aanleiding om het voorschot op de kosten van de deskundige(n) gelijkelijk over partijen te verdelen. Partijen moeten daarom ieder de helft van dit voorschot betalen.
3.20.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.

Huishoudelijke kosten
3.21.
De vrouw vordert een bedrag van USD 3.992,44 in verband met huishoudelijke kosten. Zij stelt dat zij in juni 2024 de echtelijke woning verlaten heeft, maar de WEB-kosten en de verzekering van de woning is blijven betalen.
3.22.
De gemeenschap is ontbonden door het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking in de burgerlijke stand. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op [datum] 2025. De huishoudelijke kosten tot 28 februari 2025 zijn daarom kosten die tot de gemeenschap behoren, ongeacht wie er op dat moment in de echtelijke woning woonde. Net zoals de kosten van de woning waarin de vrouw verbleef tot 28 februari 2025 ook kosten waren die tot de gemeenschap behoorde. Kennelijk, zo volgt uit productie 8 bij het verzoekschrift, zijn partijen ook in de periode ná 28 februari 2025 nog een vorm van gezamenlijke financiële huishouding blijven voeren. Met haar vordering wil de vrouw hier klaarblijkelijk een verdeling van bewerkstelligen. Mogelijk heeft de vrouw op grond hiervan een vordering tot verhaal op de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Maar die vordering staat los van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap die in deze procedure aan de orde is. Het staat partijen vanzelfsprekend vrij dit bij de eindafrekening te betrekken.

Onzijdig persoon
3.23.
De vrouw verzoekt het Gerecht om een onzijdig persoon te benoemen voor het geval de man weigert mee te werken aan de verdeling. Niet valt in te zien welk belang de vrouw heeft bij deze vordering, nu de verdeling door middel van deze procedure bij het Gerecht plaatsvindt. Dit verzoek zal bij eindvonnis worden afgewezen.

De zaak wordt naar de rol verwezen
3.24.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over wat is overwogen in rechtsoverweging 3.15 en 3.17. Partijen moeten hun concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
3.25.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4De beslissing
Het gerecht:
4.1.
bepaalt dat aan de man wordt toebedeeld het erfpachtrecht met daarop de woning aan de [adres] onder verplichting om voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen de schuld waarvoor de woning hypothecair is verbonden en de vrouw te vrijwaren voor alle aanspraken uit de op die woning rustende hypothecaire lening;
4.2.
veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van USD 139.284,50 aan de vrouw, zijnde de helft van de overwaarde van voornoemde woning;
4.3.
veroordeelt de man om aan de vrouw een vergoeding te betalen voor het gebruik van de echtelijke woning van USD 464,28 per maand vanaf 28 februari 2025 tot aan het moment dat de man de woning geleverd heeft gekregen;
4.4.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 22 april 2026 voor door beide partijen over te leggen aktes als omschreven in rechtsoverweging 3.15 en 3.17;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

De zaak is bekend onder registratienummer BON202400599.

Artikel 1:99 juncto 1:163 BW BES.

Artikel delen