ECLI:NL:OGHACMB:2026:175
Perceel grond gekocht en gefinancierd door de hoofdpastor en de hulppastor van een kerkgemeenschap, ieder van hen is voor de helft eigenaar. Op het perceel is een kerk gebouwd. In 2023 is tussen de hoofdpastor en de hulppastor een conflict ontstaan. De hulppastor heeft een nieuwe kerkgemeenschap opgericht waarbij het merendeel van de kerkgangers zich inmiddels heeft aangesloten. De Kerk maakt n...
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 6 July 2026
ECLI:NL:OGHACMB:2026:175
text/xml
public
2026-07-06T16:52:51
2026-07-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2026-06-30
SXM2025H00044 en SXM2025H00045
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2026:175
text/html
public
2026-07-06T16:50:55
2026-07-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:OGHACMB:2026:175 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 30-06-2026 / SXM2025H00044 en SXM2025H00045
Perceel grond gekocht en gefinancierd door de hoofdpastor en de hulppastor van een kerkgemeenschap, ieder van hen is voor de helft eigenaar. Op het perceel is een kerk gebouwd. In 2023 is tussen de hoofdpastor en de hulppastor een conflict ontstaan. De hulppastor heeft een nieuwe kerkgemeenschap opgericht waarbij het merendeel van de kerkgangers zich inmiddels heeft aangesloten. De Kerk maakt nu aanspraak op het perceel en tegelijkertijd vraagt de hulppastor toedeling van de volledige eigendom van het perceel aan hem.
Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: SXM202401058 en SXM202500216-SXM2025H00044 en SXM2025H00045
Uitspraak: 30 juni 2026 (Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak SXM2025H00044 van:
de stichting
Foundation of the Apostolic Faith Church Trinity of Sint Maarten,
gevestigd in Sint Maarten,
oorspronkelijk eiseres, thans appellante,
gemachtigde: mr. J.G. Bloem,
tegen
[PERSOONSNAAM 1],
wonend in Sint Maarten,
oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. N.R. Joubert,
en in de zaak SXM2025H00045 van:
[PERSOONSNAAM 2],
wonend in Sint Maarten,
oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,
gemachtigde: mr. J.G. Bloem,
tegen
[PERSOONSNAAM 1],
wonend in Sint Maarten,
oorspronkelijk eiser, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. N.R. Joubert.
Partijen worden hierna de Stichting of Kerk, [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] genoemd.
1
1 De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een perceel grond dat is gekocht en gefinancierd door de hoofdpastor en de hulppastor van een kerkgemeenschap. Zij zijn daarvan ieder voor de helft eigenaar. Op het perceel is een kerk gebouwd. In 2023 is tussen de hoofdpastor en de hulppastor een conflict ontstaan. De hulppastor heeft een nieuwe kerkgemeenschap opgericht waarbij het merendeel van de kerkgangers zich inmiddels heeft aangesloten. De Kerk maakt nu aanspraak op het perceel en tegelijkertijd vraagt de hulppastor toedeling van de volledige eigendom van het perceel aan hem. De vordering van de Kerk is afgewezen; die van de hulppastor is toegewezen. In dit hoger beroep beoordeelt het Hof de vorderingen opnieuw.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 11 juni 2025 ingekomen (in beide zaken gezamenlijke) akte van appel zijn de Stichting en [PERSOONSNAAM 2] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 27 mei 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 23 juli 2025 ingekomen memorie van grieven, tevens akte vermeerdering eis, hebben de Stichting en [PERSOONSNAAM 2] grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en hun – in hoger beroep vermeerderde - vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [PERSOONSNAAM 1], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van beide instanties, alsmede de beslagkosten en de nakosten.
2.3
Bij op 17 september 2025 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft [PERSOONSNAAM 1] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt tot bevestiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van de Stichting en [PERSOONSNAAM 2] met veroordeling van hen in de proceskosten in beide instanties.
2.4
Op 12 mei 2026 hebben mr. Peterson (voor mr. Bloem) en mr. Joubert de zaak bepleit. Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van pleitnotities. Ook partijen hebben het woord gevoerd en vragen van het Hof beantwoord.
2.5
Vonnis is bepaald op vandaag.
3De feiten
3.1
De Stichting is een kerkgemeenschap in Sint Maarten die is opgericht op 25 januari 2017.
3.2
In 2011 hebben [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] een perceel gekocht (SXM LPQ 041/2004, hierna: het perceel) waarvan zij ieder voor de helft eigenaar zijn geworden. [PERSOONSNAAM 2] was toen hoofdpastor en [PERSOONSNAAM 1] hulppastor van de kerkgemeenschap Apostolic Church, die toen niet stond ingeschreven in het register bij de Kamer van Koophandel.
3.3
Voor de financiering van het perceel hebben [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] een persoonlijke lening afgesloten bij de Scotia Bank (thans geheten Republic Bank) die inmiddels volledig is afbetaald. De kerkgangers hebben daartoe (maandelijks) geld gedoneerd.
3.4 [
PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] hebben, eveneens in 2011, ieder een testament gemaakt waarin zij hun deel van het perceel nalaten aan de Apostolic Church.
3.5
Op het perceel is een kerk gebouwd die wordt gebruikt door de kerkgemeenschap.
3.6
In 2023 is onenigheid ontstaan tussen [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] en vervolgens is er een splitsing ontstaan tussen de kerkgangers. [PERSOONSNAAM 1] heeft een nieuwe kerkgemeenschap opgericht (Eglise Mission Pour Christ Foundation, hierna: Eglise). Het merendeel van de kerkgangers heeft zich inmiddels bij Eglise aangesloten.
3.7 [
PERSOONSNAAM 1] heeft zijn eerdere testament herroepen en in een testament van 25 maart 2025 vastgelegd dat hij zijn deel van het perceel nalaat aan Eglise.
4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.1
In de zaak van de Stichting tegen [PERSOONSNAAM 1] (SXM2025H00044) heeft de Stichting gevorderd dat [PERSOONSNAAM 1] meewerkt aan de levering van het gedeelte van het perceel waarvan hij eigenaar is, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met afgifte van een vervangende machtiging wanneer [PERSOONSNAAM 1] weigert mee te werken. [PERSOONSNAAM 1] wil echter zijn gedeelte van het perceel overdragen aan Eglise en vraagt daarom op zijn beurt in de zaak tegen [PERSOONSNAAM 2] (SXM2025H00045) scheiding en deling van de onverdeelde eigendom. Hij vordert dat de eigendom van het gehele perceel aan hem wordt toegewezen, primair zonder dat hij daarvoor een vergoeding aan [PERSOONSNAAM 2] is verschuldigd, subsidiair met bepaling van een vergoeding wegens overbedeling aan [PERSOONSNAAM 2].
4.2
Het Gerecht heeft de vorderingen van de Stichting afgewezen en – bij wijze van verdeling - het gehele perceel toegedeeld aan [PERSOONSNAAM 1], zonder dat [PERSOONSNAAM 1] daarvoor een vergoeding hoeft te betalen aan [PERSOONSNAAM 2].
4.3
Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Stichting onvoldoende heeft onderbouwd waarom [PERSOONSNAAM 1] het perceel aan haar moet leveren. [PERSOONSNAAM 1] heeft het recht scheiding en deling te vragen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat door toedeling van het perceel aan [PERSOONSNAAM 1] dit ten goede zal komen aan het overgrote deel van de kerkgangers en dus het meest in de lijn ligt van het doel waarvoor het perceel is gekocht.
5De beoordeling
In de zaak met nummer SXM2025H00044
5.1
De Stichting vordert overdracht van het perceel aan haar. De Stichting stelt dat het perceel alleen op naam van [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] kwam om de aankoop daarvan te kunnen financieren. De Stichting bestond toen nog niet, kon dus ook geen jaarcijfers overleggen en geen financiering krijgen. Daarom is besloten dat [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] het perceel gezamenlijk zouden kopen en financieren, onder de voorwaarden dat zij na oprichting van de Stichting het perceel aan de Stichting zouden overdragen. Aldus was volgens de Stichting sprake van een (mondelinge) overeenkomst tussen [PERSOONSNAAM 2], [PERSOONSNAAM 1] en de nog op te richten Stichting. Het bestuur van de Stichting heeft die verbintenissen aanvaard en daarmee zijn de rechtshandelingen van de oprichters bekrachtigd, aldus de Stichting. Het is nooit de bedoeling geweest dat [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] eigenaar zouden blijven.
5.2 [
PERSOONSNAAM 1] heeft dit alles gemotiveerd betwist.
5.3
Voor een geldige overdracht van een onroerende zaak is vereist dat er een rechtsverhouding is die de overdracht rechtvaardigt: een geldige titel (artikel 3:84 lid 1 BW). Dat kan zijn een verbintenis uit overeenkomst, maar ook een verbintenis uit de wet of een natuurlijke verbintenis. Ook in hoger beroep is de Stichting er niet in geslaagd om een geldige titel aannemelijk te maken die haar vordering onderbouwt. Een schriftelijke overeenkomst waaruit een leveringsrecht kan worden afgeleid is er niet. De testamenten genoemd in 3.4 zijn daarvoor onvoldoende. Bovendien wordt daarin als begunstigde een ander genoemd dan de Stichting, namelijk de Apostolic Church. Daarnaast geldt dat [PERSOONSNAAM 1] zijn testament inmiddels heeft herroepen en een nieuw testament heeft gemaakt waarbij hij zijn aandeel in het perceel nalaat aan Eglise.
5.4.
De Stichting beroept zich op een mondelinge overeenkomst tussen [PERSOONSNAAM 2], [PERSOONSNAAM 1] en de toen nog niet opgerichte Stichting die zij als ‘keiharde’ afspraken betitelt. De Stichting poneert stellingen, maar concretiseert die niet of nauwelijks. Kenmerk van een keiharde afspraak is dat in ieder geval buiten twijfel is wat de inhoud is van die afspraak, wanneer en waar die is gemaakt, en wie daarbij waren betrokken. Op al die punten heeft de Stichting concretisering en onderbouwing met feiten en omstandigheden achterwege gelaten.
De Stichting was in 2011 nog niet opgericht. Volgens de Stichting was sprake van een informele rechtspersoon dan wel een rechtspersoon in oprichting, maar wie daar rechtsgeldig vertegenwoordiger van was/waren heeft de Stichting niet verklaard. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het Hof expliciet gevraagd naar feiten en omstandigheden waaruit zou volgen dat er een recht op overdracht bestaat en welke afspraken wanneer en met wie zijn gemaakt. De Stichting is de antwoorden op die vragen schuldig gebleven. Op de vraag van het Hof waarom de Stichting, die al in 2017 is opgericht, nu pas aanspraak maakt op levering, heeft de vicepresident van de Stichting verklaard dat het iets was tussen [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] en dat de Stichting nooit betrokken was (‘The church was not involved’). Dat duidt niet op het bestaan van een (mondelinge) afspraak dat het perceel op enig moment aan de Stichting zou worden overgedragen. Integendeel. Tot slot overweegt het Hof dat de omstandigheid dat [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] nooit de intentie hebben gehad om het perceel en het daarop gebouwde kerkgebouw in eigendom te blijven houden – daarover zijn partijen het wel eens - nog niet betekent dat de Stichting de beoogde rechthebbende of toekomstig eigenaar zou zijn. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld en die zijn ook niet gebleken waaruit dat volgt.
5.5
De conclusie is dat de Stichting niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Om die reden komt het Hof niet toe aan bewijslevering. Voor toewijzing van de vordering bestaat geen grondslag.
In de zaak met nummer SXM2025H00045
5.6
Uit het in de zaak met nummer SXM2025H00044 overwogene volgt dat [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] ieder voor de onverdeelde helft eigenaar waren van het perceel. Ieder van hen kan scheiding en deling vragen. Het Hof stelt daarbij voorop dat de verdeling een zaak is tussen [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] waar de Stichting buiten staat. [PERSOONSNAAM 1] vraagt scheiding en deling en gelet op de omstandigheden – [PERSOONSNAAM 1] en [PERSOONSNAAM 2] zijn gebrouilleerd geraakt, mede ten gevolge van het feit dat [PERSOONSNAAM 2] [PERSOONSNAAM 1] beschuldigt van ernstige feiten en [PERSOONSNAAM 1] heeft een nieuwe kerkgemeenschap opgericht waarbij het merendeel van de kerkgangers zich inmiddels heeft aangesloten – zal het Hof die scheiding en deling vaststellen.
5.7
Bij de beantwoording van de vraag hoe de scheiding en deling vorm dient te krijgen moet rekening worden gehouden zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang (artikel 3:185 BW). Vast staat dat geen van beide deelgenoten de intentie heeft gehad vermogensrechtelijk voordeel bij de eigendom te krijgen.
Dat betekent dat ook geen van beiden financieel nadeel lijdt wanneer zijn deel van de eigendom naar de ander gaat. Het Hof weegt verder mee dat de kerkgangers gedurende langere tijd hebben bijgedragen aan de financiering van het perceel en het daarop gebouwde kerkgebouw. Met hun bijdragen is de lening die [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] hebben afgesloten, afbetaald. Het merendeel van de kerkgangers heeft zich inmiddels aangesloten bij de door [PERSOONSNAAM 1] nieuw opgerichte kerkgemeenschap, Eglise. De geloofsgemeenschap van [PERSOONSNAAM 2] heeft nog slechts een klein aantal aanhangers. Tegen die achtergrond kent het Hof evenals het Gerecht veel gewicht toe aan het algemene belang dat de kerkgangers de beschikking houden over het kerkgebouw ten behoeve van de uitoefening van hun godsdienst en het voortbestaan van de kerkgemeenschap. Een wijze van scheiding en deling die ertoe zou leiden dat de grote meerderheid van de kerkgangers het gebruik van het gebouw verliest, zonder dat daarvoor een voldoende rechtvaardiging bestaat, verdraagt zich niet met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen mede beheersen.
5.8
Het Hof is daarom net als het Gerecht van oordeel dat het perceel met daarop het gebouw moet worden toebedeeld aan [PERSOONSNAAM 1] zodat hij eigenaar wordt van het gehele perceel. Daarbij past ook dat [PERSOONSNAAM 1] daarvoor geen vergoeding aan [PERSOONSNAAM 2] wegens overbedeling is verschuldigd. De regeling zoals die destijds tussen [PERSOONSNAAM 2] en [PERSOONSNAAM 1] is getroffen was ten behoeve van de kerkgangers, om hen in staat te stellen gebruik te maken van het perceel en het kerkgebouw. Inmiddels is het merendeel van de kerkgangers aangesloten bij Eglise. [PERSOONSNAAM 1] heeft zich verbonden zijn deel van het perceel over te dragen aan Eglise. Zoals al overwogen staat vast dat geen van beide deelgenoten de intentie hebben gehad vermogensrechtelijk voordeel bij de eigendom te krijgen, zodat [PERSOONSNAAM 2] door toedeling van het perceel aan [PERSOONSNAAM 1] ook geen financieel nadeel lijdt. Voor een vergoeding wegens overbedeling is dan ook geen plaats.
Slotsom
5.9
Het hoger beroep slaagt niet. De vermeerderde eis tot schadevergoeding wegens onrechtmatige executie van het bestreden vonnis is niet toewijsbaar. Het bestreden vonnis zal worden bevestigd met veroordeling van de Stichting en [PERSOONSNAAM 2] in de kosten van de procedure nu zij in hoger beroep in het ongelijk worden gesteld.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het bestreden vonnis,
veroordeelt de Stichting en [PERSOONSNAAM 2] in de kosten van de procedure in hoger beroep tot op heden begroot op Cg 249,50 voor betekeningskosten en Cg 6.000 voor salaris van de gemachtigde;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.A. Saleh en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.