Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:PHR:1988:AD0545

Verklaringsprocedure die door het faillissement van de debiteur een einde heeft genomen. Invloed van hoger beroep en beroep in cassatie in de hoofdzaak op het verloop van de verklaringsprocedure.

Parket bij de Hoge Raad 29 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:PHR:1988:AD0545 text/xml public 2026-06-29T14:39:52 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AD0545 AG5946 Parket bij de Hoge Raad 1988-12-16 13382 Conclusie NL Civiel recht Rechtspraak.nl NJ 1989, 363 met annotatie van W.H. Heemskerk RvdW 1989, 3 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1988:AD0545 text/html public 2026-06-29T14:39:06 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:1988:AD0545 Parket bij de Hoge Raad , 16-12-1988 / 13382
Verklaringsprocedure die door het faillissement van de debiteur een einde heeft genomen. Invloed van hoger beroep en beroep in cassatie in de hoofdzaak op het verloop van de verklaringsprocedure.

HV.

Nr. 13.382

Zitting 10 augustus 1988

(bij vervroeging)

Mr. Biegman-Hartogh

Conclusie inzake:

1. HANDELMAATSCHAPPIJ EUROPA-AZIE BV

2. MIJ. TOT EXPLOITATIE VAN ONROERENDE GOEDEREN AMSTERDAM-SEMARANG BV

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerder 2]

3. [verweerder 3]

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans verweerders in cassatie, [verweerders], hebben in 1975 conservatoir derdenbeslag ten laste van [betrokkene] gelegd onder een aantal BV's, waarvan [betrokkene] enig directeur is, waaronder thans eiseressen tot cassatie, de BV's E-A en A-S. Bij vonnis van de rechtbank Breda van 10 november 1981, rolnr. 715/75, is [betrokkene] veroordeeld aan vijf [verweerders], waaronder de drie huidige verweerders, een voorschot koopsom aandelen [B] ad ruim twee miljoen gulden te betalen, uitvoerbaar bij voorraad; tevens zijn bij dat vonnis de genoemde beslagen van waarde verklaard (zie het bij dagvaarding in eerste aanleg aan de BV's betekende afschrift grosse vonnis).

In het onderhavige geding hebben [verweerders] gevorderd, overeenkomstig art. 741 Rv., dat de BV's verklaring zullen afleggen van hetgeen zij van [betrokkene] onder zich hebben, en dat zij dit ter executie aan hen zullen afgeven.

Daar de BV's hadden verklaard dat zij ten tijde van het leggen van de beslagen niets aan [betrokkene] schuldig waren, noch sindsdien schuldig zijn geworden, heeft de rechtbank bij vonnis van 22 juli 1983 een deskundigenonderzoek gelast. Tegen dit vonnis hebben de BV's appèl ingesteld; het hof heeft, na een tussenarrest, bij eindarrest het tussenvonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Tegen beide arresten van het hof hebben de BV's zich bij dagvaarding van 8 april 1987 van beroep in cassatie voorzien.

2. Vervolgens heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 9 februari 1988 [betrokkene] in staat van faillissement verklaard, welk vonnis door het hof aldaar op 17 maart 1988 is bekrachtigd, terwijl Uw Raad op 10 juni 1988 onder nr. 7372 het beroep tegen dit arrest van het hof heeft verworpen. Krachtens art. 33 Faillissementswet nemen executiemaatregelen tegen; de schuldenaar dadelijk een einde en vervallen de te zijnen laste gelegde beslagen, zie daarover M. Polak/N.J. Polak, Faillissement en surséance van betaling, 1972 p. 122 e.v., N.J. Polak/C.E. Polak, Faillissementsrecht, 1986 p. 52/53 en Van Zeben/Van den Ende, Faillissementswet, aant. 1-6 ad art. 33. Aangezien ook de onderhavige verklaringsprocedure tot executie strekt, moet, naar ik meen, deze als geëindigd worden beschouwd op het moment dat [betrokkene] failliet werd verklaard (zie HR 28-5-1915, NJ 1915, 882).

3. Mijn conclusie strekt dan ook tot de vaststelling dat dit geding met de faillietverklaring van [betrokkene] een einde heeft genomen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

----------------------------------------------------------------------------------------------------------

na .-

Nr. 13.382

Zitting 28 oktober 1988

Mr. Biegman-Hartogh

Conclusie inzake:

1. Europa-Azië BV.

2. Amsterdam-Semarang BV.

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerder 2]

3. [verweerder 3] q.q.

Edelhoogachtbaar College,

1. Aan mijn bij vervroeging op 10 augustus 1988 genomen conclusie in deze twaalfde cassatiezaak tussen [betrokkene], in dit geval in zijn functie van enig directeur van eiseressen tot cassatie, en verweerders, [verweerders], voeg ik op uw verzoek in verband met de kostenveroordeling (zie M. Polak/ N.J. Polak, Faillissement en surseance van betaling, 1972 p. 124, noot 2 en Van Zeben-Van den Ende, Faillissementswet art. 33 aant. 5) het volgende toe.

2. Aangezien partijen ook in dit geding met een aantal tussen [betrokkene] en [verweerders] aanhangige of reeds beëindigde gedingen hebben gejongleerd, leek het mij nuttig hiervan eerst een kort overzicht te geven, maar dan alleen van die procedures (door mij met de letters A, B en C aangeduid) die in het onderhavige geding relevant zijn of zijn geweest.

A Deze procedure betreft een vordering, voortgesproten uit de befaamde overeenkomst van 10 januari 1972, van vijf van [verweerders] (waaronder de huidige verweerders) op [betrokkene] terzake van een voorschot op de koopsom van 158 aandelen [B] BV .; het is de veroordeling terzake van deze vordering welke [verweerders] in de onderhavige verklaringsprocedure trachtten te executeren. Het procesverloop was als volgt.

1) De rechtbank Breda heeft onder rolnr. 715/75 bij eindvonnis van 10 november 1981 (prod. bij dagvaarding in eerste aanleg) onder meer:

a. [betrokkene] te dier zake veroordeeld om aan de vijf [verweerders] te betalen de som van F1. 2.006.333,29; b. het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard mits binnen een maand zekerheid zou zijn gesteld; en c. de conservatoire beslagen (waaronder dat in de onderhavige zaak) van waarde verklaard.

2) Op 20 april 1982 echter heeft de rechtbank in het door [betrokkene] aanhangig gemaakte incident (art. 616-618 Rv. ) de door [verweerders] aangeboden zekerheid ongenoegzaam geoordeeld (prod. bij c.v.d. in eerste aanleg) .

3) In hoger beroep heeft het hof Den Bosch onder rolnr. 166/82 op 21 juni 1983 het vonnis van de rechtbank vernietigd en de door [betrokkene] aan [verweerders] te betalen som met F1. 2 miljoen verminderd; het arrest is (onvoorwaardelijk)'uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de gelegde conservatoire beslagen zijn weer van waarde verklaard. De grosse ervan is bij exploit van 22-9-1983 aan [betrokkene] betekend (prod. 2 en 3 bij mem.v.antw.).

4) 's Hofs arrest is, uitsluitend t.a.v. deze vermindering (niet voor de overige beslissingen), door Uw Raad vernietigd bij HR 1-2-1985 NJ 1985, 560 G en de zaak is terugverwezen;

5) waarna het hof onder rolnr. 241/85 dd. 7 mei 1986, weer uitvoerbaar bij voorraad, een nieuwe veroordeling heeft uitgesproken. De grosse van dit arrest is op 13 juni 1986 aan [betrokkene] betekend. Zie de producties bij akte van 14 augustus 1986.

B 1) Het vonnis van de rechtbank Breda KT 2189/81 dd. 26 januari 1982 (prod. 8 bij c.v.r. ) waarbij [betrokkene] werd veroordeeld wegens verbeurde dwangsommen aan [verweerders] F1. 231.000,- te betalen, is weer vernietigd door

2) het hof Den Bosch rolnr. 111/82 dd. 15 juni 1983 (prod. I bij mem.v.gr.), waarbij aan [verweerders] hun vorderingen werd ontzegd;

3) en het cassatieberoep daartegen is verworpen in HR 12-4-1985 NJ 1985, 866 WHH.

C 1) Onder rekestnrs. 83.1271 en 83.4726 heeft de rechtbank Amsterdam op 28-2-1984 beschikkingen gegeven op verzoeken van [verweerders] m.b.t. de verkoop van aandelen, in beslag genomen krachtens het boven sub B 1) genoemde vonnis (prod. bij akte dd. 7 juni 1984). Het eerste verzoek is afgewezen, hetgeen door het hof is bekrachtigd; in het tweede zijn verzoekers niet ontvankelijk verklaard.

2) Het hof Amsterdam heeft bij beschikking, rekestnr. 237/84 dd. 14 juni 1984 verzoekers wel ontvankelijk verklaard, maar de zaak aangehouden voor nadere inlichtingen (prod. 1 bij antwoord akte van 2 augustus 1984; het hof in de onderhavige zaak verwijst ernaar in zijn tussenarrest op p. 3/4).

3.1 Nadat het door [verweerders] in 1975 gelegde conservatoir derdenbeslag (o.m.) onder de BV's E-A en A-S in de sub A genoemde procedure door de rechtbank (en later ook door het hof) van waarde zijn verklaard, heeft in de onderhavige verklaringsprocedure, die bij dagvaarding van 8 december 1981 aanhangig is gemaakt, de rechtbank Amsterdam bij tussenvonnis onder rolnr. 81.7539 dd. 22 juni 1983 (in mijn eerdere conclusie staat per abuis 22 juli 1983) vermeld dat afschriften van grossen van de boven sub A 1) en B 1) genoemde vonnissen en van de exploiten van dagvaarding aan E-A en A-S en van de betekening aan [betrokkene] zijn overgelegd. De rechtbank was van oordeel (zie p. 5 van dit vonnis) dat, gelet op het vonnis A 2) en het ingestelde hoger beroep, de door eisers gewenste executie van vonnis A 1) vooralsnog geen voortgang kan vinden, maar dat de verklaringsprocedure ook kan strekken tot executie van het sub c. vermelde vonnis (in mijn overzicht B 1). En daar E-A en A-S hadden ontkend iets aan [betrokkene] schuldig te zijn heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast naar de vraag of de beide BV's op 13 april 1982 enige gelden, enz. aan [betrokkene] schuldig waren of sindsdien zijn geworden.

3.2 De BV's hebben tegen dit tussenvonnis hoger beroep ingesteld en daarbij slechts één grief aangevoerd, namelijk tegen het oordeel van de rechtbank dat de verklaringsprocedure ook kan strekken tot executie van het vonnis B 1), nu dit inmiddels door het hof was vernietigd (en, naar ons thans bekend is, het cassatieberoep tegen 's hofs arrest is verworpen, zie B 2) en 3).

3.3 Deze grief heeft het hof Amsterdam in zijn tussenarrest onder rolnr. 884/83 dd. 5 december 1984 gegrond bevonden. Maar het hof heeft weer teruggegrepen naar vonnis A 1), nu het sub A 3) genoemde executabele arrest was gewezen. Echter, daar [verweerders] de vordering die zij uit hoofde van dat arrest op [betrokkene] hadden, wel konden maar, met het oog op de vele andere vorderingen die nog tegen hem aanhangig waren, niet wensten te verhalen op de door [betrokkene] terzake van de koopsom aandelen BMD verstrekte bankgaranties (bij welke handelwijze zij naar 's hofs oordeel een redelijk belang hadden), oordeelde het hof het in overeenstemming met een redelijke procesorde dat de executie van de beslagen voorshands wordt opgeschort totdat [verweerders] zoveel te vorderen zouden hebben dat het niet meer ingevolge de garanties op de bank zou kunnen worden verhaald.

3.4 Bij eindarrest dd. 8 januari 1987 heeft het hof vastgesteld dat [verweerders] in het arrest van 7 mei 1986 (zie boven sub A 5) een executoriale titel hebben tegen [betrokkene] terzake van een vordering waarover (lees: waarvoor) het beslag is gelegd tot een bedrag dat de bankgaranties te boven gaat, en het heeft het tussenvonnis van de rechtbank bekrachtigd.

4.1 Tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het hof hebben E-A en A-S zich van beroep in cassatie voorzien; zij hebben drie middelen, elk bestaande uit verschillende onderdelen, aangevoerd.

4.2 De vraag die, als ik het wel heb, de kern vormt van het cassatieberoep is, of de arresten van het hof te Den Bosch A 3) en A 5) kunnen gelden als de titels, tot tenuitvoerlegging waarvan de onderhavige verklaringsprocedure strekt, nu het vonnis in eerste aanleg door het hof in arrest A 3) was vernietigd. Anders gezegd: is de verklaringsprocedure, die op formeel juiste wijze aanhangig is gemaakt en die strekt tot executie van een, naar later definitief is vastgesteld, aan de executanten rechtens toekomende vordering, vervallen alleen omdat het hof, naar Uw Raad later besliste ten onrechte, de nietigheid van het oorspronkelijke vonnis heeft uitgesproken? (Overigens met een nieuwe veroordeling van [betrokkene], zij het voor een lager bedrag, zie boven sub A 3). Of blijft de verklaringsprocedure, los van de afzonderlijke beslissingen in de hoofdprocedure, in stand, tenzij (eventueel) de beslissing tot afwijzing van de vordering, terzake waarvan de rechter in eerste instantie de veroordeling van de geëxecuteerde heeft uitgesproken, kracht van gewijsde verkrijgt?

4.3 Blijkens de beide thans bestreden arresten is het hof Amsterdam uitgegaan van de tweede opvatting, terwijl E-A en A-S de eerste verdedigen. Zij betogen dan ook dat met de vernietiging door het hof van het vonnis A 1), dat in eerste instantie de executoriale titel vormde, de grondslag aan de verklaringsprocedure is ontvallen.

5.1 Naar mijn mening is 's hofs opvatting de juiste. Op het moment van dagvaarden in de onderhavige verklaringsprocedure was het veroordelend vonnis van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad - zij het onder een voorwaarde -, en aangezien het instituut van de uitvoerbaarheid bij voorraad ten doel heeft de crediteur de bevoegdheid tot executeren te geven, ook al worden er tegen het veroordelend vonnis rechtsmiddelen aangewend, waren de executanten i.c. tot het aanhangig maken van die procedure bevoegd.

5.2 Toen door het vonnis A 2) de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis werd opgeheven, herkreeg het ingestelde hoger beroep zijn schorsende kracht, maar dat betekent m.i. niet dat daardoor de grondslag aan de verklaringsprocedure is ontvallen, zoals eiseressen stellen. Een reeds begonnen executie - en de verklaringsprocedure kan men als een begin van executie zien, ook al gaat het daarbij alleen nog maar om een verklaring van de derde-beslagene, en nog niet meteen om een ingreep in vermogensbestanddelen van de geëxecuteerde - vervalt in dit geval niet, maar wordt geschorst totdat in laatste instantie over de vordering in het hoofdgeding is beslist. Alleen indien de vordering dan wordt afgewezen, betekent dat het einde van de executiebevoegdheid en dus ook van de verklaringsprocedure. Als "grondslag" van de verklaringsprocedure zou men dus, naar het mij voorkomt, veeleer kunnen aanmerken de te executeren vordering, dan het veroordelend vonnis. Wil men echter een eenmaal begonnen verklaringsprocedure voortzetten ter executie van een andere vordering dan die vermeld in het betekende vonnis, dan dient men, in deze opvatting, opnieuw aan alle wettelijke eisen en formaliteiten te voldoen.

5.3 Zie over een en ander in het algemeen de artt. 52 e.v., 354, 430 en 479 Rv. en voorts F.M.J. Jansen, Executie- en beslagrecht, 1987, p. 11 e.v., p. 258 e.v. en p. 495 e.v., Hugenholtz-Heemskerk, 1988 nrs. 182, 292 en 325 en Burgerlijke Rechtsvordering (F.M.J. Jansen) aant. 1 en 14 ad art. 53, aant. 4 en 5 ad Boek II titel 1, aant. 3 met noot 7 ad art. 479 en aant. 1 met noot 2 ad art. 741. De Invoeringswet Boeken 3-6 Nieuw BW, eerste gedeelte, Stb. 1986, 295, kamerstukken 16593, brengt, voor zover hier van belang, geen verandering in de bovenvermelde wettelijke bepalingen.

5.4 In casu was de in het eerste vonnis bevolen uitvoerbaarheid bij voorraad door het hof in arrest A 3) weer hersteld, en de in kracht van gewijsde gegane eindbeslissing A 5) week, wat de veroordeling betreft, weinig af van het oorspronkelijke veroordelende vonnis. Was het onder die omstandigheden voor het beëindigen van de opschorting van de verklaringsprocedure, zoals in het bestreden eindarrest van het hof Amsterdam geschiedde, noodzakelijk dat [verweerders] weer alle formaliteiten vereist voor het instellen van zo'n procedure, vervulden, of mag men de inmiddels gewezen arresten A 3) en A 5) beschouwen in samenhang met, en als voortzetting van de oorspronkelijke executoriale titel, het vonnis A 1)? De wet geeft, voor zover ik kon vinden, op deze vraag geen antwoord, en ook in de literatuur is naarstig gezocht maar weinig gevonden.

Eerstgenoemd standpunt, dat van de BV's, komt mij echter niet zeer redelijk, noch ook practisch voor. Wel lijkt het gewenst dat indien, zoals hier, in de hoofdprocedure de uiteindelijke beslissing valt voordat de derde-beslagene zijn verklaring heeft afgelegd, deze uitspraak aan hem en aan de geëxecuteerde wordt betekend. (Zoals boven sub 2 vermeld zijn de grossen van de arresten A 3) en A 5) aan [betrokkene] betekend).

6. Wat betreft de in de middelen vervatte afzonderlijke klachten thans nog kort het volgende.

6.1 Onderdeel (1) van middel I bevat geen klacht.

6.2 In de onderdelen (2) en (3) wordt betoogd dat de grondslag aan de verklaringsprocedure is ontvallen, althans dat [verweerders] bij het afleggen van de verklaring geen belang zouden hebben nu zij gebruik konden maken van de verstrekte bankgaranties, maar dit niet wensten te doen.

6.3 Geen van beide klachten kan m.i. slagen. Zie over de grondslag van de verklaringsprocedure, waarmee blijkens de nota van toelichting van E-A en A-S wordt bedoeld het vonnis dat tot titel van de executie strekt, boven sub 5.2-5.4. De rechtbank Amsterdam heeft overigens (anders dan de nota van toelichting op p. 4 onderaan vermeldt) niet geoordeeld dat vonnis A 1) niet executabel was, maar alleen dat "vooralsnog de executie van dat vonnis geen voortgang kan vinden". Maar in hoger beroep (A 3) is deze belemmering weer opgeheven toen het hof de veroordeling weer, ditmaal onvoorwaardelijk, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde.

6.4 Voorts mist het betoog m.i. feitelijke grondslag, nu het hof heeft beslist (zie r.o. 2.2 van het tussenarrest) dat [verweerders] er een redelijk belang bij hadden hun vordering uit hoofde van het arrest van 21 juni 1983 niet te verhalen op de bankgaranties.

6.5 Onderdeel (4) berust, naar ik meen, op een verkeerde lezing van het bestreden tussenarrest en mist daarom eveneens feitelijke grondslag. Anders dan in de nota van toelichting op p. 7/8 wordt vermeld, hadden de inlichtingen die het hof nodig achtte, niet ten doel om de verklaringsprocedure op andere titels voort te zetten, maar slechts om te kunnen vaststellen dat [verweerders] belang hadden bij de onderhavige executie, aangezien de door [betrokkene] verstrekte bankgaranties niet voldoende zouden zijn om het totaal van het aan [verweerders] verschuldigde te voldoen. Middel I acht ik ongegrond.

7.1 Van middel II vormen de onderdelen (1), (2) en (3) m.i. slechts een inleiding, en hebben de onderdelen (4), (5) en (6) betrekking op de vraag of als executoriale titel uitsluitend kan dienen de oorspronkelijke rechterlijke beslissing waarvan de grosse aan de derdebeslagene is betekend, of alle (executabele) beslissingen in de procedure waarin de schuld van de schuldenaar ten laste van wie derdenbeslag is gelegd, moet worden vastgesteld.

7.2 Het hof is er, naar mijn mening terecht, van uitgegaan dat de verklaringsprocedure niet direct betrekking had - noch behoefde te hebben - op de arresten 3) en 5), maar wel op de vordering die het onderwerp van die arresten vormde. Derhalve kon de verklaringsprocedure voortgang vinden (althans zolang op die vordering niet met kracht van gewijsde afwijzend was beslist). Dit lijkt mij, gelet op het boven sub 5 vermelde, juist. (Vergelijk overigens over het fungeren als executoriale titel van een arrest in hoger beroep HR 13-1-1956 NJ 1956, 35 met conclusie van Langemeijer).

7.3 Voorts stond het m.i. in de onderhavige verklaringsprocedure het hof vrij te onderzoeken of [verweerders] bij de onderhavige executie wel belang hadden.

Middel II faalt naar mijn mening eveneens.

8. Middel III steunt in al zijn onderdelen op de opvatting dat de uitspraken in hoger beroep, cassatie en na verwijzing door Uw Raad - ook al betreffen zij steeds dezelfde vordering tussen dezelfde partijen - als even zovele los van elkaar staande executoriale titels moeten worden beschouwd. Gezien het boven sub 5.4 vermelde schijnt het mij toe dat dit standpunt geen steun vindt in de wet. Het middel kan m.i. dus evenmin slagen.

9. Aangezien naar mijn mening geen van de aangevoerde middelen gegrond is, concludeer ik, met handhaving van het in mijn conclusie van 10 augustus vermelde, dat eiseressen in de kosten van het geding in cassatie zullen worden veroordeeld.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Artikel delen