Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:PHR:1989:AD0605

4 April 2013

Jurisprudentie – Uitspraken

Conclusie

Rekest nr. 7399

Verhaal ABW

Parket, 22 november 1988

Mr. Moltmaker

Conclusie inzake

[verzoeker]

tegen

De Gemeente Kerkrade

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en geschil

1.1 Gedurende het jaar 1984 genoot verzoeker tot cassatie ([verzoeker]) een uitkering ingevolge de Rijksgroepregeling werkloze werknemers (KB van 2 december 1964, Stb 1964, 553 zoals nadien gewijzigd; hierna: R.W.W.). De gemeente had aan de uitkering de voorwaarde verbonden, dat [verzoeker] door middel van het inleveren van inkomstenformulieren opgave zou doen van al hetgeen van invloed zou kunnen zijn op de hoogte van de uitkering en/of de voortzetting daarvan.

1.2 Zoals de Rechtbank in rov. 6 van de beschikking a quo vaststelt, was [verzoeker] in de periode van eind april 1984 tot eind september 1984 nagenoeg dagelijks van 10.00 uur tot 18.00 uur aanwezig en werkzaam in de goktent (door de Kantonrechter als ‘’schiettent’’ aangeduid), op een sportcentrum te Valkenburg. [verzoeker] heeft dit niet aan de gemeente gemeld.

1.3 De gemeente is van oordeel, dat [verzoeker] in genoemde periode ten onrechte R.W.W.-uitkeringen heeft genoten tot een bedrag van ƒ. 7.742,33 en heeft gepoogd dat bedrag op [verzoeker] te verhalen. Aanvankelijk was [verzoeker] bereid een bedrag van ƒ. 50,-- per maand te betalen. Hij verleende machtiging om dit bedrag op zijn uitkering in te houden. Hij voldeed aldus ƒ. 500,-- en trok toen de machtiging in. De gemeente heeft vervolgens verhaal in rechte gezocht voor het restant, t.w. ƒ. 7.242,33. Het verzoekschrift aan de Kantonrechter van 6 augustus 1987 vermeldt als onderwerp: ‘’Verhaal ex art. 58 aanhef sub b A.B.W.’’.

1.4 De Kantonrechter achtte het aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] zich niet alleen in de betreffende periode door de exploitatie van een schiettent niet beschikbaar heeft gehouden voor de arbeidsmarkt (en reeds daarom geen recht kon doen gelden op een R.W.W.-uitkering), maar ook verzwegen inkomsten heeft genoten.

1.5 In hoger beroep heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd, o.m. overwegende:

6.

De grief treft doel, doch dit leidt niet tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep. Uit het rapport van de afdeling Bijzondere Controle, gelet op de daarin opgenomen getuigenverklaringen alsmede appellants eigen verklaring, blijkt dat appellant in de periode eind april 1984 tot eind september 1984 nagenoeg dagelijks van 10.00 uur tot 18.00 uur aanwezig was en werkzaamheden verrichtte in de goktent, die hij exploiteerde op het sportcentrum te Valkenburg.

[verzoeker] was in de litigieuze periode derhalve niet werkloos en dus niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt of voor arbeid in loondienst, zodat hij reeds op die grond niet in aanmerking kwam voor een uitkering krachtens de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers;

7.

In het midden kan blijven of [verzoeker] inkomsten uit bedoelde werkzaamheden heeft genoten.

1.6 [verzoeker] heeft tegen de beschikking van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van twee cassatiemiddelen, welke zich — met resp. 6 en 4 onderdelen — beide richten tegen bovengeciteerde rov. 6.

1.7 De gemeente heeft een verweerschrift in cassatie ingediend.

2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

De beschikking van de Rechtbank van 17 maart 1988 is blijkens telefonische mededeling van de griffie van die Rechtbank verzonden op 21 maart 1988. Het verzoekschrift tot cassatie is ingekomen op 13 mei 1988, mitsdien binnen de cassatietermijn van 8 weken (art. 426 Rv. juncto art. 66 ABW, zie laatstelijk HR 18 december 1987, NJ 1988,373).

3. Werkloos

3.1 De Rechtbank heeft voor de vraag of i.c. bijstandsverhaal mogelijk is buiten beschouwing gelaten of [verzoeker] al dan niet inkomsten uit zijn werkzaamheden heeft genoten. Ik ga er daarom van uit, dat geen inkomsten werden genoten en kom aldus tot de vraag of c.q. onder welke omstandigheden een werkloze melding moet maken van onbezoldigde werkzaamheden. Anders gezegd: wanneer kunnen onbezoldigde werkzaamheden van invloed zijn op de hoogte en/of de voortzetting van de R.W.W.-uitkering. Immers alleen als zulks het geval is vindt het verhaal van de gemeente steun in art. 58 aanhef en letter b, ABW, waarop de gemeente haar vordering heeft gebaseerd.

3.2 Er bestaat op dit terrein een zekere spanning tussen twee uitgangspunten, namelijk enerzijds het te respecteren verlangen van werklozen om op enigerlei wijze nuttig bezig te zijn en ‘’onder de mensen’’ te komen door allerlei vormen van vrijwilligerswerk of studie, zonder dat daarbij hun uitkering op het spel komt te staan en anderzijds het tegengaan van het aanvaarden door werklozen van betrekkingen welke normaliter (behoren te) worden bezoldigd, waarbij de werkloze in feite fungeert als goedkope werkkracht en aldus zijn eigen werkloosheid en mogelijk ook die van anderen slechts in stand houdt. De R.W.W. gaat er dan ook van uit dat de werkloze zijn best doet betaalde arbeid te vinden en een van de criteria daarbij is, of hij beschikbaar blijft voor de arbeidsmarkt. Zie hierover E. Wiersema, De bijstandswet (1985) blz. 73–75, J. de Vries, De Algemene Bijstandswet 7e druk (1987) blz. 131/132 en blz. 243–247, Algemene Bijstandswet c.a. (losbl.) deel 3 (H.S. Prins) aant. 2 op art. 1 RWW met jurisprudentieoverzicht, Sociale Verzekeringswetten (losbl.) Deel 12 Band 2 (A.B.J. van der Ham e.a.) aant. 1b en 2 op art. 21 WW en Sociale Voorzieningen (losbl.) deel 2, band 1 ABW/Verhaal (R.C. Gisolf) art. 58 aant. jurisprudentieoverzicht.

3.3 De jurisprudentie geeft het volgende beeld:

— De jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep wordt door H.S. Prins, Alg. Bijstandswet t.a.p. als volgt samengevat:

Uit uitspraken van de CRvB met betrekking tot art. 21 WW kan echter worden afgeleid, dat in de rechtspraak als regel iemand werkloos wordt geacht, die noch voor zichzelf noch voor een ander door middel van een normale dagtaak produktieve arbeid verricht en die zich beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt. De Kroon heeft zich bij de toepassing van de RWW nog maar zelden over deze begripsbepaling uitgelaten. Aannemelijk is, dat de omvang van eventueel werk, loonbetalingen en het persoonlijk verrichten van werkzaamheden in samenhang met de beschikbaarheid voor arbeid, blijkend uit een inschrijving als werkzoekende bij het GAB, van geval tot geval worden bezien.

— KB 20 februari 1978, JABW 1978,85:

dat B en W van mening zijn, dat B niet langer als werkloos in de zin van de RWW is aan te merken, omdat hij werkzaamheden zou verrichten in café O, dat evenwel zowel door de betrokkene als door de eigenares van het café, benevens door haar accountant is verklaard, dat bedoelde werkzaamheden niet tegen betaling zijn verricht;

dat B en W geen gegevens hebben kunnen aanvoeren, waaruit het tegendeel kan blijken;

dat evenmin is aangetoond, dat deze werkzaamheden een zodanige omvang hebben, dat in redelijkheid zou moeten worden aangenomen, dat daartegenover een betaling zou staan;

dat er, mede gezien het feit, dat B zich bij het GAB ingeschreven doet blijven, naar Onze mening dan ook geen aanleiding bestaat hem niet langer als werkloos aan te merken.

— KB 5 september 1980, JABW 1981,27:

dat de door betrokkene verrichte trainingswerkzaamheden, waarvoor op hem blijkens de stukken een beroep kon worden gedaan, naar Ons oordeel die, welke in redelijkheid onder het begrip vrijetijdsbesteding kunnen worden gebracht, overschrijden;

— Ktg. Zutphen 16 september 1986, JABW 1987,133:

Aan de gemeente kan worden toegegeven dat de twee inkomstenbriefjes die door haar zijn overgelegd door B niet juist zijn ingevuld, immers er is daarop gevraagd naar werkzaamheden al of niet tegen betaling verricht. Verweerder had de werkzaamheden dus in elk geval moeten vermelden.

Aangezien niet is aangetoond dat B voor deze werkzaamheden beloond werd, kan de verleende bijstand naar het oordeel van de kantonrechter niet op B worden verhaald. Er is immers niet aannemelijk geworden dat de bijstand niet verleend zou zijn indien B de werkzaamheden wel had vermeld.

— KB 22 december 1986, JABW 1987, 163:

Voorts kunnen de door de betrokkene ontplooide activiteiten, gezien de omvang er van en het feit dat hij daaruit inkomsten verwierf dan wel heeft kunnen verwerven, niet worden gekenschetst als vrijetijdsbesteding.

— KB 24 maart 1987, JABW 1987, 238:

In dezen kan geen betekenis worden toegekend aan de door mevrouw A aangevoerde omstandigheid, dat zij gedurende het lopende boekjaar geen periodieke beloning voor de door haar verrichte arbeid ontvangt, doch slechts recht heeft op een eenmalig winstaandeel aan het einde van het jaar.

Gelet op de aard, regelmaat en omvang van de activiteiten, alsmede de door mevrouw A gedragen verantwoordelijkheid als beherend vennoot, moet immers in redelijkheid worden aangenomen dat, nu werkzaamheden als de in geding zijnde in het algemeen tegen betaling worden verricht, mevrouw A hieruit periodieke inkomsten heeft verworven, dan wel had kunnen verwerven.

— Ktg. Utrecht 31 maart 1987, JABW 1987,291:

Naar aanleiding van hetgeen aldus ten processe is gebleken, wordt overwogen, dat het verzoek toewijsbaar is. Aannemelijk is gemaakt, dat betrokkene beheerster was van het café, dat zij veel aanwezig was en dat zij werkzaamheden verrichtte. De omstandigheid, dat zij wellicht geen inkomsten heeft genoten is niet beslissend. Zij was immers in de gelegenheid een vergoeding voor haar werkzaamheden te bedingen en de gemeente zou niet tot betaling van de bijstand zijn overgegaan indien betrokkene de gemeente op de hoogte had gesteld van haar werkzaamheden. Aldus is de bijstand verkregen doordat betrokkene onvolledige dan wel onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.

— KB 16 september 1987, JABW 1988, 79:

De betrokkene voert aan, dat hij voor sportbeoefening in het fitness-centrum aanwezig was en dat de werkzaamheden moeten worden gezien als vriendendiensten, waarvoor hij dan ook geen geld heeft ontvangen.

Gezien de vorenstaande omstandigheden moet echter worden geoordeeld, dat de aanwezigheid van de betrokkene in het fitness-centrum verband hield met werkzaamheden, welke wellicht gecombineerd konden worden met sportbeoefening maar die in elk geval een vergoeding rechtvaardigden.

Gelet hierop en in aanmerking genomen de omvang van de werkzaamheden kon A dan ook niet als werkloze werknemer in de zin van art. 1, onder a, van de RWW worden aangemerkt, zodat aanleiding bestond zijn uitkering ingevolge deze regeling te beëindigen.

3.4 Ik merk op, dat het RWW-besluit van 1964 inmiddels is vervangen door het Besluit van 13 december 1984, Stb. 1984, 626. In art. 9 van dat Besluit wordt een aantal voorwaarden genoemd, waaraan de werkloze werknemer moet voldoen om zijn inschakeling in de arbeid te bevorderen.

Art. 13 bepaalt:

1. Indien de werkloze werknemer met toestemming van de burgemeester en wethouders onbetaalde werkzaamheden verricht, welke passen in het kader van aan werklozen toegestane activiteiten, wordt de bijstandsverlening voortgezet, mits de werkloze werknemer blijft voldoen aan de ingevolge artikel 9 gestelde voorwaarden.

2. Enz.

Ik moge verwijzen naar de nota van toelichting op dit artikel. Daarin wordt o.m. opgemerkt, dat bij het verlenen van toestemming kan worden aangesloten bij de aanbevelingen die ter zake bij circulaire aan de gemeenten zijn gedaan. Er worden uitvoerige richtlijnen gegeven voor de toetsing van de toelaatbaarheid van werkzaamheden. De toestemming kan worden ingetrokken als de werkloze niet blijft voldoen aan de voorwaarden gericht op arbeidsinschakeling in een dienstbetrekking. Eventueel kan art. 14 worden toegepast (verlaging of beëindiging van de uitkering).

3.5 Het oordeel van de Rechtbank, dat de door [verzoeker] verrichte werkzaamheden van zodanige aard waren dat hij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt of voor arbeid in loondienst, acht ik feitelijk en niet vatbaar voor toetsing in cassatie. Het oordeel geeft bovendien naar mijn mening niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting, in het bijzonder ook niet voor wat betreft het begrip ‘’werkloos’’ en is voorts voldoende gemotiveerd, gelet op de verwijzing naar de getuigenverklaringen en [verzoeker] eigen verklaring in het rapport van de afdeling Bijzondere Controle.

4. Beoordeling van de cassatiemiddelen

4.1 Cassatiemiddel I

4.1.1 Onderdeel 1 van het middel herhaalt slechts rov. 6 van de beschikking van de Rechtbank. Onderdeel 2 formuleert een in algemene bewoordingen gestelde klacht tegen die rov. en heeft naast de onderdelen 4, 5 en 6 geen zelfstandige betekenis. Onderdeel 3 bevat geen klacht, maar een feitelijke constatering.

4.1.2 Met betrekking tot de onderdelen 4, 5 en 6 merk ik op, dat het tussen partijen in beide feitelijke instanties duidelijk moet zijn geweest dat de gemeente haar verhaal baseerde op art. 58 sub b ABW. Ik noemde reeds de vermelding van het onderwerp van het inleidend verzoekschrift aan de Kantonrechter (zie punt 1.3 slot). [verzoeker] heeft zich niet verweerd tegen de stellingen van de gemeente,

a dat hij de uitkering ontving onder de voorwaarde dat hij aan de gemeente mededeling zou doen van al hetgeen van invloed zou kunnen zijn op die uitkering en

b dat hij gedurende een bepaalde tijd werkzaamheden heeft verricht en daarvan aan de gemeente geen mededeling heeft gedaan.

[verzoeker] heeft zich slechts verweerd tegen de stelling, dat die werkzaamheden van zodanige aard waren, dat zij van invloed waren op zijn uitkering. De rechtsstrijd ging dus om de vraag of hij zodanige mededeling had moeten doen. Dat bij bevestigende beantwoording het verhaal berust op art. 58 sub b ABW was niet in discussie. De Rechtbank was naar het mij voorkomt niet verplicht die verhaalsgrond nog eens uitdrukkelijk te vermelden. Vgl. HR 23 oktober 1981, NJ 1982, 542 nt. FHJM (in dat geval was in hoger beroep niet bestreden de vaststelling van de Ktr. dat het verzoek van de gemeente steunde op art. 58 sub b ABW; de rb. baseerde het verhaal echter ten onrechte op een andere grond). Door het overwogene in rov. 6 maakte de Rechtbank implicite duidelijk, dat [verzoeker] van zijn werkzaamheden mededeling had moeten doen en dat hij door zulks na te laten in strijd kwam met de aan zijn uitkering verbonden voorwaarde. Middel I faalt derhalve.

4.1.3 In de ‘’Aanvulling en toelichting’’ op de cassatiemiddelen wordt nog gesteld, dat de hier bedoelde voorwaarde niet strekt tot inschakeling in het arbeidsproces en niet relevant is in de zin van art. 3 en art. 8 aanhef en sub b ABW. Deze stelling ziet er naar het mij voorkomt aan voorbij, dat de onderhavige voorwaarde zoal niet op grond van het eerste lid van art. 3 ABW dan toch wel op grond van het tweede lid van dat wetsartikel door de gemeente mag worden gesteld. Zie R.C. Gisolf, Het verhaalsrecht van de Algemene Bijstandswet, 2e druk (1984) blz. 40, J. de Vries a.w. blz. 134/135, KB 25 januari 1978, JABW 1978,77 en KB 8 maart 1980, JABW 1980,167.

4.2 Cassatiemiddel II

4.2.1 In de onderdelen 1 en 2 van dit middel wordt naar mijn mening miskend, dat het verhaal niet berust op het niet-werkloos zijn en het niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt van [verzoeker], maar op het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden voorwaarde. De onderdelen 1 en 2 van dit middel missen feitelijke grondslag.

4.2.2 De onderdelen 3 en 4 van middel II falen op grond van het gestelde in punt 3.5 hiervóór.

5. Conclusie

De cassatiemiddelen ongegrond bevindend concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Artikel delen