Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:PHR:2026:596

Conclusie AG. Mishandeling. Falend middel over verwerping verweer noodweerexces. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO).

Parket bij de Hoge Raad 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:PHR:2026:596 text/xml public 2026-07-03T17:35:32 2026-06-15 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-06-30 24/04311 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:596 text/html public 2026-07-03T17:35:02 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:596 Parket bij de Hoge Raad , 30-06-2026 / 24/04311
Conclusie AG. Mishandeling. Falend middel over verwerping verweer noodweerexces. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO).

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04311

Zitting 30 juni 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,

hierna: de verdachte
1Inleiding 1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden bij arrest van 13 november 2024 (parketnr. 21-000794-24) wegens “mishandeling” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren te vervangen door 10 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, daarvoor een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 dagen bepaald.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2Waar het in cassatie om gaat 2.1
De verdachte is in hoger beroep veroordeeld wegens mishandeling door de aangever met een stoel tegen het gezicht te slaan. Het middel verzet zich tegen de verwerping van het beroep op noodweerexces.
2.2
Volgens deze conclusie faalt het middel.
3Het middel 3.1
Het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat “niet aannemelijk is geworden dat de klap van aangever tot een zodanige gemoedsbeweging leidde dat verdachte daarom aangever de klap met de stoel heeft gegeven” getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
3.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij, op 4 februari 2022 te [plaats] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een stoel, tegen het gezicht te slaan.”
3.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 38 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer]:

Plaats delict: [plaats] . Op 4 februari 2022 ben ik mishandeld door mijn buurman [verdachte] . Mijn buurman heeft mij met een stoel tegen mijn neus aangeslagen, waardoor ik een behoorlijke wond op mijn neus had opgelopen. Het duurde ongeveer 6 weken voordat deze wond op mijn neus geheeld was. Ik ben met het letsel naar het […] -ziekenhuis gegaan.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 29 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer]:

Vervolgens pakte hij (het hof begrijpt: verdachte) een stoel op waarmee hij mij tegen mijn hoofd aan sloeg. Hij raakte mij met de stoel tegen de neusvleugel van mijn bril, waardoor ik een behoorlijk wond op mijn neus kreeg. Na de klap met de stoel werd ik in een hoek gedrukt door de buurman met de stoel.

3. Een geneeskundige verklaring, opgemaakt door [huisarts] , huisarts bij […] (als bijlage op pagina 51 van het proces-verbaal), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Naam: [slachtoffer] , [geboortedatum] /66: wond neusrug, neus lijkt inderdaad iets af te wijken naar links.

4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 6 september 2022 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Noord-Nederland, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1]:

Ik heb één van de buurmannen een stoel omhoog zien tillen. Hij (het hof begrijpt: verdachte) duwde de andere man (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) daarmee in de hoek. Ik herinner het mij zo dat de man met de stoel (het hof begrijpt: verdachte) de andere man (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) in de hoek bij [betrokkene 1] (het hof begrijpt: een collega van getuige) naar achter duwde, de andere hoek dan waar de deur zit dus de hoek vanuit mijn perspectief linksachter [betrokkene 1] . Ik stond bij de vrouw aan de andere kant. Dat was allemaal nog in de ruimte.”
3.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2024 heeft de verdachte het volgende verklaard:

“Ik heb een paar kleine aantekeningen gemaakt, die wil ik graag voorlezen. Als eerste werd het tafelblad keihard in mijn maag en ribben geduwd. Ik voelde pijn en zag dat mijn vrouw pijn had en bang was. Toen hij met gebalde vuist voor me stond voelde ik paniek. [slachtoffer] is een kop groter en 21 jaar jonger. Ik heb zelfs even voor mijn leven gevreesd. In uiterste nood en paniek pakte ik mijn stoel en hield deze voor mij als buffer. Hij probeerde nog twee keer te slaan en ik heb de stoel hoger gehouden omdat hij een stuk langer was. Ik maakte me ook zorgen om mijn vrouw, was bang dat zij klappen kreeg. Mogelijk heeft hij ook geprobeerd de stoel uit mijn handen te trekken, maar gelukkig heb ik die vast weten te houden. Zo is het gegaan. Ik kan me niet herinneren dat ik wat over zijn vrouw heb gezegd. U houdt me voor dat ik gezegd zou hebben dat zij zich onzedelijk gedroeg en naakt door de kamer liep. Dat zegt me niets. Ik weet niet hoe [slachtoffer] de verwonding op zijn neusbrug heeft opgelopen. Dat is niet door mijn toedoen. Mogelijk heeft hij zichzelf verwond toen hij me probeerde te slaan. Ik heb de stoel gewoon vastgehouden, niet met de poten naar voren. Ik kan me niet voorstellen of herinneren dat we ons verplaatst hebben naar een andere plek. Misschien dat [slachtoffer] geprobeerd heeft de stoel los te trekken en dat we daardoor verplaatst zijn. U houdt me de verklaring van [getuige 1] voor. Zo zie ik het niet.”
3.5
De raadsman van de verdachte heeft blijkens hetzelfde proces-verbaal het woord gevoerd overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota. De raadsman heeft onder meer het volgende aangevoerd:

“Noodweer

Mocht u dat anders zien dan is de vraag of cliënt een geslaagd beroep kan doen op noodweer dan wel noodweerexces.

In de visie van de verdediging was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Aangever duwde in eerste instantie al een tafel in de richting van cliënt en zijn partner. Dit wordt bevestigd door aangever zelf, de vrouw van cliënt, maar ook door de onafhankelijke getuigen [getuige 2] en [getuige 1] . Dat is al een agressieve handeling. Vervolgens krijgt verdachte een vuistslag tegen zijn hoofd van aangever. Dat wordt door aangever ook niet ontkend. In reactie daarop heeft verdachte de stoel opgepakt om aangever op afstand te houden. Uit de verklaring van cliënt volgt dat aangever vervolgens nog meerdere malen heeft getracht hem te slaan. Het oppakken en voor zich houden van de stoel was ter bescherming en ter verdediging van zijn eigen lijf, maar ook ter bescherming van het lijf van zijn vrouw. Deze manier van verdedigen was proportioneel. Waarbij ik op merk dat cliënt kleiner is dan aangever en bovendien veel ouder. Ik heb het al eens aangehaald, maar ik benadruk het: cliënt is geboren in 1945. Hij was al beperkt in zijn mobiliteit en bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat de gemiddelde persoon kracht verliest in zijn lichaam naarmate hij of zij ouder wordt. Dat cliënt een stoel ter hand heeft genomen is ook vanuit dat punt bezien, logisch.

De verdediging was ook noodzakelijk. De politierechter heeft het beroep op noodweer(exces) echter omwille hiervan verworpen: “Uit de aangifte en de getuigen verklaring van [getuige 1] blijkt dat verdachte de stoel voor zich uit hield op een dus danige hoogte dat het gezicht van aangever is geraakt en dat hij vervolgens met die stoel aangever in een hoek van de kamer heeft geduwd. Dit betrof juist een andere hoek van de kamer, dan waar verdachte is geslagen door aangever en waar zich de uitgang van de kamer bevond. Daarmee is de politierechter van oordeel dat verdachte anders had kunnen handelen door weg te lopen. Doordat verdachte daarentegen een aanvallende houding heeft aangenomen waarbij hij aangever met een stoel vooruit heeft geduwd en hem daarbij raakte, was er geen sprake meer van een onmiddellijke wederrechtelijke aanval. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.”

De lat wordt hier ten onrechte veel te hoog gelegd. Het was voor cliënt niet mogelijk om zich in die situatie te onttrekken. Dit gelet op het gegeven dat cliënt zojuist een klap had gekregen waardoor hij gedesoriënteerd was en hij sowieso al beduusd door de aanval met de tafel. Daarnaast stond aangever zeer dreigend en agressief tegenover hem in een ruimte waar meubels stonden, andere personen en er maar een uitgang waarbij cliënt geen vrije loop had naar de deur. En zoals op gemerkt was het voor cliënt niet mogelijk - vanwege zijn leeftijd en beperkte mobiliteit - om zich snel genoeg richting de deur te begeven. Verder moet onttrekking aan de aanranding ook van cliënt kunnen worden gevergd. Dit behoeft bij voorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is (zie ECLI:NL:HR:2016:456). Deze situatie is volgens de verdediging aan de orde. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding” (zie ECLI:NL:HR:2016:456). In dit geval was ook de vrouw van cliënt aanwezig. Er kan niet worden gevergd dat cliënt het op een lopen zet en zijn vrouw, met wie hij al jarenlang samen is, achterlaat in een situatie die [getuige 1] en [getuige 2] ervaren als zeer bedreigend. Ik merk voorts op dat [getuige 1] twijfelt aan de gang van zaken, zo ook over het naar voren steken van de poten van de stoel (p. 3. Verhoor r-c d.d. 6 september 2023). Vervolgens verklaart ze verder. In haar herinnering zou er sprake zijn geweest van een verplaatsing richting een andere hoek (de hoek waar [getuige 2] eerst zou zitten). Ze weet niet of er geweldshandelingen zijn verricht in die hoek. Cliënt ontkent dat er sprake is geweest van een verplaatsing en als u zijn verklaring volgt dan kan zijn handelen niet om die reden als aanvallend worden bestempeld. Mocht u wel aannemen dat er sprake is van een verplaatsing, maakt dat niet dat dit in de kern als aanvallend moet worden beschouwd. Er was nog steeds sprake van een dreigende situatie, het was een krappe ruimte en zijn vrouw was ook aanwezig. Het eventuele in een hoek drijven met een stoel was noodzakelijk en proportioneel.

Tot slot wijs ik op de geldende maatstaf. “Voor aanvaarding van het beroep is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Ter verduidelijking van eerdere rechtspraak merkt de Hoge Raad hierover het volgende op. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt - anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring - niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daar over door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg” (zie ECLI:NL:HR:2022:417).

In de optiek van de verdediging is aan alle voorwaarden voor een geslaagd beroep op noodweer voldaan en dat de feitelijke toedracht aannemelijk is. Ik ben dan ook van mening dat verdachte om die reden moet worden vrijgesproken en verzoek u dat ook te doen.

Mocht u daaraan voorbijgaan dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat sprake is van noodweerexces zodat cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Er was sprake van een hevige gemoedsbeweging bij cliënt, die het gevolg was van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval van aangever (zoals eerder naar voren gebracht). Paniek en angst zijn ontstaan door het duwen met de tafel, de rake klap van aangever, zijn dreigende houding en de pogingen om cliënt nogmaals te slaan. Het handelen van cliënt is het gevolg van die hevige gemoedsbeweging.”
3.6
In aanvulling op zijn pleitnota heeft de raadsman het volgende medegedeeld:

“Concluderend beroept cliënt zich op noodweerexces. Als u van mening bent dat hij niet met de stoel had mogen lopen, dan komt dat door de paniek die was ontstaan. Mijn cliënt spreekt zelfs over doodsangst.”
3.7
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Ter terechtzitting van het hof is door de verdediging bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft de stoel slechts als barricade voor zich gehouden en niet met de stoel geslagen. Er is geen duidelijkheid over de oorzaak van het letsel van aangever, maar dat letsel kan niet door verdachte met de stoel zijn veroorzaakt. Dat dat wel zo zou zijn vindt geen steun in de verklaringen van getuigen. Indien het hof van oordeel is dat verdachte wél met de stoel zou hebben geslagen, heeft verdachte gehandeld vanuit noodweer en dient hij om die reden te worden vrijgesproken. Aangever duwde een tafel naar verdachte en zijn partner, en vervolgens gaf hij verdachte een vuistslag tegen zijn gezicht. Vervolgens heeft aangever nog meerdere malen getracht verdachte te slaan. Het oppakken en voor zich houden van de stoel was proportioneel. Het was voor verdachte wegens zijn leeftijd en beperkte mobiliteit niet mogelijk zich aan de aanval van aangever te onttrekken en dat kon ook niet van hem worden gevergd. Daarbij was ook zijn partner aanwezig en kan niet van hem worden gevergd haar in een bedreigende situatie achter te laten. Ook wanneer het hof bewezen acht dat verdachte aangever in een hoek zou hebben gedreven is dat proportioneel en verdedigend van aard.

Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding als hiervoor bedoeld. De verdediging mag daarbij de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Aan de subsidiariteitseis is voldaan indien een noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

Voor de beoordeling van de vraag of sprake was van noodweer gaat het hof, gelet op de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte was op 4 februari 2022 tezamen met zijn partner [betrokkene 2] , met zijn buurman - aangever - en met buurtbemiddelaars [getuige 1] en [getuige 2] aanwezig bij een buurtbemiddelingsgesprek in een spreekkamer van het wijkteam wegens een conflict tussen verdachte en aangever. Zij zaten aan een tafel, waarbij aangever tegenover verdachte en [betrokkene 2] aan een tafel zat. Verdachte zat aan de kant van de deur. Aangever duwde gedurende het gesprek het tafelblad richting verdachte en [betrokkene 2] , en liep vervolgens om de tafel heen naar verdachte toe. Uit de verklaring van [betrokkene 2] en de verklaring van aangever blijkt dat aangever verdachte vervolgens met de vlakke hand een klap gaf. Verdachte heeft vervolgens een stoel opgepakt. Aangever heeft verklaard dat verdachte hem met de stoel sloeg en daarmee zijn bril raakte, waardoor zijn bril kapot is gegaan en hij een wond op zijn neus kreeg, en dat verdachte hem met de stoel in een hoek duwde. Ook [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte aangever met de stoel in een hoek duwde - een andere hoek dan waar de deur zich bevond - en dat het leek alsof verdachte met de stoel aangever probeerde te slaan. Uit de in het dossier aanwezige foto’s en de letselverklaring van 5 februari 2022 blijkt dat een wond zichtbaar is op de neusrug van aangever. Verdachte heeft verklaard dat hij aangever niet geraakt kan hebben met de stoel, omdat die niet op zijn gezicht gericht was, maar dat hij de stoel slechts ter afweer heeft gebruikt. Aangever bleef proberen hem te slaan. Verdachte heeft ontkend aangever te hebben geslagen en heeft ook ontkend dat hij aangever in een hoek heeft geduwd.

De vraag die het hof uitgaande van bovenvermelde toedracht moet beantwoorden is of sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte, zodat een genoemde noodweersituatie aanwezig was.

Het hof is van oordeel dat de hierboven omschreven gedragingen van de aangever een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding van het lijf van verdachte, eens anders lijf, eerbaarheid of goed waren. Aangever duwde een tafel in de richting van verdachte, liep vervolgens naar hem toe en sloeg hem met de vlakke hand. Verdachte mocht zich tegen deze aanval verdedigen door een stoel te pakken en deze als barricade tegen de aanval te gebruiken, zoals verdachte heeft verklaard te hebben gedaan. Dat aangever hem daarna wilde blijven slaan, is echter niet gebleken. Integendeel: uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte de stoel niet slechts heeft gebruikt om aangever af te weren, maar vervolgens de stoel heeft gebruikt om aangever in een hoek te drukken en hem daarmee te slaan. Verdachte is tijdens deze handeling langs de deur van de ruimte gelopen en had de ruimte aldus ook kunnen verlaten. In plaats daarvan koos hij ervoor een tegenaanval in te zetten. Dat het letsel op de neus van aangever door deze handelingen is ontstaan acht het hof aannemelijk. Die handelingen van verdachte kunnen niet meer als verdedigingshandelingen worden beschouwd, maar als handelingen die - naar de kern bezien - als aanvallend zijn aan te merken. Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof derhalve het beroep op noodweer.

Het hof verwerpt het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde. Dat verweer zal ook worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

[…]

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging aangevoerd dat indien het hof oordeelt dat van noodweer geen sprake was geweest, verdachtes handelen als noodweerexces kan worden aangemerkt. Verdachte onderging een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de aanval, waardoor paniek en angst was ontstaan die het handelen van verdachte hebben beïnvloed.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat ten tijde van het slaan van de stoel geen sprake meer was van een noodweersituatie, maar handelingen die in de kern gezien aanvallend waren. Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte emotioneel is geworden als gevolg van de klap die aangever hem gaf en dat hij vervolgens een stoel heeft opgepakt deze omhoog heeft gehouden en daarna met de stoel in de hand aangever naar een hoek toe heeft geduwd, waarbij aangever met de stoel is geslagen. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de klap van aangever tot een zodanige gemoedsbeweging leidde dat verdachte daarom aangever de klap met de stoel heeft gegeven.

Het hof verwerpt dus ook het beroep op noodweerexces.

Verdachte is strafbaar aangezien ook voorts geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”
3.8
Art. 41 lid Sr luidt als volgt:

“1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.”
3.9
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond het volgende vooropgesteld (met weglating van de voetnoten):

“Noodweerexces
3.6.1.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
3.6.2.
Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
3.6.3.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg”, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.”
3.10
Het arrest van HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, NJ 2022/178 m.nt. Machielse houdt onder meer het volgende in:

“2.3.1 Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter (i) de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken, (ii) beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het verweer is voldaan en (iii) een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer.
2.3.2
Bij het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd. Als de verdachte in dit verband weigert te antwoorden op nadere vragen met betrekking tot de door of namens hem gestelde gang van zaken, mag de rechter die omstandigheid in zijn beoordeling betrekken.
2.3.3
Voor aanvaarding van het beroep is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Ter verduidelijking van eerdere rechtspraak merkt de Hoge Raad hierover het volgende op. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.
2.3.4
Wanneer de rechter de feitelijke toedracht van het beroep niet aannemelijk geworden acht, verwerpt hij het beroep. Ook wanneer hij oordeelt dat de door hem aannemelijk geachte feitelijke toedracht het beroep niet kan doen slagen omdat niet aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat beroep is voldaan, verwerpt hij het beroep. De rechter kan overigens het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep achterwege laten, als hij tot het oordeel komt dat – veronderstellenderwijs uitgaand van de aannemelijkheid van de gestelde feitelijke toedracht – het beroep niet kan slagen. Wel moet uit de uitspraak volgen op welke grond de verwerping berust.”
3.11
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat “niet aannemelijk [is] geworden dat de klap van aangever tot een zodanige gemoedsbeweging leidde dat verdachte daarom aangever de klap met de stoel heeft gegeven” blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat het hof in de daaraan voorafgaande overweging heeft vastgesteld dat de verdachte door de klap die hij van de aangever had gekregen emotioneel is geworden en vervolgens een stoel heeft opgepakt en met die stoel heeft geduwd en geslagen. Volgens de steller van het middel ligt in deze vaststelling besloten dat de verdachte onder invloed van een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld. Ook wordt voor het middel uiteengezet dat de verdediging in hoger beroep uitdrukkelijk heeft stilgestaan bij de paniek en angst die verzoeker overvielen toen hij plotseling werd geconfronteerd met agressief en gewelddadig gedrag van de aangever. Door de steller van het middel wordt – naar ik begrijp in het licht van dat verdedigingspleidooi, PHvK – aangevoerd dat het hof de nadruk lijkt te leggen op de vuistslag als oorzaak van de heftige emotie van de verdachte en daarmee miskent dat de angst en paniek daarvoor ontstonden toen de aangever de tafel in de richting van verdachte en diens partner “gooide (en waardoor zij hard in de maag en de ribben verder geraakt)” en de daaropvolgende klap in het gezicht die de paniek versterkte. Volgens de steller van het middel ervoer de verdachte doodsangst, nam paniek de regie van hem over en is hij kort daarop als gevolg van die emotionele toestand in elkaar gezakt en moest de ambulance voor hem worden gebeld. Verder lijkt het hof volgens de steller van het middel niet te kiezen of het in deze zaak gaat om een situatie waarin de verdachte verder is gegaan dan was geboden of van een situatie waarin de verdachte is doorgegaan met zijn reactie op het geweld terwijl geen sprake meer was van een noodweersituatie. Onder verwijzing naar jurisprudentie Hoge Raad betoogt de steller van het middel tot slot dat indien de rechter de feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, het beroep op noodweerexces verwerpt. Door te overwegen dat aannemelijk is geworden dat de verdachte emotioneel is geworden en vervolgens het beroep te verwerpen op de grond dat het niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een zodanige gemoedsbeweging dat verdachte daarom de klap met de stoel heeft gegeven, zou sprake zijn van een onbegrijpelijke motivering.
3.12
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweerexces en dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het handelen van de verdachte zou het gevolg zijn van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval van de aangever. Paniek en angst zouden zijn ontstaan door het duwen met de tafel, de klap van de aangever, de dreigende houding van de aangever en de pogingen om de verdachte nogmaals te slaan.
3.13
Het hof overweegt in het bestreden arrest onder het kopje “Strafbaarheid van de verdachte” dat ten tijde van het slaan van de stoel geen sprake meer was van een noodweersituatie, maar van handelingen die in de kern aanvallend waren. Het hof acht het vervolgens aannemelijk geworden dat verdachte emotioneel is geworden als gevolg van de klap die aangever hem gaf en dat hij vervolgens een stoel heeft opgepakt deze omhoog heeft gehouden en daarna met de stoel in de hand aangever naar een hoek toe heeft geduwd en hem met de stoel heeft geslagen. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de klap van aangever tot een zodanige gemoedsbeweging leidde dat verdachte daarom aangever de klap met de stoel heeft gegeven.
3.14
Uit het bovenstaande volgt dat het hof van oordeel is dat aannemelijk is geworden dat de verdachte emotioneel was maar dat die emoties niet dusdanig waren dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging zoals bedoeld in art. 41 lid 2 Sr waardoor de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Gelet op het onder 3.9 en 3.10 vooropgestelde getuigt dat – deels feitelijke en deels normatieve – oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Van innerlijke tegenstrijdigheid in de overweging van het hof is geen sprake. Ten eerste is immers niet elke emotie van dusdanige aard dat die een beroep op noodweerexces kan doen slagen. Ten tweede geldt dat wanneer een emotie als zodanig wel de potentie daartoe heeft, dit nog niet betekent dat die emotie in het concrete geval van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging, aangezien deze ook andere oorzaken kan hebben. In de onderhavige zaak is het hof kennelijk van oordeel geweest dat de emotie niet het vereiste van een “hevige gemoedbeweging” kon vervullen en dat dus sprake is van het eerste geval. Dit betekent ook dat zich mijns inziens niet een situatie voordoet als in HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2413. Daarin casseerde de Hoge Raad omdat het hof – in het licht van hetgeen door de verdediging was aangevoerd en de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte − niet duidelijk had gemaakt of het een hevige gemoedsbeweging niet aannemelijk had geacht dan wel of het de door het gestelde eerdere incident veroorzaakte gemoedsbeweging niet van doorslaggevend belang had geacht voor de verweten gedraging. In die zaak vertoonde de bewijsvoering door het hof een spanning nu het hof de verklaring van de verdachte dat hij “zo ongelofelijk boos was” voor het bewijs had gebezigd, terwijl het hof ook had overwogen dat hetgeen naar voren was gebracht “volstrekt niet toereikend [is] om te kunnen spreken van een dusdanig hevige gemoedsbeweging” (cursivering PHvK).
3.15
Het middel slaagt evenmin voor zover de bedoeling ervan is erover te klagen dat het hof het standpunt van de verdediging dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Het hof heeft bij de beoordeling van het beroep op noodweer en noodweerexces onder meer vastgesteld dat de aangever een tafel in de richting van verdachte duwde, naar hem toe liep en hem met de vlakke hand een klap gaf. Het hof acht aannemelijk geworden “dat verdachte emotioneel is geworden als gevolg van de klap die aangever hem gaf”. Dat het hof de klap als meest bepalende oorzaak heeft aangemerkt voor de emotie, is – anders dan de steller van het middel betoogt – niet onbegrijpelijk nu de klap de meest ingrijpende handeling betreft. Het hof heeft met de vaststelling dat sprake was van een duwen van de tafel duidelijk gemaakt dat het niet uitgaat van de verklaring van de verdachte dat het tafelblad keihard in zijn maag en ribben werd geduwd en dat hij pijn voelde en zag dat zijn vrouw pijn had en bang was niet overgenomen. Dat is – ook erop gelet dat de feitenrechter beslist welk bewijsmateriaal hij betrouwbaar en bruikbaar acht en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent en dat hij de beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in beginsel niet hoeft te motiveren – niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Voorts is hier van belang dat de verdediging aan het standpunt dat sprake was van een hevige gemoedbeweging verder “de rake klap van aangever” (de verdediging spreekt ook van een vuistslag) en “zijn dreigende houding en de pogingen om cliënt nogmaals te slaan” ten grondslag heeft gelegd. Het hof heeft uitdrukkelijk vastgesteld dat het ging om een klap “met de vlakke hand” en ook dat niet is gebleken dat aangever hem daarna wilde blijven slaan. Daarmee blijkt uit de overwegingen van het hof in voldoende mate dat en waarom het hof het standpunt van de verdediging dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging heeft verworpen.
3.16
Eveneens niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is dat en waarom het hof van oordeel is dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging niet het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt in de zin van art. 41 lid 2 Sr. Daarvoor is niet alleen van belang hetgeen hiervoor onder 3.15 is besproken, maar ook – zoals door het hof is vastgesteld – dat nadat de verdachte de stoel had gepakt om de aangever af te weren, hij de aangever daarmee eerst in een verder weg gelegen hoek van de kamer heeft gedrukt, terwijl de verdachte daarbij langs de deur van de ruimte is gelopen en dus de ruimte had kunnen verlaten, en vervolgens de aangever met die stoel tegen zijn neus heeft geslagen. Het hof oordeelt dat deze handelingen van verdachte niet als verdedigingshandelingen maar als aanvallend zijn aan te merken en ook dat toen de verdachte met de stoel sloeg geen sprake meer was van een noodweersituatie. In feite heeft het hof aan de verwerping van het beroep op noodweerexces ten grondslag gelegd dat geen sprake meer was van verdediging maar van een aanval, dat de handelingen ook los daarvan in aanzienlijke mate disproportioneel waren en dat de emotie van de verdachte niet van voldoende betekenis was om als oorzaak van die handelingen te kunnen worden aangemerkt.
3.17
Dan is er tot slot nog de klacht dat het hof niet lijkt te bepalen of het in deze zaak gaat om een situatie waarin de verdachte verder is gegaan dan was geboden of van een situatie waarin de verdachte is doorgegaan met zijn reactie op het geweld terwijl geen sprake meer was van een noodweersituatie. Allereerst merk ik op dat daartussen niet hoeft te worden gekozen, aangezien het mogelijk is dat bij een verdediging zowel te ver wordt gegaan (intensief exces) als te lang wordt doorgegaan (extensief exces). Het hof heeft overwogen van oordeel te zijn “dat ten tijde van het slaan van de stoel geen sprake meer was van een noodweersituatie, maar handelingen die in de kern gezien aanvallend waren.” Uit hetgeen onder 3.16 naar voren komt, blijkt dat het hof daarnaast kennelijk van oordeel is dat de handelingen ook buitenproportioneel waren. Dit is niet onbegrijpelijk en – mede erop gelet dat de verdediging niet heeft aangeduid of van intensief en/of extensief exces moet worden uitgegaan – ook niet ontoereikend gemotiveerd.
3.18
Het middel faalt.
4Afronding 4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie o.a. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413, NJ 2025/123 m.nt. Ten Voorde, r.o. 2.3.

Artikel delen