Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:PHR:2026:687

Conclusie A-G. Falende klachten over de bewezenverklaring van feit 1. medeplegen oplichting en feit 3. poging tot zware mishandeling. Eveneens falende klacht over verlating grondslag van de tenlastelegging bij feit 2 (eenvoudige belediging van een ambtenaar) doordat het hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als – kort gezegd – belediging van een ambtenaar die geen lid is van een algeme...

Parket bij de Hoge Raad 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:PHR:2026:687 text/xml public 2026-07-03T17:21:56 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-06-30 24/03878 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:687 text/html public 2026-07-03T17:21:37 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:687 Parket bij de Hoge Raad , 30-06-2026 / 24/03878
Conclusie A-G. Falende klachten over de bewezenverklaring van feit 1. medeplegen oplichting en feit 3. poging tot zware mishandeling. Eveneens falende klacht over verlating grondslag van de tenlastelegging bij feit 2 (eenvoudige belediging van een ambtenaar) doordat het hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als – kort gezegd – belediging van een ambtenaar die geen lid is van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, terwijl dat laatste niet is ten laste gelegd. Ambtshalve opmerking over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03878

Zitting 30 juni 2026

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep 1.1
De verdachte is bij arrest van 15 oktober 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-002261-24) voor 1. medeplegen van poging tot oplichting, 2. belediging van een ambtenaar en 3. poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en tot een jeugddetentie voor de duur van 33 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel is bepaald op ten hoogste 0 dagen. Tot slot heeft het hof beslist over de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.
1.2
Het cassatieberoep is op 21 oktober 2024 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel bevat twee bewijsklachten tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot oplichting (feit 1). Met het tweede middel wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling (feit 3). Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten aanzien van de bewezen verklaarde belediging van een ambtenaar (feit 2) niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging.
1.3
De slotsom van deze conclusie is dat de middelen falen en dat in de cassatiefase de redelijke termijn is geschonden. Dat laatste dient te leiden tot strafvermindering.
2Bewezenverklaring en bewijsvoering 2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

hij op 28 februari 2023 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid, [benadeelde 1] te bewegen tot de afgifte van enig goed, en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten:

- telefonisch contact heeft opgenomen met die [benadeelde 1] , en zich voor heeft gedaan, als medewerker fraude-afdeling van de (Rabo)bank,

- haar telefonisch de pincodes van haar bankpassen en haar pasnummers heeft laten afgeven,

- heeft laten inloggen op het internet bankieren van haar partner,

- de pinpas(sen) van die [benadeelde 1] op is gaan halen,

- de geldopname limiet van de bankrekening van die [benadeelde 1] , heeft laten veranderen, waarbij hij en/of medeverdachte(s) zichzelf heeft/hebben voorgedaan als medewerker(s) van de (Rabo)bank,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 1 maart 2023 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:

- “je kanker moeder, ga je kanker moeder neuken”,

- “je kanker moeder, dan doe je maar aangifte”,

- “thor mai ke boer” (Hindoestaans: je moeders vagina);

3. primair

hij op 28 februari 2023 te [plaats] , gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met de door hem bestuurde personenauto op haar heeft ingereden waarbij zij tegen haar been is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2
Het hof heeft de bewezenverklaring met gebruikmaking van de Promis-werkwijze als volgt gemotiveerd (met weglating van voetnoten):

“Overwegingen met betrekking tot het bewijs

(…)

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Verdachte heeft zich – kort gezegd – schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting in vereniging, aan belediging van een politieambtenaar en aan een poging tot zware mishandeling. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van daartoe gebezigde bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.

Feit 2 (Belediging politieambtenaar [benadeelde 2] )

Aangever [benadeelde 2] heeft aangifte gedaan van belediging ten tijde van de uitvoering van zijn functie als senior beveiliging, gepleegd op 1 maart 2023 te [plaats] . Hij was in uniform gekleed en zodanig herkenbaar als politieagent. [benadeelde 2] zag en hoorde dat [verdachte] hem beledigde door in zijn richting te zeggen: “je kanker moeder, ga je kanker moeder neuken”, “je kanker moeder, dan doe je maar aangifte” en “thor mai ke boer” (in het Hindoestaans: je moeders vagina).

Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat [benadeelde 2] op 1 maart 2023 werkzaam was als senior beveiliger bij het arrestantenteam te [plaats] . Hij was in politie-uniform gekleed en als zodanig herkenbaar als politieambtenaar. Collega’s van de eenheid Rotterdam hadden een arrestant afgeleverd. Dit bleek later te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] . [benadeelde 2] hoorde [verdachte] luid en duidelijk zeggen “je kanker moeder, ga je kanker moeder neuken”. Later heeft [verdachte] nog gezegd: “je kanker moeder, dan doe je maar aangifte” en “thor mai ke boer”. [benadeelde 2] is van Hindoestaanse afkomst. Het is hem bekend dat “thor mai ke boer” je moeders vagina betekent. Onder de Hindoestaanse gemeenschap wordt dit als zeer kwetsend ervaren. [benadeelde 2] voelde zich erg beledigd.

Conclusie

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van politieambtenaar [benadeelde 2] op 1 maart 2023 te [plaats] . Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen.

Feiten 1 en 3 primair (poging tot oplichting en poging tot zware mishandeling)

Aangeefster [benadeelde 1] heeft aangifte gedaan. Uit de aangifte volgt dat zij op 28 februari 2023 in haar woning in [plaats] , gemeente [plaats] , werd gebeld door een anoniem telefoonnummer. [benadeelde 1] hoorde een vrouwelijke stem aan de telefoon. De vrouw aan de lijn verbond [benadeelde 1] door met een accentloos Nederlands sprekende man die zich voorstelde als [betrokkene 1] . De man zei dat hij werkzaam was binnen de fraude-afdeling van de Rabobank. Omdat [benadeelde 1] het niet vertrouwde, zei ze dat ze met een supervisor wilde spreken. [benadeelde 1] werd doorverbonden met een Nederlands sprekende man met een Surinaams accent. Deze man vertelde dat hij een supervisor was. De man verbond [benadeelde 1] weer door naar de eerdergenoemde [betrokkene 1] . Die man zei dat [benadeelde 1] alle pasnummers van de betreffende bankpassen moest opnoemen. Daarna zou [benadeelde 1] worden doorverbonden met een robot waarbij zij met luide stem alle bijbehorende pincodes moest vertellen. Nadat [benadeelde 1] dit had gedaan, moest zij via de mobiel bankieren app het geldopname bedrag veranderen in € 4.990,-. De bankmedewerker gaf aan dat er een collega, genaamd [betrokkene 2] , bij het huisadres van [benadeelde 1] zou langskomen. Deze collega zou een code bij zich hebben die hij aan [benadeelde 1] moest laten zien. Diezelfde dag rond 19:50 uur liep een persoon langs het huis van [benadeelde 1] . [benadeelde 1] omschrijft deze persoon als een mannelijk persoon, tussen de 165 en 175 centimeter lang, stevig postuur, licht tot donker getint, kort haar, zwart van kleur, zwarte jas van het merk North Face, donkere broek en vermoedelijk ook donkere schoenen. Deze man zei dat hij spullen kwam ophalen voor de bank. [benadeelde 1] heeft bij de man aangegeven dat zij niks mee ging geven. De man liep terug naar de auto en ging in de auto zitten. Dit was een witte Ford Ka, voorzien van het [kenteken] . [benadeelde 1] zag dat de man zijn autoverlichting aandeed. Zij riep naar hem dat hij uit moest stappen en nergens heen moest gaan. [benadeelde 1] hoorde dat de motor van het voertuig gestart werd. Zij is aan de kentekenplaat van het voertuig gaan trekken omdat zij bewijsmateriaal wilde hebben voordat de auto weg zou rijden. [benadeelde 1] zag dat de auto achteruit reed en vervolgens vooruit reed om weg te rijden. Op dat moment stond [benadeelde 1] nog voor het voertuig. Het voertuig is tegen haar rechterbeen aangereden.

[benadeelde 1] is op 1 maart 2023 aanvullend gehoord. [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij vroeg wat de man kwam doen en dat hij antwoordde dat hij de bankpasjes en de pasreader kwam ophalen. Nadat zij vertelde dat hij helemaal niets kwam ophalen, stapte de man als bestuurder in, in de witte Ford Ka. Er zat een tweede persoon in de auto als passagier. Een verbalisant heeft een foto van de aangehouden verdachte getoond aan [benadeelde 1] . [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij de man op de foto herkent als de man die zij had aangesproken en de man die als bestuurder van de Witte Ford Ka haar had aangereden. Het meest opvallend was volgens [benadeelde 1] de vorm van het gezicht, de ogen en het haar. De verbalisant beschrijft dat de [benadeelde 1] een lichte schrikreactie vertoont als hij haar de foto van de verdachte laat zien.

[getuige 1] (de dochter van [benadeelde 1] ) is door de politie gehoord. [getuige 1] heeft verklaard dat zij aanwezig is geweest bij de telefoongesprekken die haar moeder heeft gevoerd met betrekking tot de poging tot oplichting. [getuige 1] heeft geluidsopnames gemaakt. Op de geluidsopnames is te horen dat haar moeder de pincodes van de bankpassen en pasnummers heeft doorgegeven aan de telefoon, dat [getuige 1] daarna in opdracht van de persoon aan de telefoon inlogt op het internet bankieren van haar vader en dat [getuige 1] in opdracht van de persoon aan de telefoon het geldopname limiet heeft gewijzigd.

[getuige 2] (de echtgenoot van [benadeelde 1] ) is door de politie gehoord. [getuige 2] heeft verklaard dat hij richting de witte Ford Ka liep en dat hij hoorde dat er veel gas werd gegeven door de bestuurder van die auto. [getuige 2] zag dat de auto in eerste instantie achteruit reed en hierna in voorwaartse richting reed terwijl zijn vrouw nog voor de auto stond. De auto versnelde voorwaarts. [getuige 2] zag dat de auto voorwaarts optrok waardoor zijn vrouw werd geraakt aan de linker voorkant. De linker voorkant botste tegen het rechterbeen van zijn vrouw. [getuige 2] zag dat er een bijrijder naast de bestuurder zat. [getuige 2] beschrijft de bestuurder van de auto als een man met een gezet postuur, een donkere kleur haar met krulletjes en in het zwart gekleed.

[getuige 3] is door de politie gehoord. [getuige 3] heeft verklaard dat zij een witte auto naar achteren toe het gras in zag rijden. Ze zag dat de auto daarna met volle vaart er weer uit reed en de bocht maakte om eruit te kunnen rijden. Ook heeft [getuige 3] verklaard dat zij zag dat een vrouw een soort van aan de kant moest springen en dat dat hard ging.

Uit een proces-verbaal van bevindingen volgt het volgende.

Tijdlijn: Om 19:50 uur kwam een “bankmedewerker” in [plaats] aan, om iets op te halen.

Om 20:40 werd met de telefoon van verdachte een foto gemaakt van een witte Ford Ka, zonder kentekenplaat aan de voorzijde.

Om 21:10 uur treft de politie [verdachte] bij de witte Ford Ka aan.

Historische telefoongegevens

De historische telefoongegevens van [verdachte] zijn onderzocht.

Mastgegevens

Bij het gebruik van deze telefoon waren op de volgende momenten cell-ID's aangestraald van een mast op de volgende locaties:

datum tijd plaats

28-2-2023 18:01 [geboorteplaats]

28-2-2023 18:38 [plaats]

28-2-2023 19:23

28-2-2023 20:16 [plaats]

28-2-2023 21:46 [geboorteplaats]

Opmerkingen verbalisanten

- De plaats [plaats] is net als [plaats] gelegen binnen de gemeente [plaats] ;

- Om 19:23 uur wordt met deze telefoon in de omgeving van de plaats delict een cell-ID aangestraald, waarna omstreeks 19:50 uur een ontmoeting/conflict plaatsvond tussen aangever en “een bankmedewerker”.

Conclusie

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot oplichting in vereniging en een poging tot zware mishandeling van [benadeelde 1] .

Aangeefster is op 28 februari 2023 gebeld door iemand die zich valselijk heeft voorgedaan als een medewerker van de Rabobank. Tijdens dit telefoongesprek heeft aangeefster haar pasnummers en pincodes doorgegeven, heeft haar dochter ingelogd op het internet bankieren en heeft aangeefster de limiet voor het opnemen van (contant) geld veranderd. Nadat zij drie verschillende personen aan de telefoon heeft gesproken krijgt zij de mededeling dat die avond haar bankpasjes en bankreader opgehaald zouden worden. Een man is naar de woning van aangeefster in [plaats] , gemeente [plaats] , gegaan om bankpasjes en een bankreader op te halen. Op het moment dat aangeefster de bankattributen niet wilde afgeven, liep de man weg en stapte hij als bestuurder in een witte Ford Ka, voorzien van het [kenteken] . Aangeefster ging voor de auto staan. Zij probeerde het nummerbord van de auto te trekken. De bestuurder reed vervolgens met volle vaart op aangeefster in waarbij zij, terwijl zij probeerde zo snel mogelijk aan de kant te springen, aan haar been werd geraakt.

Aangeefster en haar man hebben afzonderlijk een signalement van de bestuurder van de witte Ford Ka gegeven. Deze signalementen komen op essentiële onderdelen overeen. Kort na het incident heeft aangeefster verdachte ook herkend op een foto. Weliswaar is het een enkelvoudige fotoconfrontatie, maar deze kan als steun dienen bij ander bewijs in het dossier.

Het verweer van de raadsman dat het mogelijk om de broer van verdachte gaat is niet nader onderbouwd. Er zijn geen verifieerbare gegevens aangevoerd, zoals bijvoorbeeld de naam van de betreffende broer(s) of uiterlijke kenmerken. Nu het dossier ook overigens geen enkele concrete aanwijzing bevat dat het om een broer van verdachte gaat, is dit naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Verder blijkt uit de mastgegevens van de telefoon van verdachte dat de telefoon kort voor het incident (om 19.23 uur, terwijl het incident rond 19.50 uur plaatsvond) een mast in [plaats] heeft aangestraald. [plaats] ligt evenals [plaats] in de gemeente [plaats] . Daarnaast heeft verdachte kort na het incident (om 20.40 uur) een foto gemaakt van de auto waarin hij reed waarop te zien is dat de kentekenplaat ontbrak. Daar komt bij dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat de avond van 28 februari 2023 zijn telefoon bij hem is geweest. Op de zitting is de advocaat daar op teruggekomen, maar dat is geen verklaring van de verdachte.

Medeplegen feit 1

Aangeefster heeft tijdens het telefoongesprek gesproken met een vrouw, een accentloos Nederlands sprekende man en een Nederlands sprekende man met een Surinaams accent. Verdachte heeft een essentiële rol gespeeld in het geheel door in ieder geval feitelijk de bankpasjes en de bankreader bij aangeefster (proberen) op te halen. Verdachte heeft daarbij een valse naam en hoedanigheid aangenomen. De accentloos Nederlands sprekende man heeft aan de telefoon een valse naam opgegeven voor de persoon die de bankattributen kwam ophalen. Het daadwerkelijk in bezit krijgen van de bankattributen is een essentiële schakel binnen de bankhelpdeskfraude. Het hof is van oordeel dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking bij een poging tot oplichting.

Kwalificatie feit 3

Het hof kwalificeert de handelingen van verdachte, anders dan de politierechter, als een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft een auto als wapen gebruikt door in te rijden op aangeefster. [getuige 3] heeft verklaard dat de auto met volle vaart reed. Met volle vaart met een auto inrijden op een persoon is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop ook heeft aanvaard.”
3Het eerste middel 3.1
Het eerste middel bevat twee bewijsklachten tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot oplichting (feit 1). De stellers van het middel voeren aan dat zowel het bewezen verklaarde medeplegen, als ook “het zich bedienen van een valse naam en het aannemen van een valse hoedanigheid” niet uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid.

Eerste deelklacht
3.2
Allereerst wordt geklaagd dat het hof in zijn arrest “geen overwegingen (heeft) gewijd aan het (bewijs van) medeplegen”. Aangevoerd wordt dat uit de bewijsvoering van het hof weliswaar volgt dat de verdachte aan de deur bij aangeefster is geweest om bankpasjes en een bankreader op te halen, maar niet dat hij “daarvoor betrokken is geweest bij het telefonisch contact, waarbij iemand zich heeft voorgedaan als bankmedewerker, waarbij aangeefster pincodes heeft doorgegeven, dat men haar heeft laten inloggen op het internetbankieren van haar partner, en dat hij betrokken is geweest bij het ophogen van de limiet (…), ook niet dat hij daarvan wetenschap had”. Volgens de stellers van het middel ontbreekt in de bewijsvoering “een verband tussen de verdachte en de personen die die handelingen hebben verricht of laten uitvoeren, zodat ook niet gezegd kan worden dat de verdachte “medepleger” is geweest”.
3.3
Bij de beoordeling van de eerste deelklacht stel ik het volgende voorop. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de vorming van zijn oordeel of de voor medeplegen vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ zich heeft voorgedaan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, dienst aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Van medeplegen zal vrijwel steeds sprake zijn bij een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit, omdat een gezamenlijke uitvoering in de regel duidt op een bewuste en nauwe samenwerking en op de vereiste intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht.
3.4
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat verschillende, onbekend gebleven, personen telefonisch contact hebben gehad met de aangeefster, dat die personen zich hebben voorgedaan als medewerkers van de fraude-afdeling van de Rabobank en dat de aangeefster tijdens dat telefonisch contact de pasnummers van haar bankpassen en de bijbehorende pincodes heeft doorgegeven en het limiet van het maximaal op te nemen geldbedrag heeft veranderd. Ook blijkt uit de bewijsvoering dat in dat telefoongesprek door de ‘bankmedewerker’ is aangekondigd dat een collega, genaamd [betrokkene 2] , bij het huisadres van de aangeefster zou langskomen en dat het de verdachte is geweest die zich later op die dag bij het huisadres van de aangeefster heeft gemeld om haar bankpassen en pasreader op te halen.
3.5
Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de door het hof gedane feitelijke vaststellingen volgt dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de voorgenomen oplichting: door de tot op heden onbekend gebleven medeverdachten zijn de pasnummers en codes van de bankpassen van de aangeefster verkregen, is bewerkstelligd dat de aangeefster de geldopnamelimiet heeft gewijzigd en is aangekondigd dat een ‘medewerker’ bij het huisadres van de aangeefster zou langskomen. Vervolgens is de verdachte diezelfde dag naar het huisadres van de aangeefster gegaan, waar hij heeft getracht om van de aangeefster haar bankpassen en bankreader te verkrijgen. Een dergelijke gezamenlijke uitvoering vergt een duidelijke afstemming tussen de betrokken personen. Bovendien heeft het hof de bijdrage die de verdachte aan de uitvoering heeft gegeven omschreven als “een essentiële rol (…) in het geheel”. Met deze duiding van het handelen van de verdachte heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat ook de materiële bijdrage van de verdachte aan de gezamenlijke uitvoering van het delict van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te spreken. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het verkrijgen van de bankpassen van aangeefster is immers, evenals het verkrijgen van de bijbehorende pincodes, cruciaal om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te kunnen bevoordelen door het opnemen van geldbedragen van de bankrekening(en) van de aangeefster.
3.6
Uit de bewijsvoering van het hof kan kortom, anders dan de stellers van het middel betogen, genoegzaam worden afgeleid dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het onder 1 bewezen verklaarde feit. Mij ontgaat waar de stellers van het middel op baseren dat het hof “geen overwegingen (heeft) gewijd aan het bewijs van het medeplegen”.
3.7
De eerste deelklacht faalt.

Tweede deelklacht
3.8
Voorts wordt door de stellers van het middel geklaagd dat uit de bewijsvoering van het hof niet volgt dat “de verdachte, eenmaal bij de deur, zich daar heeft bediend met een valse naam of in een valse hoedanigheid”.

De valse hoedanigheid
3.9
Uit de bespreking van de eerste deelklacht blijkt dat het hof onder meer heeft vastgesteld dat toen de verdachte zich bij de woning van de aangeefster meldde, hij tegen de aangeefster heeft gezegd dat hij haar bankpasjes en bankreader kwam ophalen. Anders dan in het middel wordt gesteld, meen ik dat uit deze mededeling van de verdachte zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte een valse hoedanigheid, te weten die van een medewerker van de (Rabo)bank, heeft aangenomen. Deze mededeling van de verdachte kan immers, bezien ook in samenhang met de overige bewezenverklaarde handelingen van de medeverdachten, ertoe leiden dat bij de aangeefster een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen over diens ‘persoon’, waarbij die onjuiste voorstelling van zijn hoedanigheid van bankmedewerker in het leven wordt geroepen om daarvan misbruik te maken. Aldus beschouwd is de bewezenverklaring wat betreft “het aannemen van (…) een valse hoedanigheid” toereikend gemotiveerd.

De valse naam
3.10
Wat betreft het oplichtingsmiddel “aannemen van een valse naam” ligt de bewezenverklaring wat gecompliceerder. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat één van de medeverdachten aan de aangeefster kenbaar heeft gemaakt dat een collega (van de bank), genaamd [betrokkene 2] , bij het huisadres van aangeefster zou langskomen om spullen van de bank op te halen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt echter niet dat de verdachte in het contact met de aangeefster de naam [betrokkene 2] (of een andere naam dan zijn eigen naam), heeft genoemd. De vraag die voorligt is of de omstandigheid dat de verdachte niet zelf een valse naam heeft genoemd, in de weg staat een bewezenverklaring van het gebruik van dit oplichtingsmiddel. De Hoge Raad heeft zich, als ik het goed heb, niet eerder over een dergelijke kwestie uitgelaten.
3.11
Puur taalkundig lijkt verdedigbaar dat van het aannemen van een valse naam alleen sprake is als iemand zichzelf met een valse naam bij een ander presenteert. Het is echter de vraag of aan deze restrictieve uitleg ook de hand moet worden gehouden in medeplegersverband. Dan gaat het immers om de vraag of het gezamenlijk handelen van de verdachten ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte. Daarvan kan ook sprake zijn wanneer niet de verdachte, maar een medepleger, aan de verdachte een valse naam heeft toegekend en/of hem onder die valse naam aan een ander heeft gepresenteerd. In de onderhavige zaak heeft het handelen van de (onbekend gebleven) medeverdachte die in de richting van de aangeefster de naam van [betrokkene 2] heeft genoemd, bezien in samenhang met het handelen van de verdachte, die naar de woning van de aangeefster is gegaan om haar bankpassen en bankreader op te halen, bij de aangeefster de indruk kunnen wekken dat de persoon die zich bij haar woning meldde Rabobankmedewerker [betrokkene 2] was.
3.12
Hoewel aan de stellers van het middel kan worden toegegeven dat uit de bewijsvoering van het hof niet volgt dat de verdachte wist dat hij door de medeverdachte bij de aangeefster is aangekondigd als [betrokkene 2] , doet dat niet af aan de bewezenverklaring van het aannemen van de valse naam. In het door het hof vastgestelde samenwerkingsverband ligt besloten dat ook het door een mededader koppelen van een valse naam aan een ander, strafrechtelijk aan die ander kan worden toegerekend.
3.13
Ook de tweede deelklacht faalt.
3.14
Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen en de tweede deelklacht gegrond achten, dan behoeft dit niet tot cassatie te leiden. Zoals reeds uit het voorgaande blijkt, kan naar mijn mening de bewezenverklaring voor wat betreft het onderdeel het “aannemen van (…) een valse hoedanigheid” in stand blijven. Het schrappen van het oplichtingsmiddel “aannemen van een valse naam” is voor de strafrechtelijke betekenis van het onder 1 bewezenverklaarde niet van belang, zodat voor terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling onvoldoende grond bestaat.
4Het tweede middel 4.1
Het tweede middel is gericht tegen de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling (feit 3 primair). De stellers van het middel voeren aan dat “(g)elet op de vaststelling dat de auto stil stond; de auto een stukje achteruit is gereden, en vervolgens vooruit is weggereden waarbij (ook nog) een bocht moest worden gemaakt; de positie van de aangeefster vlak voor die auto, (…) van ‘volle vaart’ bestaande uit een snelheid die de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel had kunnen worden veroorzaakt niet zonder meer begrijpelijk [is]”. Hoewel in deze formulering een paar woorden lijken te zijn weggevallen, maak ik eruit op dat de stellers van het middel de opvatting huldigen dat het oordeel van het hof, dat de verdachte met de bewezen verklaarde gedraging de aanmerkelijke kans dat de aangeefster [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen in het leven heeft geroepen, onbegrijpelijk is. Daarmee wordt geklaagd over het onder 3 primair bewezen verklaarde (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (van welk feit de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken).
4.2
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier (het toebrengen van) zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de kans op dat gevolg aanmerkelijk is en wanneer de verdachte zich niet alleen van die aanmerkelijke kans bewust is geweest, maar die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de cassatierechter geen algemene regels kan geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.
4.3
Het middel gaat, als gezegd, om het oordeel van het hof dat de aanmerkelijke kans aanwezig was dat de aangeefster door het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat het hof heeft vastgesteld dat de aangeefster zich vóór de door de verdachte bestuurde personenauto bevond, de verdachte eerst achteruit is gereden, maar vervolgens, terwijl de aangeefster nog voor de auto stond, vooruit is gereden. Hoewel de aangeefster “hard” opzij is gesprongen, is de verdachte met het voertuig tegen haar rechterbeen aangereden. Over de snelheid waarmee de auto naar voren is gereden, volgt uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de [getuige 2] dat “de auto versnelde” en uit de verklaring van de [getuige 3] dat er sprake was van “volle vaart”.
4.4
Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de aanmerkelijke kans aanwezig was dat de aangeefster door dit handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Uit de bewijsvoering van het hof volgt, anders dan de stellers van het middel aanvoeren, genoegzaam dat de snelheid waarmee de verdachte vooruit is gereden dusdanig was dat het bestaan van de vorenbedoelde aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel kon worden aangenomen. Hetgeen de stellers hierover opmerken, maakt dit niet anders.
4.5
Het tweede middel faalt.
5Het derde middel 5.1
Het derde middel behelst de klacht dat het hof, wat betreft het tweede bewezen verklaarde feit, niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging. Aangevoerd wordt dat het hof het onder 2 bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam”, terwijl “het bestanddeel ‘met uitzondering van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen’ in de tenlastelegging ontbreekt”. Gelet hierop heeft het hof volgens de stellers van het middel “niet beraadslaagd naar aanleiding van de tenlastelegging”, zodat het arrest niet in stand kan blijven.
5.2
De tenlastelegging van het feit luidt als volgt:

“2.

hij op of omstreeks 1 maart 2023 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hem/haar de woorden toe te voegen:

- “je kanker moeder, ga je kanker moeder neuken”,

- “je kanker moeder, dan doe je maar aangifte”,

- “thor mai ke boer” (Hindoestaans: je moeders vagina);”
5.3
Het hof heeft het tenlastegelegde bewezen verklaard (zie hiervoor onder randnr. 2.2) en heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als:

“eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam”.
5.4
De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 266 lid 1, Sr in verbinding met art. 267 lid 1, aanhef en onder 2, Sr. Deze bepalingen luiden als volgt:

Art. 266 Sr:

“1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift bedraagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogte drie maanden of een geldboete van de tweede categorie”.

Art. 267 Sr:

“1. De in de voorgaande artikelen van deze titel bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de belediging wordt aangedaan aan:

(…)

2°. een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met uitzondering van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen”.
5.5
De zinsnede ‘met uitzondering van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen’ is bij wet van 15 mei 2019 aan de strafverzwaringsgrond van art. 267 lid 1, aanhef en onder, 2 Sr toegevoegd, waarna de wet op 1 januari 2020 in werking is getreden. Met die wijziging is expliciet bepaald dat leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen, die volgens het bepaalde in art. 84 lid 1 Sr ook als ambtenaar dienen te worden aangemerkt, uitgezonderd worden van de van de strafverzwaringsgrond van art. 267 lid 1, aanhef en onder 2 Sr. Door de initiatiefnemer van het wetsvoorstel werd het “principieel ongerechtvaardigd” gevonden als in een discussie tussen een volksvertegenwoordiger en een kiezer er sprake van zou kunnen zijn dat de kiezer die de volksvertegenwoordiger beledigt, zwaarder gestraft zou kunnen worden dan andersom. Om die reden is deze groep ambtenaren uitgezonderd van de verhoogde strafmaat.
5.6
De stellers van het middel richten hun pijlen op het ontbreken van de aan art. 267 lid 1, aanhef en onder 2 Sr ontleende woorden “met uitzondering van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen” in zowel de tenlastelegging als de bewezenverklaring. Betoogd wordt dat de sinds 1 januari 2020 aan art. 267 lid 1, aanhef en onder 2, Sr toegevoegde zinsnede een bestanddeel is van de delictsomschrijving, omdat deze toevoeging niet in een afzonderlijk artikellid is opgenomen. Reeds daarom zou sprake zijn van een bestanddeel.
5.7
Ik kan de stellers van het middel hierin niet volgen. Uit de wetsgeschiedenis noch uit de na de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling gewezen rechtspraak volgt dat met de aan art. 267 Sr toegevoegde zinsnede invoering van een nieuw bestanddeel is beoogd. Met de zinsnede wordt enkel beoogd uit te sluiten dat het beledigen van – kort gezegd – volksvertegenwoordigers tot strafverzwaring leidt. Dat doel wordt bereikt doordat dergelijke gevallen op grond van art. 267 lid 1, aanhef en onder 2, Sr niet kunnen worden gekwalificeerd als belediging van een ambtenaar. Kortom: anders dan de stellers van het middel betogen, gaat het in dit geval wel degelijk om een (geschreven) bijzondere exceptie die is aan te merken als een kwalificatie-uitsluitingsgrond. Een dergelijke uitzonderingsgrond behoeft niet in de tenlastelegging te worden opgenomen en evenmin te worden bewezen. Op een verzwaring van de bewijsvoering bij vervolgingen voor het beledigen van ambtenaren die geen lid zijn van algemeen vertegenwoordigende lichamen – en dat is in veel vervolgingen voor beledigingen van ambtenaren het geval – was de initiatiefnemer tot de wetswijziging niet uit. Voor zover het middel uitgaat van een andere opvatting, faalt het.
5.8
Uit het voorgaande vloeit voort dat het middel eveneens faalt voor zover door de stellers van het middel wordt betoogd dat het hof in de onderhavige zaak de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Onder feit 2 is de verdachte immers ten laste gelegd dat hij zich – kort gezegd – heeft schuldig gemaakt aan de eenvoudige belediging van een ambtenaar. Dat ten laste gelegde feit is door het hof bewezenverklaard en op de hiervoor weergegeven wijze gekwalificeerd. Dat in die kwalificatie ook de woorden “niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam” zijn opgenomen, maakt niet dat het hof niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging. Het gaat immers niet om een te bewijzen bestanddeel van de delictsomschrijving.
5.9
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6Slotsom 6.1
Alle middel falen. Het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met een op art. 81 RO gebaseerde overweging. Dat ligt anders bij het tweede middel dat betrekking heeft op het onder 3 primair bewezen verklaarde feit. Van dat feit is de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken en is in cassatie tevergeefs geklaagd over de bewijsvoering en de bewezenverklaring. Om die reden ligt een afdoening van het tweede middel met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging niet in de rede.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad in deze zaak, waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Die overschrijding dient tot strafvermindering te leiden.
6.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond. Zie daarnaast bijvoorbeeld HR 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:115, rov. 2.3.

Zie de hiervoor aangehaalde (overzichts)arresten van 2 december 2014, 24 maart 2015 en 5 juli 2016, telkens rov. 3.2.3. Zie ook J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 489 (par. VII.2.2.2).

Vergelijk HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.3.4.

A.J. van der Velden & D.N. de Jonge in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst en Commentaar Strafrecht, Deventer, Wolters Kluwer 2024, commentaar bij art. 326, aant. 9 onder a.

Vgl. wederom het in voetnoot 3 aangehaalde arrest van 20 december 2016, rov. 2.3.4.

Zie in dit verband onder meer A. Postma, Opzet en toerekening bij medeplegen, Een rechtsvergelijkend onderzoek, diss. RUG, Wolf Legal Publishers 2014, p. 86 e.v.

Zie reeds HR 25 februari 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB5900, NJ 1969/265, waaraan de Hoge Raad herinnert in HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.3.5.

HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, m.nt. Y. Buruma (HIV I), rov. 3.6.

HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103, m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 5.3.1. en 5.3.2.

Stb. 2019, 187 (Wet van 15 mei 2019 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES teneinde enkele bijzondere bepalingen inzake belediging van staatshoofden en andere publieke personen en instellingen te doen vervallen).

Stb. 2019, 277.

A.L.J. Janssens in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst en Commentaar Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, commentaar bij art. 267, aant. 6 onder b.

Kamerstukken II 2018-19, 34 456, C, p. 9.

Vgl. hierover onder meer S.R. Bakker , Uitzonderlijke excepties in het strafrecht, Een zoektocht naar systematiek bij de beslissingen omtrent uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid in bijzondere contexten, diss. EUR, Den Haag: Boomjuridisch 2021, p. 264-265. Hij schrijft op p. 264: “Of er sprake is van een te bewijzen bestanddeel of van een fait d’excuse dient bij ieder delict afzonderlijk te worden vastgesteld, waarbij als criterium kan worden gehanteerd of de wetgever het feit op zichzelf wel wilde toelaten, mits aan bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan (te bewijzen bestanddeel) of dat hij het verbodene in het algemeen ongeoorloofd vond, maar daarop uitzonderingen toeliet (fait d’excuse).” Zie ook J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 329-330 (par. V.1.3).

Vgl. HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:39.

Artikel delen