Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:PHR:2026:717

Conclusie AG. Diefstal, art. 310 Sr. Strafmotivering. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Parket bij de Hoge Raad 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:PHR:2026:717 text/xml public 2026-07-07T17:13:39 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03800 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:1017 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:717 text/html public 2026-07-07T17:13:19 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:717 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03800
Conclusie AG. Diefstal, art. 310 Sr. Strafmotivering. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03800

Zitting 12 mei 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte

De verdachte is bij arrest van 30 september 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-004669-22) wegens ‘diefstal’ veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.I. L'Ghdas, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel behelst de klacht dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 30 september 2024, houdt onder meer het volgende in:

‘De raadsman van de verdachte merkt - ten aanzien van het feit en de persoonlijke omstandigheden van zijn client - het volgende op:

Client heeft bekend, hij had honger en heeft diabetes. Hij was uitgezet naar Spanje en teruggekomen naar Nederland. Hij leeft op straat en heeft geen middelen van bestaan ten aanzien van voedsel of medicatie. Hij kan geen aanspraak maken op voorzieningen. Vanwege zijn diabetes heeft hij soms met urgentie voedsel nodig, dat verklaart zijn strafblad. Voor deze zaak heeft mijn client al 14 dagen in hechtenis doorgebracht.

(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging.

Het hoger beroep is ingesteld omdat client in het vonnis niet zijn persoonlijke omstandigheden terug ziet komen. Op dat moment was hij nog first offender en dat zijn direct twee weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet gepast. Daarnaast ligt er een nieuwe asielaanvraag en ook in dat licht bezien heeft client belang bij een lagere straf. De richtlijnen schrijven bij een diefstal door een first offender met strafverlichtende omstandigheden een geldboete of taakstraf voor. De uitvoerbaarheid van een taakstraf is wellicht lastig maar ik verzoek u de straf te matigen.’

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘hij op 13 oktober 2022 te Utrecht diverse levensmiddelen (waaronder chocolade, zalm, kaas, brie en pinda) die geheel aan Albert Heijn, toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.’

6. Het hof heeft onder het kopje ‘Oplegging van straf’ het volgende overwogen:

‘De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van levensmiddelen. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook overlast met zich meebrengt. Een geldboete of taakstraf is derhalve geen passende afdoening en het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden. Het feit dat de verdachte lijdt aan diabetes doet aan dit oordeel niet af.’

7. De steller van het middel voert aan dat een geldboete of een taakstraf wel degelijk passend bij een diefstal zijn, zeker bij een first offender, en wijst daarbij op de LOVS oriëntatiepunten. Nu de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de strafmaat naar voren zou hebben gebracht en specifieke persoonlijke omstandigheden zou hebben genoemd die een lagere straf rechtvaardigen, zou het hof gehouden zijn geweest te motiveren 1) waarom wordt afgeweken van de aangewezen straf bij een first offender die een winkeldiefstal pleegt en 2) waarom tevens geen rekening wordt gehouden met de genoemde persoonlijke omstandigheden.

8. Art. 359, tweede, vijfde en zesde lid, Sv luidt als volgt:

‘2. De beslissingen vermeld in de artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.

(…)

5. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.

6. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. Het vonnis vermeldt welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.’

9. Uw Raad heeft inzake de motiveringsvoorschriften van art. 359, tweede, vijfde en zesde lid, Sv eerder het volgende overwogen:

‘3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.

3.5.1 In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.

3.5.2 De onder 3.4 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf zoals bedoeld in artikel 350 Sv, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering.

3.5.3 Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.

3.5.4 Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.

Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.’

10. Van een door de raadsman uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de strafoplegging is – meen ik – geen sprake. Welk belang de verdachte in het licht van een nieuwe asielaanvraag heeft bij een lagere straf wordt niet uiteengezet. De raadsman stelt dat de verdachte op het moment waarop hij de diefstal pleegde first offender was en dat twee weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ‘niet gepast’ is. Ter onderbouwing, zo begrijp ik, vermeldt hij dat de ‘richtlijnen’ bij diefstal door een first offender ‘met strafverlichtende omstandigheden’ een taakstraf of geldboete voorschrijven, maar de raadsman stelt niet dat van dergelijke omstandigheden sprake is. Daarbij besluit de raadsman met een verzoek om de straf te ‘matigen’; daarin lijkt besloten te liggen dat de raadsman zich per saldo neerlegt bij een gevangenisstraf. Van een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom een bepaalde specifieke omstandigheid zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien, is geen sprake.

10. Dat de verdachte op het moment waarop hij de diefstal pleegde (13 oktober 2022) geen first offender was, volgt rechtstreeks uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 augustus 2024 dat zich bij de stukken van het geding bevindt. Dat maakt melding van een op 25 april 2022 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland uitgesproken en op diezelfde dag onherroepelijk geworden veroordeling tot 4 dagen gevangenisstraf wegens (winkel)diefstal. Ook tegen die achtergrond kan moeilijk gesproken worden van een betoog waarin ‘beargumenteerd’ een standpunt inzake de strafoplegging wordt ingenomen.

10. Ten overvloede merk ik op dat de toepasselijke richtlijn (waar de rechter overigens in geen enkel opzicht aan gebonden is) bij winkeldiefstal door een first offender met een (beoogde) waarde t/m € 50,- een geldboete van € 200,- als richtsnoer voor de strafeis voorschrijft, zonder dat van strafverlichtende omstandigheden sprake behoeft te zijn. Bij eenmalige recidive en deze (beoogde) waarde is het richtsnoer een geldboete van € 300,- of een taakstraf van 24 uur. De Landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting noemden op het moment dat het hof arrest wees bij eenvoudige winkeldiefstal door een first offender als oriëntatiepunt een geldboete van € 200,-; bij eenmalige recidive komt daar een week voorwaardelijke gevangenisstraf bij. In dat licht verbaast de overweging van het hof dat een geldboete of taakstraf bij diefstal geen passende afdoening is inderdaad enigszins. Gelet op hetgeen de raadsman over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft aangevoerd, wekt de in de onderhavige zaak opgelegde straf evenwel geen verbazing. Dat de strafmotivering in strijd is met het verbazingscriterium wordt in cassatie (dan ook) niet betoogd.

13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De laatste zin is aan het zesde lid toegevoegd door de Wet straffen en beschermen, Stb. 2020, 224, in werking getreden op 1 juli 2021. Het bewezenverklaarde feit dateert uit 2022.

HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129 m.nt. Ten Voorde.

Richtlijn voor strafvordering (winkel)diefstal/verduistering al dan niet met geweld (2022Roo3), Stcrt. 2022, 8262.

Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, bijgewerkt tot 12 september 2024. In de thans geldende oriëntatiepunten is de geldboete verhoogd tot € 280,-.

Artikel delen