ECLI:NL:PHR:2026:719
Conclusie AG. Opzetheling, art. 416 Sr. Verwerping verweer onrechtmatige staandehouding. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Parket bij de Hoge Raad 7 July 2026
ECLI:NL:PHR:2026:719
text/xml
public
2026-07-07T17:33:39
2026-07-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
24/03544
Conclusie
NL
Strafrecht
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:1126
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:719
text/html
public
2026-07-07T17:33:21
2026-07-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:PHR:2026:719 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03544
Conclusie AG. Opzetheling, art. 416 Sr. Verwerping verweer onrechtmatige staandehouding. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03544
Zitting 12 mei 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 18 september 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-003285-23) wegens ‘opzetheling’ veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.B.M. Bos, advocaat in Oud‑Beijerland, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte onrechtmatig is staande gehouden en dat het proces-verbaal van ‘de BOA’s’ diende te worden uitgesloten van het bewijs, niet zonder meer begrijpelijk is en geen steun vindt in gebruikte bewijsmiddelen.
Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, het verweer en de overwegingen waarin het verweer wordt verworpen weer.
Het in zoverre bevestigde vonnis houdt in dat de politierechter wettig en overtuigend bewezen acht:
‘dat verdachte op 21 augustus 2023 te Roosendaal, een fiets voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.’
6. De bewezenverklaring steunt op de volgende in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘3.1.1. het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen (…) in het eindproces-verbaal (…) van de regionale eenheid politie Zeeland-West Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
Op maandag 21 augustus 2023 omstreeks 8.10 uur fietsten wij, verbalisant [verbalisant 1] samen met mijn collega [verbalisant 2] , op een herkenbare handhaving fiets ter hoogte van de Albert Heijn aan de Van Beethovenlaan te Roosendaal. Wij zagen een man een fiets pakken ter hoogte van de ingang van de Albert Heijn. Wij zagen de man wegfietsen in de richting van de Doctor schaepmanlaan. Wij zijn achter de man aangefietst, en hem laten stoppen. Omdat wij veel overlast hebben van fietsendiefstallen. Wij zagen dat de man reed op een elektrische Stella Vienna Grijs van kleur. Ik [verbalisant 1] vroeg aan hem of dit zijn fiets was. Wij hoorde de man zeggen dat hij deze fiets geleend had van een vriend. Ik [verbalisant 1] vroeg aan hem of hij een sleutel had van de fiets. Wij hoorde de man zeggen dat hij die niet bij zich had. Wij zagen dat het slot was door geslepen en achter op de bagagedrager hing. Ik [verbalisant 1] heb het framenummer gecontroleerd in de applicatie Stop Heling, daar kwam het framenummer uit als gestolen. Ik [verbalisant 1] heb toen contact gelegd met het OC. Ik [verbalisant 1] vroeg aan het OC of ik een koppeltje politie ter plaatse kon krijgen ter zake heling. Toen de politie ter plaatse was hebben zij het framenummer nogmaals gecontroleerd. Ook bij de politie kwam de fiets als gestolen uit. Hierop is de man aangehouden ter zake heling.
3.1.2. het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen (…) in het eindproces-verbaal (…) van de regionale eenheid politie Zeeland-West Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
Op maandag 21 augustus 2023, omstreeks 08.15 uur, reden wij verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] in het teamgebied van Roosendaal.
Omstreeks 08.15 uur kregen wij van het Operationele Centrum om te gaan naar de van Beethovenlaan te Roosendaal. Aldaar stonden er BOA's van de gemeente Roosendaal. Zij hadden iemand op een gestolen fiets getroffen.
Vervolgens bevroeg ik, verbalisant [verbalisant 4] , het chassisnummer [001] in de politiesystemen. Hieruit kwam inderdaad naar voren dat de elektrische fiets als gestolen gesignaleerd stond. Ik zag dat de fiets op 18 augustus 2023 was weggenomen van het Stationsplein te Roosendaal. Ik zag dat er via internet aangifte gedaan was van de fiets. Hierna hebben wij overleg gehad met de Teamrecherche te Roosendaal en hebben wij besloten de verdachte aan te houden ter zake heling.’
7. Het hof heeft deze bewijsmiddelen als volgt aangevuld (met weglating van een verwijzing):
‘Het hof ziet aanleiding om het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel 3.1.2., (…), aan te vullen door na de zin “Zij hadden (...) fiets getroffen” in te voegen:
Omstreeks 08:20 uur waren wij ter plaatse. Wij (het hof begrijpt: verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3]) hoorden van de boa’s dat zij met een actie bezig waren tegen fietsendiefstallen. Zij hadden een man weg zien fietsen bij de Albert Heijn aan de Van Beethovenlaan. De boa’s waren achter de man aangefietst en controleerden hem. De man had geen identiteitsbewijs bij zich. Zij controleerden het chassisnummer van de fiets via de STOP heling app. Hieruit kwam naar voren dat de fiets gestolen was. De boa’s hebben toen via het operationele centrum de politie ter plaatse gevraagd.’
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2024 heeft de raadsman aldaar onder meer als volgt het woord tot verdediging gevoerd:
‘Het primaire standpunt van de verdediging ziet op de staande houding van de verdachte. Het proces-verbaal waarin dit is vastgelegd, te weten pagina 37, betreft een uitermate bijzonder proces-verbaal. Het proces-verbaal heeft geen opmaak en ook is niet te zien in welke hoedanigheid de boa’s hebben opgetreden. Het is kennelijk onbekend wat hun functie is. Zij gaan vervolgens wel over tot staande houding. De vraag die dan speelt is waar de grenzen van een staande houding liggen. Uit artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat staande houding is toegestaan ter vaststelling van de identiteit van de verdachte. In onderhavige zaak wordt door de boa’s niet eens gevraagd naar de identiteit. De boa’s hebben enkel gerelateerd dat zij ter hoogte van de Albert Heijn een man zagen wegfietsen, waarna zij de man achterna zijn gegaan en hem hebben gestopt. De verdediging vraagt zich af welke bevoegdheid hier is gebruikt. Mocht er al sprake zijn van overlast van fietsendiefstallen, dan is dat nog geen bevoegdheid om iedereen staande te houden. Het was anders geweest indien cliënt was herkend, maar hier lijkt sprake te zijn van een willekeurige actie en een vreemde gang van zaken. Cliënt wordt immers staande gehouden, er wordt geen identiteitsbewijs gevraagd en er worden hem, zonder hem de cautie te geven, willekeurige vragen gesteld. Mocht uw hof hetzelfde standpunt delen als de verdediging en van oordeel zijn dat de burger dient te worden beschermd, dan verzoekt de verdediging het proces-verbaal van de boa’s uit te sluiten van het bewijs en de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde.’
9. Het bestreden arrest houdt inzake dit verweer het volgende in:
‘Verbetering van de bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake lijkt te zijn van een willekeurige staande houding van de verdachte door de verbalisanten, waarbij niet naar het identiteitsbewijs is gevraagd en vragen aan de verdachte zijn gesteld zonder dat de cautie is gegeven.
Het hof overweegt als volgt.
Gelet op hetgeen daaromtrent is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] , concludeert het hof dat de boa’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte, nadat zij hem hadden gestopt, hebben gevraagd naar zijn identiteitsbewijs. Op grond van de Wet op de identificatieplicht was de verdachte verplicht aan hun bevel gehoor te geven. Van een staandehouding op de voet van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering was, anders dan de raadsman heeft betoogd, derhalve geen sprake. Toen de boa’s vervolgens evenwel waarnamen dat het slot van de (elektrische) fiets waarop de verdachte reed was doorgeslepen en achter op de bagagedrager hing, hebben zij hem bevraagd over de fiets. Omdat op dat moment wel een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bij de boa’s moet zijn gerezen, hadden ze de verdachte, alvorens hem naar aanleiding van hun verdenking te bevragen, de cautie moeten geven. Aan de omstandigheid dat zij dit hebben nagelaten verbindt het hof in het onderhavige geval evenwel geen consequenties omdat de verdachte, gelet op het door hem gegeven antwoord op de vraag van wie de fiets was, te weten dat hij de fiets had geleend van een vriend, niet in zijn belangen is geschaad.’
10. De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet blijkt dat de verdachte staande is gehouden en dat naar zijn ID-bewijs is gevraagd.
11. Het hof heeft aan de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen een passage uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] toegevoegd. Dat proces-verbaal houdt in dat verbalisanten van de boa’s hoorden dat zij met een actie bezig waren tegen fietsendiefstallen, dat zij achter de verdachte aan zijn gefietst en hem hebben gecontroleerd en dat de verdachte geen identiteitsbewijs bij zich had. Op basis van deze passage heeft het hof kunnen concluderen ‘dat de boa’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte, nadat zij hem hadden gestopt, hebben gevraagd naar zijn identiteitsbewijs’. Daaraan doet niet af dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in het door hen opgemaakte tot het bewijs gebezigde proces-verbaal niet reppen over vragen naar het identiteitsbewijs. Voor zover het middel de klacht bevat dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte naar zijn identiteitsbewijs is gevraagd, faalt het dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Voor zover het middel daarbij op de opvatting berust dat de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de verwerping van een verweer dat de staandehouding onrechtmatig was uit de bewijsmiddelen moeten volgen, vindt die opvatting overigens geen steun in het recht.
12. Het hof heeft uit de aan de bewijsmiddelen toegevoegde passage, meen ik, ook kunnen afleiden dat het vragen naar het identiteitsbewijs niet in het kader van een staandehouding van de verdachte heeft plaatsgevonden, maar zijn grondslag vond in art. 8 Politiewet 2012. Ik wijs er in dat verband op dat de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] melding maken van het vragen naar het identiteitsbewijs en van een controle van het chassisnummer. Van het vragen naar naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats, waar het staande houden op gericht is (vgl. art. 52 jo. art. 27a, eerste lid, eerste volzin, Sv) blijkt niet.
13. In zoverre faalt het middel.
14. Ik begrijp de steller van het middel zo dat het middel er tevens toe strekt erover te klagen dat het hof in het midden heeft gelaten of, als geen sprake is van staande houden op grond van art. 52 Sv, de verbalisanten de verdachte hebben doen stoppen zonder enige bevoegdheid daartoe.
15. Art. 8, eerste lid, Politiewet 2012 geeft de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak de bevoegdheid ‘tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak’. Art. 8, tweede lid, Politiewet 2012 geeft gelijke bevoegdheid aan een buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in art. 142, eerste lid, Sv ‘voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak’. Gekoppeld daaraan bevat art. 2 Wet op de identificatieplicht een ‘toonplicht’ voor eenieder die de leeftijd van veertien jaren heeft bereikt. Wie niet voldoet aan ‘de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden’, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, wordt ingevolge art. 447e Sr gestraft met geldboete van de tweede categorie.
16. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het ‘laten stoppen’ van de verdachte teneinde hem vervolgens te ‘controleren’ een toereikende basis vond in art. 8 Politiewet 2012, is dat oordeel, meen ik, niet zonder meer begrijpelijk. Art. 8 Politiewet 2012 spreekt slechts over het vorderen van de inzage van een identiteitsbewijs.
17. Uit de parlementaire behandeling van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht valt ook niet af te leiden dat in deze tekst een ‘stopbevoegdheid’ besloten ligt. De memorie van toelichting vermeldt dat Wiarda in zijn advies uit 1987 over de destijds voorgenomen uitbreiding van de identificatieplicht als voorbeeld van een te algemene identificatieplicht heeft genoemd ‘een bepaling die daartoe aangewezen autoriteiten de bevoegdheid geeft een ieder die zich op de openbare weg bevindt, aan te houden en te verplichten zich te identificeren’. Nadat de regering heeft aangegeven van oordeel te zijn ‘dat het door mr. Wiarda weergegeven toetsingskader zijn gelding heeft behouden’ wordt onder meer opgemerkt dat door de toevoeging van een specifieke doelbinding reeds een duidelijke beperking is opgenomen ‘die voorkomt dat een algemene bevoegdheid ontstaat voor de politie om burgers die zich op de openbare weg bevinden, zonder reden aan te houden om zich van hun identiteit te vergewissen’. Daaruit mag wellicht worden afgeleid dat welbewust niet is afgedaan aan de vereisten die bij de dwangmiddelen aanhouden en staande houden gelden, en dat de doelbinding voorkomt dat zonder reden een vordering als bedoeld in art. 8 Politiewet 2012 mag worden gedaan. In ieder geval kan uit deze passage niet met voldoende ondubbelzinnigheid worden afgeleid dat in de bevoegdheid om inzage te vorderen een bevoegdheid tot staande houden besloten ligt.
18. Het inlezen van een dergelijke bevoegdheid ligt voorts niet in de rede in het licht van de omstandigheid dat ‘stopbevoegdheden’ in andere situaties wettelijk geregeld zijn en aan voorwaarden zijn gebonden. Zo bepaalt art. 160, eerste lid, WVW 1994 dat de bestuurder van een motorrijtuig op eerste vordering van de in art. 159 WVW 1994 genoemde opsporingsambtenaren verplicht is ‘dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven’. Art. 23, vierde lid, WED geeft de in art. 17 WED genoemde opsporingsambtenaren de bevoegdheid met het oog op in art. 23 WED omschreven bevoegdheden ‘van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hen aangewezen plaats overbrengt, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.’. Ook de fiets is een vervoermiddel. Ik wijs ook nog op art. 50 Vreemdelingenwet 2000, waarin een bevoegdheid tot staande houden ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie is geregeld.
19. Daarmee is niet gezegd dat een opsporingsambtenaar aan een burger niet mag vragen om zijn fiets tot stilstand te brengen en af te stappen. Vragen staat vrij, zolang de burger geen verdachte is en de vragen diens betrokkenheid bij het strafbare feit betreffen. Maar voor een ‘laten stoppen’ van de burger waar een uitoefening van dwang in besloten ligt, bijvoorbeeld door klemrijden, biedt art. 8 Politiewet 2012 geen basis.
20. Dat brengt mee dat het middel terecht klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat een bevoegdheid ontbrak om de verdachte te ‘laten stoppen’.
21. Naar het mij voorkomt behoeft dat evenwel niet tot cassatie te leiden. Het verweer loopt uit op een verzoek om bewijsuitsluiting. Bewijsuitsluiting kan, zo volgt uit rechtspraak van Uw Raad, aan de orde zijn als het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van art. 6 EVRM te voorkomen. Bewijsuitsluiting kan voorts noodzakelijk zijn bij ‘een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel’. De rechter moet dit beoordelen aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren; daarbij dient hij in het bijzonder te beoordelen ‘of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is’.
22. In de onderhavige zaak bestaat het verzuim er enkel in dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte met zijn fiets hebben ‘laten stoppen’. Dat daarbij enige vorm van geweld is toegepast, heeft de raadsman niet gesteld en blijkt niet uit de vaststellingen van het hof. De verdachte is noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep ter terechtzitting verschenen. Van vrijheidsbeneming is geen sprake; naar het mij voorkomt wel van vrijheidsbeperking. Verhinderd is dat de verdachte zijn weg vervolgde. Het gaat evenwel om een kortdurende inbreuk op dit recht; nadat de politie kwam is de verdachte aangehouden. Ik merk nog op dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang.
23. Al met al meen ik dat het hof het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting in het bijzonder gelet op de (betrekkelijk geringe) ernst van het verzuim slechts had kunnen verwerpen.
24. Het middel leidt niet tot cassatie en kan in beginsel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Art. 8, eerste en tweede lid, Politiewet 2012 zijn inhoudelijk gelijk aan art. 8a, eerste en tweede lid, Politiewet 1993, zoals ingevoerd door de Wet op de uitgebreide identificatieplicht (Wet van 24 juni 2004, Stb. 300). Vgl. Kamerstukken II 2006/07, 30 880, nr. 3, p. 47.
Zie de Wet op de uitgebreide identificatieplicht, Stb. 2004, 300. De bepaling is nadien nog gewijzigd door de Wet van 12 juli 2012, Stb. 2012, 316.
Deze strafbaarstelling is ingevoerd door de Wet op de uitgebreide identificatieplicht, Stb. 2004, 300.
Kamerstukken II 2003/04, 29 218, nr. 3, p. 2-4. Vgl. ook Kamerstukken II 2003/04, 29 218, nr. 5, p. 3.
Zie in dit verband ook nog een uitlating van minister Donner tijdens een wetgevingsoverleg: ‘Het is niet de bedoeling dat de politie met deze wet de bevoegdheid krijgt om willekeurig mensen op straat staande te houden. Daarom hebben wij gekozen voor de formulering ’’redelijke taakuitoefening’’ en voor de toonplicht’ (Kamerstukken II 2003/04, 29 218, nr. 21, p. 26). Daarin kan de gedachte worden gelezen dat de ‘redelijke taakuitoefening’ van art. 8 Politiewet 2012 wel tot staande houden (waarna de vordering volgt) machtigt. Deze losse uitlating legt evenwel onvoldoende gewicht in de schaal om met voorbijgaan aan de redactie van de wet en andere passages uit de wetsgeschiedenis een ingrijpende bevoegdheid in art. 8 Politiewet in te lezen.
Vgl. in dit verband B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 341 en 343, die staande houden nog steeds noodzakelijk lijken te achten om de verdachte ‘te pakken’ te krijgen. Vgl. ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 441, die menen dat staandehouding bij een vordering op grond van art. 8 Politiewet 2012 overbodig ‘kan’ worden.
Vgl. HR 29 september 1981, NJ 1982/258.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. Jörg.
Zie over het recht op ‘verplaatsen’ J.H. Gerards, Sdu Commentaar EVRM, deel II, art. 2, Vierde Protocol, Den Haag: Sdu 2020, p. 650 e.v.
Vgl. onder meer HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:746, NJ 2021/213, rov. 2.4.
Vgl. in dit verband de conclusie van A-G Paridaens voor HR 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1682 (art. 81 RO), randnummer 10 alsmede HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1388.