ECLI:NL:RBAMS:2023:5644
text/xml
public
2026-06-26T14:53:57
2023-09-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2023-08-30
C/13/724875 / HA ZA 22-914
Uitspraak
Bodemzaak
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
NL
Amsterdam
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5644
text/html
public
2026-06-26T14:53:01
2026-06-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2023:5644 Rechtbank Amsterdam , 30-08-2023 / C/13/724875 / HA ZA 22-914
Aannemingsovereenkomst - onbetaalde facturen - vertragingsschade - verzuim - beroep op verrekening slaagt deels
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/724875 / HA ZA 22-914
Vonnis van 30 augustus 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAZANT BETONBOUW B.V.,
gevestigd te Kockengen,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Cazant,
advocaat: mr. C.J.R. van Binsbergen te Bodegraven,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. [gedaagde] te Amsterdam.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 oktober 2022 met producties,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,
- het tussenvonnis van 12 april 2023, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 juni en de daarin genoemde stukken,
- de brief van 5 juli 2023 van de zijde van Cazant met opmerkingen over het proces-verbaal.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Cazant houdt zich als bouwbedrijf bezig met betonwerken.
2.2.
Cazant en [gedaagde] hebben een aannemingsovereenkomst gesloten voor het uitdiepen en uitbreiden van het souterrain onder de woning van [gedaagde] gelegen aan de [adres] (hierna: de woning).
2.3.
Gebroeders Treur B.V. en PAACON hebben als onderaannemers van Cazant de sloop- en staalwerkzaamheden uitgevoerd bij de verbouwing aan de woning.
2.4.
Op 26 april 2021 is een offerte opgesteld voor een bedrag van € 162.000. Daarbij is een planning meegestuurd waarin staat wat er in week 23 tot en met week 30 aan werk zou worden verricht. Bij week 30 staat ‘ontkisten, opruiming en opleveren’.
2.5.
Op 16 mei 2021 is Cazant gestart met de verbouwingswerkzaamheden aan de woning.
2.6.
Op 18 juni 2021 heeft Cazant aan [gedaagde] laten weten dat de kelderbak niet waterdicht bleek te zijn en moest worden vervangen of waterdicht gemaakt. Ook is afgesproken dat de keldervloer zou worden vervangen. Cazant heeft hiervoor aanvullende offertes uitgebracht van in totaal € 121.129.
2.7.
Op 1 december 2021 moest de verbouwing worden gestaakt totdat de netbeheerder de gasleiding zou hebben verplaatst. De netbeheerder (Liander) was in januari beschikbaar om de gasleiding te verplaatsen.
2.8.
Bij e-mail van 14 januari 2022 heeft [gedaagde] aan Cazant onder meer het volgende geschreven:
“(…) Zoals je van [naam 1] hebt gehoord verwijdert Liander op woensdag 19 januari 202 de gasleiding. Ik ontvang graag een bevestiging of planning waaruit blijkt dat jullie daarna zo snel mogelijk en met volle capaciteit aan de slag gaan alsmede een nieuwe einddatum waarop jullie werkzaamheden zullen zijn afgerond. Tot ik een bevestiging of planning van jou heb waaruit dit volgt zal ik niet overgaan tot betaling van de facturen die jij in december hebt verstuurd. (…) Graag verder zo snel mogelijk telefonisch contact op te nemen met [naam 1] voor de coördinatie en voortzetting van de werkzaamheden. Verder maak ik je erop attent dat iedere maand vertraging EUR 6.800 aan vertragingschade in de vorm van gemiste huurinkomsten oplevert. (…)”
2.9.
Bij e-mail van 27 januari 2022 heeft Cazant aan [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:
“(…) Week 5; aanbrengen tijdelijke onderstempeling
(…) Week 6; demonteren/slopen van muren
(…) Week 11; oplevering/einddatum.
Bovenstaande geeft nu per week in lijnen aan wat we willen gaan uitvoeren. Bevestiging hiervan hoop ik morgen te geven. E.e.a. afhankelijk van bevestiging treur. [naam 2] heeft week 6 sowieso geen tijd, ivm vakantie. Voor wat betreft de kosten die doorlopen; Wij hebben ook doorlopende kosten.”
2.10.
Bij e-mail van 20 februari 2022 heeft [gedaagde] aan Cazant onder meer het volgende geschreven:
“(…) Ik heb begrepen dat het demonteren/slopen van de muren pas in week 10 kan plaatsvinden in plaats van in de zeer recent door jou bevestigde week 6. Dit is een
vertraging van 4 weken en dit is totaal onacceptabel. Jij bent als hoofdaannemer verantwoordelijk en aansprakelijk voor je onderaannemers en het is aan jou om
ervoor te zorgen dat zij zich aan de planning houden. Dat de werkzaamheden op maandag 31 januari 2022 pas tegen het middaguur konden beginnen omdat de
stroom eraf was, is ook geen excuus. Een tegenslag van enkele uren kan nooit een vertraging van 4 weken rechtvaardigen. (…) Week 10 is absoluut onacceptabel voor het slopen van de muren, dit zal deze week moeten gebeuren. Dat is al twee weken vertraging ten opzichte van het door jou gecommuniceerde schema. Eerder is er ook met [naam 3] afgesproken dat de werkzaamheden zo snel mogelijk worden verricht om de pompen te kunnen uitzetten. De vergunningen kunnen niet eindeloos worden verlengd en we gaan zo opnieuw tegen onnodige handhavingsproblemen aanlopen. Ik wijs je erop dat al deze vertraging - zowel mijn kosten als jouw kosten - voor jouw rekening komen nu jij verantwoordelijk bent voor deze vertraging. Daarnaast zal mijn afbouwaannemer een claim bij mij gaan neerleggen voor enkele duizenden euro’s per week aan vertragingschade als de oplevering niet uiterlijk in week 13 plaatsvindt. Deze komt dan ook voor jouw rekening. Ik zie dan ook graag zo snel mogelijk door jou een nieuwe, snellere, planning, bevestigd. (…)”
2.11.
Op 16 mei 2022 heeft Cazant het werk opgeleverd.
2.12.
[gedaagde] heeft vier facturen van Cazant van in totaal € 89.901,77 niet betaald.
3Het geschil
in conventie
3.1.
Cazant vordert - samengevat – om [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling van:
€ 89.901,77, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.297,77 vanaf 6 september, over € 44.044,00 vanaf 15 mei 2022, over € 18.150,00 vanaf 6 juni 2022 en over € 25.410,00 vanaf 13 augustus 2022,
€ 2.025,55 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding,
de proceskosten.
3.2.
Cazant legt aan haar vordering – kort gezegd – ten grondslag dat [gedaagde] nog vier facturen moet betalen op grond van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Aangezien Cazant werkzaamheden heeft verricht, is [gedaagde] uit hoofde van die overeenkomst verplicht de daarvoor gefactureerde bedragen te voldoen. [gedaagde] heeft dit nagelaten en is in verzuim geraakt, waardoor hij ook de wettelijke rente is verschuldigd. Tot slot heeft Cazant buitengerechtelijke incassokosten gemaakt die [gedaagde] dient te vergoeden.
3.3.
[gedaagde] voert aan dat Cazant de overeenkomst niet tijdig is nagekomen. Door de vertraging van de bouwwerkzaamheden heeft [gedaagde] vertragingsschade opgelopen. Voor zover enig bedrag aan Cazant betaald dient te worden, beroept [gedaagde] zich op verrekening met de door hem geleden schade die hij als tegenvordering vordert. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cazant, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Cazant, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Cazant in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert na eiswijziging – samengevat – dat Cazant bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van € 223.520,44, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2021 en veroordeling van Cazant in de proceskosten.
3.6.
[gedaagde] voert aan dat Cazant toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door een vertraagde oplevering, zodat zij de schade die [gedaagde] daardoor lijdt dient te vergoeden. Ter onderbouwing van de vordering tot vergoeding van de geleden schade verwijst [gedaagde] naar zijn verrekeningsverweer in conventie. De schade bestaat uit gederfde huurinkomsten, de gestegen rente bij de verhoging van zijn hypotheek, de gestegen bouwkosten en kosten voor het huren van een loods voor opslag van zijn huisraad.
3.7.
Cazant merkt op dat [gedaagde] op grond van artikel 79 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 139 Rv een advocaat dient te stellen, bij gebreke waarvan verstek tegen [gedaagde] moet worden verleend. Cazant betwist verder dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Ook is er geen sprake van verzuim aan de kant van Cazant. Tot slot betwist Cazant dat er schade is ontstaan als gevolg van handelen van Cazant. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling van het geschil in conventie en reconventie
4.1.
Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
Procesvertegenwoordiging
4.2.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] staat ingeschreven als advocaat.
De wettelijke regeling omtrent procesvertegenwoordiging staat er niet aan in de weg dat een partij, die is ingeschreven als advocaat, zich als advocaat stelt. [gedaagde] is dan ook in rechte verschenen.
Kern van de zaak
4.3.
Verder stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] een betalingsverplichting heeft voor het verrichte werk door Cazant. Dat betekent dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van de facturen van Cazant voor een bedrag van € 89.901,77, tenzij [gedaagde] dit kan verrekenen met een eventuele tegenvordering.
Toetsingskader
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de schuldenaar (Cazant) slechts verplicht is tot vergoeding van schade wegens vertraging in de nakoming over de tijd waarin hij in verzuim is geweest (artikel 6:85 BW). In beginsel ontstaat het verzuim eerst na een ingebrekestelling, behoudens de gevallen als bedoeld in artikel 6:83 BW. Een ingebrekestelling kan onder meer achterwege blijven indien een fatale termijn is overeengekomen en niet binnen die termijn is nagekomen (artikel 6:83 sub a BW) of wanneer de schuldeiser ( [gedaagde] ) uit een mededeling van de schuldenaar (Cazant) moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten (artikel 6:83 sub c BW). De stelplicht en bewijslast dat aan het vereiste van ingebrekestelling is voldaan, rust in dit geval op [gedaagde] .
Vertraging in de nakoming?
4.5.
[gedaagde] voert aan dat de algehele vertraging van de oplevering van de werkzaamheden als een tekortkoming aan de zijde van Cazant kwalificeert. Dit heeft volgens [gedaagde] meerdere oorzaken. Ten eerste heeft Cazant niet tijdig gewaarschuwd voor de noodzaak tot het verplaatsen van een gasleiding die in de weg lag, waardoor het werk pas eind jan 2022 weer kon worden hervat. Ten tweede hebben wisselingen in het bestuur van Cazant ertoe geleid dat de werkzaamheden enkele weken stil hebben gelegen. Deze omstandigheden, of tekortkomingen, hadden vertraging als gevolg. [gedaagde] stelt ten aanzien van verzuim dat Cazant zonder ingebrekestelling op grond van de redelijkheid en billijkheid vanaf 1 augustus 2021 in verzuim is geraakt, omdat Cazant op dat moment de oude keldervloer en het afgraven van het zand afgerond had kunnen hebben. Als dat niet al verzuim oplevert is Cazant zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt, omdat de mondeling overeengekomen fatale termijn van 1 januari 2022 is overschreden. [gedaagde] stelt dat Cazant anders vanaf 14 januari 2022 in verzuim is geraakt en hij verwijst in dat kader naar zijn e-mailbericht waarin hij Cazant vraagt om een “nieuwe einddatum” (zie 2.9). Ook blijkt uit de mededeling van Cazant op 27 januari 2022 dat zij in de tijdige nakoming zal tekortschieten (zie 2.10), aldus steeds [gedaagde] . Tot slot benadrukt [gedaagde] dat Cazant op 20 februari 2022 een termijn voor oplevering heeft gegeven voor week 13 die uiteindelijk niet is gehaald.
4.6.
Cazant betwist dat zij had moeten waarschuwen voor het verplaatsen van een gasleiding en stelt daartoe onder meer dat de gasleiding niet behoorde tot het door Cazant uit te voeren werk. Ook wordt betwist dat wisselingen in het bestuur hebben geleid tot vertraging van de werkzaamheden. Verder betwist Cazant dat sprake is van vertraging in de oplevering, omdat geen concrete oplevertermijn is afgesproken en de opdracht steeds is uitgebreid. Een bouwperiode van een jaar is daarom zonder meer redelijk. Tot slot heeft [gedaagde] op 14 januari 2022 slechts om een planning gevraagd. Een rechtsgeldige ingebrekestelling ontbreekt, aldus steeds Cazant.
Waarneming bij Cazant en bouwpauze
4.7.
De rechtbank stelt vast staat dat binnen het bestuur van Cazant sprake is geweest van waarneming en overdracht van werk wegens burn-out klachten. [gedaagde] heeft echter niet nader onderbouwd waarom dat zou hebben geleid tot vertraging van de werkzaamheden. De enkele blote stelling dat de werkzaamheden door wisselingen in het bestuur zijn vertraagd, is daartoe onvoldoende. Partijen hebben stellingen ingenomen over een bouwpauze in de zomer, onder meer op verzoek van [gedaagde] , omdat de buren net een baby hadden gekregen, in de periode van de bouwvak. De rechtbank stelt vast dat de bouw in de zomer een aantal weken stil heeft gelegen, maar er is op geen enkele wijze onderbouwd waarom dit een tekortkoming van Cazant of een zelfstandige grond voor vergoeding van vertragingsschade oplevert.
Gasleiding
4.8.
Ook levert het niet-tijdig waarschuwen voor de gasleiding geen tekortkoming op aan de zijde van Cazant. Cazant heeft namelijk ter zitting en in de conclusie van antwoord in reconventie onweersproken gesteld dat [gedaagde] en zijn adviseurs, waaronder [naam 1] , de voor het werk benodigde tekeningen hebben opgesteld. Cazant mocht vertrouwen op de juistheid van de door [gedaagde] verstrekte tekeningen. Geen van de betrokken partijen heeft gesignaleerd dat de gasleiding, die volgens iedereen ook open en bloot zichtbaar was, mogelijk in de weg zat. Er was niet sprake van een voor Cazant op voorhand kenbaar obstakel voor de uitvoering van de opdracht, waarbij duidelijk was dat dit noopte tot direct ingrijpen waar Cazant [gedaagde] op had moeten wijzen. De noodzaak tot het verplaatsen van de gasleiding kwam pas aan het licht op het moment dat PAACON het hulpstaal wilde plaatsen. Dat is zeer ongelukkig, maar [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit een tekortkoming van Cazant oplevert. Dit biedt dan ook geen grondslag voor vergoeding van (vertragings)schade.
Termijn oplevering niet gehaald
4.9.
Wel slaagt het betoog van [gedaagde] voor wat betreft de vertraging door Cazant in de nakoming van zijn verplichting de verbouwing af te ronden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Bij de offerte van € 1620.000 is een planning meegestuurd. Deze is echter achterhaald, omdat de omvang van de werkzaamheden is uitgebreid. Ook kan niet uit het e-mailbericht van [gedaagde] aan Cazant op 14 januari 2022 worden afgeleid dat partijen een planning tot de jaarwisseling hadden afgesproken en dat deze planning als fatale termijn kon worden aangemerkt. Cazant geeft [gedaagde] daarentegen eind januari 2022 wel een indicatie van de planning tot en met week 11 (zie 2.10). Cazant, die op dat moment goed zicht had op wat er nog moest gebeuren schrijft ‘Week 11; oplevering/einddatum’. Gelet op de bewoordingen uit dit e-mailbericht wekt Cazant een bepaalde verwachting bij [gedaagde] , die duidelijk vroeg om een datum waarop het werk zou zijn afgerond. Uit de correspondentie blijkt ook dat [gedaagde] dit op die manier opgevat. [gedaagde] kaart immers op 20 februari 2022 aan dat deze planning niet zal worden gehaald en hij geeft tot uiterlijk week 13 (28 maart – 3 april 2022) de tijd om op te leveren. Dit kan, tegen de achtergrond van de eerder gevoerde correspondentie, als een ingebrekestelling worden opgevat. Uiteindelijk wordt het werk door Cazant pas in week 20 op 16 mei 2022 opgeleverd. Cazant heeft niet helder gemaakt waarom het niet haalbaar was om het werk in week 11 of uiterlijk week 13 op te leveren. Dit maakt dat er aan Cazant een redelijke termijn is geboden voor nakoming, maar dat Cazant daar niet aan heeft voldaan. Cazant is daarmee in verzuim geraakt vanaf 3 april 2022. [gedaagde] heeft vanaf dat moment recht op vergoeding van schade wegens vertraging in de nakoming.
Verrekening
4.10.
Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft Cazant het werk te laat opgeleverd en is Cazant daardoor vanaf 3 april 2022 in verzuim geraakt. Dit betekent dat eventuele schade wegens vertraging in de nakoming over de periode van 3 april tot 16 mei 2022 (6 weken) voor rekening komt van Cazant.
Omvang schade
Gederfde huurinkomsten
4.11.
[gedaagde] voert aan schade te hebben geleden vanwege gederfde huurinkomsten van € 8.000 per maand. [gedaagde] heeft in dit kader een huurovereenkomst tussen hem en huurders van (een deel van) de woning in geding gebracht. Cazant betwist dat [gedaagde] schade heeft geleden vanwege gederfde huurinkomsten.
4.12.
De rechtbank overweegt dat het voor Cazant kenbaar was dat [gedaagde] de woning wilde verhuren. [gedaagde] heeft dit ook nog eens expliciet kenbaar gemaakt in zijn e-mailbericht van 14 januari 2022 aan Cazant. Ook heeft [gedaagde] op dat moment aanspraak gemaakt op vergoeding van zijn nadeel wegens vertraging van de verbouwing voor wat betreft de gemiste huurinkomsten. Tegen de hoogte van dit deel van de vordering is geen verweer gevoerd. De schade wordt daarom over een periode van 6 weken (1,5 maand) vertraging begroot op € 12.000. Dit bedrag komt voor verrekening in aanmerking.
Hypotheekschade
4.13.
[gedaagde] wil ook een bedrag van € 138.519 aan hypotheekschade verrekenen, omdat hij door de vertraging zijn hypotheek pas 7,5 maand later heeft kunnen verhogen. Vanwege de gestegen rente is de financieringsaanvraag van [gedaagde] zelfs geweigerd, waardoor hij een hypotheek op zijn recreatiewoning heeft moeten afsluiten, aldus [gedaagde] . [gedaagde] wijst op een e-mail van 22 april 2022 van Nationale-Nederlanden waarin onder meer het volgende staat geschreven: “(…) Alvorens we de aanvraag verder kunnen behandelen zien wij graag op voorhand een toelichting inzake de verbouwing en de hoog oplopende kosten van de verbouwing en de waardestijging in welke mate deze plausibel is. Op basis van de verbouwing die ruimschoots nog niet afgerond is (en de waarde in het bestaande bouwdepot) willen wij inzage in de nieuwe verbouwing. Graag ontvangen wij een onderbouwing.” Cazant betwist ook deze schadepost van [gedaagde] .
4.14.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] zijn hypotheekschade onvoldoende heeft onderbouwd. Het bericht van de hypotheekverstrekker vormt slechts een reactie op de hypotheekaanvraag, waarin de hypotheekverstrekker vraagt om een toelichting. Dat is onvoldoende om aan te nemen dat de hypotheekverstrekker eerst wel een hypotheek tegen bepaalde voorwaarden zou verstrekken en dat de hypotheekverstrekker dit niet heeft gedaan wegens een aantal weken vertraging van de oplevering van het werk door Cazant. Dit bedrag komt dus niet voor verrekening in aanmerking.
Bouwkosten
4.15.
[gedaagde] voert verder aan een bedrag van € 24.061,91 te willen verrekenen wegens gestegen bouwkosten van 15% per jaar. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] twee offertes van de afbouwaannemer overgelegd. Hieruit volgt dat de totale offertekosten zijn gestegen met € 54.898,76 inclusief btw. Bij correctie van dit bedrag in het kader van de wijziging in omvang van de werkzaamheden gaat het om een bedrag van € 24.061,91 inclusief btw voor wat betreft de door vertraging gestegen bouwkosten, aldus [gedaagde] .
4.16.
Cazant betwist dat [gedaagde] schade heeft wegens gestegen bouwkosten en stelt daartoe dat de vergelijking van de offertes door [gedaagde] geen hout snijdt. Het gaat namelijk om twee geheel verschillende opdrachten. De tweede offerte zag in feite op een heel ander bouwplan met allemaal verschillende posten, aldus steeds Cazant.
4.17.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde] in de conclusie van antwoord een algemene stelling heeft ingenomen dat de bouwkosten met 15% per jaar zijn gestegen. Deze algemene stelling is niet onderbouwd. Vervolgens heeft hij bij akte een offerte van 21 januari 2022 en een offerte van 16 mei 2022 overgelegd om de stijging van bouwkosten in zijn geval aan te tonen. Uit het verschil van de twee offertes van de afbouwaannemer kan echter niet worden afgeleid dat er voor dezelfde werkzaamheden door gestegen kosten een hoger bedrag is geoffreerd. De offertes zijn niet eenvoudig met elkaar te vergelijken. Het causaal verband is dan ook niet aangetoond. De schadevergoeding wegens gestegen bouwkosten zal daarom worden afgewezen.
Huur opslagruimte
4.18.
[gedaagde] voert tot slot aan dat hij extra kosten heeft moeten maken voor het langer huren van een loods voor de opslag van zijn huisraad. De opslagkosten gelden ook bij verhuur van de woning, omdat de meubels bestemd waren voor de gemeubileerd verhuurde woning, aldus [gedaagde] . Cazant betwist deze schade van [gedaagde] .
4.19.
De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] een opslagruimte huurt. Hieruit blijkt niet dat dit verband houdt met de opslag van meubilair om in de verhuurde woning te plaatsen. Het lag op de weg van [gedaagde] – op wie de stelplicht en daarmee samenhangende bewijslast rust – om zijn stelling omtrent het causaal verband nader te onderbouwen en te preciseren. Die onderbouwing heeft [gedaagde] niet gegeven. Dit levert dan ook geen verrekenpost op.
Conclusie
4.20.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep op verrekening slaagt voor wat betreft de gederfde huurinkomsten over de periode waarin Cazant in verzuim verkeerde. Dit betekent dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van (€ 89.901,77 - € 12.000 =) € 77.901,77.
Wettelijke rente
4.21.
De door Cazant gevorderde en door [gedaagde] niet weersproken wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom zal worden toegewezen vanaf de vervaldata, te weten de wettelijke rente over € 2.297,77 vanaf 6 september 2021, over € 44.044,00 vanaf 15 mei 2022 en over € 18.150,00 vanaf 6 juni 2022. Op de laatste factuur van € 25.410,00 komt een bedrag van € 12.000,00 in mindering en over het restant wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 13 augustus 2022.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.22.
Cazant vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Niet gesteld of gebleken is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.
Proceskosten
in conventie
4.23.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Cazant als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
103,33
- griffierecht
€
2.837,00
- salaris advocaat
€
2.366,00
(2,00 punten × € 1.183,00)
Totaal
€
5.306,33
in reconventie
4.24.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Wegens de verwevenheid met de conventie zullen de proceskosten in reconventie worden gehalveerd. De kosten aan de zijde van Cazant worden begroot op € 2.645 aan salaris advocaat (2 punten × 0,5 × € 2.645).
in conventie en in reconventie
4.25.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Cazant te betalen een bedrag van € 77.901,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 2.297,77 vanaf 6 september 2021, over € 44.044,00 vanaf 15 mei 2022 en over € 18.150,00 vanaf 6 juni 2022 en over € 13.410,00 vanaf 13 augustus 2022, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Cazant tot dit vonnis vastgesteld op € 5.306,33,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Cazant tot dit vonnis vastgesteld op € 2.645,
in conventie en reconventie
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 271,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen met € 90,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,
5.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2023.