Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:4161

Vervolgings-EAB België. Overlevering toegestaan. Artikel 6 OLW. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft medegedeeld dat hij geen beroep wenst te doen op de terugkeergarantie. Artikel 11 OLW. Detentieomstandigheden in België. Individuele detentiegarantie verstrekt en voldoende bevonden. Recent is in een andere zaak de overlevering toegestaan op basis van een vergelijk...

Rechtbank Amsterdam 4 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:4161 text/xml public 2026-05-04T14:51:19 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-22 13-038092-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4161 text/html public 2026-04-30T13:13:40 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4161 Rechtbank Amsterdam , 22-04-2026 / 13-038092-26
Vervolgings-EAB België. Overlevering toegestaan. Artikel 6 OLW. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft medegedeeld dat hij geen beroep wenst te doen op de terugkeergarantie. Artikel 11 OLW. Detentieomstandigheden in België. Individuele detentiegarantie verstrekt en voldoende bevonden. Recent is in een andere zaak de overlevering toegestaan op basis van een vergelijkbare individuele detentiegarantie voor de detentie-instelling in Hasselt. In die zaak is toen aanvullende informatie verstrekt, welke algemeen van aard was. Bij de beoordeling van deze zaak kan de rechtbank daarom acht slaan op die aanvullende informatie. Het is niet nodig dat de (algemene) vragen in deze zaak nogmaals worden voorgelegd aan de Belgische autoriteiten. Het verzoek van de raadsman wordt afgewezen. De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een zodanige verslechtering van de omstandigheden in de detentie-instelling in Hasselt dat getwijfeld moet worden of de verstrekte individuele garantie kan worden nageleefd.
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-038092-26

Datum uitspraak: 22 april 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 13 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 januari 2026 door de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres 1] ,

feitelijk verblijvende op het adres:

[adres 2] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak onder verschillende voorwaarden, waaronder handhaving van de door de opgeëiste persoon betaalde borgsom van €10.000,-.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 28 januari 2026 met kenmerk HA II 25/081.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De opgeëiste persoon heeft op de zitting medegedeeld dat hij geen beroep wenst te doen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van die garantie.
6Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in België 6.1
Inleiding

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.

Bij brief van 4 maart 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:

“ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?

[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenissen van Hasselt indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.

2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?

België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.

In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:

- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.

- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.

o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm

o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.

- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.

- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” 6.2
Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht een tussenuitspraak te doen en de behandeling van de zaak aan te houden. Daartoe heeft hij verwezen naar een andere overleveringszaak waarin een tussenuitspraak is gedaan naar aanleiding van zorgen over de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Hasselt. In de einduitspraak in die zaak is de overlevering vervolgens toegestaan, omdat de individuele garantie en de verstrekte aanvullende informatie ertoe hebben geleid dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor die opgeëiste persoon was weggenomen. De raadsman heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de verstrekte individuele garantie in de zaak van de opgeëiste persoon niet afdoende is. Volgens hem is het onvoldoende om de in de andere zaak verkregen aanvullende informatie ambtshalve bij het oordeel van de rechtbank in deze zaak te betrekken. Ook in deze zaak dienen gelijkluidende, aanvullende garanties te worden verstrekt.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is de verstrekte individuele detentiegarantie voldoende en wordt daarmee het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering in de weg.
6.3
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Belgische autoriteiten van 4 maart 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 4 maart 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt.

Gelet op wat de rechtbank hierna overweegt en de individuele garantie is de rechtbank van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).

Vast staat dat recent in een andere zaak de overlevering is toegestaan op basis van een vergelijkbare individuele detentiegarantie. In die zaak waren naar aanleiding van berichten over de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Hasselt nog wel eerst aanvullende vragen gesteld aan de Belgische autoriteiten (onder meer over de douche- en maaltijdvoorziening en arbeid en dagbesteding), die zijn beantwoord. Met deze vragen was het de bedoeling van de rechtbank om na te gaan of de in die zaak afgegeven individuele garantie ten aanzien van de gevangenis in Hasselt in zijn algemeenheid nog steeds – ondanks de hoge overbevolking aldaar – kon worden nageleefd. Uit de verstrekte antwoorden bleek dat dit het geval is waarna de rechtbank de overlevering in die zaak heeft toegestaan.

Anders dan de raadsman stelt, is die verstrekte aanvullende informatie algemeen van aard en zijn er geen aanvullende individuele garanties ten behoeve van die opgeëiste persoon door de Belgische autoriteiten gegeven. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij bij de beoordeling van de zaak van de opgeëiste persoon acht kan slaan op die aanvullende informatie en ervan uit gegaan kan worden dat de verstrekte detentiegarantie van 4 maart 2026 voor de gevangenis van Hasselt wordt nageleefd, ook op de genoemde aspecten. De rechtbank acht het dus niet nodig dat de (algemene) vragen die in de aangehaalde zaak waren gesteld, in deze zaak nogmaals worden voorgelegd aan de Belgische autoriteiten en wijst het verzoek daartoe van de raadsman daarom af. De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een zodanige verslechtering van de omstandigheden in de detentie-instelling Hasselt dat getwijfeld moet worden of de verstrekte individuele garantie kan worden nageleefd.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door:

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.L. Kole en B.C.M. Burger, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 april 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet.

Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.

Zie onderdeel e) van het EAB.

ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.

Rb. Amsterdam 8 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:35.

Rb. Amsterdam 17 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2752.

Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.

Rb. Amsterdam 8 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:35 (tussenuitspraak) en Rb. Amsterdam 17 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2752 (einduitspraak).

Artikel delen