ECLI:NL:RBAMS:2026:4725
text/xml
public
2026-05-20T14:41:02
2026-05-15
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-05-12
13/315557-25
Uitspraak
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Amsterdam
Strafrecht; Materieel strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4725
text/html
public
2026-05-20T14:40:24
2026-05-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:4725 Rechtbank Amsterdam , 12-05-2026 / 13/315557-25
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van een sekswerker door te wurgen. Veroordeling tot dertig maanden gevangenisstraf, met aftrek, waarvan gedeelte voorwaardelijk.
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/315557-25
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
thans gedetineerd te: [detentieadres] ,
hierna: verdachte.
1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. Römer, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen [medewerker Slachtofferhulp] van Slachtofferhulp namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich op 22 november 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
primair: poging tot doodslag van [benadeelde partij] , althans poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] ;
subsidiair: mishandeling van [benadeelde partij] .
De volledige (gewijzigde) tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging doodslag en poging zware mishandeling, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel. Verdachte is niet doelgericht op zoek geweest naar geweld, maar heeft een elastiek om de nek van aangeefster gedaan, omdat hij dacht dat zij zich bezig hield met (BD)SM. Dit duurde een fractie van een seconde. Toen verdachte zag dat aangeefster schrok, is hij meteen gestopt. Bovendien is op basis van camerabeelden vast te stellen dat verdachte nauwelijks één minuut bij aangeefster binnen is geweest. Binnen die minuut moet alles hebben plaatsgevonden waaronder ook de feitelijke geweldshandeling. Het kan dan ook niet anders dan dat de geweldshandeling slechts een aantal seconden heeft geduurd. In zo’n kort tijdsbestek kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel. De raadsman heeft in dat verband verwezen naar twee pilots van “geweld op de hals’ die in 2025 zijn gestart voor niet-fatale strangulatie. Van opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel, al dan niet in voorwaardelijke zin, is geen sprake.
De raadsman heeft zich met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Voor een bewezenverklaring van een poging doodslag moet worden bewezen dat verdachte opzet had op de dood van aangeefster. Het dossier bevat geen bewijs waaruit volgt dat verdachte aangeefster willens en wetens heeft geprobeerd te doden (zg. vol opzet). Van opzet op de dood is echter ook sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden door het handelen van de verdachte (zg. voorwaardelijk opzet).
Uit het strafdossier volgt dat aangeefster op 22 november 2025 in Amsterdam als sekswerker aan het werk was. Omstreeks 04:15 uur verscheen verdachte bij haar raam. Hij parkeerde zijn fiets midden op straat en liep om 04:15:11 haar kamer binnen. Nadat zij een prijs hadden afgesproken, bukte aangeefster om haar pinapparaat uit de kast te pakken. Op dat moment kwam verdachte achter haar staan en zag aangeefster via de spiegel dat verdachte een snoer/touw om haar nek deed. Zij voelde direct dat zij geen lucht kreeg, terwijl verdachte het snoer/touw strak aantrok. Het snoer/touw zat zo strak om haar keel dat zij haar vingers er niet tussen kon krijgen. Aangeefster wist de alarmknop in te drukken, waarna verdachte het snoer/touw losliet en de kamer uitrende. Het dossier bevat verder letselfoto’s die zijn gemaakt kort nadat verbalisanten aangeefster aantroffen en een half uur later. Ook bevat het dossier een letselomschrijving waaruit volgt dat aangeefster rode striemen in haar nek heeft die goed passen bij verwurging met een touw of ander langwerpig voorwerp. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte gedurende één minuut en twee seconden in de kamer van aangeefster is, waarna hij naar zijn fiets rent, probeert op zijn fiets te stappen, zijn fiets weggooit en vervolgens in de richting van de Nieuwmarkt rent.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte vrijwel direct na binnenkomst een snoer of touw om de nek van aangeefster heeft gedaan en dit strak heeft aangetrokken en haar daarmee heeft gewurgd, waardoor zij geen lucht kreeg. De rechtbank acht bewezen dat verdachte dit met kracht heeft gedaan, gelet op het letsel dat daardoor in korte tijd (namelijk hooguit in 44 seconden) is veroorzaakt.
De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard en leidt dat af uit de uiterlijke verschijningsvormen van zijn handelen, die naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend waren gericht op haar dood. Verdachte heeft, voordat hij naar het raam van aangeefster liep, zijn fiets immers midden op straat geparkeerd. Vervolgens is hij de kamer van aangeefster binnengegaan en heeft hij, nadat was afgesproken dat hij 100 euro zou betalen voor 20 minuten, haar vrijwel direct gewurgd. Dit was dus nog voordat aangeefster met verdachte afspraken had gemaakt over welke diensten zij zou leveren voor die 100 euro en ook nog voordat verdachte haar had betaald.
De rechtbank acht de (tweede) verklaring van verdachte dat hij een elastiek om de nek van aangeefster heeft gedaan in het kader van een spelletje vanwege BDSM ongeloofwaardig. Deze verklaring vindt namelijk geen enkele steun in het dossier. Bovendien acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat aangeefster zonder enige afspraak met verdachte te hebben gemaakt over welke handelingen/diensten zij zou leveren en ontvangen en zonder eerst enige betaling te hebben ontvangen, overgaat tot BDSM. Daarbij komt dat verdachte op zitting heeft verklaard dat hij al eerder te maken heeft gehad met een sekswerker die als escort bij hem thuis diensten in het kader van BDSM aan hem heeft geleverd. Verdachte heeft hierover op zitting verklaard dat hij haar toen eerst heeft betaald en dat er eerst afspraken werden gemaakt voordat de sekswerker de diensten daadwerkelijk leverde. Verdachte heeft op zitting niet kunnen verklaren waarom het nu anders zou zijn en waarom hij dacht dat hij meteen met het spelletje, zoals hij het noemt, kon beginnen door een touw of iets soortgelijks om de nek van aangeefster te doen, dat aan te trekken en aangeefster te wurgen. De rechtbank concludeert daarom dat verdachte zonder duidelijke aanleiding een voor hem onbekende vrouw is gaan wurgen, kort nadat hij haar werkkamer was binnengegaan.
Verdachte is blijkens het dossier gestopt met wurgen, omdat aangeefster erin slaagde de alarmknop in te drukken. Verdachte is dus niet uit eigen beweging gestopt. Onder die omstandigheden, en bij gebrek aan enig ander scenario, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte niet uit zichzelf gestopt zou zijn met de verwurging. Daarom acht de rechtbank bewezen dat verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen op de dood. De primair ten laste gelegde poging tot doodslag zal daarom bewezen worden verklaard.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 22 november 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij] van het leven te beroven, een snoer/touw(tje), om de nek/keel van die [benadeelde partij] heeft gedaan en (vervolgens) dat snoer/touw(tje)strak heeft aangetrokken (gehouden) en met een snoer/touw(tje) die [benadeelde partij] heeft gewurgd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Motivering van de straffen en maatregelen
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte poging tot doodslag wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contact- en locatieverbod.
De officier van justitie heeft daarnaast de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, inhoudende een locatieverbod voor de omgeving van het Wallengebied dan wel de [straatnaam] in Amsterdam en een contactverbod met [benadeelde partij] voor een periode van vijf jaar. Zij heeft daarbij een vervangende hechtenis gevorderd van telkens zeven dagen voor iedere overtreding.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van aangeefster. Hij heeft vrijwel direct na binnenkomst met kracht een snoer/touw om de nek van aangeefster gedaan, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Verdachte heeft door zijn handelen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Het wurgen heeft nare en pijnlijke striemen veroorzaakt in haar nek, maar daar waar haar lichamelijk letsel is genezen heeft zij tot op de dag van vandaag nog last van de psychische schade die verdachte heeft veroorzaakt. Door aanhoudende spannings- en angstklachten lukt het aangeefster nog niet om haar leven weer helemaal op te pakken en dat is goed voorstelbaar. Aangeefster heeft tijdens het wurgen door verdachte doodsangsten uitgestaan. Het zal voor aangeefster altijd de vraag zijn wat er zou zijn gebeurd als het haar niet was gelukt om het alarm in te drukken. Dit soort gewelddadige incidenten veroorzaken bovendien gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving als geheel en in het wallengebied in Amsterdam in het bijzonder. Dit geldt in dit geval temeer voor sekswerkers die in de uitoefening van hun beroep een kwetsbare doelgroep vormen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het Pro Justitia rapportage dat is opgesteld door drs. T. Stoel, GZ-psycholoog, van 25 maart 2026. Uit het Pro Justitia rapportage blijkt dat verdachte die bewuste avond cocaïne en cannabis heeft gebruikt. Bovendien is bij hem ADHD vastgesteld, in gedeeltelijke remissie. De combinatie van de vastgestelde ADHD en zijn cocaïne- en cannabisgebruik heeft mogelijk geresulteerd in een verhoogde impulsiviteit. Door het ontbreken van pathologie kan echter geen gemotiveerde risicoschatting worden gedaan.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 21 april 2026. Daaruit blijkt dat de reclassering mogelijkheden ziet voor reclasseringsbemoeienis en hulpverlening, zodat er meer inzicht kan worden verkregen in het delictgedrag van verdachte. De reclassering vindt het ook belangrijk dat het slachtoffer wordt beschermd door een contact- en locatieverbod. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, contactverbod en locatieverbod.
De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van het voorlichtingsrapport van [naam], van 23 maart 2026, dat op verzoek van de verdediging is opgesteld en waarin behandeling binnen een strafrechtelijk kader, gericht op risicobeheersing, gedragsverandering en het behouden van beschermende factoren, van belang wordt geacht.
Strafoplegging
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet met een andere straf dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan.
Hoewel verdachte heeft meegewerkt aan het persoonlijkheidsonderzoek, kan het recidiverisico niet worden ingeschat door het ontbreken van pathologie. De rechtbank acht het onverklaarde en heftige gedrag van verdachte wel zeer zorgelijk en zij vindt het daarom belangrijk dat verdachte binnen een strafrechtelijk kader wordt behandeld, zodat er meer inzicht kan worden verkregen in zijn delictgedrag en om hem ervan te weerhouden dat hij opnieuw enig strafbaar feit pleegt. Daarom zal de rechtbank een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering. Omdat het recidiverisico niet kan worden ingeschat, beslist de rechtbank tot een groter voorwaardelijk strafdeel met een langere proeftijd dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 30 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
Uit de hiervoor aangehaalde adviezen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat ter bescherming van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel moet worden opgelegd in de zin van artikel 38v Sr.
8Vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft € 9.829,88 (negenduizend achthonderdnegenentwintig en achtentachtig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente.
8.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.
8.2.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende is onderbouwd en dat de omvang van het verlies aan arbeidsvermogen niet kan worden vastgesteld. Als gevolg hiervan is de verdediging niet in staat verweer te voeren.
De raadsman heeft niet betwist dat aangeefster immateriële schade heeft geleden.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
Materieel
Ter onderbouwing van de materiële schade is een overzicht van de boekhouder van aangeefster overgelegd. Door het ontbreken van onderliggende gegevens waaruit de inkomsten en uitgaven volgen, is de vordering naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de procedure teneinde de benadeelde partij de gelegenheid te geven de vordering nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. De benadeelde partij zal voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immaterieel
Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of indien het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo'n nadere concrete onderbouwing.
Vast staat dat verdachte letsel bij de benadeelde partij heeft veroorzaakt. De rechtbank is voorts van oordeel dat de aard en ernst van zijn normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo evident zijn, dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist. Dit betekent dat de benadeelde partij voor vergoeding van haar immateriële schade in aanmerking komt.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar bedragen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de Rotterdamse Schaal voor de ordening van Smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen.
Gelet op het voorgaande komt de gevorderde schadevergoeding van € 3.000 de rechtbank niet onbillijk voor, zodat dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en schadevergoedingsmaatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
10Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van dertig (30) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, tien (10) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland op het adres [adres 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
Ambulante behandeling
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel als mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op inzicht in het psychisch functioneren van veroordeelde. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
Contactverbod
dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [benadeelde partij] geboren op [geboortedag 2] 1963;
Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen 100 meter van de [straatnaam] te Amsterdam. De politie houdt toezicht op deze voorwaarde.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden zoals hierboven genoemd en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.
Hierbij gelden als voorwaarden dat veroordeelde:
1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
2. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van
€ 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 22 november 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 3.000,- (drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kwiyasse, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 mei 2026.
[…]