ECLI:NL:RBAMS:2026:4869
Belgisch executie-EAB. Rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de in het EAB genoemde straf in Nederland. Verlaging van de straf ingevolge artikel 6a, derde lid, OLW.
Rechtbank Amsterdam 27 May 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:4869
text/xml
public
2026-05-27T11:54:25
2026-05-21
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-05-20
1306523726
Uitspraak
Eerste en enige aanleg
NL
Amsterdam
Strafrecht; Europees strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4869
text/html
public
2026-05-27T11:06:26
2026-05-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:4869 Rechtbank Amsterdam , 20-05-2026 / 1306523726
Belgisch executie-EAB. Rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de in het EAB genoemde straf in Nederland. Verlaging van de straf ingevolge artikel 6a, derde lid, OLW.
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-065237-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 10 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 maart 2026 door het Parket van de procureur des Konings, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] (Syrië),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[inschrijvingsadres],
feitelijk verblijfsadres: [verblijfadres],
uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie om de gevangenhouding van de opgeëiste persoon te bevelen afgewezen, omdat de opgeëiste persoon in deze procedure nimmer (anders dan het bepaalde in artikel 27, tweede lid, OLW vereist) in bewaring of verzekering is gesteld. Voorts bestond niet de mogelijkheid om de gevangenneming te bevelen, omdat de officier van justitie dit niet heeft gevorderd.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen - afdeling Antwerpen, van 14 augustus 2025 met vonnisnummer: 2025/4582 - dossiernummer: AN10.FO.1674-25 - 25CO25697.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 40 maanden, te verminderen met de reeds ondergane voorhechtenis, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Het feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
medeplegen van het zich de toegang verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie/opslag/overslag van goederen door middel van inklimming.
De rechtbank constateert dat de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf van 40 maanden het naar Nederlands recht toepasselijke strafmaximum van 32 maanden overstijgt. Om die reden vindt overeenkomstig artikel 6a, derde lid, OLW verlaging van de opgelegde vrijheidsstraf tot aan het Nederlandse strafmaximum plaats. Dit betekent dat de opgelegde vrijheidsstraf van 40 maanden wordt verlaagd naar 32 maanden gevangenisstraf.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf, onder voornoemde verlaging van de straf, kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende familiale, taalkundige en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming gegeven voor de strafovername middels het toesturen van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 augustus 2025.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
6Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd, onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de tot het Nederlandse strafmaximum verlaagde vrijheidsstraf door Nederland.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47 en 138aa Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
8Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket van de procureur des Konings, België.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf, verlaagd tot het in Nederland geldende strafmaximum van 32 maanden gevangenisstraf, in Nederland.
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie artikel 27, eerste lid, OLW
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).