Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:4878

Executie-EAB Polen. Overlevering toegestaan. Artikel 12 OLW. Ten aanzien van het arrest; afzien van weigeren. Daarnaast is een eerder opgelegde taakstraf omgezet in een vervangende gevangenisstraf. Ten aanzien van het oorspronkelijke veroordelende vonnis; artikel 12 OLW is niet van toepassing. Verder valt de omzettingsbeslissing van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf niet onder...

Rechtbank Amsterdam 1 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:4878 text/xml public 2026-06-01T11:58:02 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-20 13/069694-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4878 text/html public 2026-05-26T11:15:19 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4878 Rechtbank Amsterdam , 20-05-2026 / 13/069694-26
Executie-EAB Polen. Overlevering toegestaan. Artikel 12 OLW. Ten aanzien van het arrest; afzien van weigeren. Daarnaast is een eerder opgelegde taakstraf omgezet in een vervangende gevangenisstraf. Ten aanzien van het oorspronkelijke veroordelende vonnis; artikel 12 OLW is niet van toepassing. Verder valt de omzettingsbeslissing van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De vrijheidsbenemende straf maakte geen deel uit van de oorspronkelijke veroordeling en de rechter had geen beoordelingsruimte bij zowel de omzetting als bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf.
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-069694-26

Datum uitspraak: 20 mei 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 10 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 maart 2024 door de Sąd Okręgowy w Krakowie Wydzial III Karny (District Court in Krakow, Third Criminal Division), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] (Polen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [detentieadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, die waarneemt voor mr. J.J.J. van Rijsbergen, beiden advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt ten grondslag:

een vonnis van the Regional Court in Olkusz, Second Criminal Division, van 14 december 2020, met kenmerk II K 63/19, dat na een hoger beroepsprocedure in stand is gelaten bij het arrest van the District Court in Krakow, Forth Division of Criminal Appeals, van 31 maart 2022, met kenmerk IV Ka 885/21 (hierna: het arrest);

een vonnis van the Regional Court in Olkusz, Second Criminal Division, van 21 juni 2021 (onherroepelijk geworden op 7 juli 2021), met kenmerk II K 351/21 (hierna: het vonnis).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Allereerst is in het vonnis van 14 december 2020, dat in het arrest in stand is gelaten, blijkens onderdeel c) van het EAB een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden opgelegd, waarvan volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en 28 dagen resteren;

Daarnaast blijkt uit onderdeel c) van het EAB gelezen in samenhang met ongedateerde aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit, dat in het vonnis van 21 juni 2021 een vrijheidsbeperkende straf van acht maanden is opgelegd, die bestond uit een werkstraf van 20 uren per maand. Bij beslissing van the Regional Court in Olkusz van

25 februari 2022, met kenmerk II Ko 1741/21, is deze vrijheidsbeperkende straf omgezet in een vrijheidsbenemende straf van vier maanden.

Het arrest en het vonnis betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw

Ten aanzien van het arrest is de opgeëiste persoon volgens de raadsvrouw niet verschenen op het proces dat tot dit arrest heeft geleid, terwijl geen sprake is van één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden. De raadsvrouw heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat voor dit arrest de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Daarbij heeft zij verzocht de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, waaronder de medische situatie van zijn vrouw en zijn zorgtaken voor zijn vrouw en kinderen, bij de beoordeling te betrekken.

Ten aanzien van het vonnis heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de overlevering eveneens op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, subsidiair dat de zaak moet worden aangehouden om aan de Poolse autoriteiten te vragen op welke wijze de betekening voor de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden. De opgeëiste persoon ontkent namelijk dat hij in persoon is verschenen bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid, zoals in onderdeel d) van het EAB staat vermeld. Meer subsidiair heeft zij aangevoerd dat in de beslissing van 25 februari 2022, waarbij de werkstraf is omgezet in een vrijheidsbenemende straf, wel degelijk een beoordeling heeft plaatsgevonden die heeft geleid tot het opleggen van de vrijheidsbenemende straf. De raadsvrouw heeft verzocht de overlevering te weigeren, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat deze beslissing onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aan zien van het arrest op het standpunt gesteld dat de rechtbank dient af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft in die procedure een adresinstructie ontvangen en heeft zelf hoger beroep ingesteld tegen de beslissing in eerste aanleg. Het lag vervolgens op zijn weg om bereikbaar te blijven voor de autoriteiten. In dat verband heeft de officier van justitie verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 12 maart 2025.

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat voor het vonnis de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon blijkens het EAB aanwezig was op de zitting.

Met betrekking tot de omzettingsbeslissing met kenmerk II Ko 1741/21 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een rechterlijke beoordelingsvrijheid bij die beslissing. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat de omzetting op grond van de Poolse wet verplicht was en dat ook de omzettingsmaatstaf wettelijk is vastgesteld. De omzettingsbeslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.

Oordeel van de rechtbank

Het arrest met kenmerk IV Ka 885/21

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Dit betekent dat de rechtbank alleen het arrest zal toetsen aan artikel 12 OLW.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

Uit de aanvullende informatie van 17 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek door de politie als verdachte is verhoord. Tijdens dit verhoor heeft de opgeëiste persoon het adres [adres 1] opgegeven als correspondentieadres. Tevens is hij toen gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft deze adresinstructie op 27 september 2018 ondertekend. Uit de aanvullende informatie van 17 april 2026 volgt voorts dat in die adresinstructie expliciet stond vermeld dat de adresinstructie zich ook uitstrekt over een eventuele procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft zelf schriftelijk hoger beroep ingesteld en heeft daarbij een nieuw correspondentieadres opgegeven, te weten [adres 2] Hierna is de correspondentie in hoger beroep naar dat adres verzonden en aanvankelijk ook door de opgeëiste persoon persoonlijk in ontvangst genomen. Nadat de opgeëiste persoon niet was verschenen op de eerste zitting in hoger beroep, is de oproep (tweemaal) opnieuw naar dat adres verzonden. Deze oproep is vervolgens retour ontvangen, omdat die niet tijdig was afgehaald.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie van de Poolse (justitiële) autoriteiten.

Ofschoon de rechtbank begrip heeft voor de naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, kunnen deze geen rol spelen bij de beoordeling in het kader van artikel 12 OLW. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer van de raadsvrouw.

Vonnis met kenmerk II K 351/21

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De enkele mededeling van de opgeëiste persoon dat hij niet bij het proces aanwezig is geweest, is – zonder concrete onderbouwing - onvoldoende om te twijfelen aan die informatie. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

Beslissing met kenmerk II Ko 1741/21

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 23 maart 2023 volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, in beginsel geen beslissing vormt die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Daarnaast volgt uit het arrest van het HvJ EU van 9 oktober 2025 dat van een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf in ieder geval geen sprake is indien – kort gezegd – aan de betrokkene, ter vervanging van een vrijheidsbeperkende straf, een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, was veroordeeld en waarbij de rechter heeft beschikt over beoordelingsruimte. Het gaat dan om beoordelingsruimte bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf en om beoordelingsruimte bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf.

Naar aanleiding van de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 31 maart 2026 gestelde vragen heeft the Regional Court in Olkusz ongedateerde aanvullende informatie verstrekt. Hieruit volgt dat de vrijheidsbenemende straf van vier maanden geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling in het vonnis. Verder is de volgende informatie verstrekt:

“Pursuant to Article 65.1 of the Criminal Enforcement Code, if a convicted person evades the execution of a restriction of liberty sentence, the court shall - and if the person evades the payment of a monetary obligation or the performance of obligations imposed under Article 34.3 of the Criminal Code, the court may - order the enforcement of a custodial sentence in lieu of an unserved penalty. Where the convicted person has served part of the restriction of liberty sentence, the court orders the enforcement of a custodial sentence corresponding to the remaining portion of the restriction of liberty, on the basis that one day of the substitute custodial sentence is equivalent to two days of restriction of liberty.”

Uit de ongedateerde aanvullende informatie blijkt voorts:

“(…) on 25 February 2022 (case no. II Ko 1741121), the Regional Court ordered the enforcement of the custodial sentence of 4 months' imprisonment in lieu of the unserved restriction of liberty. The grounds for the enforcement of the substitute custodial sentence were the defendant evading the execution of the restriction of liberty sentence (…)”

“(…) Upon finding that the convicted person, [de opgeëiste persoon] was evading the execution of the community sentence, the Court was, in principle, obliged in the enforcement proceedings to convert it to a custodial sentence. (…)”

De rechtbank begrijpt uit de hierboven weergegeven aanvullende informatie dat de Poolse rechter in dit geval geen beoordelingsruimte had bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf en evenmin beoordelingsruimte had bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf. Daarom valt deze beslissing niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
5Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

medeplegen van mishandeling;

telkens: diefstal;

wederspannigheid, meermalen gepleegd.
6Artikel 11 OLW; artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 180, 300 en 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Krakowie Wydzial III Karny (District Court in Krakow, Third Criminal Division), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 OLW.

Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.

Zie onderdeel e) van het EAB.

ECLI:NL:RBAMS:2026:3248.

Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.

HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).

HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (Abbottly).

Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.

5Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

Artikel delen