ECLI:NL:RBAMS:2026:5150
text/xml
public
2026-05-29T11:47:09
2026-05-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-04-30
13/227863-25
Uitspraak
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Amsterdam
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5150
text/html
public
2026-05-29T11:46:36
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:5150 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 13/227863-25
Veroordeling voor het voorbereiden van het vervaardigen van MDMA, amfetamine of cocaïne door het voorhanden hebben van daarvoor geschikte stoffen tot een gevangenisstraf van 30 dagen ma. voorarrest. Daarnaast wordt veroordeelde veroordeeld voor het voorhanden hebben van 26,52 gram hennep. Voor dit feit volstaat een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/227863-25
Datum uitspraak: 30 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
(hierna: verdachte)
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2026. Verdachte was niet bij de behandeling aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman, die hiertoe gemachtigd was.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en wat de raadsman van verdachte, mr. J.F. van der Brugge, naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij
Ten aanzien van feit 1:
zich op 11 februari 2025 te Amsterdam al dan niet in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van diverse goederen ten behoeve van de voorbereiding en/of bevordering van het bereiden of vervaardigen van MDMA, amfetamine of cocaïne;
Ten aanzien van feit 2:
op 11 februari 2025 te Amsterdam opzettelijk 26,52 gram hennep aanwezig heeft gehad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en als hier ingevoegd geldt. De rechtbank leest hierbij in verband met kennelijke misslagen feit 1 verbeterd, zoals in de bijlage staat beschreven.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gesteld dat (partiële) vrijspraak dient te volgen voor zover de verdenking betrekking heeft op het voorhanden hebben van de woning. Uit het dossier volgt niet dat verdachte de woning heeft gehuurd met het specifieke doel daarmee de in de tenlastelegging omschreven voorbereidingshandelingen te begaan. Omdat de aangetroffen hennep, het slakkenhuis en de koolstoffilters niet bestemd zijn om een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden of te bevorderen moet verdachte hiervan ook worden vrijgesproken.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1 is geen bewijs voorhanden dat verdachte wist of moest weten dat de goederen bestemd waren om daarmee strafbare voorbereidingshandelingen te treffen. Verdachte was de vaste huurder van de woning, zodat niet kan worden gesteld dat hij die woning ter voorbereiding voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van het aangetroffen natriumzout ontbrak het bij verdachte aan de vereiste wetenschap over wat hij in huis had gehaald. Verdachte wist niet dat het ging om een stof waarmee MDMA kan worden gemaakt. Van de overige goederen kan niet worden gesteld dat verdachte daarover kon beschikken, aangezien verdachte zijn woning ook door anderen liet gebruiken. Die overige goederen zijn evenmin geschikt om daarmee strafbare voorbereidingshandelingen te treffen.
Ten aanzien van feit 2 geldt dat de aangetroffen stof niet is onderzocht, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het voorhanden hebben van hennep.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1:
De rechtbank moet beoordelen of verdachte de in de tenlastelegging genoemde goederen voorhanden heeft gehad. Voor ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in artikel 10a lid 1 Opiumwet is vereist dat de verdachte de feitelijke macht over die goederen kan uitoefenen, in die zin dat hij daarover kan beschikken. Niet vastgesteld hoeft te worden dat de goederen aan de verdachte toebehoren, of dat ten aanzien daarvan sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid.
Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of sprake is van opzet op het voorhanden hebben en op de voorbereiding of bevordering van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 (o.m. vervaardigen of verkopen van drugs) van de Opiumwet. Verdachte moet hebben geweten, of ernstige reden hebben gehad om te vermoeden, dat de goederen daartoe bestemd waren.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Het zwaartepunt van de verdenking van dit feit ligt bij het aangetroffen natriumzout. Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de woning van verdachte een zak met daarin ongeveer 24,4 kilogram natriumzout van PMK-glycidezuur is aangetroffen. Dergelijke stof wordt gebruikt voor het vervaardigen van MDMA.
Verdachte heeft aangegeven dat die zak met inhoud van hem was. Vast staat dus dat verdachte feitelijke macht over de zak met inhoud heeft uitgeoefend. Verdachte heeft de zak daarmee voorhanden gehad.
Uit de omstandigheden waaronder de zak is aangetroffen leidt de rechtbank af dat verdachte ook wist dat het ging om een goed dat bestemd was om een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. In de woning zijn, naast de zak met natriumzout, namelijk op diverse plaatsen druggerelateerde goederen aangetroffen (waaronder cocaïne, 2-mmc, hennep, een weegschaal, ponypacks en koolstoffilters). Deze goederen duiden op het gebruik van harddrugs en (de bereiding van) softdrugs. Hoewel deze goederen niet onder de tenlastegelegde strafbare voorbereidingshandelingen van feit 1 vallen, leidt de rechtbank daaruit wel af dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van verschillende drugsgerelateerde goederen in zijn woning. En de rechtbank gaat er daarom ook vanuit dat verdachte op zijn minst genomen ernstige redenen moet hebben gehad om te vermoeden dat het natriumzout van PMK-glycidezuur bestemd is voor de productie van harddrugs. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte wetenschap had van de strafbare bestemming van de zak met natriumzout.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de woning zelf – kort samengevat – ter strafbare voorbereiding aanwezig heeft gehad.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen nu niet blijkt dat ten aanzien van dit feit sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking met een ander of anderen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank feit 1 uitsluitend bewezen verklaren voor zover dit betrekking heeft op het voorhanden hebben van natriumzout van PMK-glycidezuur.
Ten aanzien van feit 2:
Een verbalisant heeft de in de woning aangetroffen hennep herkend aan de hand van de kleur, geur en vorm. Verdachte heeft verklaard dat deze hennep van hem is. De rechtbank acht daarom feit 2 bewezen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 11 februari 2025 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:
- het opzettelijk bereiden, bewerken en verwerken, en/of
- het opzettelijk vervaardigen,
van MDMA en/of amfetamine, stoffen voorhanden heeft gehad, te weten:
- ongeveer 24,4 kilogram Natriumzout van PMK-glycidezuur,
waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;
(art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2.
op 11 februari 2025 te Amsterdam aanwezig heeft gehad 26,52 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Motivering van de straffen en maatregelen
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte zijn woning en zijn bezittingen die in de woning lagen, als gevolg van deze zaak is kwijtgeraakt. De woning is namelijk door de burgemeester gesloten, waarna de huurovereenkomst is opgezegd en de woning is ontruimd. Verdachte is sindsdien dakloos. Verdachte heeft daarmee zeer nadelige gevolgen ondervonden die direct samenhangen met deze strafzaak. De raadsman heeft verzocht met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel aan verdachte op te leggen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen gericht op de bereiding van MDMA of amfetamine. Dat is naar zijn aard een ernstig feit. Aan de andere kant weegt de rechtbank mee dat verdachte enkel het natriumzout van PMK-glycidezuur voorhanden heeft gehad. Er zijn geen aanwijzingen dat hij daadwerkelijk bezig was met, of plannen had voor, de productie van harddrugs. Verdachte heeft daarnaast ook een strafbare hoeveelheid hennep voorhanden gehad.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onder meer voor vermogensdelicten is veroordeeld. Verdachte is niet eerder voor Opiumwet gerelateerde feiten veroordeeld. Bij het opleggen van de straf weegt de rechtbank in matigende zin mee dat verdachte zijn woning is kwijtgeraakt en daardoor dakloos is geworden. Deze ingrijpende omstandigheid staat in directe relatie tot de strafbare feiten waarvoor verdachte nu wordt veroordeeld en kan daarvan naar het oordeel van de rechtbank niet worden losgezien.
Strafoplegging
De rechtbank zal – alles afwegend – aan verdachte voor feit 1 een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen opleggen, waarvan achtentwintig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Voor feit 2, welk feit een overtreding betreft, zal de rechtbank met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht aan verdachte geen straf of maatregel opleggen. De rechtbank ziet hiertoe aanleiding in de beperkte ernst van dat feit.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.
9Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, 28 (achtentwintig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bepaalt dat ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Bijleveld, voorzitter,
mrs. H.B.W. Beekman en I. Struijkenkamp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2026.
[…]