Ambtshalve toetsing in een huurzaak. Oneerlijk beding ten aanzien van de bewijslastverdeling. Hoofdverblijf. In verstek geen gevolgen.
Rechtbank Amsterdam 26 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:5548
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2026
Datum publicatie
26-06-2026
Zaaknummer
12240374 CV EXPL 26-7248
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
ECLI:NL:RBAMS:2026:5548text/xmlpublic2026-06-26T18:00:272026-06-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-06-2312240374 CV EXPL 26-7248UitspraakBodemzaakEerste aanleg - enkelvoudigProceskostenveroordelingVerstekNLAmsterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5548text/htmlpublic2026-06-04T13:05:222026-06-26Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:5548 Rechtbank Amsterdam , 23-06-2026 / 12240374 CV EXPL 26-7248 Ambtshalve toetsing in een huurzaak. Oneerlijk beding ten aanzien van de bewijslastverdeling. Hoofdverblijf. In verstek geen gevolgen.
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623 Zaaknummer: 12240374 CV EXPL 26-7248 Vonnis van 23 juni 2026 in de zaak van STICHTING STADGENOOT, te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: Van der Hoeden / Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen, tegen 1. [gedaagde 1],
te [woonplaats] ,2. [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
niet verschenen. Verloop van de procedure Eiseres heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissingBesluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 1. Eiseres heeft niet gesteld of aangetoond dat zij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. In dit geval zal de kantonrechter daar geen consequenties aan verbinden, omdat de (subsidiaire) vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde ook is gegrond op de stelling dat gedaagde sub 1 geen hoofdverblijf houdt in het gehuurde. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Eiseres mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 3. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 4. Het huurprijs- en servicekostenvoorschotwijzigingsbeding in de artikelen 8 van de huurovereenkomst en 5.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden woonruimte 01-07-2008, verder: de algemene voorwaarden, zijn getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 5. Omdat de vordering van eiseres is gegrond op de stelling dat gedaagde sub 1 geen hoofdverblijf houdt in het gehuurde en de woning mogelijk onderverhuurd zijn ook de artikelen 7.14, 7.15 en 7.17 van de algemene voorwaarden getoetst. Deze artikelen luiden als volgt: “7.14 U bent zelf de hoofdbewoner van uw woning. U gebruikt uw woning als hoofdverblijf. Is dat niet het geval, dan betaalt u aan ons een boete van 10% van de maandhuurprijs voor iedere dag dat u deze verplichting niet nakomt. 7.15 U verhuurt uw woning of een deel daarvan niet zonder onze voorafgaande schriftelijke toestemming aan een ander. (…) 7.17 Wij mogen onderzoeken of u inderdaad hoofdbewoner bent en niet onderverhuurt. Er moet dan wel gerede twijfel zijn. Het onderzoek bestaat uit één of meer bezoeken aan uw woning. U werkt volledig mee en geeft ons alle relevante gegevens en stukken. U levert bewijs dat u onafgebroken in uw woning heeft gewoond. En dat dit uw hoofdverblijf is. Ook als het tot een gerechtelijke procedure komt, moet u dit bewijzen.” 6. De eerste zin van artikel 7.14 en het geciteerde deel van artikel 7.15 worden niet oneerlijk bevonden. De in artikel 7.14 genoemde boete wordt in deze zaak door eiseres niet gevorderd, waardoor een oordeel over de (on)eerlijkheid van deze boetebepaling in deze zaak niet aan de orde is. 7. Artikel 7.17 wordt niet oneerlijk bevonden, behoudens het laatste deel over de bewijslast. Daarover wordt het volgende overwogen. 8. Op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv rust op eiseres de bewijslast van haar stelling dat gedaagde tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst doordat hij zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. Artikel 7.17 van de algemene voorwaarden keert aldus de bewijslast om ten nadele van gedaagde. 9. Bij de toetsing of het beding eerlijk is, moet worden gekeken naar alle feiten en omstandigheden die golden ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst. 10. Tegen het oordeel dat het bewijsbeding oneerlijk is, pleiten de volgende feiten en omstandigheden:
- de verhuurder verkeert inzake het hoofdverblijf van de huurder in bewijsnood. Waar de huurder het centrum van zijn activiteiten heeft, is iets wat hij bij uitstek zelf het beste weet. Het gaat om feiten die geheel in de sfeer van de huurder liggen. De bewijslevering is voor de verhuurder moeilijk, in het bijzonder wanneer de huurder in de basisregistratie personen staat ingeschreven op het adres van het gehuurde. Het verzamelen van bewijs is bovendien praktisch lastig uitvoerbaar en juridisch risicovol (mede gelet op de door de verhuurder te respecteren privacy van de gebruikers van de woning, bijvoorbeeld bij langdurige observatie van de woning). Omwonenden zullen verder vaak schromen om ten nadele van een andere persoon een verklaring af te leggen. Anderzijds kan bewijs van hoofdverblijf door de huurder op velerlei manieren worden geleverd en is het niet goed voor te stellen dat iemand die in Nederland zijn hoofdverblijf heeft in een gehuurde woning, dat niet zal kunnen aantonen door middel van administratieve bescheiden en getuigenverklaringen van bekenden en omwonenden.
- het gehuurde betreft een sociale huurwoning. Voor dergelijke woningen bestaan in de onderhavige regio wachtlijsten die gemakkelijk een decennium beslaan. Het is vanuit het oogpunt van een goede volkshuisvesting hoogst onbillijk en voor een goed woon- en leefklimaat overigens ook ongewenst dat sociale huurwoningen onnodig leeg staan. Als met betrekking tot het (niet) hebben van hoofdverblijf op verhuurders een bewijslast wordt gelegd waaraan moeilijk kan worden voldaan, kan woonfraude moeilijk worden aangepakt en zullen de wachtlijsten langer zijn dan nodig is. 11. Naast het feit dat het bewijsbeding figureert op de indicatieve lijst bij de Richtlijn, pleiten vóór het oordeel dat het bewijsbeding in artikel 7.17 van de algemene voorwaarden oneerlijk is in de zin van de Richtlijn, de volgende feiten en omstandigheden:
- wie de bewijslast draagt, draagt het bewijsrisico. Dit zou betekenen dat als er grond voor twijfel blijft bestaan, omdat het bewijs voor en tegen elkaar in evenwicht houdt, toch van een overtreding van de huurovereenkomst moet worden uitgegaan.
- het begrip “hoofdverblijf” is naar zijn aard nogal vaag; het houdt in dat het leven van de huurder zich in hoofdzaak in en vanuit het gehuurde afspeelt, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Deze vaagheid brengt onzekerheid met zich over de vraag hoe het hoofdverblijf kan worden bewezen en de waarde die de rechter aan de gepresenteerde bewijsmiddelen zal toekennen.
- het voorgaande klemt temeer nu voor de huurder in een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst het dak boven het hoofd op het spel staat. Niet voor niets is in afdeling 5 van Titel 4 van Boek 7 BW aan het woonbelang van de huurder een groot gewicht toegekend, dat tot uiting komt in dwingendrechtelijke huurbescherming en huurprijsbescherming. Aan enigszins betaalbare woonruimte is in grote delen van Nederland (waaronder de regio waarin het gehuurde staat) een groot tekort, zodat een onterechte ontbinding en ontruiming niet alleen leidt tot verlies van de gehuurde woning, maar wellicht ook tot dakloosheid.
- het gehuurde betreft een sociale huurwoning. Voor dergelijke woningen bestaan lange wachtlijsten. Gegadigden voor dergelijke woningen hebben in de praktijk weinig andere keuze dan het belastende beding te aanvaarden als hun eindelijk een woning wordt aangeboden.
- het bewijsbeding belast de huurder met de moeite en de kosten die het vergaren van (getuigen)bewijs met zich brengt, onder meer (het voorschieten van) de eventuele getuigentaxen in de procedure. Afweging van hetgeen hiervoor is overwogen, brengt de kantonrechter tot het oordeel dat het onderhavige bewijsbeding oneerlijk is in de zin van Richtlijn omdat het in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en plichten van partijen aanzienlijk verstoort. In het bijzonder acht de kantonrechter in dit verband zwaarwegend dat het beding afbreuk doet aan het via dwingend recht geregelde recht op huurbescherming, dat het wezenskenmerk vormt van het Nederlandse huurrecht voor woonruimte. Deze inbreuk gaat verder dan redelijkerwijs nodig is. Ook neemt de kantonrechter in aanmerking dat aan de reëel bestaande bewijsnood van de verhuurder op toereikende wijze kan worden tegemoetgekomen langs de weg van de verzwaarde stel- of motiveringsplicht. Deze houdt in dat als de verhuurder gemotiveerd stelt dat de huurder de huurovereenkomst overtreedt doordat hij zijn hoofdverblijf niet (meer) in het gehuurde heeft, de bewijslast van het ontbrekend hoofdverblijf op de verhuurder blijft rusten, maar van de huurder mag worden verlangd dat hij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verhuurder om deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Als de huurder niet voldoet aan de verzwaarde motiveringsplicht kan de rechter de stellingen van de huurder als onvoldoende betwist voor waar aannemen, al of niet met de mogelijkheid van tegenbewijs (zie voor dit laatste ECLI:NL:HR:2006:AZ1083). Zie ook gerechtshof Amsterdam, 2 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1109. 12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewijslastomkering van artikel 7.17 van de algemene voorwaarden oneerlijk is. 13. In de onderhavige procedure moet echter worden vastgesteld dat gedaagden niet zijn verschenen en dat tegen hen verstek is verleend. De kantonrechter moet – op basis van de door eiseres in de dagvaarding aangedragen stellingen – toetsen of de vordering ongegrond of onrechtmatig voorkomt. In dit geval leidt het oneerlijke bewijsbeding van artikel 7.17 van de algemene voorwaarden er niet toe dat (een deel van) de vordering van eiseres met betrekking tot het hoofdverblijf van gedaagde sub 1 onrechtmatig of ongegrond voorkomt. 14. Omdat eiseres ook wettelijke rente en proceskosten vordert, zijn de artikelen 4.1 (rentebeding) en 16.1 (kostenbeding) van de algemene voorwaarden getoetst. 15. Artikel 4.1 van de algemene voorwaarden is getoetst en wordt niet oneerlijk bevonden. 16. Artikel 16.1 wordt wel oneerlijk bevonden, omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. De vordering 17. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, tenzij hierna iets anders is overwogen. BESLISSING De kantonrechter: ten aanzien van gedaagde sub 1: verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen eiseres en gedaagde sub 1 door opzegging op 30 januari 2026 is geëindigd; veroordeelt gedaagde sub 1 om de woning aan de [adres] met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde sub 1 bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eiseres te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt gedaagde sub 1 om te betalen aan eiseres:
a) € 5.243,21 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
b) € 742,88 per maand vanaf 31 mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt; veroordeelt gedaagde sub 1 in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 154,10 aan explootkosten, € 360,00 aan salaris gemachtigde, € 559,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. ten aanzien van gedaagde sub 2: veroordeelt gedaagde sub 2 om de woning aan de [adres] met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde sub 2 bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eiseres te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.