ECLI:NL:RBAMS:2026:5988
Vervolgings-EAB uit Italië. De opgeëiste persoon is niet verschenen. OM-betekening. De oproep is op correcte wijze aan de opgeëiste persoon betekend. Verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie verworpen. Overlevering toegestaan.
Rechtbank Amsterdam 16 June 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:5988
text/xml
public
2026-06-16T08:50:38
2026-06-12
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-06-10
13-035939-26
Uitspraak
Eerste en enige aanleg
NL
Amsterdam
Strafrecht; Europees strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5988
text/html
public
2026-06-15T15:15:57
2026-06-16
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:5988 Rechtbank Amsterdam , 10-06-2026 / 13-035939-26
Vervolgings-EAB uit Italië. De opgeëiste persoon is niet verschenen. OM-betekening. De oproep is op correcte wijze aan de opgeëiste persoon betekend. Verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie verworpen. Overlevering toegestaan.
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-035939-26
Datum uitspraak: 10 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juli 2022 door de Court of Reggio Emilia, Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De opgeëiste persoon is niet verschenen op de zitting van 27 mei 2026. Zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. Z.L. Moezel, als waarnemer voor mr. E.G.S. Roethof, beiden advocaat in Amsterdam, is wel verschenen. De gemachtigde raadsvrouw heeft ter zitting verklaard dat de opgeëiste persoon zelfstandig naar Italië is vertrokken. Als officier van justitie is aanwezig mr. A.L. Wagenaar.
De overleveringsdetentie is op 1 april 2026 geschorst onder (onder meer) de voorwaarden dat de opgeëiste persoon zal verblijven op het hiervoor genoemde Basisregistratie Personen (BRP)-adres en dat hij zich één keer per week op woensdag zal melden op het politiebureau [locatie]. Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft per e-mail van 26 mei 2026 de “akte van uitreiking” van de oproep voor de zitting, met bijlagen, aan de rechtbank toegezonden en aan het dossier toegevoegd. Uit een e-mail van de hoofdagent bij het politiebureau [locatie] van 17 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon zich in de weken voorafgaand aan de zitting tweemaal niet aan zijn meldplicht heeft gehouden. Ook blijkt uit de akte van uitreiking dat het tot twee maal toe (op een eerdere datum én op 17 mei 2026) niet gelukt is de akte uit te reiken op het BRP-adres van de opgeëiste persoon. Uit de hiervoor genoemde e-mail blijkt dat de stukken per post zijn opgestuurd en bovendien heeft op 26 mei 2026 een OM-betekening plaatsgevonden. Aan de hand van de “Informatiestaat SKDB-persoon” van 21 mei 2026 is gecontroleerd of de opgeëiste persoon op de dag van aanbieding van de oproep en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de BRP op het bovengenoemde adres stond ingeschreven, hetgeen het geval is. Een afschrift van de oproep is op 26 mei 2026 nogmaals naar het bovengenoemde adres verzonden. De rechtbank constateert dat de OM-betekening één dag voor deze zitting - te weten op 26 mei 2026 - heeft plaatsgevonden. Op die OM-betekening staat de naam en het adres van de opgeëiste persoon vermeld alsmede de vermelding van de zittingsdatum met tijdstip.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de wettelijke betekeningstermijnen die gelden in het commune strafrecht (artikelen 265, 319 en 320 Wetboek van Strafvordering (Sv)) niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in de Overleveringswet (OLW), is een OM-betekening die één dag voor de zitting is gedaan, tijdig. Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen zijn op grond van artikel 68 OLW slechts de artikelen 36b tot en met 36e, 36g, 36h en 36n Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Gelet op het voorgaande constateert de rechtbank aan de hand van deze artikelen en de akte van uitreiking met bijlagen dat de oproep op correcte wijze aan de opgeëiste persoon is betekend. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie behandelen in afwezigheid van de opgeëiste persoon.
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 mei 2026.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nigeriaanse nationaliteit heeft.
3Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de opgeëiste persoon zelfstandig naar Italië is vertrokken en zich dus niet langer in Nederland bevindt. Zij heeft gezegd dit vernomen te hebben van een kantoorgenoot die de opgeëiste persoon aan de telefoon gesproken heeft.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in haar vordering en de behandeling van het EAB kan worden voortgezet omdat de raadsvrouw geen objectieve stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk in Italië - en dus niet meer in Nederland - is. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, dient het EAB behandeld te worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beschikt niet over objectieve stukken waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk in Italië is. De enkele mededeling van zijn raadsvrouw dat hij hierover gebeld heeft met een kantoorgenoot, is onvoldoende om aan te nemen dat hij niet meer in Nederland verblijft. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat hij zelf heeft verklaard juist een sterke en duurzame binding met Nederland te hebben, nu hij zorg draagt voor zijn minderjarige kind en er op dit moment in dat kader ook een procedure bij de IND loopt voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning in Nederland. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de opgeëiste persoon zich niet langer in Nederland bevindt en ziet derhalve geen aanleiding om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
4Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB - in samenhang gelezen met het A-formulier - vermeldt een order applying detention on remand pending trial (house arrest) van de preliminary investigation judge at the Court of Reggio Emilia van 16 juni 2021, met kenmerk N. 3212/21 RGNR (Stralcio 1170/21) - 2255/21 RG GIP (Stralcio 1429/21).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Italiaans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
5Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychtrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Court of Reggio Emilia (Italië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.