ECLI:NL:RBAMS:2026:6499
text/xml
public
2026-06-26T14:45:15
2026-06-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-06-24
13/141502-25
Uitspraak
Eerste en enige aanleg
NL
Amsterdam
Strafrecht; Europees strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6499
text/html
public
2026-06-26T14:44:47
2026-06-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:6499 Rechtbank Amsterdam , 24-06-2026 / 13/141502-25
Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: er is sprake van een situatie als genoemd in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich niet voor. Artikel 11 OLW: het vastgestelde algemene gevaar ten aanzien van het remand regime in Polen is niet op de opgeëiste persoon van toepassing. Verder is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Evenredigheid: in het geval van de opgeëiste persoon is geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden. Overlevering toegestaan.
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-141502-25
Datum uitspraak: 24 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 november 2024 door the Regional Court of Rybnik 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ( Polen ),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres]
feitelijk verblijfsadres:
[verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 juni 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of the District Court of Rybnik van 24 mei 2022 met kenmerk III K 2243/21 (hierna: vonnis I) en een judgment of the District Court of Rybnik van 23 december 2022 met kenmerk III K 2526/21 (hierna: vonnis II).
Ten aanzien van vonnis I vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden voor vonnis I, en een jaar en vier maanden voor vonnis II, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van de straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, twee maanden en 29 dagen voor vonnis I, en een jaar en vier maanden voor vonnis II. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van vonnis II
Inleiding
Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 16 april 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 5 mei 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"After the Court of First Instance the District Court in Rybnik had delivered its judgment in case file reference II K 2526/21, [de opgeëiste persoon] , acting through counsel of his own choosing lodged an appeal against that judgment, which was subsequently examined by the Regional Court in Rybnik in case reference VI Ka 169/23. [de opgeëiste persoon] did not appear at the appeal hearing on 27 July 2023 before the Regional Court in Rybnik, however the defence counsel of his own choosing was present at the hearing. The summons to appear at the hearing was sent to the convicted person at the address designated by him — [adres] , however despite two delivery notices having been issued, the convicted person failed to collect it."
Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 28 mei 2026 de volgende vragen gesteld:
"1. Could you please clarify whether Mr [de opgeëiste persoon] 's attorney was mandated by Mr [de opgeëiste persoon] specifically to defend Mr [de opgeëiste persoon] in the Appeal procedure?
2. Did the requested person provide the Polish authorities with his address specifically during the Appeal proceedings in the concerning criminal case and have the summons for the Court hearing in Appeal also been sent to this address?
3. Could you please inform me whether Mr [de opgeëiste persoon] , during the proceedings in the concerning Appeal procedure, received instructions about the duty to inform the Polish authorities about address changes and about the consequences of not complying with this obligation?
a. Did he sign for these instructions?
b. Was the requested person also reminded in these address instructions of his rights and obligations with regard to the entire procedure?"
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 2 juni 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"1. Mr. [de opgeëiste persoon] 's attorney was his chosen defense attorney, meaning Mr. [de opgeëiste persoon] personally selected his defense attorney and authorized him to represent him before the Court.
2. Mr. [de opgeëiste persoon] provided his address during the preparatory proceedings and was instructed to inform the authority conducting the proceedings of any change of address. This obligation applied to the entire criminal proceedings, including any potential appeal proceedings. During the course of the case, court documents are served on both the accused and his defense attorney.
3. Response set forth in point 2.
a. Mr. [de opgeëiste persoon] refused to sign the report containing the written instructions regarding the accused's obligations referred to in point 2.
b. Answer included in point 2."
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is ten aanzien van het hoger beroep tegen vonnis II en dat de overlevering hiervoor partieel moet worden geweigerd. De situatie als bedoeld onder artikel 12 onder b OLW doet zich niet voor, aangezien niet duidelijk is of de advocaat was gemachtigd om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen tijdens de procedure in hoger beroep. De aanvullende informatie vermeldt immers geen naam van de advocaat. Het adres waarnaar de oproep voor de zitting in hoger beroep is verstuurd is bovendien anders dan het adres dat in het EAB wordt vermeld bij de persoonsgegevens van de opgeëiste persoon. Het is dus mogelijk dat de oproepen naar een verkeerd adres zijn verstuurd. Op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres van zijn ex-vriendin heeft hij de oproepen in ieder geval niet kunnen ontvangen. Verder kan de rechtbank niet afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat onduidelijk is of de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen. De raadsman stelt zich subsidiair op het standpunt dat het onderzoek moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over het hoger beroep tegen vonnis II.
Standpunt van de officier van justitie
Uit de aanvullende informatie van 5 mei 2026 volgt dat tegen vonnis II een hoger beroep heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van deze procedure in hoger beroep met kenmerk VI Ka 169/23 is sprake van een situatie als genoemd in artikel 12, onder b, OLW. Uit de stukken blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde advocaat en dat hij is opgeroepen op het door hem opgegeven correspondentieadres. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit de aanvullende informatie van 5 mei 2026, gelezen in samenhang met de door het Openbaar Ministerie gestelde vragen, leidt de rechtbank dat hiervan sprake is bij de procedure in hoger beroep met kenmerk VI Ka 169/23. De rechtbank zal daarom die procedure aan artikel 12 OLW toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 5 mei en 2 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Daaruit blijkt ook dat deze advocaat het hoger beroep heeft ingesteld, waaruit de rechtbank afleidt dat de verdediging tijdens het proces ook daadwerkelijk is gevoerd door die gemachtigde raadsman. Bij de vaststelling of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het van het voorgenomen proces dient , gelet op het Khuzdar-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), voldaan te worden aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces.
Het feit dat de opgeëiste persoon niet rechtstreeks in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces betekent niet noodzakelijkerwijs dat de voorwaarde dat de opgeëiste persoon van het tijdstip en de plaats van het proces is kennis gesteld niet is vervuld. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde voldaan moet bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving van de terechtzitting aan de bij verstek veroordeelde persoon enerzijds en aan de zorgvuldigheid die deze persoon heeft betracht om de aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen anderzijds. Wanneer uit duidelijke en objectieve aanwijzingen blijkt dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet vermijdt dat hij officieel in kennis wordt gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, kan die persoon worden geacht aan die voorwaarde te voldoen, mits de bevoegde nationale autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de opgeëiste persoon te lokaliseren en hem in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn proces.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in het vooronderzoek een adres heeft opgegeven, dat de Poolse autoriteiten de oproeping voor de zitting in hoger beroep tweemaal vergeefs op dat adres hebben aangeboden en dat opgeëiste persoon, ondanks het tweemaal door de Poolse autoriteiten op dat adres achtergelaten afhaalbericht, de oproeping niet heeft opgehaald. De opgeëiste persoon is tijdens de lopende procedure naar Nederland vertrokken en heeft bij de voorgeleiding verklaard geen contact te hebben onderhouden met zijn advocaat en de ex-vriendin wier adres hij heeft opgegeven in de voorprocedure. Hij is hiermee niet bereikbaar gebleven voor de Poolse autoriteiten, en heeft aldus met opzet vermeden dat hij in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces in hoger beroep, terwijl de Poolse autoriteiten redelijke inspanningen hebben verricht om hem in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van het proces in hoger beroep. Daarmee kan hij geacht worden aan die voorwaarde te voldoen.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank dan ook vast dat sprake is van een situatie als genoemd in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
5Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
(poging tot )afpersing;
medeplegen van mishandeling;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
6Artikel 11 OLW
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB in verband met de detentieomstandigheden in Polen. De rechtbank heeft al in
verschillende zaken de overlevering geweigerd vanwege de slechte omstandigheden in de Poolse gevangenissen. Sommige gevangenissen in Polen voldoen niet aan de eisen van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU en het is onduidelijk waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over waar de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De rechtbank heeft een algemeen gevaar aangenomen voor het remand regime in Polen en niet voor het detentieregime voor executie van al opgelegde vrijheidsstraffen. De raadsman heeft geen objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die een dergelijk algemeen gevaar onderbouwen. Hierdoor wordt niet toegekomen aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar, zodat het stellen van aanvullende vragen niet nodig is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft een algemeen reëel gevaar aangenomen van een onmenselijke en vernederende behandeling ten aanzien van het remand regime in Polen. Dit algemene reële gevaar geldt niet voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in detentie-instellingen in Polen. De zorgen die bestaan voor wat betreft Poolse detentieomstandigheden zien enkel op de omstandigheden waaraan voorlopig gehechten worden onderworpen. De raadsman heeft geen voor de rechtbank geen objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die tot een ander oordeel moeten leiden. Aangezien het vastgestelde algemene gevaar niet op de opgeëiste persoon van toepassing is, komt de rechtbank niet toe aan het stellen van aanvullende vragen aan de Poolse autoriteiten. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Poolse rechtsstaat en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Inleiding
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het algemene reële gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen ten aanzien van de gebreken in de Poolse rechtsstaat van toepassing is op de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is wellicht mede door dit gevaar veroordeeld in Polen. Op grond hiervan moet de overlevering geweigerd worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de raadsman niet heeft onderbouwd dat er concrete aanwijzingen zijn dat de gebreken in de Poolse rechtsstaat invloed hebben gehad op de strafzaak van de opgeëiste persoon. Er is dan ook geen sprake van een individueel gevaar. De overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat niet is aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. De raadsman heeft geen elementen aangevoerd waaruit blijkt of die doen vermoeden dat de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsstaat een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg.
7Evenredigheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank de overlevering te weigeren gelet op de binding die de opgeëiste persoon met Nederland heeft. Hij heeft een eigen bedrijf en woont samen met zijn vrouw en stiefzoon. De raadsman verwijst ter onderbouwing naar de stukken die door de verdediging zijn gevoegd bij het schorsingsverzoek van 3 april 2026. Gezien voornoemde omstandigheden kan er gesproken worden over voldoende binding met Nederland, hetgeen de overlevering onevenredig maakt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie neemt geen standpunt in ten aanzien van de evenredigheid.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vat het verweer van de raadsman op als een verweer dat ziet op de evenredigheid. In lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank moet voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval.
Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit 2002/582/JBZ (het Kaderbesluit), gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheid tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Daarbij is het in beginsel aan de uitvaardigende autoriteit om de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB te toetsen. Het is niet aan de rechtbank om te bepalen of er een minder vergaand middel dan een EAB voorhanden is.
Een beroep op de onevenredigheid van een EAB kan in een concreet geval slechts onder uitzonderlijke omstandigheden slagen. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in het geval van de opgeëiste persoon geen sprake. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
8Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 47, 300 en 317 Wetboek van Strafrecht, 3 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
10Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Rybnik 3rd Criminal Division, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek)), punt 32.
HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar).
Khuzdar, punt 71 – 72.
Khuzdar, punt 75-76 en 80.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203.