Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:6508

Executie-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Artikel 12 OLW: de rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond in verband met de gegeven adresinstructie. Artikel 6a OLW: de opgeëiste persoon wordt gelijkgesteld met een Nederlander en de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De rechtbank heropent de zaak om de toezending van het voornoemde certificaat en ...

Rechtbank Amsterdam 29 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:6508 text/xml public 2026-06-29T14:32:21 2026-06-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-06-24 13/186530-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg Tussenuitspraak NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6508 text/html public 2026-06-29T13:12:42 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6508 Rechtbank Amsterdam , 24-06-2026 / 13/186530-25
Executie-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Artikel 12 OLW: de rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond in verband met de gegeven adresinstructie. Artikel 6a OLW: de opgeëiste persoon wordt gelijkgesteld met een Nederlander en de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De rechtbank heropent de zaak om de toezending van het voornoemde certificaat en een kopie van het vonnis af te wachten.
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-186530-25

Datum uitspraak: 24 juni 2026

TUSSEN- UITSPRAAK

op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juni 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] (Polen),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres 1] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 3 juni 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor bepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie in het kader van artikel 6a OLW te verkrijgen van de Immigratie en Naturalisatiedienst (hierna: IND) en de Poolse autoriteiten.

Zitting van 10 juni 2026

De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 10 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Koszalin van 16 mei 2023 met kenmerk II K 1521/22.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB onder d) de volgende informatie opgenomen:

“No, the person failed to appear personally at the hearing when the order was given (II K 1512/22) (…)

c. knowing about the set hearing the person gave their power of attorney to a defence lawyer who was appointed by them or by the state in order to defend them and the defence lawyer indeed defended the person at the hearing

(…)

2. (…) in case reference II K 1512/22, the convicted [de opgeëiste persoon] did not pick up the summons to the hearing date together with the indictment, but granted power of attorney to his defense attorney, who was present at the hearing that resulted in the judgment being rendered and requested that the hearing conducted in his absence."

Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie bij e-mail van 1 mei 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 6 mei 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:

“(...) hereby informs that convicted [de opgeëiste persoon] was questioned at the preparatory stage of the proceedings on 23 August 2021. On that day, the convicted person was also charged and advised of the rights and obligations of a suspect in criminal proceedings. The convicted person was instructed, among other things, that while free, he was obligated to appear at all times during the criminal proceedings and to notify the authority conducting the proceedings of any change of residence or stay fasting longer than 7 days, including due to deprivation of liberty in another case, as well as any change in contact information. He was also instructed that if the suspect was abroad, he would be obligated to provide an address for service in the country or another European Union country. If he is not present in Poland or another European Union country, a document sent to the last known address in Poland or another European Union country would be deemed to have been served. Furthermore, if the suspect, without providing a new address, changed his place of residence or did not reside at the address he had indicated, a document sent to that address during the ongoing proceedings would be deemed to have been served . [de opgeëiste persoon] confirmed receipt of the instruction on rights and obligations before the first hearing on 23 August 2021, by signing it personally. During the hearing, the convicted person provided his residential address, [adres 1] (the Netherlands), and a correspondence address in Poland, [adres 2] . The obligation to inform the Court or a change of residence applies to the convicted person at every stage of the proceedings, i.e., preparatory proceedings, criminal proceedings, and enforcement proceedings. It should he noted that during the hearing on 23 August 2021, [de opgeëiste persoon] pleaded guilty to the offense he was charged with. On September 2021, the convicted person's defense attorney, solicitor Pawel Mirski, joined the case on [de opgeëiste persoon] 's behalf.

The convicted person granted the defense attorney a power of attorney to represent [de opgeëiste persoon] during the preparatory proceedings and during the criminal proceedings before the court of first and second instance. Furthermore, the power of attorney indicated that [de opgeëiste persoon] consented to the granting of further powers of attorney and authorization to represent within the meaning of the provisions of the Bar Law. On 27 September 2021, Pawel Mirski granted a substitutive power of attorney to solicitor Katarzyna Olszczak to represent solicitor Pawel Mirski in the case (to which the convicted person consented in a power of attorney dated 13 September 2021).

On 25 November 2022, the convicted person and his defense attorney were notified that the indictment had been sent to the Local Court in Koszalin. The convicted person did not receive/pick up the aforementioned notification while the convicted persons' s defense attorney received the notification on 24 January 2023. The Local Court in Koszalin set the date of the first hearing for 20 March 2023 and notified the convicted person of the date at the address [adres 2] as well as his defense attorney. The convicted person did not collect/pick up the correspondence addressed to him. At the hearing on 20 March 2023, solicitor Katarzyna Oleszczak appeared as the convict's defense attorney. The convicts defense attorney requested an adjournment of the hearing due to the lack of contact with the convicted person due to the convicted person's inactive telephone number. The court adjourned the hearing to 16 May 2023 and further ordered that the notification be served to the address in the Netherlands provided by the convict during the hearing at the preparatory stage of the proceedings, [adres 1] (Netherlands), and to the address for service in Poland [adres 2] .

At the hearing on 16 May the convicted person did not appear. However, solicitor Katarzyna Oleszczak did appear. (…) the court decided to conduct the hearing in the absence of [de opgeëiste persoon] , who had been properly notified of the hearing date and failed to appear without providing an excuse. At the hearing on 16 May 2023 in case II K 1521/22, the Local Court in Koszalin rendered a judgment of 10 months of imprisonment. (…) The convicted person's defense attorney did not appeal against the judgment. The judgment became final on 16 June 2023. (...) "

Standpunt van de raadsman

De raadsman neemt geen standpunt in ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat sprake is van een situatie als genoemd in artikel 12, onder b, OLW. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde advocaat en dat hij is opgeroepen op het door hem opgegeven correspondentieadres. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.

Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.

De rechtbank overweegt dat in het EAB onder d) is aangekruist dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW aan de orde is. Uit de aanvullende informatie blijkt echter dat de advocaat op de zitting van 20 maart 2023 heeft verzocht om aanhouding van de behandeling omdat zij geen enkel contact meer had gehad met de opgeëiste persoon omdat hij telefonisch niet bereikbaar was. Op de volgende zitting op 16 mei 2023 is de advocaat verschenen, maar uit de aanvullende informatie blijkt niet of zij op die zitting daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. Daargelaten de vraag of de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces, kan de rechtbank gelet op deze informatie al niet vaststellen dat ten tijde van de inhoudelijke behandeling op 16 mei 2023 sprake was van de situatie van artikel 12, onder b, OLW. Evenmin is sprake geweest van de situatie van artikel 12, onder a of c, OLW, noch is een verzetgarantie gegeven als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van weigering op grond van artikel 12 OLW. Daarvoor is het volgende van belang. De opgeëiste persoon is op 23 augustus 2021 gehoord als verdachte, waarbij hij een bekennende verklaring heeft afgelegd. In september 2021 heeft de opgeëiste persoon een advocaat in de arm genomen. Hij wist derhalve van de strafrechtelijke vervolging, althans moest hier in ieder geval rekening mee houden. Op 23 augustus 2021 heeft de opgeëiste persoon zowel een Pools als een Nederlands adres opgegeven waar hij bereikbaar diende te zijn voor de autoriteiten. Ook heeft hij een adresinstructie ondertekend waaruit de verplichting volgde om ieder adreswijziging door te geven, waarbij hij is gewezen op de gevolgen van het niet nakomen daarvan. Voor de zitting van 16 mei 2023 is de opgeëiste persoon tevergeefs opgeroepen op zowel zijn Nederlandse als zijn Poolse adres. Gelet op die omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon impliciet afstand heeft gedaan van zijn recht om tijdens het proces aanwezig te zijn, althans dat hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest ten aanzien van zijn bereikbaarheid voor de Poolse autoriteiten.
5Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.

De opgeëiste persoon doet een beroep op artikel 6a OLW. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

Eerste voorwaarde

Uit een brief van de IND van 8 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 9 maart 2020 is geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger. Het oorspronkelijk verblijfsrecht gaat terug tot 9 januari 2008. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.

Aan deze voorwaarde is dus voldaan.

Tweede voorwaarde

De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 8 juni 2026 volgt dat de strafrechtelijke feiten zoals beschreven in de bevraging door het Openbaar Ministerie er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.

Ook aan deze voorwaarde is voldaan.

De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.

Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.

De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.

Om de straf te kunnen overnemen is, gelet op het arrest C.J., toestemming vereist van de Poolse bevoegde autoriteit. Hiervoor is toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van the Local Court in Koszalin van 16 mei 2023 nodig.

Ondanks het verzoek van het Openbaar Ministerie van 27 mei 2026 zijn deze stukken nog niet door de rechtbank ontvangen. Wel heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 29 juni 2026 de volgende informatie verstrekt:

"(…) the Local Court in Koszalin, II Criminal Department, Section for the Enforcement of Judgments and Debt Collection, hereby informs that it does not oppose the execution of the prison sentence by the Dutch judicial authorities."

Vervolgens heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in een brief van 1 juni 2026 het volgende vermeld:

"(...) this Court informs you that after collecting the necessary documentation, preparing a certificate and then translating it into English- we will soon make a request to you to take over the execution of the prison sentence imposed on the above mentioned person by the judgment of the Local Court in Koszalin in case reference II K 1521/22. Due to the above, it is impossible to provide the requested information within the time limit you indicated. "

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de zaak te heropenen om de toezending van het voornoemde certificaat en een kopie van het vonnis af te wachten.

De rechtbank zal, gelet op de uitzonderlijke omstandigheid dat het certificaat en vonnis niet voor het verstrijken van de 90-dagen termijn zullen worden ontvangen en overlevering van de opgeëiste persoon zich niet verhoudt met het vastgestelde resocialisatiebelang in Nederland, het onderzoek heropenen en de beslistermijn verlengen met 60 dagen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding.
7Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
8Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van the Local Court in Koszalin van 16 mei 2023.

VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen, eindigend op 28 augustus 2026, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

BEPAALT dat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór 28 augustus 2026 weer op zitting wordt gepland.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman, en van een tolk in de Poolse taal.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 juni.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet.

Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.

Zie onderdeel e) van het EAB.

Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.

Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).

Vergelijk Rb. Amsterdam 4 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5906.

Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.

Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

Artikel delen