Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:7502

Vrijspraak van poging tot doodslag. Bewezenverklaring van zware mishandeling. Veroordeling tot een gevangenisstraf van vijftien (15) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan negen (9) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren en met bijzondere voorwaarden. Teruggave van het beslag. Toewijzing van de vordering benadeelde partij tot € 2.944,44 (materieel + immaterieel), met d...

Rechtbank Amsterdam 30 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:7502 text/xml public 2026-07-30T08:24:50 2026-07-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-11 13276406-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7502 text/html public 2026-07-27T09:17:33 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:7502 Rechtbank Amsterdam , 11-02-2026 / 13276406-25
Vrijspraak van poging tot doodslag. Bewezenverklaring van zware mishandeling. Veroordeling tot een gevangenisstraf van vijftien (15) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan negen (9) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren en met bijzondere voorwaarden. Teruggave van het beslag. Toewijzing van de vordering benadeelde partij tot € 2.944,44 (materieel + immaterieel), met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Opheffing van de voorlopige hechtenis.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/276406-25

Datum uitspraak: 11 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende op het adres [adres 1] , nu gedetineerd in [detentieplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.C. Gribling en van wat verdachte en zijn raadsman mr. L.J.B.G. van Kleef naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat hij zich op 28 september 2024 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op aangever [aangever] . Subsidiair is dit als zware mishandeling ten laste gelegd, meer subsidiair als poging tot zware mishandeling en meest subsidiair als mishandeling.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs 4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van poging doodslag (primaire feit). Gelet op de beelden, is er sprake geweest van meerdere forse geweldshandelingen. Deze handelingen omvatten onder meer een schop met geschoeide voet, in het gezicht en tegen het hoofd van aangever die daardoor knock-out is gegaan. Eenieder is zich ervan bewust dat door deze handelingen een aanmerkelijke kans op de dood ontstaat. Verdachte heeft die kans bewust aanvaard. Dit kan onder meer worden afgeleid uit het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij in 2022 is vervolgd voor een poging tot doodslag vanwege schoppen tegen het hoofd. Volgens de officier van justitie was verdachte een gewaarschuwd mens. Daarnaast heeft verdachte tijdens zijn verhoor verklaard dat het ‘in het ergste geval vast zou kunnen gebeuren’ dat iemand overlijdt door een schop.

Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van zware mishandeling.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van poging tot doodslag (primaire feit). Een eenmalige schop tegen het hoofd levert – gelet op de jurisprudentie – naar algemene ervaringsregels nog geen aanmerkelijke kans op de dood op. Ook is er geen sprake van zware mishandeling (subsidiaire feit). Het vastgestelde letsel is een scheurtje in de lip en dit letsel kan niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van poging tot zware mishandeling (meer subsidiaire feit) heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Vaststelling van de feiten

Op grond van de bewijsmiddelen die zijn opgesomd in bijlage II, waaronder de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 28 september 2024 te Amsterdam geweldshandelingen heeft toegepast op aangever. Hierbij heeft verdachte aangever meerdere malen gestompt tegen het hoofd van aangever, aangever geschopt en geduwd tegen het lichaam en aangever in het gezicht geschopt.
4.3.2
Vrijspraak van poging tot doodslag

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe de geweldshandelingen van verdachte gekwalificeerd moeten worden.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat het op aangever toegepaste geweld geen poging tot doodslag oplevert. Een schop tegen het hoofd of in het gezicht levert naar algemene ervaringsregels niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood op. Ter bepaling van voornoemde aanmerkelijke kans moet gekeken worden naar alle omstandigheden van geval. In dat licht ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de geweldshandelingen een aanmerkelijke kans op de dood van aangever in het leven hebben geroepen. Verdachte heeft éénmaal in het gezicht geschopt, waarbij het ging om - wat de rechtbank zou willen noemen - een ‘voetbaltrap’, dat wil zeggen een trap vanaf de voorkant en niet van bovenaf. De verdachte droeg hierbij sneakers en niet bijvoorbeeld zware schoenen of schoenen met een spitse punt. Deze omstandigheden samen leveren naar het oordeel van de rechtbank niet naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood op. In dat licht acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte heeft gepoogd aangever van het leven te beroven.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag dus niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4.3.3
Bewezenverklaring van zware mishandeling

De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling wel bewezen en overweegt hiertoe als volgt.

Uit de camerabeelden volgt dat verdachte fors geweld op aangever heeft toegepast. Hij heeft aangever meerdere malen gestompt tegen het hoofd en stevig geduwd. Verdachte is doorgegaan met geweld plegen terwijl aangever op de grond belandde en heeft aangever daarbij tegen het hoofd geschopt. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat er ook sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Uit het waarneemverslag van het OLVG blijkt dat aangever vlak na het incident een bult heeft op het voorhoofd, een scheurwond op de linker bovenlip van drie centimeter heeft, en drukpijn op de linker kaak. Aangevers lip is gehecht met drie hechtingen. Op de foto van aangever die op 18 oktober zou zijn gemaakt – ruim een jaar na het geweldsfeit – is nog altijd een litteken op de linker bovenlip van aangever waarneembaar. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kan in voorkomende gevallen bij beoordeling van letsel worden betrokken of er restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens en of medisch ingrijpen noodzakelijk is geweest. De Hoge Raad noemt dat bij de beoordeling van het litteken onder meer het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin het litteken het lichaam ontsiert, kunnen worden betrokken. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het litteken op de bovenlip van aangever – in het aangezicht en een jaar na dato nog goed zichtbaar – kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling van aangever dan ook bewezen.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

subsidiair:

op 28 september 2024 te Amsterdam aan een ander, te weten [aangever] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [aangever]

met kracht

- te stompen tegen het hoofd, ten gevolge waarvan die [aangever] ten val is gekomen, en

- vervolgens te schoppen tegen het lichaam, en

- vervolgens te stompen tegen het hoofd en

- vervolgens te duwen tegen het lichaam, ten gevolge waarvan die [aangever] ten val is gekomen, en

- vervolgens te schoppen in het gezicht van die [aangever] .

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
6De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is daarmee ook strafbaar.
8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit bij het bepalen van de strafmaat niet enkel te focussen op het aspect vergelding, maar om ook rekening te houden met hetgeen verdachte in zijn persoonlijke leven over de afgelopen jaren heeft opgebouwd. Hoewel verdachte documentatie heeft ten aanzien van onder meer geweldsfeiten, dateren deze van een periode waarin het ‘slecht ging’ met verdachte. De laatste jaren heeft verdachte een positieve draai aan zijn leven gegeven, waarbij hij een woning en een eigen onderneming heeft en zorgt voor zijn twee dochters. Verdachte is dan ook meer gebaat bij een (deels) voorwaardelijke straf waaraan als voorwaarde bijvoorbeeld een agressieregulatie-training zal worden verbonden.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft aangever tijdens een avond uit in een bar aangevallen en daarbij meerdere forse geweldshandelingen toegepast, onder meer een schop in het gezicht van aangever. Verdachte is doorgegaan met geweld plegen terwijl aangever op de grond lag. Met zijn handelen heeft verdachte aangever pijn en zwaar letsel toegebracht. Als gevolg van het geweld heeft aangever een ontsierend litteken in zijn gezicht opgelopen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad (Uittreksel Justitiële Documentatie) van verdachte van 16 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2022 onherroepelijk is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en in 2020 voor mishandeling. Er is dus sprake van recidive. Daarnaast blijkt uit het strafblad dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 16 januari 2026. De reclassering ziet een gedragspatroon van agressie, al dan niet onder invloed van alcohol. Er zijn risicofactoren op meerdere leefgebieden, zoals middelengebruik en het psychosociaal functioneren van verdachte. Op de overige leefgebieden is er voldoende stabiliteit. Het recidiverisico en het risico op letsel worden als gemiddeld ingeschat. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling en een alcoholverbod.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, mede vanwege het feit dat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest. Dit doet recht aan het leed dat verdachte heeft veroorzaakt bij aangever. De rechtbank ziet daarbij ook het belang van een fors voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden. Op die manier is er een stok achter deur en krijgt verdachte de noodzakelijke behandeling en begeleiding, zodat de kans op recidive wordt verkleind.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend en geboden.
9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 9.1
De vordering

De benadeelde partij [aangever] vordert € 444,44 aan vergoeding van materiële schade vanwege verlies aan arbeidsvermogen. Ter onderbouwing hiervan heeft hij zijn arbeidscontract, werkrooster en loonstroken overgelegd. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 2.500,00 aan vergoeding van immateriële schade, vanwege het opgelopen letsel. Voor de hoogte van deze vordering is aansluiting gezocht bij soortgelijke uitspraken. De benadeelde partij vordert dat de bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
9.2
Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

De verdediging heeft zich voor wat betreft de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft de hoogte van de vordering tot immateriële schade betwist.
9.3
Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De (hoogte van de) vordering tot materiële schade is niet betwist. De rechtbank acht de vordering en de hoogte daarvan voldoende onderbouwd en wijst het gevorderde bedrag toe, met vermeerdering van de wettelijke rente.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank wijst op de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, namelijk het letsel en het blijvende litteken in het aangezicht. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en zoekt aansluiting bij de Rotterdamse Schaal voor smartengeld. Zij vindt onderdeel 9.2 van die schaal (misvorming van het gezicht – minder ernstige littekenvorming) de meest passende rubriek en constateert dat het gevorderde bedrag zich aan de onderkant van die schaal bevindt. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het gevorderde bedrag redelijk en wijst zij de vordering toe, met vermeerdering van de wettelijke rente.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [aangever] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.944,44.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
11Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 9 (negen) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering:

Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen 5 (vijf) werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerstvolgende afspraak.

- Ambulante behandeling:

Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan een (uitgebreide) intake, risicotaxatie en/of diagnostiek, uitgevoerd door De Waag of een soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde laat zich vervolgens behandelen door De Waag of soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering, als dit op basis van de (uitgebreide) intake, risicotaxatie en/of diagnostiek wordt geïndiceerd. De behandeling duurt zolang de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

- Alcoholverbod:

Veroordeelde gebruikt gedurende de proeftijd geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

*Mocht betrokkene terugvallen in middelengebruik zal dit niet in eerste instantie leiden tot een sanctionering maar tot interventie. Te denken valt aan een gedragsinterventie Leefstijltraining of (verslavings)behandeling.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- een geldbedrag ter hoogte van € 3.000,00 (drieduizend euro), goednummer PL1300-2024231217-6724627.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van € 444,44 (vierhonderdvierenveertig euro en vierenveertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 28 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 2944,44 (negenentwintighonderdvierenveertig euro en vierenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 28 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 29 (negenentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E. Biçer en J. Langer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Willeboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2026.

[…]
[…] […] […] […] […]

Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.

Artikel delen