Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.22257 en NL19.22258
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en
(gemachtigde: mr. J.W. van Deel).
Bij besluit van 19 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk in de Perzische taal is verschenen mr. G. de Vries. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
1. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van de Dublinverordeningn
Verordening (EU) nr. 604/2013. Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2. Eiseres stelt zij dat zij vanwege de beperkte middelen die haar in Letland als asielzoekster worden verstrekt, zij geen toegang zal hebben tot de noodzakelijke medische zorg. Vanwege haar medische problemen is zij verder afhankelijk van de hulp van haar zoon die in Nederland woont. Deze verleent de benodigde mantelzorg, die zij niet in Letland kan krijgen. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte geen advies heeft opgevraagd bij het Bureau Medische Advisering (BMA) over de medische situatie van eiseres.
3. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd enerzijds een beroep op gebrekkige medische voorzieningen in Letland. In dit soort gevallen mag Nederland er echter vanuit gaan dat in Letland als lidstaat van de Europese Unie (EU) vergelijkbare zorg aan asielzoekers biedt als in Nederland (interstatelijk vertrouwensbeginsel). Daar wordt alleen van afgeweken als aannemelijk is dat er sprake is van structurele tekortkomingen in deze voorzieningen in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest). Dat daarvan sprake is heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat asielzoekers een bepaald bedrag wordt toegekend zegt op zichzelf niets over de toegang tot zorg. Zij heeft verder niet gesteld of onderbouwd dat de specifieke medische problemen waar zij mee kampt in Letland niet behandeld kunnen worden. Daarom heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eiseres in Letland behandeld kan worden voor haar medische problemen.
4. Anderzijds ligt in wat eiseres heeft aangevoerd een beroep op artikel 16 van de Dublinverordening besloten. Op grond van dat artikel zorgen lidstaten dat asielzoekers worden verenigd met familieleden van wie zij afhankelijk zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres deze afhankelijkheid onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft een beroep gedaan op een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 8 april 2019n
Zittingsplaats Utrecht, AWB 19/2213, niet gepubliceerd. Zittingsplaats Zwolle, NL18.15990, niet gepubliceerd. 201807829/1/V3, ECLI:NL:RVS:2018:4310, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl. Brief van 1 oktober 2019 van behandelend psychiater J-P Kemperman, werkzaam bij GGZ ingeest.
5. Eiseres stelt ten slotte dat de overdracht naar Letland vanwege haar ernstige aandoening een negatieve invloed op de gezondheidstoestand zou hebben. Zij doet een beroep op het arrest C.K. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU)n
Arrest van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127).
6. In het door eiseres genoemde arrest heeft het HvJEU geoordeeld dat ook als er geen systeemfouten in de (medische) opvang en procedure zitten, overdracht in strijd kan zijn met artikel 4 van het Handvest. Dit zal zich voordoen als de overdracht van de asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van die asielzoeker zou inhouden. Dat moet volgens de Afdeling de vreemdeling aannemelijk maken met objectieve gegevens, bijvoorbeeld met stukken van een behandelaar dat er een reëel of hoog risico op suïcide bestaat als gevolg van de overdrachtn
Uitspraak van 22 augustus 2019, 201901380/1/V3, ECLI:NL:RVS:2019:2845, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl
7. Het beroep is ongegrond. Omdat nu op het beroep wordt beslist zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL19.22257,
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL19.22258,
- wijst het verzoek af.
De beslissing is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.