ECLI:NL:RBDHA:2020:8670
text/xml
public
2026-09-03T11:50:23
2020-09-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2020-09-03
C/09/598347 / KG ZA 20-776
Uitspraak
Kort geding
NL
Den Haag
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8670
text/html
public
2026-09-03T11:48:43
2026-09-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2020:8670 Rechtbank Den Haag , 03-09-2020 / C/09/598347 / KG ZA 20-776
Kort geding - executiegeschil - geen sprake van misbruik van bevoegdheid
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/598347 / KG ZA KG ZA 20-776
Vonnis in kort geding van 3 september 2020
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. R. Bleijendaal te Haarlem,
tegen:
INTERGEMEENTELIJKE SOCIALE DIENST BOLLENSTREEK te Lisse,
gedaagde,
advocaat: mr. V.L.T. van Roy te Leiden.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ISD’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties;
het verweer van ISD met producties;
de brief van ISD van 31 augustus 2020 met een nadere productie;
de op 1 september 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door ISD pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
ISD is een publiekrechtelijke rechtspersoon op basis van een samenwerkingsverband van de gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen. Zij voert ten behoeve van al deze gemeenten de taken uit op het gebied van de sociale zekerheid, waaronder de Participatiewet (Pw) en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO).
2.2.
[eiser] ontvangt met ingang van februari 2014 diverse voorzieningen van ISD. In het kader daarvan zijn tussen partijen een groot aantal geschillen gerezen. Partijen hebben veelvuldig procedures tegen elkaar gevoerd.
2.3.
Bij kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 februari 2019 (kenmerk C/09/560634 / KG ZA 18-1001) is aan [eiser] een contactbeperking opgelegd die inhoudt dat het [eiser] wordt verboden om zich gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar per kalendermaand meer dan twee keer met brieven, faxen en e-mails of op welke wijze dan ook (SMS, telefonisch, balie etc.) te richten tot ISD en/of haar medewerkers of andere organen of instellingen die zich vanwege de in artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur en/of andere wettelijke bepalingen opgenomen doorzendplicht moeten wenden tot ISD, daarbij uitdrukkelijk voor bezwaar vatbare beschikkingen niet inbegrepen, waarbij de betreffende correspondentie niet meer dan één aanvraag, bezwaar, klacht of herzieningsverzoek mag bevatten en niet mag zien op meer dan één procedure naar aanleiding van een dergelijke aanvraag, bezwaar, klacht of herzieningsverzoek, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor elke keer dat dit verbod wordt overtreden, met een maximum van € 25.000,--. Tevens is [eiser] veroordeeld in de proceskosten.
2.4.
Bij arrest van 25 februari 2020 heeft het gerechtshof Den Haag het onder 2.3 vermelde kort gedingvonnis bekrachtigd, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. In dit arrest heeft het gerechtshof onder andere het volgende overwogen:
"5.3 Het hof oordeelt in het kader van dit kort geding dat [eiser] wel misbruik van recht maakt op grond van het volgende:
-I- De ISD heeft in hoger beroep met een overzicht van werkprocessen onderbouwd dat [eiser] per 27 juni 2019 ruim 700 werkprocessen op zijn naam heeft staan. Volgens de ISD is dit inmiddels opgelopen tot meer dan 800. Hoewel [eiser] de gestelde aantallen heeft betwist, staat voldoende vast dat hij zich zeer vaak tot de ISD heeft gewend, soms honderden keren per jaar en tientallen keren per week. Dit is vele malen meer dan klanten van de IDS gemiddeld nodig hebben (volgens de ISD: ongeveer 3,07 werkprocessen per jaar voor een gemiddelde klant). [eiser] heeft niet aangevoerd dat zijn persoonlijke situatie in belangrijke mate afwijkt van die van ‘een gemiddelde klant’ van de ISD.
-II- In dit kort geding staat vast dat [eiser] in het verleden misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om verzoeken aan de ISD te doen. Zowel de Afdeling als bestuursrechters in de rechtbank Den Haag hebben dit misbruik al vastgesteld (zie onder 1.5 en 1.6). [eiser] algemene stellingen dat zijn (overige) WOB-verzoeken nodig waren voor zijn bezwaarschriftprocedures of voor 'waarheidsvinding' zijn zeker tegen die achtergrond te vaag voor het oordeel dat hij zijn recht niet misbruikte. Wat hij ter onderbouwing van enkele van zijn verzoeken concreet heeft aangevoerd - namelijk dat hij informatie wilde over de wijze van behandelen van zijn kredietaanvragen en stukken over de extra personeelsinzet voor hem, over de deskundigheid van een bepaalde ISD-medewerker en over de reiskostendeclaraties van ISD-medewerkers voor zittingen - kan het beeld van misbruik van recht niet wegnemen. Er lijkt hierbij niet steeds sprake te zijn van rechtmatige doelen. Bovendien zegt het niets over zijn bedoelingen bij de overige (vele) verzoeken. In elk geval kan dit niet rechtvaardigen dat [eiser] buitensporig vaak per maand contact met de ISD zoekt. Het feit dat eerdere WOB-verzoeken zijn gehonoreerd door aan [eiser] op 27 maart 2018 alles uit zijn dossier te overhandigen, vormt geen aanwijzing voor de stelling dat de talrijke andere verzoeken van [eiser] niet misbruikelijk waren.
(…)
6.2
Volgens het hof is het door de voorzieningenrechter opgelegde contactverbod nog steeds noodzakelijk en proportioneel vanwege het volgende:
Twee contactmomenten per maand met de ISD, uitgezonderd bezwaar tegen een voor bezwaar vatbaar besluit, komt het hof ruim voldoende voor iemand die alleen vanwege de verleende financiële bijstand in contact met de ISD moet kunnen treden om verzoeken en aanvragen te doen, klachten in te dienen of in gebreke te stellen. Bijzondere omstandigheden die de situatie van [eiser] anders zouden maken dan wat normaliter voldoende is, zijn niet naar voren gekomen. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat [eiser] ook niet concreet heeft gemaakt welk reëel aantal maandelijkse contactmomenten voor hem wel werkbaar zou zijn. Het hof merkt op dat van het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod uitdrukkelijk is uitgesloten - zoals beide partijen ook zo hebben begrepen - het richten tot de ISD "vanwege voor bezwaar vatbare beschikkingen" en het voldoen aan wettelijke verplichtingen. [eiser] kan dus (naast de twee contacten per maand) door de ISD gevraagde gegevens overleggen en bezwaar indienen tegen de zojuist genoemde besluiten van de ISD en het opgelegde verbod staat ook niet in de weg aan toegang tot de rechter wanneer [eiser] in beroep wil gaan tegen een beslissing op zo’n voor bezwaar vatbaar besluit.
Het verbod van de voorzieningenrechter laat aan [eiser] de mogelijkheid open om twee keer per maand contact met de ISD te zoeken. Hij mag dus twee keer per maand een brief, verzoek, aanvraag of ingebrekestelling aan de ISD ter behandeling geven. Dat de ISD (ook) die sinds 10 september 2019 niet meer wil behandelen en dus verder gaat dan het in vonnis opgelegde verbod, maakt niet dat dat opgelegde verbod een disproportionele reikwijdte heeft."
Tegen het arrest is geen rechtsmiddel ingesteld.
2.5.
Bij kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 31 augustus 2020 (kenmerk C/09/C/09/595066 / KG ZA 20-580) heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat de dwangsommen naar aanleiding van de aan [eiser] opgelegde contactbeperking inmiddels zijn 'volgelopen' en is de contactbeperking versterkt met een (nieuwe/extra) dwangsombepaling, in die zin dat [eiser] een dwangsom van € 500,-- verbeurt voor elke keer dat hij het hem in het vonnis van 7 februari 2019 opgelegde verbod overtreedt, met een maximum van € 5.000,--. Voor het geval dat [eiser] ook dit maximum aan dwangsommen verbeurt, is het vonnis van 7 februari 2019 uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard.
2.6.
Bij kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 februari 2019 (kenmerk C/09/564350 / KG ZA 18-1267) is [eiser] veroordeeld tot staking van gebruikmaking van een domeinnaam en e-mailadres die sterke gelijkenissen vertonen met de domeinnaam en e-mailadressen die door ISD worden gebruikt, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tevens is [eiser] veroordeeld in de proceskosten. [eiser] heeft de gebruikmaking van de domeinnaam en het e-mailadres direct na het vonnis gestaakt zodat hij geen dwangsommen heeft verbeurd.
2.7.
Bij vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 10 april 2019 is de vordering van [eiser] op grond van een geheimhoudingsbeding in een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst afgewezen en is [eiser] veroordeeld in de proceskosten. [eiser] heeft hiertegen hoger beroep in gesteld.
2.8.
Bij brief van 10 september 2019 heeft ISD – vanwege de grote hoeveelheid aanvragen en openstaande (bezwaar)procedures – aan [eiser] medegedeeld dat diens handelwijze wordt aangemerkt als misbruik van recht en dat zij om die reden gedurende een periode van zes maanden op geen enkele e-mail, brief, vraag om informatie, aanvraag of ingebrekestelling meer zal reageren (de 'stopbrief').
2.9.
Vervolgens heeft ISD in tien zaken betreffende een aanvraag van [eiser] om bijzondere bijstand - na ingebrekestelling - niet alsnog een beslissing genomen. In alle overige zaken waarin [eiser] ISD na de stopbrief heeft benaderd is dat wel gebeurd.
2.10.
Uit hoofde van de vonnissen genoemd onder 2.3, 2.6 en 2.7 (verbeurde dwangsommen én proceskosten) heeft ISD op 17 juni 2019 executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser] , gelegen aan de [adres] . Ook heeft ISD uit hoofde van het arrest genoemd onder 2.4 op 16 maart 2020 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de met de levering van de woning belaste notaris. Laatstgenoemd beslag ziet alleen op proceskosten en niet op verbeurde dwangsommen.
2.11.
De executie is overgenomen door Reaal Levensverzekering N.V. (hierna: Reaal) omdat [eiser] een hypotheekschuld heeft laten ontstaan.
2.12.
Aangekondigd is dat de woning van [eiser] op 7 september 2020 in opdracht van Reaal openbaar zal worden verkocht.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis – zakelijk weergegeven – de tenuitvoerlegging door ISD van de volgende vonnissen te verbieden althans te schorsen totdat in de bodemprocedure tussen partijen vonnis zal zijn gewezen:
het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 februari 2019, met kenmerk C/09/560634 / KG ZA 18-1001;
het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 februari 2019, met kenmerk C/09/564350 / KG ZA 18-1267;
het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 10 april 2019, met kenmerk 7138836 / CV EXPL 18-3522;
het arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 februari 2020, met kenmerk 200.257.779/01,
zulks op straffe van een dwangsom van € 500.000,-- indien ISD weigerachtig is en blijft om hieraan te voldoen, met veroordeling van ISD in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] stelt hiertoe dat ISD misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat ISD oneigenlijk gebruik maakt van haar executiebevoegdheid door iedere vorm van contact aan te grijpen om de verbeurde dwangsommen te verhogen. ISD rekent ook dwangsommen voor aanvragen bijzondere bijstand, ingebrekestellingen en verzoeken tot het toekennen van dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen. Hierdoor wordt [eiser] op onrechtmatige wijze belemmerd in de effectuering van zijn wettelijke rechten. Voor zover de hem opgelegde contactbeperking zo moet worden begrepen dat hij ook wordt beperkt in het doen van aanvragen anders dan WOB-verzoeken, het in gebreke stellen van ISD en het verzoeken tot het vaststellen van dwangsommen, berust deze op een kennelijke juridische misslag. Ook misbruikt ISD de executoriale titel door aanspraak te maken op en te executeren voor dwangsommen die [eiser] niet verschuldigd is. Ten aanzien van de proceskostenveroordelingen geldt bovendien dat partijen over en weer een veelvoud aan procedures hebben gevoerd, waarin er ook proceskostenveroordelingen van ISD jegens [eiser] zijn uitgesproken. [eiser] heeft tot slot aangevoerd dat hij in geval van verkoop van zijn woning op straat komt te staan, waardoor hij in een noodtoestand zal komen te verkeren. Hij heeft in 2013 een hersentumor gehad waarvoor hij nog altijd onder behandeling is en waarvoor hij medicatie gebruikt. Door zijn gezondheidssituatie valt hij in de groep van personen voor wie besmetting met het Covid-19 virus zeer ernstige gevolgen kan hebben. Dit maakt dat een veilige woonomgeving voor [eiser] essentieel is om de gezondheidsrisico’s te beperken.
3.3.
ISD voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
Spoedeisend belang
4.1.
ISD heeft in de eerste plaats weersproken dat [eiser] een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, nu Reaal de executieverkoop heeft aangekondigd en niet ISD. Dit verweer wordt gepasseerd, nu [eiser] voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij bij een executieverbod voor ISD, met hulp van zijn familie, de mogelijkheid heeft om een financiële regeling met Reaal te sluiten.
De schuldverhouding
4.2.
Partijen verschillen verder van mening over de vraag wat de hoogte is van de thans bestaande vordering van ISD op [eiser] . De hoogte van die vordering kan in deze procedure – omdat het debat van partijen daarop niet gericht is - niet exact worden vastgesteld. De voorzieningenrechter acht het echter voldoende aannemelijk dat er sprake is van een zeer aanzienlijke schuld. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.3.
Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [eiser] na de hem opgelegde contactbeperking onverdroten is doorgegaan met het benaderen van ISD. Ten tijde van het kort geding, dat heeft geleid tot de contactbeperking stonden volgens ISD 524 werkprocessen op naam van [eiser] , terwijl op dit moment het aantal van 1.500 werkprocessen is overschreden. [eiser] heeft dit getal betwist (hij heeft de vraag gesteld wat onder ‘werkprocessen’ precies verstaan moet worden), maar hieraan moet worden voorbijgegaan, nu hij deze betwisting niet (genoegzaam) heeft onderbouwd en niet heeft weersproken dat er sprake is van een lawine van verzoeken en dergelijke gericht tot ISD.
4.4.
Op grond van het voorgaande moet in ieder als niet (voldoende) weersproken worden aangenomen dat het aantal contacten van [eiser] met ISD aanzienlijk meer bedroeg dan hem op grond van het kort gedingvonnis was toegestaan. [eiser] heeft niet onderbouwd dat deze contacten in substantiële mate zijn uitgesloten van het hem opgelegde verbod. Hieraan doet niet af dat de bestuursrechter in een aantal procedures heeft geoordeeld dat [eiser] geen misbruik heeft gemaakt van bevoegdheid c.q. (proces)recht door (hoger) beroep in te stellen. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat de talrijke andere zaken niet als misbruik hebben te gelden. Hiermee is duidelijk dat [eiser] de opgelegde dwangsommen heeft verbeurd en staat de schuldverhouding tussen ISD en [eiser] vast.
Misbruik van executiebevoegdheid
4.5.
Vervolgens moet worden beoordeeld of grond bestaat om tenuitvoerlegging van de in 3.1 genoemde rechterlijke uitspraken te verbieden. Hierbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat het hier gaat om een executiegeschil ex artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uitgangspunt daarbij is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, aan wie de vordering bij – zoals hier – inmiddels onherroepelijk vonnis is toegewezen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat in een dergelijk executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren meer tegen de uitspraak kunnen worden aangevoerd, behoudens die welke leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van executiebevoegdheid. In een dergelijk geval geldt volgens het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) de maatstaf zoals vermeld in het arrest Ritzen/Hoekstra (HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575) onverkort. Blijkens laatstgenoemd arrest kan van dergelijk misbruik sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doet ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.
4.6.
[eiser] stelt dat het kort gedingvonnis van 7 februari 2019 waarin hem een contactbeperking is opgelegd berust op een kennelijke juridische misslag. Dit betoog wordt verworpen. Uit de in het kort gedingvonnis gepresenteerde feiten en omstandigheden heeft de voorzieningenrechter kennelijk weloverwogen en gemotiveerd de conclusie getrokken dat [eiser] jegens de ISD in meerdere gevallen zonder redelijk doel gebruik heeft gemaakt van de hem als burger ten opzichte van ISD als bestuursorgaan toekomende bevoegdheden, dan wel die bevoegdheden heeft aangewend met een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheden zijn toegekend, en dat [eiser] daarmee ongerechtvaardigd een dermate onevenredig beslag legt op de capaciteit van ISD dat gesproken kan worden van misbruik van recht. De vordering tot het opleggen van een contactbeperking is op die grond toegewezen. Voor het opnieuw voeren van een inhoudelijk debat is in dit geding geen plaats, ook niet ten aanzien van hetgeen na het vonnis is voorgevallen met betrekking tot de contacten tussen [eiser] en ISD. Op basis van de toelichting van [eiser] in deze procedure kan dan ook niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een evidente misslag in het bedoelde kort gedingvonnis.
4.7.
[eiser] heeft verder gesteld dat er een noodtoestand ontstaat als de executieverkoop van de woning doorgang vindt.
4.8.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het ontberen van woonruimte na de executieverkoop in ieder geval niet als een noodtoestand wordt aangemerkt. Dat betreft een omstandigheid die geheel voor rekening en risico behoort te komen van [eiser] , die immers geen ander verhaal biedt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de omstandigheid dat [eiser] door zijn onderliggende medische aandoening een verhoogd risico loopt op complicaties bij besmetting met het Covid-19 virus evenmin voldoende om in dit concrete geval aan te kunnen nemen dat door de executieverkoop een noodtoestand ontstaat voor [eiser] . Gesteld noch gebleken is dat [eiser] na de executieverkoop niet in staat zal zijn om een stabiele leefomgeving te creëren waarbij hij het contact met andere personen die mogelijk besmet zijn met het Covid-19 virus zo veel mogelijk kan beperken. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiser] ter zitting heeft aangevoerd dat zijn familie hem financieel kan ondersteunen bij het treffen van een regeling met Reaal. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat de familie hem ook kan ondersteunen bij het creëren van een stabiele leefomgeving.
4.9.
De slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.
4.10.
[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van ISD begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2020.
aws