Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2025:28032

Veroordeling voor brandstichting. Oplegging TBS-maatregel met dwangverpleging en een GVM. Geen ZM o.g.v. art. 2.3 Wfz.

Rechtbank Den Haag 30 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2025:28032 text/xml public 2026-07-30T11:45:43 2026-07-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-29 09-204047-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28032 text/html public 2026-07-30T11:45:24 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:28032 Rechtbank Den Haag , 29-12-2025 / 09-204047-25
Veroordeling voor brandstichting. Oplegging TBS-maatregel met dwangverpleging en een GVM. Geen ZM o.g.v. art. 2.3 Wfz.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09-204047-25

Datum uitspraak: 29 december 2025

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , [land] ,

BRP-adres: [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting PPC [plaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 6 oktober 2025 (pro forma) en

15 december 2025 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W. Noort en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B.J. de Bruijn naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk in een kamer van de instelling Parnassia, gevestigd aan de [adres] , brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met kledingstukken en/of een matras, althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan die kledingstukken en/of dat matras geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten gevaar voor- de inventaris van die woonunit/kamer- de aangrenzende en/of nabijgelegen woonunits/kamer(s)en/oflevensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de op/in die locatie ( [adres] ) aanwezige personen te duchten was.
3De bewijsbeslissing 3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat er door de brandstichting door verdachte gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, maar dat er geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025222939, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 69).

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 4 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 32-33):

Plaats delict: [adres]

Pleegdatum: 4 juli 2025

In kamer 0.2.22.1 is vandaag omstreeks 18:00 uur brand gestoken. In deze kamer verbleef:

[verdachte]

Geboortedatum; [geboortedatum] 1993

Geboorteplaats; [geboorteplaats]

[verdachte] is de enige die in die kamer verbleef.

Ik heb van de verpleging begrepen dat [verdachte] onrustig en boos was op de afdeling. Hij wilde meer geld.

Hij had daarbij aangegeven dat hij iets in de brand ging zetten. Ik heb dit via via van een van de medewerkers gehoord. Ook heb ik van deze medewerker gehoord dat ze, kort nadat [verdachte] boos was geweest op de afdeling, op zijn kamer een stapel met brandende kleding had aangetroffen.

Ik weet wel zeker dat hij weet ook datop een afdeling zit met 17 anderen.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 11):

Op 4 juli 2025 werd mij gevraagd om foto's te maken van de verbrande kamer op het parnassia terrein, gelegen aan de [adres] . Gebouw betrof [perceel] op ditzelfde terrein.

Ik zag dat het matras, wat volgens de brandweer de brand veroorzaakt had, buiten gelegd was door de brandweer. Ik zag dat het matras in het midden gebrand had.

Vanuit die hal is rechtdoor de gelegen kamer met aan de linkerzijde als eerste een kledingkast met daarachter een bed. Dit bed was van staal en stond daar zonder matras. Ik zag dat het staal verkleurd was en dat het behang verkleurd was door brand.

In de kamer zag ik op een bureau een fles deodorant staan, ook op de vloer lag een witte fles, mogelijk deodorant.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 22):

Aanrijdend zag ik dat de brandweerwagen voor ons reed. Ik zag dat er rechts uit het gebouw zwarte rook kwam. Ik zag dat er meerdere mensen in een geel hesje voor het gebouw stonden. Dit waren medewerkers van Parnassia die aangewezen bedrijfshulpverleners zijn. Zij gaven aan dat zij de rechtervleugel van het gebouw ontruimd hadden.

Ik heb samen met mijn collega's ruim afgezet in verband met de rookontwikkeling.

Ik hoorde dat een van de brandweermannen aangaf dat er een matras in de brand stond. De brandweer had een aansteker en een aantal tips van een joint gevonden in de kamer. Al vrij snel gaf de bevelvoerder het sein brandmeester.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 25):

Ik zag dat de verpleegkundige een wit papiertje pakte en deze aan de verdachte gaf. Ik hoorde dat de verpleegkundige aan de verdachte vroeg om zijn neus te snuiten in het witte papiertje. Ik zag dat de verdachte zijn neus snoot in het papiertje en het papiertje terug gaf aan de verpleegkundige. Ik zag dat het papiertje was voorzien van zwart snot. De verdachte had dus rook ingeademd en snoot roetdeeltjes. De verdachte moest voor uitgebreide controle mee naar het ziekenhuis.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 28):

In verband met een brand bij Parnassia op de [adres] was ik in gesprek met één van de begeleiders van de verdachte, [verdachte] . Zij is begeleidster op de gesloten afdeling, waar [verdachte] als patiënt zat.

Ik hoorde haar zeggen dat haar pager afging.

Zij haastte zich naar de kamer van [verdachte] waar zij andere begeleiders trof. Zij kreeg een brandblusser in haar handen gedrukt.

Toen zij de deur van de kamer opende kreeg zij een walm van rook in haar gezicht.

6. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 15 december 2025, voor zover inhoudende:

Ik heb die brand aangestoken. Ik heb dat gedaan door een aansteker aan te steken en deodorant te spuiten. De vlam was tegen mijn bed aan. Mijn kleding en schoenen heb ik in de brand gestoken. Ik denk dat het van de kleding naar de matras is gegaan. Ik heb het vuur gezien.

Ik was boos, omdat ik mijn geld niet kreeg. Er waren ongeveer 10 mensen in het pand. Ik had tegen niemand gezegd dat ik vuur had gemaakt.
3.4.
Bewijsoverwegingen

Door de verdediging is betoogd dat er geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de automatische brandmelding werkte en direct afging en dat er direct adequate respons was door het personeel met een brandblusser. Bovendien waren er geen andere bewoners in de buurt, omdat het etenstijd was en zij in de gemeenschappelijke ruimte waren.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat door de brandstichting door de verdachte naast gemeen gevaar voor goederen ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er een flinke rookontwikkeling door de brand was ontstaan, die vanaf een afstand te zien was en dat de rechtervleugel van het pand ontruimd was. De politie heeft vervolgens een ruime afzetting geplaatst in verband met de rookontwikkeling.

Brandstichting in een pand waar meerdere personen verblijven is per definitie gevaarlijk, omdat de brand zich in korte tijd kan ontwikkelen en er veel rook vrij kan komen, waarbij rook in eerste instantie het grootste risico oplevert. Bij het ontwikkelen van rook bij brand ontstaan levensgevaarlijke gassen, zoals koolmonoxide en cyanide en bij inademing van deze gassen zijn deze direct levensbedreigend. Ook de temperatuur van de rook en de daarbij horende kleine roetdeeltjes zijn gevaarlijk en in die zin levensbedreigend. De verdachte heeft de brand bovendien gesticht in een GGZ-instelling, waar naast andere patiënten ook personeel aanwezig was, zodat de kans op rookinhalatie bij meerdere mensen groot was. Verder blijkt dat één van de medewerkers, toen zij de kamer opende, een walm van rook in haar gezicht kreeg en dat verdachte zelf ook rookinhalatie had opgelopen en moest worden onderzocht door de ambulancedienst.
3.5.
De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 4 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk in een kamer van de instelling Parnassia, gevestigd aan de [adres] , brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met kledingstukken en een matras, ten gevolge waarvan die kledingstukken en dat matras geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten gevaar voor- de inventaris van die woonunit/kamer- de aangrenzende en/of nabijgelegen woonunits/kamer(s)enlevensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de op die locatie ( [adres] ) aanwezige personen te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De oplegging van straf en maatregel 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en dat daarnaast aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS-maatregel) wordt opgelegd.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen, zodat na beëindiging van de TBS-maatregel, indien nodig, de toereikende maatregelen genomen kunnen worden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om geen TBS-maatregel, maar een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang op te leggen.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om, bij oplegging van een TBS-maatregel, plaatsing van verdachte binnen het LVB-circuit te bewerkstelligen en niet in een reguliere TBS-kliniek.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft in de kamer in de GGZ-instelling waar hij op basis van een zorgmachtiging verbleef brand gesticht door kledingstukken en een matras in brand te steken. Verdachte was ontevreden dat hij geld waarop hij meende recht te hebben niet kreeg. Toen hij opnieuw aan een begeleidster om zijn geld vroeg en zij hem dat weigerde te geven, werd hij zo boos dat hij de brand stichtte.

Naast schade aan de kamer en de in die kamer aanwezige meubels en goederen, was er door de rookontwikkeling ook gevaar voor de overige bewoners en het personeel van de instelling.

Doordat het personeel snel de brandweer alarmeerde, die kort daarop ter plaatse kwam, is de schade en de gevolgen van de brandstichting enigszins beperkt gebleven en niet uitgebreid naar de rest van het pand.

Strafblad

Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Op het strafblad van de verdachte van de Nederlandse Antillen staan meerdere openstaande zaken uit 2019 en 2021.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van:

- een Pro Justitia rapportage psychiatrisch onderzoek van 4 november 2025, opgesteld door dr. I.F.F.M. Elzakkers (psychiater);

- een Pro Justitia rapportage psychologisch onderzoek van 12 november 2025, opgesteld door drs. W.J.L. Lander (klinisch psycholoog);

- een reclasseringsadvies van 5 december 2025 (hierna: het reclasseringsadvies), opgesteld door [naam] .

De bevindingen van de psychiater en de psycholoog (hierna samen: de deskundigen) houden - voor zover hier van belang - het volgende in.

Kort samengevat volgt uit de rapportages dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogen, te weten schizofrenie, en een licht verstandelijke beperking (LVB) en een stoornis in het gebruik van cocaïne (matig) en cannabis (licht). Verdachte heeft een hulpverleningsgeschiedenis met meerdere opnamen in klinieken, zowel op [geboorteplaats] als in Nederland.

De psychiater concludeert dat er ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een psychotische stoornis, LVB en zeer waarschijnlijk ook gebruik van crack of cannabis in de periode voor het tenlastegelegde. Ook was zijn moeder, met wie hij een goede band had, kort daarvoor overleden en was betrokkene hierdoor geraakt. Vanwege zijn beperkte coping kwam hierbij naar alle waarschijnlijkheid de behoefte aan middelen omhoog.

Verdachte verdween enkele dagen van de afdeling en hierdoor kreeg hij een belangrijk antipsychoticum (clozapine) niet. In deze context was hij extra prikkelbaar en minder stabiel, waarbij niet uitgesloten is dat ontwenning aan middelen kort daarvoor ook een rol speelde. Verdachte was ontevreden over zijn beperkte financiële middelen en had hierover al eerder zijn beklag gedaan. Dit manifesteerde zich sterker en met minder controle over zijn gedrag dan eerder. Het is normaliter voor verdachte al lastig zijn onvrede over zijn financiën te verdragen en ook zijn achterdocht (vanuit zowel de psychotische stoornis als vanuit de LVB) speelt hierbij een rol. Toen hem meer geld werd geweigerd toen hij hierom vroeg, werd hij dan ook dusdanig boos dat hij brand stichtte vanuit de gedachte dat door dit drukmiddel hij vast wel meer geld zou krijgen. Dit tekent de grote beperkingen in voorstellingsvermogen, oplossend vermogen, lange termijn denken, oog voor consequenties van gedrag, emotieregulatie en frustratietolerantie bij betrokkene. Het aandeel van de LVB hierin wordt als heel groot gezien, maar ook het aandeel van de psychose is relevant daar hierdoor er nog meer achterdocht dan slechts passend bij de LVB was op het moment voor het ten laste gelegde.

De psycholoog concludeert daarnaast dat er weliswaar een verband is tussen stoornis, de LVB en het tenlastegelegde, maar dat dit niet dermate van aard is dat verdachte zijn wil en gedrag in het geheel niet heeft kunnen bepalen. Hij wist dat brandstichting strafbaar is en op basis hiervan heeft hij toch een mate van keuzevrijheid gehad bij het plegen van het tenlastegelegde.

Beide deskundigen schatten het recidiverisico op geweld als matig tot hoog. Verder zijn er weinig beschermende factoren aanwezig. Bij bewezenverklaring adviseren de deskundigen de tenlastegelegde brandstichting in verminderde mate toe te rekenen.

Met betrekking tot behandeling van verdachte en in welke juridisch kader dit zou moeten plaatsvinden verschillen de deskundigen van mening. De psychiater heeft de voorkeur

voor het juridische kader van een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang waarbij hij adviseert tot een langdurige plaatsing op een afdeling met expertise in de behandeling en begeleiding van mensen met LVB en psychose, bij voorkeur in een gesloten setting om de toegang tot middelen zoveel mogelijk te beperken. Het veiligheidsniveau hierbij dient hoog te zijn, aldus de psychiater. De psycholoog heeft de voorkeur voor het juridische kader van TBS met dwangverpleging om zo het gevaar voor de maatschappelijke veiligheid te beperken. De psycholoog schat in dat het beveiligingsniveau te laag zal zijn indien verdachte zal worden geplaatst in een instelling binnen de verstandelijke gehandicaptenzorg

Door de reclassering is de mogelijkheid van TBS met voorwaarden onderzocht en daaromtrent negatief geadviseerd. Verdachte heeft onvoldoende inzicht in zijn problematiek en begrijpt vanwege zijn verstandelijke beperking niet wat een dergelijk kader inhoudt.

Verder wordt bij een veroordeling van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf of oplegging van de TBS-maatregel geadviseerd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.

Maatregelen

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de verdachte in het kader van de Wet zorg en dwang de maatschappij onvoldoende bescherming biedt. Bij deze vorm van verplichte zorg ligt de nadruk op stabilisatie van de stoornis. Deze vorm van verplichte zorg kan leiden tot recidiverisicovermindering, maar het is geen doel op zich.

Forensische zorg is juist gericht op het voorkomen van recidive en het verkleinen van de kans dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt, en daarmee gericht op het vergroten van de maatschappelijke veiligheid. Gelet op het hoge recidiverisico op ernstige strafbare feiten als het onderhavige, is de rechtbank van oordeel dat forensische zorg noodzakelijk is.

De meest passende maatregel is naar het oordeel van de rechtbank de TBS-maatregel. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van TBS: namelijk ten eerste dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf is als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr. Ook bestond tijdens het begaan van dat feit bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank volgt de reclassering in het negatief advies ten aanzien van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van TBS met voorwaarden. De rechtbank zal bevelen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Daarbij acht de rechtbank vooral van belang dat er sprake is van dusdanig gevaar voor recidive dat dwangverpleging geboden is voor de algemene veiligheid van goederen of personen.

Deze maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het bewezenverklaarde feit betreft brandstichting met onder andere levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank overweegt tot slot ten aanzien van de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als volgt.

Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging deze maatregel is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen.

De rechtbank zal daarom de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat naast de maatregel van TBS – ter vergelding en normstelling – een straf dient te worden opgelegd. Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van enige duur. Rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden.
7De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

37a, 37b, 38z en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8De beslissing
De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. Dantuma-Hieronymus, voorzitter,

mr. H.M. Braam, rechter,

mr. A. Tsjapanova, rechter,

in tegenwoordigheid van R. van Ast-Natadiningrat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 december 2025.

Artikel delen