ECLI:NL:RBDHA:2026:13172
Afghaanse AMV, ondeugdelijk gemotiveerd dat ongeloofwaardig is dat vader voor buitenlanders heeft gewerkt, beroep gegrond.
Rechtbank Den Haag 27 May 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:13172
text/xml
public
2026-05-27T18:00:30
2026-05-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-05-20
NL24.52396
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13172
text/html
public
2026-05-22T14:01:55
2026-05-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:13172 Rechtbank Den Haag , 20-05-2026 / NL24.52396
Afghaanse AMV, ondeugdelijk gemotiveerd dat ongeloofwaardig is dat vader voor buitenlanders heeft gewerkt, beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52396
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J. Burema),
en
de minister van Asiel en Migratie, als rechtsopvolger van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. O. Sari).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1
Eiser heeft op 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2005. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 januari 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
Bij uitspraak van 26 juli 2024 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard.
2.4
Bij uitspraak van 11 november 2025 heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 26 juli 2024 vernietigd en de zaak teruggewezen.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk was H. Malwand-Baraki aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
.
3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 november 2025 onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 november 2024 onder 12 tot en met 12.2 geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. De minister heeft dan ook terecht betoogd dat hij geen nader onderzoek hoeft te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De Afdeling heeft het hoger beroep daarom gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 26 juli 2024 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.
De rechtbank moet met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling beoordelen of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de asielmotieven van eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade opleveren. De rechtbank zal zich hierbij in ieder geval nog moeten uitlaten over de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd over de werkzaamheden van zijn vader, de opvang in Afghanistan en Pakistan, de veiligheidssituatie in Afghanistan in het licht van artikel 15c, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en eisers etnische afkomst.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.
Eiser is samen met de rest van het gezin gevlucht uit Afghanistan, zo’n twee maanden nadat de Taliban aan de macht kwam. Volgens eiser wordt zijn vader gezocht door de Taliban, omdat hij heeft gewerkt voor buitenlanders. De details hiervan weet eiser niet, omdat hij nog jong was en zijn vader dit niet met hem deelde. Door het werk van zijn vader loopt het hele gezin van eiser gevaar. Eiser is met de rest van het gezin gevlucht naar Pakistan, waar ze ondergedoken zitten bij een vriend van eisers vader. Omdat het te gevaarlijk was om met het hele gezin verder te vluchten, is eiser als enige naar Nederland gevlucht. De rest van het gezin verblijft nog in Pakistan.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- werkzaamheden van eisers vader.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser grotendeels geloofwaardig zijn. De minister volgt eiser niet in de door hem gestelde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2005 en gaat uit van de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2005, zoals eiser ook heeft opgegeven in Oostenrijk. De minister heeft de werkzaamheden van de vader van eiser niet geloofwaardig geacht. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond.
De gronden van beroep
6.1
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat minister ten onrechte uitgaat van de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2005, omdat zijn verklaringen uit het aanmeldgehoor overeenkomen met de informatie op de tazkera. De minister heeft ook ten onrechte de werkzaamheden van zijn vader ongeloofwaardig geacht. Eiser kan hierover niet meer verklaren omdat het in Afghanistan ongebruikelijk is als kind zulke dingen aan een ouder te vragen; dat getuigt niet van respect. Verder is onvoldoende rekening gehouden met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Daarnaast heeft de minister te weinig waarde toegekend aan de door hem overgelegde documenten van het werk van zijn vader. Eiser loopt bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade omdat hij als verwesterd zal worden beschouwd. Hierbij moet ook in aanmerking worden genomen dat hij Tadzjiek is. Bovendien is volgens eiser in Afghanistan sprake van een situatie in strijd met artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn vanwege de slechte humanitaire situatie en de veiligheidssituatie. Tot slot heeft de minister ten onrechte een terugkeerbesluit uitgevaardigd, omdat er in Afghanistan geen adequate opvang voor hem is. Subsidiair geldt dat ook voor Pakistan.
6.2
Op 24 februari 2026 heeft eiser een aantal recente stukken ingebracht met betrekking tot personen die samengewerkt hebben met buitenlandse troepen, de humanitaire situatie in Afghanistan en terugkeer naar Afghanistan.
Het oordeel van de rechtbank
Leeftijd
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd de geboortedatum van eiser op [geboortedatum 2] 2005 heeft gesteld. De rechtbank overweegt hierbij dat eiser zelf heeft verklaard dat hij op [geboortedatum 1] 2005 is geboren en dat uit de – mogelijk niet echt bevonden – tazkera ook volgt dat de geboortedatum van eiser [geboortedatum 1] 2005 is. Hoewel de minister informatie van lidstaten mag betrekken bij de leeftijdsregistratie van een vreemdeling, moet de minister dan wel onderzoeken onder welke omstandigheden de registratie van de geboortedatum in die lidstaat heeft plaatsgevonden. Dat de minister zo’n onderzoek bij de Oostenrijkse autoriteiten heeft gedaan is niet gebleken. Overigens gaan zowel de minister als eiser uit van de minderjarigheid van eiser op het moment van zijn asielaanvraag.
De werkzaamheden van de vader van eiser
8.1
In het voornemen, waarvan de inhoud deel uitmaakt van het bestreden besluit, stelt de minister dat uit de in kopie overgelegde stukken over de werkzaamheden van eisers vader niet de conclusie kan worden getrokken dat eisers vader werkzaam was voor de VN of de NAVO. De minister heeft hierbij betrokken dat uit het getuigschrift en de identiteitspas van EOD Technology niet blijkt dat de vader van eiser werkzaam is (geweest) bij internationale organisaties zoals de VN of de NAVO. Uit eisers verklaringen blijkt volgens de minister ook niet van een concrete link tussen eisers vader en de genoemde internationale organisaties. Daarnaast vindt de minister de verklaringen van eiser over de werkzaamheden van zijn vader grotendeels vaag en summier.
8.2
In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser met de in de zienswijze overgelegde bronnen over EOD Technology nog steeds niet een relatie tussen zijn vader en dit bedrijf heeft aangetoond. Eiser heeft volgens de minister verder geen nieuwe informatie aangedragen waarmee hij de gestelde werkzaamheden van zijn vader voor de VN of de NAVO aannemelijk heeft weten te maken. Omdat eiser geen andere informatie over de werkzaamheden van zijn vader heeft aangedragen, blijft het standpunt daarover gehandhaafd zoals is verwoord in het voornemen.
8.3
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de minister in het voornemen het standpunt heeft ingenomen dat de vader van eiser door zijn werkzaamheden voor EOD Technology niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft gewerkt voor de VN of de NAVO, terwijl hij zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn vader voor EOD Technology heeft gewerkt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een nieuw standpunt en het in het bestreden besluit verwijzen naar het voornemen voor de motivering van dit nieuwe standpunt valt hiermee niet te rijmen.
8.4
Bovendien heeft de minister door te stellen dat niet geloofwaardig is dat de vader van eiser voor de VN of de NAVO heeft gewerkt, geen recht gedaan aan eisers verklaringen hierover. Tijdens het nader gehoor heeft eiser immers desgevraagd uitgelegd dat wanneer hij ‘de NAVO’ zegt, hij ‘werken voor buitenlanders’ bedoelt. De rechtbank verwijst hiervoor naar de volgende passages uit het rapport nader gehoor:
‘De stukken die u benoemt daar staat nergens NATO op maar er staat op dat uw vader security guard was bij de EODT Technology. Kortom, ik kan hieruit niet opmaken dat uw vader voor de NATO werkzaamheden heeft verricht.
Kijk, als mijn vader met buitenlanders heeft gewerkt dan is dat voor ons automatisch de NATO.
Dus u wilt in feite zeggen dat uw vader met buitenlanders heeft gewerkt en u daaruit zelf de conclusie trekt dat hij voor de NATO werkte?
Ja voor mij is dat dan NATO en dat soort dingen, maar mijn vader werkte met buitenlanders.’
en
‘Het probleem van mijn vader is dat hij in Afghanistan werkte met de buitenlanders en daarom wordt hij door de taliban bedreigd.’
Door te overwegen dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn vader voor de VN of de NAVO heeft gewerkt heeft de minister dus een te beperkte betekenis aan eisers verklaringen gegeven.
8.5
De rechtbank stelt verder vast dat de minister in de besluitvorming geen inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over de verklaringen van eiser dat zijn vader voor buitenlanders heeft gewerkt. De rechtbank heeft dit op zitting voorgehouden aan de gemachtigde van de minister en haar de gelegenheid gegeven daarop te reageren. De gemachtigde van de minister heeft hierop echter niet inhoudelijk gereageerd.
8.6
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij geen originele en recente documenten van de werkzaamheden van zijn vader heeft overgelegd. De rechtbank begrijpt de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor zo dat zijn vader die documenten heeft verbrand uit vrees voor de Taliban en dat eisers moeder bij toeval de foto’s van de wel door eiser overgelegde documenten op haar telefoon had.
8.7
Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister, door meer te verwachten van de verklaringen van eiser over de gestelde problemen van zijn vader en zijn werkzaamheden, onvoldoende rekening heeft gehouden met de leeftijd van eiser ten tijde van de gestelde gebeurtenissen, ten tijde van het gehoor en de Afghaanse cultuur waarin eiser is opgegroeid. De rechtbank ziet niet in wat het feit dat eiser nog acht maanden in Pakistan bij zijn gezin heeft verbleven en als enige van het gezin naar Europa is gestuurd daar aan af doet.
8.8
Nu de minister de werkzaamheden van de vader van eiser voor buitenlanders niet inhoudelijk heeft beoordeeld en uit het Landgebondenbeleid inzake Afghanistan zoals dat gold op het moment van het bestreden besluit volgt dat burgers die hebben gewerkt voor westerse landen in Afghanistan en hun familieleden als risicogroep worden aangemerkt, is het bestreden besluit niet zorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd.
8.9
Aangezien het antwoord op de vraag of geloofwaardig is dat de vader van eiser heeft gewerkt voor westerse landen ook van invloed is op de beoordeling van het risico op ernstige schade dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan loopt en daarnaast ook relevant is voor de beoordeling of tegen eiser een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om deze onderdelen van het besluit op dit moment te beoordelen.
8.10
De rechtbank geeft de minister mee eiser aanvullend te horen voordat hij een nieuw besluit neemt. Eiser verblijft inmiddels vier jaren in Nederland en hij is nog niet in de gelegenheid geweest te verklaren over de door hem in de zienswijze gestelde verwestering. Hierbij is ook van belang dat eiser, zoals op zitting is besproken, een baard heeft die volgens het meest recente ambtsbericht door de Taliban niet wordt getolereerd.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met in achtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zestien weken.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 januari 2024 ;
- draagt de minister op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.H. van Veen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Met zaaknummer NL24.3238.
Met zaaknummer 202404779/1/V1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:4648.
Richtlijn nr. 2011/95/EU.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024. ECLI:NL:RVS:2024:
Pagina 11 rapport Nader gehoor.
Pagina 13 rapport Nader gehoor.
Pagina 10 rapport Nader gehoor.
Pagina 7 rapport Nader gehoor.
C7/2.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc onder e.
Algemeen ambtsbericht Afghanistan 16 december 2025, pagina 67 leefregels met betrekking tot de juiste baardlengte en juiste kapsels.
Strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.