ECLI:NL:RBDHA:2026:13173
Vervolgberoep. Maatregel van bewaring ogv 59.1.a
Verlengingsbesluit nog niet aan de orde, verzwaarde belangenafweging wel.
Rechtbank Den Haag 27 May 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:13173
text/xml
public
2026-05-27T18:00:31
2026-05-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-05-20
NL26.26792
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13173
text/html
public
2026-05-22T14:07:18
2026-05-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:13173 Rechtbank Den Haag , 20-05-2026 / NL26.26792
Vervolgberoep. Maatregel van bewaring ogv 59.1.a
Verlengingsbesluit nog niet aan de orde, verzwaarde belangenafweging wel.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26792
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar,
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 5 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving op 12 mei 2026 van de voortduring van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 18 mei 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Equatoriaal-Guinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 maart 2026 in de zaak NL26.10500 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 maart 2026.
4. Eiser stelt dat de minister ten onrechte de maatregel van bewaring heeft verlengd.
4.1
De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank stelt het volgende vast. Het dossier bevat geen verlengingsbesluit. Eiser is op 15 september 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. Die maatregel werd op 18 september 2025 opgeheven en omgezet naar een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d van de Vw. Na afloop van de asielprocedure is eiser op 5 december 2025 in bewaring gesteld, wederom op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest Aroja niet volgt dat de perioden van de maatregelen van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetellen bij het bepalen van de maximale bewaringsduur zoals bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De perioden van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 zijn namelijk niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn (en dus ook niet ter uitvoering van een terugkeerbesluit), maar op de Opvangrichtlijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een verlengingsbesluit in onderhavige procedure nu nog niet aan de orde is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft kunnen volstaan met een verzwaarde belangenafweging, zoals gemaakt op 12 maart 2026 en opgetekend in het voortgangsrapport (M120) van 7 mei 2026. Niet is gebleken dat de verzwaarde belangenafweging niet toereikend is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Verder stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en er geen zicht op uitzetting naar Equatoriaal-Guinea bestaat binnen een redelijke termijn. Volgens eiser is zeker niet te verwachten dat in de komende maanden een laissez passer (lp) wordt afgegeven. Aan eiser ligt dit niet nu eiser, zoals hij zelf stelt, zeer meewerkend is.
5.1
De rechtbank volgt eiser hierin niet. De lp-aanvraag loopt en de autoriteiten van Equatoriaal-Guinea hebben tot op heden niet aangegeven dat er geen lp voor eiser zal worden afgegeven. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister meerdere malen heeft gerappelleerd, laatstelijk op 23 april 2026 en er meerdere vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden, laatstelijk op 22 april 2026. Dat er nog geen presentatiedatum bekend is, betekent niet dat deze niet zal plaatsvinden. Daarbij overweegt de rechtbank dat de minister daarvoor afhankelijk is van de autoriteiten en het aan de minister is om te bepalen hoe het contact met de autoriteiten verloopt. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt en er zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank overweegt daarbij dat het op de weg van eiser ligt om actief mee te werken aan zijn terugkeer en met meer informatie te komen; hiervan is onvoldoende gebleken. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen.
6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van
bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:EU:C:2026:148.
ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.