Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:13176

Het beroep is ongegrond. Eiser heeft eerder beroep ingediend. De minister heeft niet ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2024, waarbij de rechtbank de ongeloofwaardigheid van de asielmotieven heeft bevestigd en dit in rechte is komen vast te staan. Het hoger beroep is ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onr...

Rechtbank Den Haag 27 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:13176 text/xml public 2026-05-27T18:00:32 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-20 NL25.41450 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13176 text/html public 2026-05-22T14:10:40 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:13176 Rechtbank Den Haag , 20-05-2026 / NL25.41450
Het beroep is ongegrond. Eiser heeft eerder beroep ingediend. De minister heeft niet ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2024, waarbij de rechtbank de ongeloofwaardigheid van de asielmotieven heeft bevestigd en dit in rechte is komen vast te staan. Het hoger beroep is ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn verblijf in het Westen.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.41450
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 maart 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het besluit van 20 oktober 2023 de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

3. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Op 26 september 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats dit beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

4. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Op 3 april 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep ongegrond verklaard.

5. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure opnieuw afgewezen als ongegrond.
5.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Malwand als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De uitspraak van 26 september 2024

6. Op 26 september 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep (NL23.36051) tegen het besluit van 20 oktober 2023 gegrond verklaard. De rechtbank heeft in deze uitspraak geconcludeerd dat de minister eisers verklaringen over de inval en de bedreiging door de Taliban en de problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn vader, niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat de minister heeft nagelaten nader te motiveren waarom in het geval van eiser er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De Afdeling heeft het hoger beroep tegen deze uitspraak op 3 april 2025 ongegrond verklaard. Daarmee is deze uitspraak in rechte komen vast te staan.

Het bestreden besluit van 19 augustus 2025

7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Afghanistan problemen heeft met de Taliban en dat hij vreest dat zij hem willen vermoorden. In 2019 zou eiser op verzoek van de politie het huis van zijn buurman [naam] hebben aangewezen, die vervolgens is opgepakt. [naam] bleek een belangrijk lid van de Taliban en toen de Taliban op 15 augustus 2021 de macht heeft overgenomen in Kabul is [naam] weer vrij gekomen. Vijf dagen later, op 20 augustus 2021, hebben [naam] en andere Taliban-leden een inval gedaan in de woning van eiser. Eiser was op dat moment niet thuis, zijn ouders wel. De Taliban-leden hebben tegen hen gezegd dat zij eiser als spion zien en dat zijn familie hem naar de Taliban moet brengen om hem te berechten. Eiser en zijn ouders zijn de volgende dag gevlucht. Eiser heeft drie broers en een zus, die ondergedoken zitten bij een oom in Afghanistan. Naast de problemen die eiser met de Taliban heeft door het aanwijzen van het huis van [naam], stelt eiser dat hij ook vreest voor de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn vader.

8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst;- de problemen met de Taliban vanwege de gestelde gebeurtenissen met eisers buurman;

- de problemen met de Taliban wegens de werkzaamheden van eisers vader.

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen met de Taliban vanwege de gestelde werkzaamheden van zijn buurman en de werkzaamheden van eisers vader, vindt de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister heeft er op gewezen dat deze asielmotieven niet worden doorgetoetst bij de risicobeoordeling, omdat de rechtbank eerder de ongeloofwaardigheid hiervan heeft bevestigd.
8.1.
Ten aanzien van het geloofwaardig geachte asielmotief heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser enkel op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het is niet gebleken dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft daarom de asielaanvraag (opnieuw) afgewezen als ongegrond.

Werkinstructie (WI) 2024/6, de geloofwaardigheidsbeoordeling en Forensisch Medisch Onderzoek

Het betoog van eiser

9. Eiser stelt, met verwijzing naar het EUAA-rapport, de jurisprudentie en prejudiciële vragen, dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling (Werkinstructie 2024/6) in strijd is met het EU-recht en internationale verdragen. In het bestreden besluit heeft de minister deze striktere geloofwaardigheidsbeoordeling toegepast, terwijl in het eerste besluit nog de eerdere WI 2010/14 die tot 1 juli 2024 gold, is gehanteerd. Hierdoor heeft er geen kenbare integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsgevonden. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden. Verder heeft gemachtigde van eiser op zitting gesteld dat, nu het eerste besluit is vernietigd, in het nieuwe besluit een geheel nieuwe beoordeling dient te worden gemaakt van de asielmotieven. Ten onrechte heeft de minister dit niet gedaan.

Eiser betoogt ook dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen forensisch onderzoek is opgestart, ondanks hiertoe is verzocht. Uit de stukken van GZA blijkt dat sprake is van ernstige depressieve en traumatische klachten gerelateerd aan het asielrelaas van eiser en wat hij heeft meegemaakt. Eiser stelt dat juist nu het asielrelaas ongeloofwaardig wordt bevonden, dit middels een FMO-onderzoek alsnog kan worden onderbouwd en/of aannemelijk bevonden kan worden.

Het oordeel van de rechtbank
9.1.
De rechtbank oordeelt dat er geen grond bestaat voor het standpunt dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die op grond van WI 2014/10 diende plaats te vinden. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten bij zijn beoordeling heeft betrokken en of de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. De rechtbank overweegt verder dat de minister alle omstandigheden in een individueel geval altijd in samenhang moet beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw kunnen niet als strikte checklist worden getoetst door de minister. De rechtbank volgt daarmee eisers standpunt dat enkel vanwege de toepassing van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling geen kenbare integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden, niet.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle cumulatieve voorwaarden getoetst en alle feiten en omstandigheden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. In dit geval heeft de minister vastgesteld dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotieven in voldoende mate onderbouwen. De minister heeft vervolgens beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2024, waarbij de rechtbank de ongeloofwaardigheid van de asielmotieven heeft bevestigd en dit in rechte is komen vast te staan. De rechtbank volgt eiser daarom niet in het standpunt dat de geloofwaardigheid van de asielmotieven volledig opnieuw beoordeeld zou moeten worden. De minister heeft daarom ook geen aanleiding moeten zien om een FMO-onderzoek op te starten, omdat dit het voor de geloofwaardigheid het niet anders maakt. De beroepsgronden slagen niet.

Risico bij terugkeer uit het westen en eisers medische situatie

Betoog van eiser

10. Eiser stelt dat de minister, de combinatie van omstandigheden, zoals zijn lange verblijf in Europa, de actuele ontwikkelingen in Afghanistan en zijn individuele omstandigheden onvoldoende kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken. Eiser benadrukt dat hij momenteel psychisch ziek en zeer kwetsbaar is. Hij is vertrokken vanwege de machtsovername en verblijft inmiddels al langere tijd in Europa. Eiser kan zich absoluut niet vinden in de conservatieve opvattingen van de Taliban. Het zal voor hem bij terugkeer lastig zijn om zich aan te passen. Ook legt de Taliban steeds strengere leef- en geloofsregels op en bestraft steeds actiever en meer vergaand. Eiser heeft hierbij verwezen naar landeninformatie. Deze factoren gezamenlijk maken het aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.

Het oordeel van de rechtbank
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn verblijf in het Westen. De omstandigheid dat eiser vier jaar in Nederland verblijft en voor de machtsovername is vertrokken, maakt niet dat hij alleen hierdoor extra in de belangstelling komt te staan. Ook heeft eiser niet concreet en inzichtelijk gemaakt, waarom hij in de problemen zal komen vanwege het feit dat hij zich niet kan vinden in de conservatieve opvattingen van de Taliban of het lastig zou vinden om zich aan te passen. Dat eiser op zitting naar voren brengt dat hij niet praktiserend moslim is, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij alleen al om die reden een reëel risico loopt. De minister heeft dan ook kunnen verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2024 en 13 januari 2026. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn persoonlijke vrees voor terugkeer vanuit een Westers land onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het verwijzen naar algemene landeninformatie onvoldoende is.

Ten aanzien van eisers medische situatie heeft de minister ambtshalve het Bureau

Medische Advisering (hierna: het BMA) verzocht om een advies uit te brengen.

Uit het BMA-advies van 2 oktober 2025 is gebleken dat er bij terugkeer geen medische noodsituatie op korte termijn zal dreigen en heeft de minister op 4 november 2025 het verzoek om toepassing van artikel 64 Vw afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat nu de psychische situatie van eiser niet voldoende is onderbouwd, niet is gebleken dat eiser hierdoor extra kwetsbaar is en vanwege deze klachten in de problemen zou kunnen komen. De stelling van eiser dat hij zal opvallen bij de Taliban door zijn medische situatie, is naar het oordeel van de rechtbank te algemeen en onvoldoende gespecificeerd op eisers situatie. De minister heeft dan ook geen aanleiding hoeven te zien om nader onderzoek te doen naar de mogelijke individuele problemen van eiser.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de door eiser aangevoerde omstandigheden voldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. Ook de combinatie van de door eiser aangevoerde omstandigheden vormen geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vreemdelingenwet 2000

Geregistreerd onder zaaknummer: NL23.36051

Zie artikel 31, zesde lid, onder c, Vw.

Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, artikel 1a.

In de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

ECLI:NL:RVS:2024:4648.

ECLI:NL:RVS:2026:161.

Artikel delen