Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:13668

Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, voortvarendheid en lichter middel.

Rechtbank Den Haag 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:13668 text/xml public 2026-06-02T18:00:10 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-26 NL26.27484 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13668 text/html public 2026-05-26T15:50:06 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:13668 Rechtbank Den Haag , 26-05-2026 / NL26.27484
Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, voortvarendheid en lichter middel.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.27484
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 19 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 22 mei 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 april 2026 (in de zaak NL26.15574) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 3 april 2026.

3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Eiser zit al bijna twee maanden in bewaring, terwijl uit de voortgangsrapportage niet blijkt dat de minister voortvarend voorbereidingen treft. Op 12 januari 2026 is er al een laissez passer (lp) aangevraagd, maar er is nog niets afgegeven en eiser is nog niet gepresenteerd. De minister had hier meer navraag naar moeten doen. Ook vinden er te weinig vertrekgesprekken plaats.

4. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit de stukken blijkt dat er op 14 januari 2026 een lp-aanvraag is verzonden aan de Algerijnse autoriteiten. Sindsdien wordt er regelmatig gerappelleerd, voor het laatst op 15 mei 2026. In de enkele omstandigheid dat er nu ruim vier maanden zijn verstreken, ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat de aanvraag niet tot het gewenste resultaat zal leiden. Ook ziet de rechtbank geen aanwijzing dat de minister op dossierniveau had moeten rappelleren. Daarvoor bestaat vooral aanleiding als de betrokkene stukken of informatie aanlevert. De minister voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser om hem te bewegen met meer informatie te komen, voor het laatst op 24 april 2026. Dat er te weinig gesprekken zouden zijn, volgt de rechtbank niet. In dat laatste gesprek is aan eiser voorgehouden dat hij eerst heeft verklaard dat hij een ID-kaart had en voor de aanvraag daarvan een geboorteakte moest overleggen, maar later heeft verklaard dat hij beide documenten niet heeft. Daarop heeft eiser verklaard dat hij beide documenten is kwijtgeraakt. Niet is gebleken dat hij iets heeft gedaan om aan de genoemde documenten te komen of dat hij contact heeft opgenomen met de Algerijnse ambassade, zoals hij in het vertrekgesprek heeft toegezegd. Hieruit blijkt niet dat hij alle mogelijkheden heeft benut om invulling te geven aan de op hem rustende medewerkingsplicht.

5. Eiser voert verder aan dat met een lichter middel kon worden volstaan. Hem zou een meldplicht kunnen worden opgelegd of hij zou in een vrijheidsbeperkende locatie kunnen worden ondergebracht. Daarvoor is aanleiding omdat het al vier maanden duurt, zonder reactie van de Algerijnse autoriteiten, terwijl eiser meewerkt aan zijn terugkeer. De minister had daarom expliciet moeten overwegen waarom niet wordt gekozen voor een lichter middel in deze bijzondere omstandigheden. De minister heeft onrechtmatig gehandeld en een belangenafweging moet in eisers voordeel uitvallen.

6. De rechtbank volgt eiser daarin niet. In de vorige uitspraak is al geoordeeld dat er een risico op onttrekking bestaat, omdat eiser zich meermaals niet heeft gemeld en met onbekende bestemming is vertrokken. Uit de vertrekgesprekken blijkt niet dat eiser actief werkt aan zijn terugkeer naar Algerije, zoals hiervoor is weergegeven. In de enkele verklaring dat hij wil terugkeren, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister kan volstaan met een lichter middel.

7. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.

Artikel delen