Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening, omdat is beslist op het samenhangende beroep (ECLI:NL:RBDHA:2026:14626).
Rechtbank Den Haag 1 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:14627
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2026
Datum publicatie
01-06-2026
Zaaknummer
NL26.3870
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBDHA:2026:14627text/xmlpublic2026-06-01T21:22:152026-06-01Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-06-01NL26.3870UitspraakVoorlopige voorzieningNLDen HaagBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14627text/htmlpublic2026-06-01T21:20:462026-06-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:14627 Rechtbank Den Haag , 01-06-2026 / NL26.3870 Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening, omdat is beslist op het samenhangende beroep (ECLI:NL:RBDHA:2026:14626).
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3870 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker, V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A.J. Rossingh). Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd. 1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep van verzoeker. Hieraan hebben deelgenomen: de waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, mr. M. Pater, en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep van verzoeker, en dat beroep gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om deze reden af. 3. Omdat het samenhangende beroep gegrond is verklaard, krijgt verzoeker vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Voor het verschijnen ter zitting is in de uitspraak op het beroep al een punt toegekend. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer NL26.3869.