Beroep ongegrond. Aanvraag bijstand terecht afgewezen ivm niet aannemelijk gemaakt hoofdverblijf.
Rechtbank Den Haag 1 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:15717
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2026
Datum publicatie
01-07-2026
Zaaknummer
SGR 24/87
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:15717text/xmlpublic2026-07-01T18:00:142026-06-11Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-06-17SGR 24/87UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLDen HaagBestuursrecht; SocialezekerheidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15717text/htmlpublic2026-06-22T12:07:112026-07-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:15717 Rechtbank Den Haag , 17-06-2026 / SGR 24/87 Beroep ongegrond. Aanvraag bijstand terecht afgewezen ivm niet aannemelijk gemaakt hoofdverblijf.
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/87
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M.K. Bhadai), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. M. Mos). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een bijstandsuitkering. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 20 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 november 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Betalingsonmacht 3. De rechtbank ziet aanleiding het beroep op betalingsonmacht te honoreren. Eiseres is daarom vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 4. Eiseres is in 2022 verhuisd naar [land] . Zij is gehuwd en haar echtgenoot woont in [land] . Begin januari 2023 is zij alleen met haar zoon, geboren [maand 1] 2021, teruggekomen naar Nederland. Zij was toen ook zwanger van haar tweede kind (uitgerekende datum medio [maand 2] 2023). Op 16 januari 2023 heeft eiseres zich gemeld bij het college voor het aanvragen van een briefadres in [plaats] . In april 2023 is het briefadres verstrekt aan eiseres. Eiseres heeft vervolgens op 28 april 2023 een aanvraag gedaan om een bijstandsuitkering. In het digitale aanvraagformulier heeft zij als gewenste ingangsdatum 18 januari 2023 ingevuld. Vanaf medio juni 2023 ontvangt zij een bijstandsuitkering van de [gemeente] . 5. De te beoordelen periode is 18 januari 2023 (de gewenste begindatum van de bijstandsuitkering) tot en met 20 juni 2023 (datum primaire besluit). 5.1. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager rust. Ook van iemand die dakloos is, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Dit betekent concreet dat eiseres feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die duidelijkheid geven over haar woon- en leefsituatie en over haar financiële situatie. Vervolgens is het aan het college om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Als eiseres niet aannemelijk maakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Dit is vaste rechtspraak. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven adres. Het volgende is van belang. 5.3 Eiseres heeft bij haar aanvraag aangegeven dat zij woont op het adres [adres] te [plaats] . Zij staat daar echter niet ingeschreven omdat zij een woning zoekt en op verschillende adressen verblijft. Blijkens het rapport van de aanvraag heeft eiseres op 2 mei 2023 en 26 mei 2023 telefonisch verklaard dat zij het adres [adres] gebruikt als postadres, dat dit het adres is van een vriendin, dat zij daar niet kan verblijven, dat zij feitelijk verblijft in [gemeente] bij haar zus maar dat zij zich daar niet kan inschrijven omdat haar zus een bijstandsuitkering ontvangt. In de rapportage Brede Intake staat dat eiseres op 18 mei 2023 heeft verklaard dat zij zowel bij haar moeder en zus in [gemeente] en tot voor kort (ook) bij haar vriendin in [plaats] verbleef. Zij maakt niet zo vaak meer gebruik van deze optie omdat de man van haar vriendin dat niet zo leuk vindt. 5.4 Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij verkeerd is begrepen en dat haar telefonische verklaringen verkeerd zijn uitgelegd door het college. Er had meer doorgevraagd moeten worden. Zij verbleef voornamelijk bij vrienden of kennissen in [plaats] . Zij verbleef slechts af en toe bij haar zus in [gemeente] omdat zij daar soms verplicht moest zijn. Dit onder andere vanwege het aanvragen van een geboorte uittreksel voor haar jongste kind dat in [gemeente] is geboren. De rechtbank is van oordeel dat de gegeven toelichting onvoldoende concrete feiten en omstandigheden bevat die aannemelijk maken dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van eiseres zich wel in [plaats] bevond en dat zij verkeerd zou zijn begrepen. Blijkens het dossier heeft het college eiseres tot tweemaal (brieven van 2 mei 2023 en 26 mei 2023) toe gevraagd om aan te geven op welk adres zij elke dag van de week overnacht. Op 9 mei 2023 heeft eiseres schriftelijk gemeld dat zij vaak bij haar vriendin in [plaats] is op het adres [adres] maar dat zij daar niet altijd is, zoals eerder aangegeven. Zij is dakloos en verblijft daarom elke dag op verschillende adressen. Op 30 mei 2026 heeft eiseres nogmaals per mail aangegeven dat zij geen vaste verblijfadres heeft en dat zij dat al sinds januari 2023 heeft aangegeven. Dat is in lijn met haar telefonische verklaringen hierover. Hieruit volgt ook dat eiseres geen concrete feiten heeft gegeven over haar werkelijke verblijfplaats. Het college heeft ter zitting terecht opgemerkt dat onderzoek naar haar werkelijke verblijfplaats daardoor niet mogelijk was. Verder is van belang dat uit de overgelegde bankafschriften (periode 1 november 2022 tot en met 2 mei 2023) blijkt dat er slechts 4 pintransacties hebben plaatsgevonden in [plaats] (NS [plaats] op 19 januari 2023, pasfoto Direct op 24 januari 2023, SDK Centrum op 27 januari 2023 en Kiosk [plaats] op 24 april 2023). De overige pintransacties voor onder andere boodschappen (Kruidvat, Action, Jumbo, Albert Heijn) en enkele geldstortingen zijn gedaan in [gemeente] . Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J.Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2034